Bijlage 1: Vast te stellen bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (laaghangend fruit)’
Tekst van het document
Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’)
Inhoudsopgave
Toelichting
4
Hoofdstuk 1
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel van het plan
5
1.3
Begrenzing van het plangebied
5
Hoofdstuk 2
Beleidskader
6
2.1
Rijksbeleid
6
2.2
Provinciaal beleid
7
2.3
Gemeentelijk beleid
7
Hoofdstuk 3
Juridische opzet van het plan
17
3.1
Inleiding
17
3.2
Methodiek
17
3.3
Planregeling
17
Hoofdstuk 4
Toelichting van de beleidskeuzes per thema
19
4.1
Wonen binnen de bebouwde kom
19
4.2
Toegestane bijbehorende bouwwerken bij overige functies in de bebouwde kom
20
4.3
Bouwen van antennemasten binnen de bebouwde kom
22
4.4
Wonen in het buitengebied
22
4.5
Agrarische bedrijfsmatige activiteiten
28
4.6
Uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied
30
4.7
Energieopwekking (zonnepanelen en windturbines) voor eigen gebruik in het buitengebied
30
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 2 van 75
Datum: 3 november 2020
Regels
32
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
32
Artikel 1
Begrippen
32
Artikel 2
Wijze van meten
41
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
42
Artikel 3
Regels over wonen binnen de bebouwde kom
42
Artikel 4
Regels over bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom van Sint-Oedenrode (herziening
van bestemmingsplan "Centrum, herziening 2013")
45
Artikel 5
Regels over maatschappelijke voorzieningen binnen de bebouwde kom
46
Artikel 6
Regels over het bouwen van antennemasten binnen de bebouwde kom
47
Artikel 7
Regels over wonen in het buitengebied
48
Artikel 8
Regels over agrarische bedrijfsmatige activiteiten
58
Artikel 9
Regels over uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied
63
Artikel 10
Regels over energieopwekking in het buitengebied
65
Artikel 11
Regels over recreatieve activiteiten in het buitengebied
67
Artikel 12
Regels over schuilgelegenheden voor dieren
68
Hoofdstuk 3
Algemene regels
69
Artikel 13
Anti-dubbeltelregel
69
Artikel 14
Algemene bouwregels
70
Artikel 15
Algemene gebruiksregels
71
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
73
Artikel 16
Overgangsrecht
73
Artikel 17
Slotregel
74
Bijlagen bij de regels
75
Bijlage 1
75
Stedenbouwkundige bebouwde kom Meierijstad
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 3 van 75
Datum: 3 november 2020
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op 1 januari 2017 zijn de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gefuseerd tot de gemeente Meierijstad. Naar aanleiding van de fusie is er veel nieuw beleid ontwikkeld en zijn de verordeningen geharmoniseerd. De Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) bepaalt namelijk dat gemeentelijke voorschriften gedurende twee jaren na de fusiedatum voor dat gebied hun rechtskracht behouden. Dat vraagt dus van de nieuwe gemeente om verordeningen opnieuw vast te stellen of te harmoniseren. Bestemmingsplannen zijn nog niet geharmoniseerd Voor bestemmingsplannen geldt de fatale overgangstermijn van de Wet arhi echter niet. Alle bestaande bestemmingsplannen blijven gelden. In de ongeveer 265 bestemmingsplannen die anno 2020 binnen de gemeente gelden, bestaat er een veelvoud aan regelingen die over dezelfde onderwerpen gaan. Deze bestemmingsplannen variëren qua leeftijd van de jaren '60 van de vorige eeuw tot plannen die vorige maand vastgesteld zijn. Dit kan tot gevolg hebben dat er voor dezelfde activiteit andere regels zijn op de grondgebieden van de voormalige gemeenten of zelfs binnen delen van de voormalige gemeente. Zowel voor de burger of bedrijf als voor de toetsing van initiatieven door de gemeente is dat niet handig.
Voorbeelden daarvan zijn het oprichten van bijgebouwen en het toestaan van aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, waarbij de nieuwere bestemmingplannen doorgaans door gewijzigde beleidsinzichten meer mogelijkheden bieden dan de oude bestemmingsplannen. Beleid is nog niet vertaald naar regels in bestemmingsplannen Ook zijn er zaken die de afgelopen jaren beleidsmatig geharmoniseerd zijn in Meierijstad, maar waarvan er nog geen doorwerking is in de regels van bestemmingsplannen. Een voorbeeld zijn de voorwaarden voor huisvesting van seizoensarbeiders waar in Meierijstad wel beleid voor vastgesteld is door de raad, maar waarvan de doorwerking in de bestemmingsplannen nog niet geregeld is. Soms zijn er in het geheel nog geen regels over activiteiten opgenomen, omdat ten tijde van het opstellen van de bestemmingsplannen de activiteiten nog niet bestonden. Een voorbeeld is het plaatsen van grondopstellingen voor zonnepanelen voor eigen gebruik. Beperking van procedurele lasten Om toch medewerking te kunnen verlenen aan voornoemde activiteiten die beleidsmatig akkoord zijn, moet er afgeweken worden van het bestemmingsplan. Dat brengt extra procedures en kosten met zich mee, zowel voor de gemeente als voor initiatiefnemers.
Door de regels overal gelijk te stellen en door bepaalde zaken rechtstreeks toe te staan, ontstaat er meer efficiëntie bij de behandeling van verzoeken en aanvragen omgevingsvergunning.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 4 van 75
Datum: 3 november 2020
1.2 Doel van het plan Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om álle bestaande regelingen in álle circa 260 bestemmingsplannen met dit paraplubestemmingsplan te herzien met een integrale herziening. Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Deze wet verplicht de gemeente om voor 2029 alle regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of het gebruik daarvan regelen, op te nemen in één omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal er dus een ruimere heroverweging en harmonisatie plaatsvinden van de regels uit de bestemmingsplannen en de verordeningen die regels stellen voor de fysieke leefomgeving. Omdat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet alle bestaande bestemmingsplannen samen fungeren als tijdelijk omgevingsplan, zal het niet meer mogelijk zijn om nog herzieningen op onderdelen door te voeren. Alleen de bestemmingsplannen die in procedure gebracht zijn vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet mogen nog afgerond worden en die gaan dan deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. In de Omgevingswet is bepaald dat regels niet mogen bestaan in zowel het tijdelijke deel als het permanente deel van het omgevingsplan (artikel 22.6, 1e lid, Omgevingswet).
Dit is gedaan omdat -in tegenstelling tot de huidige bestemmingsplannen- bij het vaststellen van nieuwe regels in het (permanente deel van het) omgevingsplan, niet automatisch de oude regels van de voormalige bestemmingsplannen in het tijdelijke deel vervallen. Voor een aanpassing van de regels over toegelaten activiteiten zullen dan (mede voor de goede raadpleegbaarheid) álle gebruiksregels, die horen bij wonen overgebracht moeten worden naar het permanente deel van het omgevingsplan, anders blijven regels op twee plekken staan. Het is dus ook om technische redenen handig dat de herziening op onderdelen van bestemmingen door actualisatie en harmonisatie van bestaande regels (en het stellen van nieuwe regels) nog gedaan wordt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarbij is gekeken welke activiteiten relatief vaak voorkomen en waarvan de regels nog verschillen of ontbreken. Voor deze activiteiten is procedureel immers het meeste winst te halen, vandaar de gekozen naam 'laaghangend fruit'.
1.3 Begrenzing van het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit het gehele grondgebied van de gemeente Meierijstad, met uitzondering van het plangebied van het provinciale inpassingsplan 'N279 Veghel - Asten' en 'Provinciaal Inpassingsplan N279 's-Hertogenbosch - Veghel'. Op grond van artikel 3.26, lid 5 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 32.1 van het inpassingsplan 'N279 Veghel - Asten' is de gemeenteraad van Meierijstad niet bevoegd meer om een bestemmingsplan vast te stellen tot respectievelijk 18 april 2024 voor het plangebied van het 'Provinciaal Inpassingsplan N279 's-Hertogenbosch - Veghel' en tot 7 december 2028 voor het plangebied van het inpassingsplan 'N279 Veghel - Asten'.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 5 van 75
Datum: 3 november 2020
Hoofdstuk 2
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 13 maart 2012)
Op 13 maart 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu het vaststellingsbesluit van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend (TK 2011-2012, 32.660, nr. A; 50). Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland op de middellange termijn (2028). Om dit te bereiken, brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van beleid op slechts dertien nationale belangen. Buiten de nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en laat verstedelijkings- en landschapsbeleid over aan de provincies en gemeenten. De gemeente is in dat opzicht de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen.
De onderwerpen die in het bestemmingplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') aan bod komen, hebben geen betrekking op de activiteiten die door het Rijk aangemerkt zijn als van nationaal belang. 2.1.2
Besluit omgevingsrecht, Bijlage II, artikel 4 (kruimellijst)
Op grond van art 2.12, lid 1 onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan voor gevallen die per Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zijn aangewezen met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de zogenoemde kruimelgevallen die in Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld bepaalde bijgebouwen, dakkapellen, nutsvoorzieningen en antenne-installaties. Het bevoegd gezag heeft in principe beleidsruimte om wel of niet mee te werken aan een aanvraag voor het afwijken van een bestemmingsplan voor aangewezen gevallen. Dit blijkt uit de 'kan'-bepaling van art 2.12 lid 1 Wabo. De invulling van de reikwijdte van deze beleidsruimte is sterk gebonden aan casuïstiek. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft ervoor gekozen om een beleidsregel op te stellen om aan te geven in welke gevallen het bereid is medewerking te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan op grond van de kruimellijst (zie 2.3.1 Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (28 april 2020)).
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 6 van 75
Datum: 3 november 2020
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Interim Omgevingsverordening (25 oktober 2019)
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van haar omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim Omgevingsverordening. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Instructieregels bij het opstellen van bestemmingsplannen In hoofdstuk 3 van de Interim Omgevingsverordening heeft de provincie Noord-Brabant instructieregels opgenomen voor onderwerpen die van provinciaal belang geacht worden. De instructieregels hebben tot doel dat de gemeenteraad de opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Voor dat hoofdstuk geldt dat de instructieregels ook van toepassing zijn op de genoemde andere planologische besluiten. Doorwerking provinciale belangen in de 'kruimelgevallen' Het afwijken van een bestemmingsplan waarbij gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde kruimelgevallenregeling is hierbij niet opgenomen. Dat betekent niet dat de instructieregels geen belang hebben bij de toepassing van de kruimelgevallenregeling.
Naast een aantal voorwaarden in de wet geldt de voorwaarde van een goede ruimtelijke ordening. Een goede ruimtelijke ordening omvat verschillende aspecten. Als eerste betekent dit dat gemeenten gehouden zijn aan het eigen beleid en aan door hen gemaakte afspraken, zoals de afspraken over de ontwikkeling van woningen, werklocaties en detailhandel uit het regionaal ruimtelijk overleg. Daarnaast betekent een goede ruimtelijke ordening dat gemeenten ook de provinciale belangen moeten meewegen bij de toepassing van de kruimelregeling en opnemen in hun ruimtelijke onderbouwing. Daarbij hoort dat als er sprake is van strijd met een provinciaal belang, denk aan strijd met de Interim Omgevingsverordening, gemeenten hierover overleg voeren met de provincie.
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1
Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (28 april 2020)
Op grond van art 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo kan voor gevallen die per Algemene maatregel van bestuur (AMvB) zijn aangewezen met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de zogenoemde kruimelgevallen die in Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 7 van 75
Datum: 3 november 2020
Het bevoegd gezag heeft in principe beleidsruimte om wel of niet mee te werken aan een aanvraag afwijken bestemmingsplan voor aangewezen gevallen. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft ervoor gekozen om een beleidsregel op te stellen om aan te geven in welke gevallen het bereid is medewerking te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan op grond van de kruimellijst. De 'beleidsregel kruimelgevallen Meierijstad' is op 28 april 2020 door het college vastgesteld en is op 8 mei 2020 in werking getreden. Grofweg zijn de kruimelgevallen in te delen in drie groepen: bepaalde bijgebouwen, dakkapellen, nutsvoorzieningen en antenne-installaties; het gebruik van bouwwerken in afwijking van het bestemmingsplan (Bijlage II, artikel 4 lid 9 Bor); tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor een periode van maximaal tien jaar (Bijlage II, artikel 4, lid 11, Bor). Het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') zal met name gericht zijn op het permanent regelen (door rechtstreeks toestaan of via een afwijking toestaan) van bouwmogelijkheden en het toestaan van het anders gebruiken van bouwwerken.
Intrekken van onderdelen van de 'Beleidsregel Kruimelgevallen' De volgende onderdelen van de kruimelgevallenlijst worden ingetrokken na de vaststelling en onherroepelijk worden van het bestemmingsplan: Titel 1: Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom Onderdeel 'B. Maatschappelijke voorzieningen' Onderdeel 'C. Gebiedsgericht voor de kern Sint-Oedenrode' Titel 2: 'Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom' in zijn geheel Titel 4: 'Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een bouwwerk' Onderdeel 'C. Zonnepanelen' Titel 6: 'Een antenne-installatie niet hoger dan 40 m' Onderdeel 'A. Antenne-installatie voor zendamateurs' Titel 10 'Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten' Onderdeel 'A. Aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit binnen de bebouwde kom' Onderdeel 'C. Huisvesting arbeidsmigranten en kamerhuurders binnen de bebouwde kom' 2.3.2
Beleidsnotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten: maak er werk van!' (6 juni 2019)
De raad heeft op 6 juni 2019 de beleidsnotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten: maak er werk van!' vastgesteld. Die biedt een beleidskader voor structurele huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten in de gemeente Meierijstad. Hierbij wordt enerzijds voldoende ruimte aan de markt geboden om de opgave van Meierijstad zoveel mogelijk te realiseren en anderzijds kwalitatief goede en verantwoorde huisvesting voor zowel de arbeidsmigranten als de omgeving mogelijk gemaakt.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 8 van 75
Datum: 3 november 2020
Meierijstad heeft de wil actief de huisvesting van arbeidsmigranten te faciliteren. Door de huisvesting te faciliteren voorkomt de gemeente een deel van de strijdige huisvestingssituaties en draagt bij aan veiligere huisvestingssituaties. Daarnaast stimuleert zij de economische groei als zij meerdere huisvestingsmogelijkheden faciliteert. Het beleid richt zich op de huisvesting van 'shortstay arbeidsmigranten': arbeiders uit het buitenland die maximaal 78 weken in Nederland verblijven om te werken en daaruit inkomen te genereren. Deze werknemers hebben bij aanvang doorgaans geen intentie om zich in Nederland (specifiek Meierijstad) te vestigen. Expats worden niet gerekend tot deze groep werknemers. In de beleidsnotitie zijn de planologische kaders aangegeven voor huisvesting in reguliere woningen, gebouwen met een tijdelijk karakter, bij hergebruik van bestaand vastgoed en voor nieuwbouw. Omdat er voor tijdelijke bebouwing, hergebruik van bestaand vastgoed en bij nieuwbouw veel maatwerk nodig is, zal de regeling in het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') zich beperken tot de regels over huisvesting van shortstay arbeidsmigranten binnen bestaande woningen binnen en buiten de bebouwde kom.
Het vastgestelde beleid gaat uit van een huisvesting van maximaal 3 personen naast een huishouden 4 personen die geen huishouden vormen in een woning en van een onderlinge afstand van 75 meter tussen vergunde locaties zodat er een ruimtelijke spreiding is en er geen concentratie ontstaat binnen een bepaalde straat of buurt. 2.3.3
Richtlijn Plattelandswoningen (11 juni 2019)
In de gemeente Meierijstad komen regelmatig verzoeken binnen om een bedrijfswoning van een veehouderij om te zetten naar een zogenoemde 'plattelandswoning' via een planologische verankering in de vorm van een herziening van het bestemmingsplan of een verlening van een omgevingsvergunning. De plattelandswoning houdt in dat een voormalige agrarische bedrijfswoning door derden wordt bewoond die geen functionele relatie hebben met het agrarisch bedrijf op die locatie. Derhalve was het wenselijk beleid vast te stellen over hoe met deze verzoeken om te gaan. Met name is het van belang te bepalen wat gezien wordt als een acceptabel woon- en leefklimaat bij een plattelandswoning. Deze richtlijn is alleen van toepassing op agrarische bedrijfswoningen die nog bestemd zijn binnen het agrarische bouwperceel en waarop nog een functionerend agrarisch bedrijf aanwezig is. Er moet voor het toestaan van een plattelandswoning vastgelegd worden welke milieubelastende waarden aanvaardbaar worden geacht met betrekking tot geur, geluid, fijnstof en endotoxine, en onder welke omstandigheden de aanwezigheid van een geitenhouderij in de directe omgeving een belemmering vormt. De volgende voorwaarden zijn geformuleerd: 1. Geen nieuwe bedrijfswoning(en) De aanwijzing van een plattelandswoning mag niet leiden tot de aanvraag van nieuwe bedrijfswoning(en) op enige termijn.
Het provinciale beleid sluit dit bovendien uit. De plattelandswoning blijft immers onderdeel van het agrarisch bouwvlak. Medewerking aan een nieuwe bedrijfswoning is daarom uitgesloten;
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 9 van 75
Datum: 3 november 2020
2. Alleen bij levensvatbaar agrarisch bedrijf Plattelandswoningen zijn in beginsel in het gehele buitengebied toegestaan, mits op hetzelfde bouwvlak een (economisch) levensvatbaar en in werking zijnd bedrijf is gevestigd. Ook een bedrijf met een mengvorm van agrarische activiteiten gecombineerd met verbrede activiteiten valt hieronder. Met dien verstande dat de agrarische activiteiten de hoofdactiviteit vormen. 3. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Een aanvraag voor een plattelandswoning dient vergezeld te gaan van een ruimtelijke onderbouwing waarbij de milieukwaliteit op de locatie inzichtelijk wordt gemaakt. Dit schept duidelijkheid voor de aanvrager, omwonenden, omliggende bedrijven, professionele partijen zoals makelaars, maar ook de gemeente en overige overheden. In een uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangegeven dat ook de milieubelasting van het eigen bedrijf moet worden meegenomen bij de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (4 februari 2015; ECLI:NL:RVS:2015:236). 4. Bouwmogelijkheden Het afwegingskader "Richtlijn Plattelandswoningen" ging uit van de bouwmogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen "Buitengebied Sint-Oedenrode, 4e herziening", "Buitengebied" (voormalige gemeente Veghel) en Landelijk Gebied (voormalige gemeente Schijndel).
Voor de inhoud van woningen en bijbehorende bouwwerken voorziet het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') in geharmoniseerde regelingen. De maatvoering in deze regelingen wordt ook toegepast bij plattelandswoningen. 5. Landschappelijke inpassing Daar waar mogelijk dient te worden voorzien in een kwaliteitsverbetering voor de omgeving. Borging daarvan via een landschappelijk inpassingsplan is verplicht. 6. Omgevingsdialoog Het spreekt voor zich dat de omzetting naar de plattelandswoning geen belemmering mag zijn voor eigenaren en gebruikers van de omliggende gronden. Een omgevingsdialoog dient hierbij te zijn gevoerd.
2.3.4
Detailhandelsvisie en - beleid Gemeente Meierijstad (19 september 2019)
Op 20 december 2018 heeft de gemeenteraad de centrumvisie voor Meierijstad vastgesteld. Deze centrumvisie vormde de basis voor een detailhandelsvisie en gemeentebreed detailhandelsbeleid (vastgesteld 19 september 2019). In dit visiedocument beschrijven we hoe we in Meierijstad, vanuit een economisch perspectief, denken over onze detailhandel en hoe we hier de komende jaren mee willen omgaan. Daar horen beleidsregels bij en vervolgacties die we moeten oppakken om onze ambities op dit gebied te realiseren. We hebben kaders voor de detailhandel nodig om initiatieven voor nieuwe winkels of uitbreiding van winkels te kunnen beoordelen vanuit een economisch perspectief. Ook geldt het als richtinggevend beleidskader bij het aanwijzen van bestemmingen vanuit de ruimtelijke invalshoek. Voor ondernemers biedt het beleid duidelijkheid over waar we wel kansen voor detailhandel zien en waar juist niet. Het detailhandelsbeleid geldt als afwegingskader bij het uitwerken van plannen op ander gebied.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 10 van 75
Datum: 3 november 2020
Uitgangspunten voor het detailhandelsbeleid De volgende beleidskeuzes zijn bepalend voor de ruimtelijke structuur en de mogelijkheden die geboden worden via het bestemmingsplan: a. We kiezen voor dagelijkse boodschappen op redelijke afstand De basis van de detailhandelsstructuur wordt gevormd door de drie hoofdwinkelgebieden in Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel. Daarnaast fungeren ondersteunende wijk- en dorpscentra als boodschappencentrum dichtbij huis. Buurtsteunpunten maken onze structuur compleet. De keuzes die we maken leiden tot compacte en complete winkelgebieden en een beter functionerende detailhandel. b. We versterken detailhandel op haalbare locaties maar maken daarmee ook de keuze om dit op andere locaties niet te doen Een berekening geeft aan dat er geen uitbreidingsruimte is voor dagelijks aanbod. Ook voor het niet-dagelijks aanbod zijn er in de toekomst minder detailhandelsmeters nodig. We gaan terughoudend om met nieuwe ontwikkelingen en concentreren ons op het behouden van voorzieningen daar waar de kansen liggen. c. Winkels zijn geclusterd in aangewezen gebieden Het vergroot de aantrekkelijkheid van onze centra als winkels daar geclusterd zijn. Voor de consument is het prettig wanneer er duidelijke winkelgebieden zijn. d.
Buiten de winkelconcentratiegebieden bieden we mogelijkheden voor omzetten van winkelruimte naar andere bestemmingen, als dit meer toekomstperspectief heeft Met het oog op concentratie van winkels in onze centra willen we ondernemers buiten de geschetste centrumgebieden de mogelijkheid bieden om winkelmeters om te zetten naar een andere meer rendabele bestemming, als zij dit willen. Bij langdurige leegstand zouden we hierin een actieve rol kunnen pakken. Internetverkoop Detailhandel betreft het bedrijfsmatig te koop aanbieden (en tonen), verkopen en/of leveren van goederen aan particuliere consumenten. In toenemende mate vindt deze activiteit plaats via internet. Er ontstaan nieuwe vormen van detailhandel: naast de traditionele winkel zijn er allerlei vormen van internetverkoop en afhaalpunten. Voor het ruimtelijke detailhandelsbeleid en de planologische vertaling in bestemmingsplannen zijn vooral de ruimtelijke effecten (beoogde detailhandelsstructuur, verkeer) en verschijningsvorm (ruimtegebruik, uitstraling) relevant. De betaling ter plaatse (voorheen een belangrijke onderscheidend criterium tussen een ‘toonzaal’ en een ‘winkel’) is met de toenemende mogelijkheden voor betaling op een andere (virtuele) locatie, steeds minder van toepassing in het ruimtelijk beleid.
In dit licht wordt in het detailhandelsbeleid onderscheid gemaakt tussen drie hoofdvormen van internetverkoop: 1. internetverkoop zonder consument ter plaatse: alle handelingen (bestelling, betaling, levering) vinden plaats zonder aanwezigheid van consumenten. Er is geen fysieke, voor de consument toegankelijke locatie, er worden ter plaatse geen goederen getoond en er is ook geen afhaalpunt ter plaatse voor consumenten. De detailhandelsactiviteit heeft geen aan deze activiteit gerelateerde ruimtelijke verschijningsvorm. Deze vorm van internetverkoop is
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 11 van 75
Datum: 3 november 2020
passend binnen een bestaande bestemming (wonen, opslag/logistiek, kantoor, agrarisch). Dit laat onverlet dat afgewogen moet worden of eventuele activiteiten als opslag of laden/lossen ruimtelijk en verkeerskundig gewenst zijn op betreffende locatie. 2. internetverkoop met afhaallocatie waar goederen worden getoond aan de consument: activiteiten van detailhandel via internet vinden plaats in combinatie met het ter plaatse tonen van goederen ten verkoop aan consumenten (winkel). Het kan gaan om afhaallocaties van ‘webshops’ in winkels of om afhaalpunten van andere bedrijven in winkels. Ook vormen van internetverkoop waar het afhalen in combinatie met het tonen van goederen plaatsvindt bij andere functies (zoals magazijn) vallen hieronder. Deze vorm van internetverkoop wordt in planologisch opzicht beschouwd als winkel en is alleen toegestaan in panden met een detailhandelsbestemming. 3. internetverkoop met afhaallocatie voor de consument, zonder tonen van goederen: activiteiten van detailhandel via internet vinden niet plaats in combinatie met het ter plaatse tonen van goederen aan de consument, er is dus geen sprake van een winkel. Het is wel een vorm van detailhandel, want er worden ter plaatse goederen geleverd aan consumenten.
Het kan gaan om een afhaalpunt in combinatie met andere functies, niet-zijnde winkels (zoals afhaalpunt in magazijn), om afhaalpunten op trafficlocaties (bij tankstation, treinstation) of om solitaire afhaalpunten (soms op solitaire locaties). Deze vorm van internetverkoop wordt in planologisch opzicht beschouwd als een afhaalpunt (vorm van detailhandel) en is alleen toegestaan binnen de bestemming detailhandel. In het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') wordt de mogelijkheid geboden om een 'internetwinkel zonder consument ter plaatse' uit te oefenen als aan-huis-verbonden bedrijf. Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit Van oudsher vindt detailhandel (de bedrijfsmatige verkoop van producten aan consumenten) plaats als ondergeschikte nevenactiviteit bij andere bedrijfsactiviteiten. De vraag die zich daarbij vaak voordoet is in hoeverre de detailhandelsactiviteit ondergeschikt is en/of deze noodzakelijk en/of gebruikelijk is voor de hoofdactiviteit. Evenals bij internetverkoop zijn voor het detailhandelsbeleid en de planologische vertaling in bestemmingsplannen vooral de ruimtelijke effecten (beoogde detailhandelsstructuur, verkeer) en verschijningsvorm (ruimtegebruik, uitstraling) relevant.
Hiervan is vooral sprake indien verkoop plaatsvindt vanuit of in combinatie met een fysieke uitstalruimte die gericht is op en/of toegankelijk is voor consumenten (een winkelruimte). Bij een agrarisch, industrieel of groothandelsbedrijf of een trafficlocatie is, onder voorwaarden, in beperkte mate detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan. De grens waarbinnen detailhandel een ondergeschikte nevenactiviteit blijft, kan worden bepaald met de volgende aspecten: Aanbod: De detailhandel staat in directe relatie met de aanwezige bedrijfsvoering. Het betreft de verkoop van door het bedrijf zelf geproduceerde of bewerkte producten of (in het geval van groothandels) artikelen die reeds in het gevoerde assortiment aanwezig zijn. In het geval van trafficlocaties (bijvoorbeeld een tankstation) dient het assortiment gericht te zijn op de behoeftes van de reiziger (bijvoorbeeld motorolie, flesje drinken en broodje voor onderweg). Oppervlak: Het oppervlak aan detailhandelsruimte is een klein deel van de totale bedrijfsoppervlakte (uitgedrukt in procenten), met een absoluut maximum (aangeduid in m²
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 12 van 75
Datum: 3 november 2020
wvo). Wij stellen voor de totale bedrijfsoppervlakte die voor detailhandel wordt gebruikt te maximeren op 10%, met een maximale omvang van 50 m² wvo. Indien de detailhandelsfunctie van een bedrijf aan het oppervlakte- en aanbodcriterium voldoet, betreft de detailhandelsfunctie een onderschikte activiteit van een andere hoofdactiviteit. Dit kan binnen de bestaande bestemming van de hoofdactiviteit worden ontplooid. In het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') is voor agrarische bedrijven in het buitengebied een regeling opgenomen, waarmee het uitoefenen van (productiegebonden) detailhandel mogelijk is als ondergeschikte nevenactiviteit. Het betreft dan niet-zelfstandige detailhandel, in een aan de hoofdfunctie of nevenactiviteit ondergeschikte aard, verschijningsvorm en omvang. 2.3.5
Horecavisie en horecabeleid gemeente Meierijstad (19 september 2019)
In december 2018 heeft de gemeenteraad de centrumvisie voor Meierijstad vastgesteld. Deze centrumvisie vormde de basis voor een horecavisie en breed en toekomstgericht integraal horecabeleid. De horecavisie geeft aan hoe we aankijken tegen onze horecavoorzieningen, waar en hoe de verschillende soorten horeca kunnen inspelen op behoeften en motieven van diverse bezoekersgroepen en hoe horeca kan bijdragen aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, vitale centra en een aantrekkelijk buitengebied. De beleidskaders hebben we nodig bij de beoordeling van ontwikkelingen (vanuit een economisch perspectief) en ze scheppen duidelijkheid voor zowel ondernemers als inwoners. Horeca-categorieën in de bestemmingsplannen Het is wenselijk om in bestemmingsplannen onderscheid te kunnen maken tussen lichte en zware vormen van horeca. Een ontwikkeling die door het lichte karakter gewenst is, kan anders door bestemmingsplannen worden tegengehouden. Door bij herziening van bestemmingsplannen categorieën aan te geven kunnen we ruimte bieden waar dat kan en sturen waar dit wenselijk is.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 13 van 75
Datum: 3 november 2020
Figuur 1: Horeca-categorieën van Meierijstad, Horecavisie Meierijstad
In principe is er binnen het gehele publieksgerichte centrumgebied in Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel ruimte voor (versterking van) horeca-activiteiten. Vermenging van horeca met bijvoorbeeld detailhandel of dienstverlening is hier mogelijk, mits passend binnen de Drank- en Horecawet. In de centrumvisie zijn tevens kansrijke verblijfs- en horecalocaties aangegeven waar bundeling of uitbreiding van horeca-activiteiten met name gewenst is ten behoeve van een aantrekkelijk en compleet dorpscentrum. Deze concentratiegebieden helpen daarnaast de overlast van het (uitgaans)publiek tot een kleiner gebied te beperken. In de overige centrumstraten is alleen een lichtere vorm van (dag)horeca gewenst.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 14 van 75
Datum: 3 november 2020
Bed & Breakfast Een bed & breakfast is een kleinschalige overnachtingsaccommodatie voor toeristisch en veelal kortdurend verblijf, met ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woonhuis en wordt geëxploiteerd door de bewoners. De hoofdfunctie (bestemming) is ‘wonen’ en de horecafunctie ‘logies met ontbijt’ is een ondergeschikte nevenfunctie. Hiervan is sprake bij maximaal vier bedden en twee slaapkamers. Bij een grotere overnachtingscapaciteit of indien er niet door de ondernemer gewoond wordt, dient de bed & breakfast zich te registreren als logement (bedrijfsmatig) en is de horeca-bestemming ‘logiesverstrekker’ vereist (categorie 4). Gelet op de marktontwikkelingen (met o.a. Airbnb en arbeidsmigratie) is het gewenst het ondergeschikte karakter van het betaald overnachten in een woning strikt na te leven. In aanvulling op het horecabeleid voorziet de regeling in bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') ook in de mogelijkheid om een Bed & Breakfast uit te oefenen in een bijbehorend bouwwerk die bij de woning hoort. Ondersteunende horeca in het buitengebied In principe worden er geen horeca-ontwikkelingen toegestaan buiten de kansrijke locaties uit de horecavisie (‘stippen op de kaart’), omdat een te grote verspreiding en/of vergroting van het horeca-aanbod buiten deze gebieden niet bijdraagt aan het behalen van de gemeentelijke ambities.
Horeca kan echter een belangrijke toegevoegde waarde hebben als ondersteunende functie bij (recreatieve) nevenactiviteiten van agrarische of recreatieve bedrijven (met name in het landelijke buitengebied van de gemeente). In lijn met het advies van KHN voor horeca in het buitengebied in Noord-Brabant zijn in Meierijstad in de Horecavisie regels opgenomen voor ondersteunende horeca op niet-horecabestemmingen (recreatie, agrarisch, wonen). Het gaat daarbij in de regel om een begrenzing in ruimte van maximaal 100 m² separaat afgebakende binnenruimte en maximaal 100 m² terras, waarbij in een aantal gevallen ook een sluitingstijd is aangegeven. Beëindiging van horeca-activiteiten en/of nevenfunctie om uiterlijk 19.00 uur. Per vestiging is maximaal 4 keer per jaar ontheffing van deze sluitingstijd mogelijk na schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders.
2.3.6
Afwegingskader "De toekomst van zon en wind" (6 februari 2020)
Gemeente Meierijstad heeft als doelstelling om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Dat betekent dat we per saldo geen CO2 uitstoten. Dit wordt bewerkstelligt door een combinatie van energiebesparing, duurzame opwekking en compensatie van onze CO2-uitstoot. Energiebesparing is de eerste stap. Energie die je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Maar alleen met energiebesparing gaan we er niet komen. Opwekking van duurzame energie is ook nodig. Initiatieven voor het plaatsen van duurzame energiebronnen zijn in opkomst. Zo worden in Meierijstad steeds meer daken van gebouwen (woningen en bedrijfsgebouwen) voorzien van zonnepanelen.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 15 van 75
Datum: 3 november 2020
Grondopstellingen voor zonnepanelen De opwekking van energie uit zon kent vele verschijningsvormen. Zonnepanelen zijn zowel op daken/gevels als op gronden toe te passen. Het afwegingskader richt zich specifiek op grondopstellingen, en gaat dus niet nader in op ‘zon op dak/gevel’. Daarbij maken we onderscheid in grondopstellingen voor eigen gebruik en grondopstellingen voor grootschalige opwek, hierna: zonneparken. Bij een grondopstelling worden zonnepanelen op een constructie op de grond geplaatst. Een grondopstelling voor eigen gebruik wordt toegestaan bij wonen en bedrijvigheid in het buitengebied, mits sprake blijft van goede ruimtelijke ordening. Windturbines voor eigen gebruik Voor de opwekking van energie uit wind wordt gebruik gemaakt van windturbines. Windturbines kunnen (bij voldoende wind) zowel overdag als ’s nachts energie opwekken. De opbrengst van een windturbine is sterk afhankelijk van de hoogte. Op grotere hoogte waait het meer. In het afwegingskader wordt onderscheid gemaakt in windturbines voor eigen gebruik en windturbines voor grootschalige opwek, hierna: windparken. In dit bestemmingsplan wordt uitsluitend voorzien in een regeling voor de windturbines voor eigen gebruik, mits sprake blijft van goede ruimtelijke ordening . Als we spreken van windturbines voor eigen gebruik dan hebben we het over kleine windturbines.
Kleine windturbines hebben doorgaans een tiphoogte tussen de 3 en 25 meter en een relatief laag vermogen. De tiphoogte is de masthoogte plus de helft van de rotordiameter. In het buitengebied kunnen ze geplaatst worden bij solitair gelegen (agrarische) bedrijven. Het plaatsen van een windturbine ten behoeve van een woning is niet toegestaan. Bij woningen heeft het gebruik van zonnepanelen op dak of grond de voorkeur.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 16 van 75
Datum: 3 november 2020
Hoofdstuk 3
Juridische opzet van het plan
3.1 Inleiding Dit bestemmingsplan betreft een zogenaamd ‘paraplubestemmingsplan’. Dit houdt in dat meerdere vigerende bestemmingsplannen tegelijkertijd worden herzien op een specifiek onderdeel. Dit betekent dat de vigerende bestemmingsplannen voor alle overige onderdelen van kracht blijven en alleen de bepalingen met betrekking tot een specifiek onderwerp partieel worden herzien of toegevoegd. Dit bestemmingsplan stelt de andere bestemmingsplannen ten aanzien van dit onderwerp buiten werking of vult de regels aan en bepaalt daarmee voor het gehele grondgebied van de gemeente Meierijstad het te volgen beleid met betrekking tot deze onderwerpen. 3.2 Methodiek De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). 3.3 Planregeling Het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad uniforme regelingen te treffen ('parapluherziening') voor de volgende onderwerpen: 1. Wonen binnen de bebouwde kom a. Toegestane woonvormen b. Aan huis verbonden bedrijven en beroepen c. Bed & Breakfast 2.
Toestaan van extra bebouwing bij maatschappelijke voorzieningen 3. Aanpassing van de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij diverse bestemmingen van bestemmingsplan 'Centrum, herziening 2013' van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode 4. Bouwen van antennemasten binnen de bebouwde kom 5. Wonen in het buitengebied a. Bouwregels voor (bedrijfs)woningen b. Bouwregels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde c. Regels over (afwijkend) gebruik van woningen en bijbehorende bouwwerken 6. Agrarische bedrijfsmatige activiteiten a. Maatvoering van bedrijfsgebouwen en afwijkingsmogelijkheden b. Bouwregels over bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen en buiten het bouwvlak c. Bouwregels over bouwwerken voor opslag van ruwvoer d. Bouw- en gebruiksregels voor nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf 7. Uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied 8. Bouwregels met betrekking tot energieopwekking in het buitengebied a. grondopstellingen voor zonnepanelen b. windturbines voor eigen gebruik 9. Regels over recreatieve activiteiten in het buitengebied a. Toestaan van kleinschalig kamperen 10. Regels over schuilgelegenheden voor hobbymatig houden van dieren
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 17 van 75
Datum: 3 november 2020
Een beleidsmatige toelichting volgt in Hoofdstuk 4 Toelichting van de beleidskeuzes per thema.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 18 van 75
Datum: 3 november 2020
Hoofdstuk 4
Toelichting van de beleidskeuzes per thema
4.1
Wonen binnen de bebouwde kom
4.1.1
Toegestane woonvormen binnen woningen
De voormalige gemeenten Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode hebben ieder op hun eigen wijze rekening gehouden met de uitspraak van de Raad van State uit 2008 die aantoonde dat het van belang is om in bestemmingsplannen niet uit te gaan van het containerbegrip 'wonen', maar om specifiek te maken dat er sprake moet zijn van 'wonen in een woning' (een complex van ruimten voor de huisvesting van één huishouden). Dit onderscheid is nodig zodat een bestemmingsplan niet rechtstreeks vormen van wonen zoals kamergewijze verhuur toestaat. In de meeste bestemmingsplannen van de drie voormalige gemeenten die de gemeente Meierijstad zijn geworden, staat inmiddels een regeling dat wonen alleen plaats mag vinden in de vorm van woningen, en in voorkomende gevallen is het ook toegestaan dat naast het huishouden er enkele personen onafhankelijk van het huishouden wonen. De regelingen variëren momenteel echter nog wel per voormalige gemeente en per bestemmingsplan. Een harmonisering van deze regelingen vindt plaats in bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') door uit de gaan van één definitie van 'woning', namelijk dat een woning bedoeld is voor de huisvesting van één huishouden. In de regels worden bevoegdheden opgenomen om daar onder voorwaarden van af te kunnen wijken en andere vormen van wonen toe te kunnen staan.
Uitgangspunt daarbij is het door de raad vastgestelde beleid (Beleidsnotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten: maak er werk van!' (6 juni 2019)). In de Beleidsnotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten: maak er werk van!' (6 juni 2019) is beschreven hoe de gemeente om wil gaan met huisvesting van arbeidsmigranten binnen bestaande (bedrijfs)woningen. De regeling beperkt zich niet tot alleen arbeidsmigranten, maar voorziet in een algemene afwijkingsbevoegdheid voor kamerverhuur in bestaande woningen in het buitengebied. Daarbij worden de volgende criteria gehanteerd: een huishouden plus maximaal 3 kamerhuurders maximaal 4 kamerhuurders indien er geen sprake is van een huishouden minimaal 75 meter tussen locaties waar toestemming verleend wordt Met daarbij de nodige voorwaarden die het woon- en leefklimaat binnen de woning garanderen en het tegengaan van beperkingen voor omliggende bedrijvigheid. 4.1.2
Aan huis verbonden beroepen en bedrijven
Tegen het samengaan van kleinschalige economische activiteiten met de woonfunctie bestaan geen bezwaren. Deze vermenging van functies hoeft geen afbreuk te doen aan het karakter van een woongebied, mits de kleinschaligheid (ondergeschikt aan de woonfunctie, geen overlast omgeving) gewaarborgd blijft. De bedrijvigheid kan zelfs een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in een woongebied. Echter, er moet voldaan worden aan het criterium dat de woonfunctie in alle gevallen in overwegende mate gehandhaafd blijft.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 19 van 75
Datum: 3 november 2020
Onder het huidige milieurecht vallen beroepen/bedrijven aan huis in drie categorieën inrichtingen. 1. De lichtste categorie (zoals een klein kantoor aan huis) is in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet aangewezen als milieurelevante inrichting, waardoor er geen milieuregels voor inrichtingen van toepassing zijn. 2. De middencategorie zijn zogenoemde type A-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit, een voorbeeld hiervan is een kapsalon. Hiervoor gelden diverse regels uit het Activiteitenbesluit: de milieuzorgplicht en algemene regels op het gebied van lozingen, lucht en geur, bodem, doelmatig beheer van afvalstoffen, energiebesparing, verkeer en vervoer, geluidhinder, trillinghinder en oplosmiddelen. 3. De zwaarste categorie bedrijven aan huis (zoals ambachtelijke werkzaamheden met hout of metaal) zijn zogenoemde type B-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor type A-inrichtingen en daarnaast specifieke regels voor die activiteit. Bovendien zijntype B-inrichtingen meldingsplichtig (type A-inrichtingen zijn dat niet). Voor beroepen en bedrijven aan huis wordt uitgegaan van activiteiten die vallen onder categorieen 1 en 2.
Meldingsplichtige inrichtingen en inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is voor de milieuactiviteiten, worden niet als beroep of bedrijf aan huis toegestaan in een woning of de daarbij behorende bouwwerken. 4.1.3
Bed & Breakfast
Een bed & breakfast is een kleinschalige overnachtingsaccommodatie voor toeristisch en veelal kortdurend verblijf, met ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woonhuis en bijbehorende bouwwerken en wordt geëxploiteerd door de bewoners. De hoofdfunctie is 'wonen' en de horecafunctie 'logies met ontbijt' is een ondergeschikte nevenfunctie. Hiervan is sprake bij maximaal vier bedden en twee slaapkamers. Bij een grotere overnachtingscapaciteit of indien er niet door de ondernemer gewoond wordt, dient de bed & breakfast zich te registreren als logement (bedrijfsmatig) en is de horeca-bestemming 'logiesverstrekker' vereist (categorie 4).
4.2
Toegestane bijbehorende bouwwerken bij overige functies in de bebouwde kom
4.2.1
Toestaan van meer bebouwing bij maatschappelijke voorzieningen
In de Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (28 april 2020) zit een regeling waarmee onder afwijking een beperkte uitbreiding van bijgebouwen bij maatschappelijke voorzieningen toegestaan kon worden via een omgevingsvergunning. In dit bestemmingsplan wordt de bouw van dergelijke gebouwen voor maatschappelijke voorzieningen onder dezelfde voorwaarden via een binnenplanse regeling toegestaan.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 20 van 75
Datum: 3 november 2020
4.2.2
Aanpassing van bebouwingsregeling van 'Centrum, herziening 2013'
Op 7 juli 2015 hebben B&W van Sint-Oedenrode besloten de beleidsregel kruimelgevallen aan te passen voor wat betreft de bebouwingsregeling binnen het centrum. Deze aanpassing is tevens opgenomen in de Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (28 april 2020). O.a. met betrekking tot het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen een bouwvlak van de diverse bestemmingen Centrum uit het bestemmingsplan 'Centrum, herziening 2013', waarin hoofdgebouwen in meer dan één bouwlaag zijn toegestaan, dit bouwvlak ook te mogen bebouwen met een bijbehorend bouwwerk in één bouwlaag tot een maximale bouw- en goothoogte van 4,25 meter. De reden daarvoor was een omissie in genoemd bestemmingsplan. Dit is aan het licht gekomen door enkele aanvragen omgevingsvergunning die te maken hadden met het bouwen van appartementen op de eerste verdieping, waarbij het niet mogelijk was om in één laag een bijgebouw (berging/tuinhuisje) te realiseren op die 1e verdieping, terwijl het hoofdgebouw wel over die 1e verdieping mocht worden uitgebouwd.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 21 van 75
Datum: 3 november 2020
4.3 Bouwen van antennemasten binnen de bebouwde kom In de Beleidsregel Kruimelgevallen gemeente Meierijstad (28 april 2020) zit een regeling waarmee onder afwijking antennemasten tot 40 meter opgericht kunnen worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen zendmasten voor radioamateurs, zendmasten voor telecom en overige zendmasten. Radiozendamateurs kunnen bepaalde rechten ontlenen aan artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) voor het oprichten van zendinstallaties. Verder is het van belang dat er een adaquaat dekkend netwerk is van telecom, dus wordt onder voorwaarden ook de bouw zendmasten voor telecom mogelijk gemaakt. Overige zendmasten worden niet toegestaan. Het bestemmingsplan Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') neemt de regelingen onder de zelfde voorwaarden over uit de beleidsregel kruimelgevallen..
4.4
Wonen in het buitengebied
4.4.1
Bouwregels voor (bedrijfs)woningen
De geldende bouwregels voor (bedrijfs)woningen sluiten meer aan bij de bouwregels van het stedelijk gebied en de wijze waarop daar gebouwd wordt dan op de wijze waarop in het buitengebied algemeen is en wordt gebouwd. Goothoogte De oorspronkelijke lang- en kortgevel boerderijen hebben verschillende goothoogten, te weten een lage goothoogte (2 à 2,5 meter) aan de stalkant en een hoge goothoogte van 3,5 à 4 meter aan de kant waar de (hooi)wagens naar binnen moesten rijden. Ook later gebouwde woningen en de woningen die tegenwoordig worden gebouwd in het buitengebied hebben over het algemeen één bouwlaag met een kap. Stedenbouwkundig is het van belang om deze bouwwijze te borgen. Daarom wordt juist een lagere goothoogte in de bouwregels opgenomen. Deze lager maximale goothoogte moet ook niet te laag worden gelegd voor de bruikbaarheid van de leefruimte onder de kap. Wordt de bruikbaarheid beperkt dan zal er al snel behoefte zijn aan de bouw van dakkappellen, die de architectonische uitstraling van het hoofdgebouw kunnen verstoren. Rekening houdend met de laatste bouweisen, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit wordt een maximale goothoogte van 4,5 meter voorgesteld. Inhoud woningen Punt van aandacht en zorg is de vergroting van de maatvoering van de (bedrijfs-)woning in Veghel en Schijndel.
In de regels van het bestemmingsplan Buitengebied van Veghel ligt nadrukkelijk vast, dat de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 600 m³. Dat geldt ook voor Schijndel al ligt het daar voor wat betreft aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen niet nadrukkelijk vast. Daarbij mag in de geldende regeling geen rekening worden gehouden met de vergunningsvrije uitbreidingen en aan- en uitbouwen.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 22 van 75
Datum: 3 november 2020
Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het minder gewenst dat grotere woningen ontstaan, die vooral bestaan uit meerdere aan- en uitbouwen. Anderzijds kunnen bewoners van het buitengebied niet worden verplicht om hun woning volledig te herbouwen, zodat de woning bestaat uit één hoofdmassa van 750 m 3. Gebruik van (woon)boerderijen In het bestemmingsplan Landelijk Gebied voor Schijndel ontbreekt een regeling voor woningen, die deel uitmaken van een (woon)boerderij, terwijl de regelingen in Veghel en Sint Oedenrode niet gelijkluidend zijn. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de begripsomschrijvingen, die in de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied worden gehanteerd. Voorgesteld wordt om aparte begripsomschrijvingen te hanteren voor aanbouw, aangebouwd bijgebouw, uitbouw en vrijstaand bijgebouw binnen het begrip bijbehorend bouwwerk. 4.4.2
Herbouw van een woning buiten bestaande fundamenten
De regels van de bestemmingsplannen voor Veghel en Sint Oedenrode staan herbouw van een (bedrijfs)woning ter plaatse van de fundamenten van de oude (bedrijfs)woning toe. De regels voor Schijndel, staan herbouw ook toe als de herbouw voor ¾ deel plaatsvindt op de plaats van de bestaande fundamenten van de woning. De regels over herbouw van de (bedrijfs)woning op een andere plaats dan de bestaande fundamenten van de drie voormalige gemeenten sluiten in grote lijnen op elkaar aan. Deze regels zijn in het nieuwe voorstel samengevoegd. De voorwaarden voor bescherming van cultuurhistorische waarden worden geacht te worden beschermd via een specifieke bestemming of functieaanduiding in het bestemmingsplan die de bebouwing aanmerkt als 'cultuurhistorisch waardevolle bebouwing' of anderszins via een sloopverbod. 4.4.3
Bouw van een eerste bedrijfswoning
In de provinciale Interim Omgevingsverordening is de nieuwbouw van een eerste bedrijfswoning uitsluitend mogelijk als de woning noodzakelijk is in verband met de aard van de bedrijfsvoering. Verder mag er geen sprake zijn van een afgestoten bedrijfswoning. De provinciale regels hebben de bouw van een eerste bedrijfswoning niet beperkt tot agrarische bedrijven. In de geldende regels van Veghel en Sint Oedenrode is deze beperking wel gelegd, omdat de regels over de bouw van een eerste bedrijfswoning alleen zijn opgenomen in de bestemming 'agrarisch' al dan niet met waarden. Binnen de meeste agrarische bouwvlakken is een bedrijfswoning aanwezig. Wanneer dat niet het geval is, is er sprake (geweest) van een gekoppeld bouwvlak. Over het algemeen is er voor de meeste agrarische bedrijfslocaties sprake (geweest) van een eerste bedrijfswoning. Dat betekent dat er alleen in uitzonderingssituaties alsnog medewerking kan worden verleend voor een eerste bedrijfswoning. 4.4.4
Bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij woningen
Zoals hiervoor in de paragraaf over de bouwregels voor (bedrijfs)woningen is opgemerkt is de volgende regeling het uitgangspunt:
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 23 van 75
Datum: 3 november 2020
er mag een (bedrijfs)woning worden gerealiseerd (al dan niet met aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen) van maximaal 750 m 3. Als de bestaande woning groter is dan 750 m3, geldt deze inhoud als maximum; alle aangebouwde bijgebouwen boven de 750 m 3 (danwel de reeds bestaande grotere inhoud van de (bedijfs)woning ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan) worden aangemerkt als bijgebouw (conform de bijgebouwenregeling van het bestemmingsplan) bij de woning. Voor deze aangebouwde bijgebouwen en de vrijstaande bijgebouwen geldt op basis van het bestemmingsplan een maximum van 150 m2.
Dit maximum aan bijgebouwen, bestaande uit aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen zal in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen. Het is van belang dat daarvoor passende begripsomschrijving in de planregels worden opgenomen. Of een aanbouw of aangebouwd bijgebouw toegerekend moet worden aan de inhoud van de woning of de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken zal duidelijk moeten blijken uit de aanvraag om omgevingsvergunning. De aanvrager/initiatiefnemer zal in de aanvraag en in de bijlagen (tekening) nadrukkelijk moeten aangeven welke ruimte onderdeel is van de woning en welke functie de betrokken ruimte zal hebben en welk bijbehorend bouwwerk onderdeel is van de aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen en welke functie(s) de ruimte(n) in de bijgebouwen zullen krijgen. Uit de aanvraag om omgevingsvergunning zal duidelijk moeten blijken dat de maximale inhoud van de (bedrijfs)woning van 750 m 3 en de maximale oppervlakte van aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen van 150 m 2 niet wordt overschreden. Uiteindelijk is het ruimtelijk aspect bepalend, te weten een woning van 750 m 3 en bijbehorende bouwwerken al dan niet vrijstaand van 150 m 2. Dat later een aangebouwde ruimte alsnog een woonfunctie krijgt is daarbij niet van belang.
In vrijstaande bijgebouwen mogen echter geen primaire woonfuncties worden ondergebracht, tenzij er sprake is van een mantelzorgvoorziening. Permanente bewoning van vrijstaande bijgebouwen is uitgesloten. Bij de keuze van de maximale oppervlakte van 150 m 2 is het volgende in de overwegingen meegenomen: Op basis van artikel 2 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht mogen bijbehorende bouwwerken zonder vergunning worden gebouwd als de totale oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken niet groter is dan 150 m 2 (dit afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied). Aangezien het maximum van 150 m2 wordt bereikt bij een bebouwingsgebied van 900 m 2 zal het maximum van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken in het buitengebied op veel percelen mogelijk zijn op basis van artikel 2 van bijlage II Bor. In de geldende bestemmingsplannen is het maximum aan bijgebouwen/bijbehorende bouwwerken gesteld op 100 m 2. Met toepassing van de kruimelgevallenregeling (artikel 4 van bijlage II Bor) kan daarvan standaard worden afgeweken tot een maximum van 150 m 2, tenzij het bebouwingsgebied daarmee voor meer dan 50% wordt bebouwd.
Overigens is het niet de bedoeling dat de aanpassing van de regels van de bestemmingsplannen voor het buitengebied, zodat standaard 150 m 2 aan bijbehorende bouwwerken wordt toegestaan, leidt tot ruimere bouwmogelijkheden bij (bedrijfs)woningen. Ook als de beleidsnotitie Kruimelgevallen, waarin het maximum van 150 m2 al is vastgelegd, niet wordt aangepast kan de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 24 van 75
Datum: 3 november 2020
alleen verder worden vergroot op basis van de sloop-bonus regeling, tot maximaal 300 m 2 (artikel 7.17). Bij de keuze van goot- en nokhoogte is het van belang om deze af te stemmen op de goot- en nokhoogte van de woning. Vanwege de ondergeschiktheid van een bijgebouw ten opzichte van het hoofdgebouw is het wenselijk om de hoogtes ten minste zo'n 1,5 à 2 meter lager te houden dan die van het hoofdgebouw. Aangezien bestaande hoofdgebouwen veelal nog een lagere nokhoogte zullen hebben dan het nieuwe maximum van 10 meter is het wenselijk om de bouwhoogte van bijgebouwen voorlopig te maximeren op 6 meter.. 4.4.5
Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde
In de regels van de drie geldende bestemmingsplannen zijn nu regels opgenomen over: Erf- en terreinafscheidingen; Antennes; Lichtmasten; Overkappingen; Onoverdekte zwembaden. In bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn in artikel 2 (vergunningvrije bouwwerken) regels opgenomen over: Tuinmeubilair, niet hoger dan 2,5 m; Sport- en speeltoestellen, niet hoger dan 2,5 m; Vlaggenmasten; Erf- en terreinafscheidingen; Antenne-installaties, al dan niet op of aan gebouwen geplaatst; Andere bouwwerken, mits niet hoger dan 1 meter met een oppervlakte van maximaal 2 m 2. Gezien de regels van Bijlage II van het Bor is het stellen van regels over de daarin geregelde bouwwerken in het bestemmingsplan niet nodig. Blijft over de noodzaak voor het stellen van regels over lichtmasten, overkappingen en onoverdekte zwembaden. Voor het plaatsen van nestgelegenheden op hoge palen, zoals ooievaarsnesten of nestkasten voor torenvalken, uilen en dergelijke is gekozen om een regeling op te nemen voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m². Voorgesteld wordt de regels voor andere bouwwerken geen gebouwen zijnde uit te breiden met nestgelegenheden met een maximum van 8 meter. 4.4.6
Sloop-bonus regelingen
Middels de sloop-bonus regeling willen gemeenten en provincies de kwaliteit van het buitengebied verbeteren door mogelijkheden te bieden om nieuwbouw te plegen als oude stallen gesloopt worden. De sloopregeling is voor eigenaren van te slopen bebouwing een stimulans om bestaande (oude) bebouwing te slopen.
NL.IMRO.1948.PAR000BP0012020-VG01
Pagina: 25 van 75
Datum: 3 november 2020
A. Vergroten inhoud woning (sloop-bonus) Wanneer alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen), worden verruimde mogelijkheden geboden voor het uitbreiden van de inhoud van de bestaande woning, tot een maximum van 1.000 m3. Voor het uitbreiden van de bestaande woning geldt de volgende regeling: gesloopte oppervlakte extra uitbreiding woning in m3 0 - 750 m2 gesloopte bedrijfsgebouwen 0,5 m3 per gesloopte m2 > 750 m² gesloopte bedrijfsgebouwen 0,35 m3 per gesloopte m2 Rekenvoorbeeld: huidige woning: er wordt 450 m² aan vrijgekomen bedrijfsbebouwing gesloopt extra uitbreiding woning: 0,5 x 450 m² =
750 m3 225 m3 975 m3
totaal toegestane inhoud: B. Vergroten oppervlakte bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus)
Wanneer alle voormalige agrarische bijgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen) worden verruimde mogelijkheden geboden voor de oprichting van bijgebouwen. Er geldt dat voor elke m 2 gesloopte vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd in de vorm van een nieuw bijgebouw (of uitbreiding van bestaande bijgebouwen), tot een maximale oppervlakte van 300 m2 (inclusief de oppervlakte van de reeds aanwezige bijgebouwen). In het kader van welstand kunnen nadere eisen worden gesteld aan het maximaal aantal op te richten bijgebouwen en de verschijningsvorm van de bijgebouwen. De regeling is bedoeld om ook op percelen met een relatief geringe oppervlakte aan vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing sloop van deze bebouwing te bevorderen. In het bestemmingsplan nemen we een sloopbonusregeling op voor het vergroten van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij het omzetten van de bestemming 'Agrarisch' naar een bestemming 'Wonen' tot 300 m². De regeling stimuleert de sloop van bedrijfsbebouwing omdat initiatiefnemers voor sloop beloond worden. We hebben gezocht naar een goede verhouding van sloop versus extra ruimte waarbij we enerzijds rekening houden met de hoge sloopkosten en anderzijds er zorg voor dragen dat er sprake is van een significante kwaliteitsverbetering.