Bijlage 1: Verordening fysieke leefomgeving (excl. geurnormen)
Tekst van het document
Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) De raad van Meierijstad, Overwegende, dat de Omgevingswet voorschrijft dat bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk opgenomen worden in een omgevingsplan; dat het, vooruitlopend op de inwerkingtreding van die wet, wenselijk is bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving nu alvast onder te brengen in een verordening; gelet op artikel 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.18, eerste lid onder f. en g. en vijfde lid en artikel 2.21 en 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; besluit: Vast te stellen de
Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) (1e tranche) HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: APV: Algemene plaatselijke verordening Meierijstad; archeologisch monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; archeologisch onderzoek: werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; archeologisch veldonderzoek: inventariserend veldonderzoek en archeologische opgraving conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; beschrijving: een rapportage van de bouwhistorische, architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of archeologische waarden; bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het bevoegd gezag bedoeld in die wet; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een
bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoen aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; cultureel erfgoed: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; 1
-
-
-
-
-
-
-
gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; inrichting: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet (een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit); kerkelijk monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; NEN: de Nederlandse norm voor een specifiek product, dienst of proces, zoals uitgegeven door de NEN; omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van die wet; openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; programma van eisen (in relatie tot archeologie): programma waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch
onderzoek conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of voor de uitvoering van bovengronds cultuurhistorisch onderzoek een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma voor het ontwerp en de uitvoering van het cultuurhistorisch onderzoek; selectiebesluit: een gemotiveerd besluit van burgemeester en wethouders tot het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen; stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet, en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel 1.3 Doel van de verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. 2. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 3. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
HOOFDSTUK 2
ALGEMENE REGELS TER INSTANDHOUDING, BESCHERMING, ONDERHOUD EN BEHEER FYSIEKE LEEFOMGEVING 2
Artikel 2.1 Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te stellen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, draagt er zorg voor dat het stabiel is geplaatst, geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid, de doorstroming van het verkeer niet belemmert en houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen. 2. De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 3. Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.
Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.8 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De zakelijk of persoonlijk rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
3
HOOFDSTUK 3 PROCES, PROCEDURE, WEIGERINGS- EN INTREKKINGSGRONDEN Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1. Als volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet burgemeester en wethouders maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’. 2. De artikelen 3.2 tot en met 3.6 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 3.2 Indienen aanvraag vergunning, ontheffing of melding 1. Een aanvraag voor een vergunning of beschikking, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van Meierijstad of, indien de weg daartoe is opengesteld, via het Digitaal stelsel Omgevingswet. 2. Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid en artikel 8.8, eerste lid wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend. Artikel 3.3 Beslistermijn 1.
Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. 3. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag. Artikel 3.4 Voorschriften Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden 1. Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: a. Indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; b.
dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 3.6
Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
4
1. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; e. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f. aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie, of; g. de vergunninghouder dit verzoekt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 3.7
Adviescommissie kwaliteit leefomgeving Meierijstad - Gereserveerd
HOOFDSTUK 4 GEMEENTELIJK MONUMENT, GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN EISEN AAN ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Paragraaf 1
Erfgoedregister
Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. 2. Dit hoofdstuk berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet. Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijke monumenten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over a. de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument en beschermde stads- of dorpsgezicht; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet 3. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4.
Op de wijziging bedoeld in het derde lid zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is of het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft al teniet is gegaan.
5
Artikel 4.3 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 4.4a. Artikel 4.4a is van overeenkomstige toepassing. 3. Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 4. Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar. 5. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. 6. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en b.
provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet. Artikel 4.4 Voorbescherming 1. De artikelen 2.5 en 4.11 tot en met 4.16 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.3 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 4.4a Advies gemeentelijke monumentencommissie 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.3 advies aan een gemeentelijke monumentencommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van erfgoed en de monumentenzorg. Van de monumentencommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2. De gemeentelijke monumentencommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van erfgoed en de monumentenzorg bij het advies. 3. De gemeentelijke monumentencommissie brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 4.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.
Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 4.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. 2. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 6
Artikel 4.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 4.2 wordt in dat geval aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 4.4a advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing. 3. De artikelen 4.3 tot en met 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. 4. De artikelen 2.5 en 4.11 tot en met 4.16 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing. Artikel 4.8
Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 wijzigen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan. 3. Artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is. 4. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Artikel 4.9 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan op voorstel van burgemeester en wethouders een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden. 2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 4.4a, Artikel 4.4.a is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld 6. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld. 7. Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze wet vaststellen. 8. Dit artikel is niet van toepassing op:
7
a. b.
een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988; een door de provincie aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 4.10
Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.9 wijzigen of intrekken. Artikel 4.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan. 2. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd rijks stads- of dorpsgezicht of als beschermd provinciaal stads- of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Paragraaf 2
Vergunningplicht
Artikel 4.11 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een ‘omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument’ van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of b. inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 4. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. 5. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 6.
Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel 4.12 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument Burgemeester een wethouders zenden een volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk, provinciaal monument of rijksmonument voor advies aan de gemeentelijke monumentencommissie. Artikel 4.4.a is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.13 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een
8
gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4.8, vijfde lid van kracht is. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek. 3. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning is artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing. 4. Geen vergunning is vereist voor bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen vergunning is vereist. Artikel 4.14 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een ‘omgevingsvergunning voor de activiteit slopen’ in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht’ een bouwwerk te slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 4.11 het vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Paragraaf 3.
Archeologie
Artikel 4.15 Eisen archeologisch onderzoek. 1. Burgemeester en wethouders nemen het selectiebesluit. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van archeologisch onderzoek. 3. Indien archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet stellen burgemeester en wethouders een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van het archeologisch onderzoek; 4. In het programma van eisen nemen burgemeester en wethouders bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. Tijdens het archeologisch veldonderzoek worden aanwijzingen van burgemeester en wethouders in acht genomen. Artikel 4.16 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, behalve als: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b.
het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of het archeologische deel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 9
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.
HOOFDSTUK 5 BOMEN EN HOUTOPSTANDEN (Gereserveerd) HOOFDSTUK 6
AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER
Artikel 6.1 Doel van de regels in dit hoofdstuk 1. Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. 2. Dit hoofdstuk berust op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Artikel 6.2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: * drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij niet direct of indirect gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie); * drukriolering: systeem van druk- of vacuümleidingen waarbij (afval)water wordt verpompt door middel van druk- of vacuümpompen; * eigenaar: degene op wiens terrein het hemelwater valt of onder wiens terrein zich het grondwater bevindt; * gemeentelijk rioleringsplan: het verbreed gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer, artikel 3.5 en 3.6 van de Waterwet en de Gemeentewet (VGRP); * gemengd riool: een riool bedoeld voor afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater; * groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak; * grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen; *
hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater; * infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem; * nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk; * nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak; * riolering: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; * stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater; * verhard oppervlak: alle oppervlakken die gemaakt zijn van steenachtig of ander materiaal, waaronder daken, tegels, bestratingen, asfaltoppervlakken, etc.; * vuilwaterriool: een riool niet bedoeld voor afvoer van hemelwater maar wel bedoeld van voor huishoudelijk afvalwater; * VGS: verbeterd gescheiden stelsel; hemelwaterriolering met enige berging ten behoeve van verwerking vuil in hemelwater.
Artikel 6.3 Reikwijdte van dit hoofdstuk. 1. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer en op de openbare weg. 10
2. Dit hoofdstuk is, voor wat betreft het lozen van hemelwater, niet van toepassing op bouwwerken en verharde oppervlakken die ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening reeds bestonden, tenzij hierna anders bepaald. Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken; b. voor het oppervlak aan groen dak (in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; c. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; d. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. 3.
Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende: a. burgemeester en wethouders houden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen; b. de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt en bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken; c. op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. 5. De aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt tegelijk met de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend. 6.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m2 verhard oppervlak). Artikel 6.5 Melding 1. Degene die een nieuw bouwwerk, niet zijnde een erfafscheiding, opricht of nieuw verhard oppervlak aanbrengt meldt dit vooraf bij burgemeester en wethouders. 2. Bij een melding wordt een ontwerptekening van en revisietekening met toelichting op het hemelwatersysteem ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders overgelegd. 3. Een aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, wordt gelijkgesteld met een melding. 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het doen van een melding als in dit artikel bedoeld. Die regels kunnen betrekking hebben op het achterwege laten van een melding bij ondergeschikte bouwwerken of verhardingen of op het achterwege laten van tekeningen met toelichting bij het doen van meldingen voor dergelijke bouwwerken en verhardingen. 11
Artikel 6.6 Vrijstelling bij extreme neerslag (noodoverloop) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 6.4 eerste lid, geldt niet als de te verwerken hoeveelheid hemelwater, als gevolg van extreme neerslag, groter is dan de hoeveelheid zoals genoemd in art 6.4 tweede lid of zoals blijkt uit een vastgestelde gebiedsaanwijzing ex artikel 6.4, derde lid. 2. Het afvoeren van de overtollige, extreme neerslag middels een verbinding tussen de hemelwatervoorzieningen op eigen terrein en gemeentelijke voorzieningen is alleen toegestaan na afstemming en met instemming van burgemeester en wethouders . Artikel 6.7 Kwaliteit af te voeren hemelwater Het afstromende hemelwater, als bedoeld in artikel 6.4 en 6.6, mag niet verontreinigd zijn als gevolg van afspoelen of uitlogen van de gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. Artikel 6.8 Verbod op lozen van grondwater op de riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening 1. Het is verboden grondwater af te voeren naar de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening op openbaar gebied. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als infiltratie van het grondwater op het eigen perceel niet mogelijk is en van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd.
Artikel 6.9 Aansluiting Aansluitingen van hemelwaterleidingen op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, worden volgens de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd. Artikel 6.10 Onderhoud en beheer De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud, beheer en instandhouding van zijn hemelwatervoorzieningen en grondwatervoorzieningen.
HOOFDSTUK 7
(Gereserveerd)
HOOFDSTUK 8
REGELS VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN
Afdeling 1
Algemene bepalingen
Artikel 8.1 Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Afdeling 2
Verontreinigde bodem
Artikel 8.2 Doel van de regels over bodem Het doel van de artikelen 8.2 tot en met 8.5 is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het bepaalde in deze artikelen is gelijk aan de artikelen 2.1.5 , 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening Artikel 8.3
Bodemonderzoek
12
1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 8.4 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 8.4 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel 8.5 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 8.4 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling 3
Regels over geluid en verlichting
Paragraaf 3.1 Regels voor inrichtingen Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 8.6 Definities In deze paragraaf wordt verstaan onder:
13
-
-
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 8.7 tot en met 8.9 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 8.7
Aanwijzing collectieve festiviteiten
1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 gelden niet gedurende de volgende dagen of dagdelen: a. op het grondgebied van de hele gemeente: 1oCarnaval van vrijdag t/m dinsdag) (5 dagen); 2o Koningsnacht en -dag (2 dagen); 3o Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag (2 dagen); b. op het grondgebied van de betreffende kern: de dagen waarop aldaar de jaarlijkse kermis wordt gevierd (4/5 dagen). 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet tijdens de door de betreffende sportclubs georganiseerde toernooien. 3. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders , een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4. Het gemeten equivalente geluidsniveau (LAeq,T) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan: a. 75 dB(A) en 90dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen. 5. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.
Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. 6. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 uiterlijk een half uur voor de in artikel 2:29 of 2:30 van de APV Meierijstad voorgeschreven sluitingstijd beëindigd. Artikel 8.8
Melding incidentele festiviteiten
1. Het is een inrichting toegestaan: a. op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het
14
Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders; b. om maximaal 3 van de onder a bedoelde dagen of dagdelen per kalenderjaar op het buitenterrein binnen de grens van de inrichting incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders . 3. Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding. 4.
De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 5. Het gemeten equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan: a. 70 dB(A) en 80 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1a; b. 75 dB(A) en 90 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1b; c. 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige gevoelige gebouwen. 6. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. 7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid onder a , wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur en op de dag volgend op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 8.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in het gebouw van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 8.9
Onversterkte muziek
1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
15
d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
7.00-19.00 uur 50 dB(A)
19.00-23.00 uur 45 dB(A)
23.00-7.00 uur 40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Voor maximaal 2 keer per week, met een duur van maximaal 3 uur per keer aaneengesloten is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting tussen 10.00 uur en 19.00 uur (dagperiode) en tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avondperiode) uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 8.7 en 8.8. Paragraaf 3.2 Geluidhinder buiten een inrichting Artikel 8.10 Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Artikel 8.11 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
Artikel 8.12
Overige geluidhinder
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud onder voorwaarden dat: a. deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; b. de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en
16
c. de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19 en 7 uur niet meer bedraagt dan 75 LAr,LT in dB(A). 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, of artikel 2:25 van de APV. Afdeling 4
Activiteiten op een openbare plaats
Artikel 8.13 Voorwerpen op of aan de openbare plaatsen 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg, of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of c. het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw op hinderlijke wijze belemmert of hen door dat gebruik anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer: a. niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en b. niet ten minste een vrij onderrijdbare hoogte van 4 meter wordt gelaten. 3. Burgemeester en wethouders kunnen kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, bouwobjecten en nader door hen aan te wijzen voorwerpen. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van de APV; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale Wegenverordening. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.14 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder, of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen, of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
17
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening of de AVOI. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.15 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunning kan worden geweigerd: a. in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de weg; b. in het belang van de doorstroming van het verkeer op de openbare weg; c. in het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; e. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of f. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; g. wegens strijd met het bestemmingsplan. 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de (Interim) Omgevingsverordening NoordBrabant. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.16 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer Afdeling 5
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 8.17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen.
18
3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Afdeling 6
Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 8.18 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 8.19 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in 3.5 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap, of b. een stadsgezicht. Artikel 8.19a Slapen op een openbare plaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, tent, aanhangwagen of (vracht)auto als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2.
Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon- en werkomgeving, verontreiniging, voorkoming van besmettelijke ziekten en brandgevaar. 3. Het verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen plaatsen. Artikel 8.19b Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 8.19, eerste lid en 8.19a, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8.19, vierde lid en artikel 8.19a, tweede lid. Afdeling 7. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 8.20 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2.
Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 19