Bijlage 1: Verordening fysieke leefomgeving (excl. geurnormen)
Tekst van het document
3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, of de Havenbeheersverordening Meierijstad. Artikel 8.21 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Havenbeheersverordening Meierijstad. 4.
Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 8.22 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Havenbeheersverordening Meierijstad. Artikel 8.23 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 8.24 Veiligheid op het water 1.
Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Havenbeheersverordening Meierijstad. Artikel 8.25
Overlast aan vaartuigen
20
1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 8 . Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 8.26 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 8.27 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.
Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b.
binnen de bij of krachtens de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 21
5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 9 Kabels en leidingen Artikel 8.28 Verbod objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 9 t/m 15 Gereserveerd
HOOFDSTUK 16
TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 16.1 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. de door burgemeester en wethouders krachtens artikel 5.10 en 5.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen personen; b. de ambtenaren van het werkatelier Vergunningen, toezicht en handhaving; c. de ambtenaren van het werkatelier Openbare orde en veiligheid; d. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; e. de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen. Artikel 16.2 Strafbaarstelling Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, waaronder ook begrepen de zorgplichtbepalingen, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 16.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
HOOFDSTUK 17
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 17.1 Wijziging van regelingen De volgende verordeningen worden gewijzigd: a. De Algemene plaatselijke verordening Meierijstad wordt gewijzigd conform de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad (7e wijziging);
22
b. De Bouwverordening gemeente Meierijstad wordt gewijzigd conform de Verordening tot wijziging van de Bouwverordening gemeente Meierijstad (1e wijziging). Artikel 17.2 Intrekking van regeling De Erfgoedverordening Meierijstad 2018 wordt ingetrokken Artikel 17.3 Nieuwe grondslag voor beleidsregels De nadere regels en aanwijzingsbesluiten gebaseerd op bepalingen die worden gewijzigd door deze verordening of door de verordeningen bedoeld in artikel 17.1, en de nadere regels en aanwijzingsbesluiten gebaseerd op bepalingen van verordeningen die bij deze verordening worden ingetrokken, blijven van kracht. Burgemeesters en wethouders zijn bevoegd om de nummering en de titel in de verwijzing van die nadere regels en aanwijzingsbesluiten te wijzigen met het oog op deze verordening. Artikel 17.4 Overgangsbepalingen 1. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening. 2. Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad, gelden als vergunning of ontheffing op grond van deze verordening volgens het volgende schema. APV Verordening fysieke leefomgeving 2:10 8.13 2:11 8.14 2:12 8.15 2:22 8.28 4:6 8.12 4:18 8.19 3.
Aanwijzingen op grond van de Erfgoedverordening gemeente Meierijstad, gelden als aanwijzingen op grond van deze verordening. 4. Vergunningen verleend op grond van de Erfgoedverordening gemeente Meierijstad gelden als vergunning op grond van deze verordening. Artikel 17.5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking. Artikel 17.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (1e tranche).
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van Meierijstad, d.d. 1 april 2021 De griffier,
De voorzitter,
A.F.J. Franken
Ir. C.H.C. van Rooij
23
Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad Bijlage 1 (Gereserveerd) Bijlage 2 Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad (7e wijziging) Bijlage 3 Verordening tot wijziging van de Bouwverordening Meierijstad (1e wijziging)
24
Toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad Toelichting algemeen Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, de beheersverordeningen, milieuregels en regels uit (andere) lokale verordeningen, die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Lokale verordeningen De regels over de fysieke leefomgeving staan nu nog verspreid over diverse verordeningen. Daarbij is er geen overzicht over welke regels het precies gaat.
Daarom is besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (hierna: VFL) te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan. Hoofdbestanddeel van deze verordening zijn dus bestaande bepalingen die -geheel of deelsworden overgeheveld vanuit andere verordeningen zoals de APV, Bouwverordening, en Erfgoedverordening Uitzondering op dit uitgangspunt is het hoofdstuk over hemel- en grondwaterafvoer. Een regeling over de afvoer van hemelwater en grondwater is niet eerder vastgesteld. Deze nieuwe regeling in hoofdstuk 6 van deze verordening volgt uit de ambitie opgenomen in de omgevingsvisie en sluit aan bij de beleidsuitgangspunten van het VGRP. De regels in deze verordening kunnen onder de huidige wetgeving niet worden opgenomen in bestemmingsplannen, omdat de regels niet de ruimtelijke ordening betreffen. De regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen zullen uiterlijk op 1-1-2029 moeten worden verwerkt in het omgevingsplan. De verordeningen (of onderdelen van deze interim verordening) kunnen per thema overgeheveld worden naar het omgevingsplan.
Tot dat gedaan is kunnen ze zelfstandig gehanteerd blijven worden en ook zelfstandig nog gewijzigd worden. Tweede tranche Deze verordening bevat nog niet alle bepalingen die op grond van de Omgevingswet moeten of kunnen worden overgeheveld van plaatselijke verordeningen naar het nieuwe omgevingsplan. Die omzetting dient, naar nu bekend, op het laatst op 1 januari 2029 te hebben plaatsgevonden. Nog niet in deze tranche opgenomen zijn de volgende regelingen die moeten of kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan: de Havenbeheersverordening Meierijstad; • de Beheersverordening begraafplaatsen Meierijstad (grafbedekkingen); • de AVOI (Algemene verordening ondergrondse infrastructuur) Meierijstad (exclusief het deel van die verordening dat is gebaseerd op de Telecommunicatiewet);
25
• • •
de Marktverordening Meierijstad; de Afvalstoffenverordening; APV bepalingen over standplaatsen (5:18 APV).
Voor de betreffende regelingen zijn in de VFL hoofdstukken gereserveerd. Uiterlijk in 2021 zal bezien worden of en zo ja hoe deze verordeningen/bepalingen worden meegenomen in de tweede tranche van deze verordening. Niet in de VFL opgenomen zijn voorts de volgende verordeningen of bepalingen uit de APV die naar verwachting niet in het omgevingsplan mogen of zullen opgaan. • de Wegsleepverordening; • de Verordening speelautomatenhallen; • Belastingverordeningen; • Algemene Inspraakverordening; • Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2018; • APV: bepalingen die bevoegdheden bevatten van de burgemeester (o.a. samenscholingen, evenementen, nachtinrichtingen, sluiting gebouwen, gevaarlijke honden, seksinrichtingen, cameratoezicht, snuffelmarkten) en bepalingen over: hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (2:15 APV); rookverbod in natuurgebieden (2:18 APV); verbod plakken en kladden (2:42 APV); verboden gedragingen in openbare ruimte (2:45 -2:53 APV); loslopende honden (incl. uitrengebieden) (2:57 APV); het houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (2:60 -2:64 APV); parkeerexcessen (5:1 – 5:12 APV); collecteren, ledenwerving en venten 5:13- 5:15 APV).
Uitgangspunt verordening: geen nieuw beleid Deze verordening bevat, behalve de hierna te bespreken hoofdstukken over Afvoer hemelwater en grondwater en Geurhinder en veehouderij en de invoering van een algemene zorgplichtbepaling en enkele bijzondere zorgplichtbepalingen geen nieuw beleid.
Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Definities Een aantal begrippen uit de Omgevingswet wordt opgenomen in deze verordening, omdat de Omgevingswet nog niet van kracht is. Deze artikelen kunnen vervallen op het moment dat Omgevingswet van kracht wordt. Bouwwerk: Dit is de definitie uit de Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk. Cultureel erfgoed: verwezen wordt naar de definitie opgenomen in de Erfgoedwet. Die luidt als volgt: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en
26
toekomstige generaties een referentiekader bieden. De wet omschrijft cultuurgoed als : roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Fysieke leefomgeving: Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting: De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet. In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in huidige wetgeving wordt hiermee gewerkt. Openbare plaats: Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Dit artikel is nieuw. De eerste tranche van de VFL bevat regels die voorheen waren opgenomen in de Erfgoedverordening 2018 en een deel van de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de Bouwverordening. Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijde van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2022 van kracht wordt.
Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige omgevingsplan. Artikel 1.3 Doelen van de verordening Het eerste lid geeft het doel van deze verordening. Het tweede is gebaseerd op de Omgevingswet en geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening
HOOFDSTUK 2 REGELS TER INSTANDHOUDING, BESCHERMING, ONDERHOUD EN BEHEER Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. De functies van de zorgplicht zijn: bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen, bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie). Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
27
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten. Artikel 2.3 Algemene zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving en is ter vervanging van artikel 11 van de Erfgoedverordening 2018. Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Het eerste lid bepaalt dat het verbod geldt ook voor een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument. Uit het tweede en derde lid volgt dat de zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten, beschermd stads- en dorpsgezicht en archeologische monumenten.
Meierijstad heeft op het gebied van archeologie op dit moment alleen rijksmonumenten. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.7 Specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.8 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting Dit artikel is ter vervanging van artikel 2:21 APV. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
HOOFDSTUK 3 PROCES, PROCEDURE EN ADVIESCOMMISSIE Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Deze verordening kent een aantal vergunningen die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Een van de regels is dat burgemeester en wethouders niet altijd het bevoegd gezag zijn dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een andere bevoegd gezag voor burgemeester en wethouders wordt gelezen het bevoegd gezag volgens de Wet algemene
28
bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als hiervan bij een vergunningplicht sprake kan zijn, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld. Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. De behandeling van de aanvraag wordt dan voortgezet door het bevoegd gezag. Deze doorzendplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1 Wabo. Artikel 3.2 Indienen aanvraag, melding of verzoek om ontheffing Op de (onvolledige) aanvraag zijn tevens de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In het bijzonder de bepalingen van hoofdstuk 4 Awb. Het eerste lid geeft de procedure voor de indiening van aanvraag van een vergunning, de melding van activiteiten en de indiening van plannen, verslagen of andere stukken daarover. Er wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgestelde digitale procedure met formulieren. De indiening vindt plaats via www.meierijstad.nl. Een aanvraag of melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt ingediend via www.omgevingsloket.nl. Een aanvraag mag strikt genomen nog op papier worden ingediend maar dit is gezien de voortschrijdende digitalisering van de procedures niet wenselijk. Het gebeurt nog maar zeer beperkt.
Om deze redenen is hiervoor geen aparte procedure meer opgenomen. In het enkele geval dat een aanvraag op papier is ingediend, krijgt de aanvrager naast het digitale besluit ook het besluit op papier toegestuurd. Wanneer de aanvrager geen digitale post kan ontvangen of geen mailadres heeft opgegeven, ontvangt hij het alleen op papier. Tweede lid Deze bepaling heeft specifiek betrekking op de melding als bedoeld in artikel 6.5 (aanbrengen bebouwing en verharding) en 8.8 (een incidentele festiviteit horeca inrichting). Artikel 3.3 Beslistermijn De termijn van 8 weken is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet. Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager krijgt hiervan bericht van burgemeester en wethouders met het verzoek om de aanvraag aan te vullen. Dit is een uitnodiging in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het bericht bevat een termijn waarbinnen de gelegenheid is om de aanvraag aan te vullen. Geadviseerd wordt om een aanvraag tijdig in te dienen, bij voorkeur veertien weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
Door het tijdig indienen van de aanvraag bereikt de aanvrager dat burgemeester en wethouders tijdig een besluit kunnen nemen over de benodigde vergunning. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit. Artikel 3.4 Voorschriften Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Voorschriften kunnen ook beperkingen inhouden. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden. Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:6 APV, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 13 van de Erfgoedverordening. 29
Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden. Zo bevat artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd. Artikel 3.7 Adviescommissie kwaliteit leefomgeving De Omgevingswet regelt dat adviezen over welstand en erfgoed worden gevraagd een geïntegreerde commissie. Artikel 3.7 is gereserveerd voor deze commissie, zodra deze wordt ingesteld. Tot die tijd geldt dat de welstandscommissie op grond van hoofdstuk 9 van de bouwverordening adviseert en de monumentencommissie op grond van het hierna te noemen artikel 4.4a.
HOOFDSTUK 4 GEMEENTELIJK MONUMENT, GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN EISEN AAN ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Artikel 4.1 Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking tot de fysieke leefomgeving. Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Erfgoedverordening 2018. Het vierde lid bepaalt dat bij het wijzigen van een inschrijving het register dezelfde procedure geldt als bij de inschrijving in het register.. Artikel 4.3. (Voornemen) tot aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 3 en 4 van de Erfgoedverordening 2018 Het regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument.
Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. 30
Voornemen tot aanwijzing Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar.
Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 4.4 Voorbescherming Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 5 van de Erfgoedverordening 2018.Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Artikel 4.4a Dit artikel regelt de advisering door de gemeentelijke monumentencommissie. Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.
Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. Onder de Omgevingswet zal een adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten.
Artikel 4.4a zal komen te vervallen als de commissie kwaliteit leefomgeving wordt ingesteld.
31
Artikel 4.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016. Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 8 van de model Erfgoedverordening 2018 Het eerste lid geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. De in het tweede omschreven registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Artikel 4.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 9 van de model Erfgoedverordening 2016 Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 4.4a pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van 2.5 en paragraaf geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt, vervalt de bescherming. Artikel 4.8. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de Erfgoedverordening 2018. Het bepaalt dat bij een wijziging , intrekking of vervallenverklaring van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.
Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 4.9 . Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 2.5 en paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Artikel 4.10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a.
dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure 32
geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. 4.11 Omgevingsvergunning voor wijzigen of slopen monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en artikel 12 en 13 van de Erfgoedverordening In het vijfde lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het zesde lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 4.12 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Dit artikel is gebaseerd op artikel 15 van de Erfgoedverordening 2018. Zie de toelichting bij artikel 4.4a. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988).
Artikel 4.13 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel borgt dat het stads- of dorpsgezicht ook al beschermd is in de periode dat bestemmingsplan voorbereid wordt. Zodra het bestemmingsplan als bedoel in artikel 4.8, vijfde lid van kracht is, vindt handhaving plaats op basis van het bestemmingsplan. Artikel 4.14 Slopen in gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de Erfgoedverordening 2018. Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft gemeente de mogelijkheid om op basis van een verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stadsen dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 4.15 Eisen archeologisch onderzoek Dit artikel is gebaseerd op artikel 22 van de Erfgoedverordening 2018. Nederland heeft in 1992 het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Doelstellingen zijn behoud en bescherming van archeologische waarden en verankering van die waarden in het ruimtelijk ordeningsproces. In 1999 is Nederland begonnen het Verdrag van Valletta in wetgeving om te zetten.
De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft vier wetten gewijzigd: de Monumentenwet 1988, de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet. De monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening leggen de gemeente de verplichting op de archeologische waarden aantoonbaar in het ruimtelijke ordeningsproces te verankeren en de kwaliteit van het archeologisch onderzoek te waarborgen. De gemeente dient zelf bij ruimtelijke ontwikkelingen het behoud en de integratie van archeologische waarden aantoonbaar af te wegen tegen andere (economische, sociale, maatschappelijke, ecologische) belangen. Hiervoor zijn inzichtelijk beleid en proces- en kwaliteitsregels nodig. In dit artikel stellen burgemeester en wethouders de eisen vast waaraan archeologisch onderzoek moet voldoen (art. 38.lid 1 van de Monumentenwet) overeenkomstig de door de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie (KNA) verplichte gefaseerde aanpak. Na elke fase wordt een afweging gemaakt om het archeologisch erfgoed al dan niet te behouden. De gefaseerde aanpak beoogt maatwerk. Het startpunt is de waardestelling (fase 1: bureauonderzoek), waarmee een inhoudelijke keuze wordt gemaakt ten aanzien van het vervolgproces. Een tweede belangrijk 33
punt is dat de kwaliteit van het archeologisch onderzoek geborgd wordt door het vaststellen van een programma van eisen. Het selectiebesluit betreft een gemotiveerd besluit tot het al dan niet behouden van een archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen. Artikel 21. Vangnet archeologie Deze bepaling is een vangnet voor die bestemmingsplannen waarin nog niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen.
De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. HOOFDSTUK 5
BOMEN EN HOUTOPSTANDEN (Gereserveerd)
Zodra de in de Bomenverordening Meierijstad genoemde Groene kaart is vastgesteld kan de bomenverordening in deze verordening worden geïntegreerd. Daarvoor wordt dit hoofdstuk gereserveerd.
HOOFDSTUK 6
AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER
Toelichting Algemeen De idee dat hemelwater zo snel mogelijk wordt afgevoerd via goten, regenpijpen, drainagebuizen en riolering raakt achterhaald. Oostelijk Noord-Brabant is erg gevoelig voor een tekort aan water. We beleven nu het derde jaar op rij met een neerslagtekort. En dat terwijl het waterverbruik hoog blijft, denk maar aan zwembaden in particuliere tuinen, luxe douchecellen en irrigatie in de landbouw. Door watertekort ontstaan natuurschade en economische schade. De aanwezigheid van meer oppervlaktewater in stedelijk gebied kan daarnaast helpen om hittestress tegen te gaan. Het is van belang om hemelwater dat van gebouwen en percelen afstroomt vast te houden om het daar te benutten, en om hemelwater meer te laten infiltreren in de bodem opdat het grondwater wat aangevuld wordt. Hiervoor is een mix aan instrumenten in te zetten. Bijvoorbeeld het bevorderen van duurzaam bouwen, met gescheiden watercircuits, en het stimuleren van installatie van regentonnen en van het groener maken van tuinen. Maar ook een hemelwaterverordening past in deze mix. Deze verordening doorbreekt de idee dat hemelwater alleen maar af te voeren is naar de riolering. Overigens heeft schoon hemelwater geen meerwaarde voor de rioolwaterzuiveringsinstallaties: deze zijn niet voor ‘’dun’’ hemelwater gebouwd maar voor echt het afvalwater van huishoudens.
34
Fasering Het beter benutten van hemelwater, of afkoppelen van de vuilwaterriolering, gebeurt gefaseerd. In dit hoofdstuk is het uitgangspunt opgenomen dat bij nieuwbouw alleen nog in uitzonderlijke situaties hemelwater wordt afgevoerd naar de riolering. Daarnaast kunnen gebieden aangewezen worden waar ook bestaande bebouwing afgekoppeld dient te worden. Die aanwijzingen zullen maatwerk zijn. Wat dan meeweegt zijn de locatie specifieke kansen op wateroverlast en/of hittestress, de planning van grote investeringen in de openbare ruimte of nutsvoorzieningen zoals riolering, warmtenet, enz. Deze gefaseerde invoering van de juridische plicht om af te koppelen gaat gepaard met ondersteuning voor eigenaren / gebruikers. Het geheel van deze aanpak wordt nader vervat in de omgevingsvisie en een programma op basis van de Omgevingswet (een programma dat het VGRP+ opvolgt). Artikelsgewijs Artikel 6.1 Doel van de regels in dit hoofdstuk Behoeft geen toelichting. Artikel 6.2 – Definities Drainage & Grondwater: Voor de begrippen drainage en grondwater is aangesloten bij de Brabantkeur. Infiltratie: Infiltratie van hemelwater is het proces waarbij regenwater en grondwater nadat het aan de oppervlakte is gebracht wegzakt in de bodem. De snelheid waarmee dit gebeurt, hangt af van de bodembedekking (bv verharding of beplanting) en de eigenschappen van de bodem.
Stedelijk afvalwater: Voor dit begrip is aangesloten bij de definitie zoals omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Water afkomstig van een particulier zwembad wordt gerekend tot stedelijk afvalwater. Voor de overige begrippen is aangesloten bij gebruikelijke definities in het werkveld (o.a. stichting Rioned). Artikel 6.3 - Reikwijdte van dit hoofdstuk Eerste lid – lozingen binnen inrichtingen / vanuit de openbare weg De verordening is niet van toepassing op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Het lozen van hemelwater en grondwater op de riolering is voor inrichtingen geregeld in het Activiteitenbesluit. Daarin staat dat lozing van afstromend hemelwater op een vuilwaterriool alleen is toegestaan als lozing in een schoon-waterstelsel, het oppervlaktewater of de bodem niet mogelijk is. Daarmee wordt dus hetzelfde geëist als wat in de verordening is aangegeven en is het dus niet nodig om de verordening van toepassing te verklaren op inrichtingen volgens het Activiteitenbesluit. Er bestaat wel een verschil in de complexiteit van lozingen bij inrichtingen en de overige bouwwerken, in die zin dat bijvoorbeeld de verontreinigingen van het hemelwater bij de eerstgenoemde veel groter kunnen zijn. Dit brengt met zich mee dat vaker eisen ten aanzien van voorzuivering aan de orde zijn.
De gemeente kan de openbare weg, waarin normaliter goten en putten voor de hemelwaterafvoer liggen, ook generiek uitsluiten van de gebiedsaanwijzing. De beheerder van het openbare riool is immers zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater dat op de openbare weg valt. Hij hoeft zichzelf geen lozingsverbod op te leggen. De beheerder beschrijft in het VGRP hoe hij met dit hemelwater wil omgaan en handelt daar ook naar. Tweede lid – bestaande bouwwerken Deze verordening is van toepassing op alle nieuwe bouwwerken en verharde oppervlakken. Bestaande situaties hoeven dus niet per ommegaande, verplicht aangepast te worden als gevolg
35
van deze verordening. Echter, uit de definities (zie artikel 6.2) volgt dat deze verordening wel van toepassing is bij alle wijzigingen aan bestaande bouwwerken en/of verharde oppervlakken. In geval van wijzigingen aan (bestaand) verhard oppervlak ontstaat namelijk - over het algemeen de gelegenheid om (ondergrondse) voorzieningen te realiseren, in combinatie met voorzieningen die inpandig gerealiseerd kunnen of moeten worden. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders gebieden aanwijzen waarbinnen het verbod ook geldt voor bestaande bouwwerken en verhardingen. Zie toelichting bij dat artikel. Via communicatie en voorlichtingsactiviteiten zal de gemeente de initiatiefnemers bij zoveel mogelijk activiteiten ook motiveren en informeren over de mogelijkheden van anders – duurzamer – omgaan met hemel- en grondwater op het eigen terrein. Artikel 6.4 – Verbod op lozen van hemelwater op de riolering Eerste lid – verbod op lozen hemelwater De gemeenteraad heeft de invulling van de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater in het geformuleerd in het (Verbreed) Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). De basis voor het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering is in de Wetmilieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het VGRP.
Het VGRP bevat een beleidsvoornemen over het niet lozen van hemelwater en grondwater op de riolering van zowel openbaar als particulier terrein. Het lozingsverbod is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook open erf of terrein. Het verbod betreft dus het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en onder meer via een dakgoot, regenpijp en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Maar ook het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via onder meer goten, putten en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht, is bijvoorbeeld een terras, oprit, parkeerterrein of laad- en losperron. Tweede lid - Op eigen terrein verwerken In wezen is de regel simpel: hemelwater mag niet op de riolering worden aangesloten. Dit houdt veelal in dat het op eigen terrein verwerkt moet worden. In de methode van verwerken is de ‘ontdoener’ vrij. De voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is: 1. hergebruik; 2. infiltreren in de bodem; 3. bergen; en 4. afvoeren. Afvoer naar oppervlaktewater vereist meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur. Ook op locaties waar een gescheiden gemeentelijke riolering aanwezig is voor vuilwater en hemelwater, geldt dat het hemelwater in principe op eigen terrein verwerkt moet worden.
Uit ons onderzoek blijkt dat de ambitie van 60 mm redelijk uitvoerbaar blijft; deze norm sluit ook aan bij die in de Keur. Aansluiting van hemelwater op het gemeentelijk hemelwaterstelsel is alleen mogelijk na toestemming van de beheerder. In de Waterwet en het Burgerlijk wetboek is reeds geregeld dat het op eigen terrein te verwerken water niet mag leiden tot overlast op naburige percelen. Drukriolering heeft onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag hierop alleen (stedelijk) afvalwater aangesloten worden en geen hemelwater. Indien een perceel is aangesloten op drukriolering, moet dus al het hemelwater op eigen perceel verwerkt worden. Bij de berekening van de benodigde capaciteit vormt de norm van ten minste 20 mm een geschikte en goed uitvoerbare indicatie. Lid 2b – Groene daken De aanleg van een groen dak wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben, waaronder de berging van minimaal circa 15 mm (per m2 dak) hemelwater. Daarom wordt voor het 36
oppervlak aan groen dak geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. De norm van 60mm geldt dus niet voor het oppervlak aan groen dak. Vanzelfsprekend moet voorzien worden in de afvoer van overtollig hemelwater vanaf een groen dak bij hevige neerslag (meestal het overschot boven 15mm). De wijze van aansluiting is geregeld in het Bouwbesluit. Lid 2c – Instandhouding voorzieningen Met deze verordening wordt ook de instandhouding van de voorzieningen geregeld. Ongewenste latere aanpassingen aan de afvoer van hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater vallen binnen deze verordening. Hierop kan handhavend opgetreden worden. Lid 2d – Instandhouding berging Bij elke ingreep geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet af mag nemen. Als op het perceel dus meer waterberging aanwezig was, moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterwaterberging gerealiseerd worden. Derde lid – Gebiedsaanwijzing Een gebiedsaanwijzing is een besluit van algemene strekking. Dit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het lozingsverbod geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen, voor zover deze binnen de gebiedsaanwijzing liggen en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat.
Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbare riool rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen. De in de gebiedsaanwijzing te noemen termijn moet voldoende ruimte laten voor de eventuele beroepsfase tegen de gebiedsaanwijzing en voor de eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen om de werkzaamheden te kunnen (laten) verrichten. Een termijn van 6 weken zal als minimaal uitgangspunt gelden. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4 Awb, is van toepassing op de gebiedsaanwijzing. Hierdoor duurt de voorbereiding van een besluit iets langer. Daar staat tegenover dat de bezwaarschriftenfase na het nemen van het besluit vervalt. Aangezien een gebiedsaanwijzing een concretiserend besluit van algemene strekking is, moet de gemeente het besluit bekendmaken door kennisgeving in een huis-aan-huisblad (art. 3:42 lid 2 Awb). Ontluchting De ontluchting van het rioolstelsel verdient bijzondere aandacht. Vaak vindt ontluchting plaats via een bovendakse uitmonding. Het beëindigen van de hemelwaterlozing kan de ontluchting belemmeren of minder effectief maken.
Als de gemeente kan voorzien dat door het lozingsverbod in het hoofdriool ontluchtingsproblemen ontstaan en er geen goede oplossing beschikbaar is dan wel deze onevenredig hoge kosten veroorzaakt, is de gebiedsaanwijzing niet mogelijk. De gemeente moet in het VGRP aandacht besteden aan deze problematiek. Vierde en vijfde lid – Ontheffing Artikel 10.32a tweede lid Wet milieubeheer luidt: ‘Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruik gemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd’. Dit is de basis voor de mogelijkheid om op grond van het vierde lid ontheffing te verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot het niet aansluiten op de riolering en/of op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening of een zuiverende voorziening. Indien een ontheffing verleend is door het bevoegd gezag voor lozing op de (gemengde) riolering, dan vervalt deze zodra een gemeentelijke hemelwatervoorziening is aangelegd. Vanaf dat moment 37
moet de perceeleigenaar voorzieningen treffen om het hemelwater op dat nieuwe stelsel te lozen en niet meer op de (gemengde) riolering. Een afwijking of ontheffing dient afgewogen te worden in het proces van de Omgevingsvergunningen/of Watertoets en waterparagraaf. Daarvoor kan er om een nader onderzoek gevraagd worden. Bijvoorbeeld het aantonen dat infiltratie niet mogelijk is met o.a. representatief bodemonderzoek of infiltratieonderzoek. Of aantonen dat er bijv. ruimtegebrek is of dat er nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan. Als voorbeeld kan gedacht worden aan de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging in de nabijheid, die door infiltratie verplaatst kan worden. Artikel 6.5 – Melding Om zicht te houden op de ontwikkeling van het verhard oppervlak, is in artikel 6.5 een meldplicht voorgeschreven. Degene die nieuwe bebouwing of nieuw verhard oppervlak aanbrengt, moet dit melden bij de gemeente. Een melding is niet vereist als de eigenaar een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen heeft ingediend bij de gemeente. In dat geval is de aanleg van de bebouwing immers al bekend bij de gemeente. De in artikel 6.5, tweede lid vermelde tekening(en) mogen – in geval van eenvoudige (nietomgevingsvergunningplichtige) activiteiten – bestaan uit eenvoudige, schetsmatige tekeningen van de geplande en gerealiseerde situatie ter plaatse.
In alle gevallen blijft het echter aan de beheerder om aan te geven welke mate van detail in het betreffende geval nodig is voor een juiste beoordeling dan wel verwerking van de melding. Indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet kan ook voor betrekkelijk eenvoudige plannen aanvullende informatie noodzakelijk zijn. Artikel 6.6– Vrijstelling bij extreme buien Op drukriolering mag nooit hemelwater aangesloten worden, dus ook niet bij extreme regenval. Bij initiatieven dient indien mogelijk gekeken te worden naar de gevolgen van zeer hevige neerslag (T= 100 jaar en extremer). Deze doorkijk moet inzicht geven in waar het water bij die extreme neerslag heen stroomt (op basis van hoogteligging) en of dit tot overlast of schade kan leiden. Zo nodig worden in het plan maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Ten behoeve van buien groter dan 20 mm wordt aanbevolen om een ontlastput aan te brengen conform de NEN 3215. Bij extreme neerslag is het toegestaan om het hemelwater via de ontlastput bovengronds af te voeren naar openbaar gebied. Indien een ontlastput niet volstaat en maatwerk nodig is, dan is dit conform artikel 6.6, tweede lid alleen mogelijk in samenspraak met de beheerder. De voorziening voor extreme buien moet altijd aangegeven zijn op de stukken bij de melding, op basis van artikel 6.5.
Artikel 6.7 - Kwaliteit af te voeren water De ontdoener heeft een zorgplicht ten aanzien van de (goede) kwaliteit van het af te voeren en te infiltreren hemelwater en grondwater. De verwerking van het hemelwater en grondwater mag daarom niet leiden tot verontreiniging van het ontvangende medium, zoals bodem, grondwater, oppervlaktewater, etc. Aangenomen mag worden dat het hemelwater van voldoende kwaliteit is als het afstroomt over niet-afspoelende en niet-uitlogende materialen en er geen verontreinigende activiteiten op deze oppervlakken plaatsvinden. Verontreinigende activiteiten zijn bijvoorbeeld autowassen, besproeiing met onkruidbestrijdende middelen, lozing van verfmiddelen (kalk of iets dergelijks) of lekkage van oliën. De gemeente ontraadt hemelwater en grondwater dat in contact is geweest met zink, koper of lood zonder zuiverende randvoorziening (zoals bodemverrijking) of bronmaatregel (zoals coaten of vervangen dakgoot) direct naar de bodem af te voeren. Zuivering Om aan de zorgplicht te voldoen, kan het nodig zijn een filter toe te passen. Met beheersmaatregelen (vervangen vulmateriaal, afvoeren verontreinigd vulmateriaal) moet voorkomen worden dat een verontreiniging doorslaat naar de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater. Na de 38