Bijlage 1: Toelichting en regels bestemmingsplan Kom Schijndel 2013 Herziening Schootsestraat 45
Tekst van het document
Uitgangspunten aanlegfase De aanlegfase bestaat uit de realisatie van 5 sociale huurwoningen, 14 tussen/hoekwoningen en 1 vrijstaande woning. Worst-case is aangenomen dat de aanlegfase niet langer dan 1 jaar zal duren. De NOx- en NH3-emissies zijn dan met name afkomstig van de inzet van mobiele werktuigen en (bouw-)verkeer. Aangezien de ontwikkeling zich nog in de planfase bevindt en nog geen aannemer(s) bekend zijn, is nog niet bekend welke diesel-, benzine of lpg aangedreven (mobiele) werktuigen in de aanlegfase ingezet zullen worden bij de bouw van de woningen. Daarmee is ook over dieselverbruik, bedrijfstijden, bouwjaar en vermogen van de werktuigen geen specifieke informatie beschikbaar. De hoeveelheid NOx- en NH3-emissies die vrijkomen bij de bouwwerkzaamheden zijn bepaald gebruik makend van kentallen opgesteld door adviesbureaus TAUW en De Roever. De kentallen zijn gebaseerd op de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en vrachtverkeer bij een groot aantal woningbouwprojecten. De verdere uitwerking is onderdeel van het bijgevoegde onderzoeksrapport. Uitgangspunten gebruiksfase In de beoogde situatie zijn de woningen in gebruik. De NOx- en NH3-emissies worden enkel veroorzaakt door verkeersbewegingen.
Met betrekking tot het verkeer dat in de gebruiksfase kan worden toegerekend aan de woningen is uitgegaan van gegevens uit de ASVV 2021 van kennisplatform De verdere uitwerking is onderdeel van het bijgevoegde onderzoeksrapport. Conclusie In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan Schootsestraat 45 in Schijndel de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. 33
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.
7. WATER 7.1 Inleiding Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) schrijft voor dat gevolgen voor de waterhuishouding veroorzaakt door ruimtelijke ontwikkelingen inzichtelijk worden gemaakt. De onderhavige locatie ligt in het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. Bij een ruimtelijke ontwikkeling die gevolgen heeft voor het bestaande watersysteem is een dus watertoets vereist. Deze watertoets draagt bij aan een juiste afweging van de waterbelangen van een plan. De waterparagraaf beschrijft de bestaande en de toekomstige waterhuishoudkundige situatie van oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater. De Keur Waterschappen hebben op basis van artikel 59 lid 1 en artikel 78 lid 1 Waterschapswet een verordenende bevoegdheid. De beheerverordening van waterschappen wordt Keur genoemd. Deze bevoegdheid is beperkt tot de specifiek opgedragen taak. In de Keur staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. De legger(s) van waterschappen geeft aan waar de Keur van toepassing is.
In de legger zijn de waterstaatswerken (ligging, vorm, afmeting en constructie) binnen het gebied van het waterschap opgenomen. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: 34
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleidsen algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. 7.2 Waterschapsbelangen Er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: ruimteclaims voor waterberging; ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel; aanwezigheid en ligging watersysteem; aanwezigheid en ligging waterkeringen; aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.
35
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
7.3 Waterhuishoudkundige situatie Bodem Om de infiltratiecapaciteit van de bodem te bepalen, heeft Milon boringen uitgevoerd. Ter plekke van de boringen bestaat de boven- en ondergrond overwegend uit zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand. In de ondergrond worden sporadisch leem- en veenlagen waargenomen. Tijdens het onderhavige indicatief doorlatendheidsonderzoek is de k-waarde bepaald en zijn verschillende bodemlagen beoordeeld. Hierbij valt op te maken dat de k-waarden in de verschillende lagen uiteenlopend zijn. Over het algemeen worden de lagen beoordeeld als goed doorlatend. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied ligt aan de zuid-westkant een greppel/kavelsloot, en aan de rand van het Kloosterpark door het populierenbos een b-watergang (het betreft een ‘afgewaardeerde’ sloot, voorheen a-watergang). Grondwater Om de grondwaterstand te bepalen heeft Econsultancy een quickscan grondwater uitgevoerd. Op basis van de beschikbare literatuurgegevens alsmede de grondwaterstromingsrichting wordt voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 8,10 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ca. 0,7 m -mv bevinden. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) wordt ingeschat op 6,80 m +NAP. De GLG zou daardoor op ca. 2,0 m -mv liggen. Deze quickscan is als bijlage 7 aan het rapport toegevoegd.
Hoogte Maaiveld De gemiddelde maaiveld hoogte van het te realiseren plan zit op 8.8 +NAP. De waterberging dient boven de GHG gerealiseerd te worden. Voor de openbare ruimte is hiermee rekening gehouden. De bodem en hydrologische situatie biedt mogelijkheden voor infiltratie met een overstort op de nabijgelegen b-watergang. Waterschapsbelang In de nabijheid of in de uitbreidingslocatie zijn geen waterkeringen of waterbergingen aanwezig. De locatie ligt niet in een waterwingebied. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemengd rioolstelsel aan de ten zuid-oosten van het plangebied gelegen Schootsestraat. Bergingscapaciteit Onderstaande tabel geeft de verharding per onderdeel en de totale verharding voor het projectgebied weer.
36
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
onderdeel Blok 1 (5 seniorenwoningen) Blok 2 (7 kapschuurwoningen) Blok 3 (7 kapschuurwoningen) Blok 4 (1 vrijstaande woning) 14 bergingen Tuinverharding 10m per woning Verharding infra (zonder open bestrating parkeervakken) Totaal verhard
m2 565 302 302 132 86 200 1518 3105
De benodigde bergingscapacteit bedraagt dus 3105 * 0,06m = 186m3
De gegevens van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld zijn overgenomen uit de veldmetingen van onderzoeksbureau ten behoeve van het Verkennend bodem- en asbestonderzoek. 7.4 Ontwerp bergingsvoorziening
Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd: 1. hergebruik; 2. infiltratie; 3. buffering; 4. afvoer. Uit het geohydrologisch onderzoek volgt dat de waterdoorlatendheid van de bodem over het algemeen goed is.
Tijdens het doorlatendheidonderzoek zijn in de bodem diverse leemlagen waargenomen. Deze leemlagen zijn over het algemeen slecht doorlatend. Geadviseerd wordt ter plaatse van de wadi boringen door de leemlaag te maken, zodat het water beter infiltreert. IT-riool Het water van de daken en verhardingen in het plan wordt middels IT-rioleringsleidingen richting de centraal in het plan ingerichte wadi getransporteerd. Het HWA-riool uitgevoerd in IT-riool. Dit zorgt er voor dat het water beter over het hele plan verspreid wordt, en een snellere infiltratie gerealiseerd kan worden. Wadi Via een inspectieput met roosterdeksel wordt het hemelwater vanuit het IT-riool in de wadi gebracht. De wadi gaat een totaal verwacht bergend vermogen bevatten van ca. 100m³. De wadi heeft een natuurlijk talud hebben van 1:2 en gemiddelde diepte van 8,2+NAP.
37
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Nood-overloopconstructie Als de wadi zijn maximale bergingscapaciteit heeft gehaald wordt het overtollige hemelwater middels een nood-overloopconstructie aangesloten op de b-watergang ten noordwesten van het plangebied aan de rand van het Kloosterpark.
Nadere uitwerking In de bouw- en woonrijpstukken zal de waterberging nader worden uitgewerkt en berekend. Hierbij zal rekening gehouden worden met de gemeenteregels in hoofdstuk 6 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, zodat de waterbelangen in het gebied worden geborgd. Conclusie Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor de realisatie van de vereiste bergingscapaciteit.
38
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
8. FYSIEKE BELEMMERINGEN 8.1 Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. (Voor aanvang van de graafwerkzaamheden worden de exacte ligging van kabels en leidingen door middel van een KLIC-melding opgevraagd bij de leidingbeheerders). 9. MILIEUHYGIENISCHE VERANTWOORDING 9.1 Milieueffectrapportage 9.1.1 Is de activiteit m.e.r.-(beoordelings) plichtig? De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.- beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Het onderhavige initiatief betreft de realisatie van een twintigtal woningen en valt daarmee onder de activiteit ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (D11.2). Het project blijft ruim onder de drempelwaarden, genoemd in onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het project is daarom niet m.e.r.-plichtig, maar is wel de vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing. Voor activiteiten onder de drempelwaarde van bijlage D bestaat sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. van 1 april 2011 de verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde. Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen.
Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf; Kolom 2: drempelwaarden activiteit; Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan); 39
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. 9.1.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit inderdaad geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben: de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); de mogelijke gevolgen van de activiteit. Het plan houdt in dat de voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt getransformeerd naar een kleinschalig woongebied. Daarvoor worden de bestaande opstallen gesloopt. Op de vrijgekomen gronden worden 20 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het plangebied, met ontsluiting op de Schootsestraat, sluit aan bij de omliggende bebouwing. De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid,stikstofdepositie en flora en fauna) tonen aan dat het realiseren van 20 woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt.
De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. Er is dus wel sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient dus een aanmeldingsnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend te worden. De aanmeldingsnotitie wordt als bijlage 8 toegevoegd. Ook daarbij concludeert het bevoegd gezag (bijv. op basis van een aanmeldingsnotitie) of er wel of geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Het bevoegd gezag, in deze de gemeente Meierijstad, heeft in het beoordelingsbesluit geconstateerd dat de aanmeldingsnotitie op de gevraagde onderdelen is aangepast met de relevante onderzoeksresultaten en voldoet aan de vereisten. Hiermee trekken wij de conclusie dat de nadere motivering rondom de (milieu)effecten in het kader van de m.e.r. beoordelingsplicht correct is uitgevoerd. Het beoordelingsbesluit is als bijlage 8A toegevoegd.
9.2 Bodem Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd (Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.1.6 lid 1 onder d). Om de bodemkwaliteit ter plaatse vast te stellen is door Milon een verkennend bodem/ en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen 40
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
ontwikkeling van de locatie van braakliggend terrein of parkeerplaatsen naar een woningbouwlocatie. Het rapport is als bijlage 9 toegevoegd. Naar aanleiding van het onderstaande onderzoek zijn door de Omgevingsdienst een aantal opmerkingen geplaatst. De opmerkingen zijn als bijlage 10 toegevoegd. Het uitvoerend onderzoeksbureau heeft deze opmerkingen beantwoord. Deze antwoorden zijn als bijlage 11 toegevoegd.
9.2.1 Conclusie verkennend onderzoek In de bovengrond op het terrein van de gemeentewerf (nummer 43) zijn licht verhoogde gehaltes minerale olie, zink en lood aangetoond. De licht verhoogde gehaltes zware metalen en PAK zijn naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de waargenomen bijmengingen met puin, bakstenen asfalt en kolengruis. De hier aangetroffen gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek Tevens is lokaal een matig verhoogd gehalte PAK aangetoond. Gezien de sterke verontreiniging op een ander deel van het terrein, gerelateerd aan bijmengingen zou dit verband kunnen houden. Tussen de betreffende boring en de verontreiniging zijn echter ook analyses uitgevoerd waar geen verhoogde waarden PAK zijn gevonden. Op het verkennend onderzochte deel van het perceel achter nummer 45 zijn licht verhoogde gehalten zink, cadmium, nikkel, barium en PAK aangetoond. De licht verhoogde gehaltes zware metalen en PAK zijn naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de waargenomen bijmengingen. De hier aangetroffen gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De verhoogde concentraties barium in het grondwater is waarschijnlijk veroorzaakt door een verhoogde achtergrondconcentratie. Voor het ligt verhoogde gehalte xylenen in het grondwater is geen eenduidige verklaring.
9.2.2 Conclusie nader onderzoek PAK-verontreiniging Op basis van de onderzoeksresultaten is er een relatie tussen de zintuiglijke waarnemingen met kolengruis en asfalt en de verhoogde concentraties. Gezien de resultaten van de analyses zijn de verontreinigingen voldoende verticaal afgeperkt. Gezien er uit het verkennend onderzoek ook blijkt dat er bijmengingen met asfalt op andere delen van het terrein aanwezig zijn (tot overschrijding tussenwaarde PAK) is nadere afperking in horizontale richting nog noodzakelijk. Cyanide-verontreiniging Op basis van het onderzoek is deze historische verontreiniging niet langer aanwezig. OCB-verontreiniging Op basis van het onderzoek is deze historische verontreiniging niet langer aanwezig. Zware metalen verontreiniging: Over de gehele locatie worden licht tot matige verhoogde gehalten zware metalen gevonden. Enkel in één monster wordt de interventiewaarde overschreden (koper en zink). Op basis van de resultaten uit vorig en huidig onderzoek lijkt hiermee de verontreiniging voldoende in 41
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
kaart gebracht en is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (niet > 25 m3).
9.2.3 Conclusie verkennend asbestonderzoek In drie monsters is een gehalte asbest gevonden groter dan 50 mg/kg ds. In twee monsters is in de fijne fractie een overschrijding, in het derde monster zijn de bijmengingen met asbestverdacht plaatmateriaal de reden voor de overschrijding. Nader asbestonderzoek is formeel gezien noodzakelijk ter hoogte van de boringen 2411, 2105 en 2107. Op de overige onderzochte locaties zijn geen asbestwaarnemingen gedaan die nader onderzoek doelmatig maken.
9.2.4 Conclusie druppelzone onderzoek In het mengmonsters is in de fijne fractie een verhoogd gehalte asbest van 20,5 mg/kg d.s. hechtgebonden serpentijn en amfibool asbest aangetoond. In dit mengmonster wordt de waarde voor nader onderzoek niet overschreden. In de druppelzone wordt de tussenwaarde voor PCB overschreden, gezien de verdenking dat dit van het dak afkomstig is en in de monsters van omliggende boringen van de overige onderzoeken geen verhoogde waarden PCB zijn aangetoond, gaan wij er vanuit dat deze verhoging zich beperkt tot de toplaag van de druppelzone.
9.2.5 Aanbevelingen en vervolgonderzoek Op basis van de resultaten zijn er een aantal zaken die nader bekeken dienen te worden: Nader asbestonderzoek op deel van terrein 45. De aangetroffen verontreinigingen/gemeten gehaltes kunnen belemmerend werken voor de toekomstige bouwplannen. Naast het uitvoeren van verder onderzoek hebben wij ook enkele aanbevelingen: Ondanks dat het asbest- en PCB gehalte in de druppelzone geen aanleiding geeft tot nader onderzoek, raden wij aan bij de herontwikkeling de bovenste laag hier te verwijderen. Conclusie Voor een aantal specifieke locaties is aanvullend onderzoek nodig. Verder is na vaststelling van de exacte omvang, sanering van een beperkt aantal locaties noodzakelijk. Het aanvullend onderzoek en de nader te bepalen sanering zijn voorwaarde voor de te verlenen omgevingsvergunning. De bodemkwaliteit geeft na de aangegeven saneringen geen belemmeringen voor de toekomstige herontwikkelingen en gebruik. 9.3 Geluid 9.3.1 Wegverkeerslawaai De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. 42
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Voor het het wegennet in de directe omgeving van de planlocatie geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Deze zijn volgends de Wet geluidhinder niet zoneplichtig. De relatief drukke Schootsestraat, de uitvalsweg naar Boxtel, in combinatie met de klinkerbestrating, draagt echter wel bij aan de geluidsbelasting ter plaatse. Om aan te tonen dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen mogelijk is, dus dat het geluidsniveau in de woningen niet hoger is dan 33 dB, is een nadere onderbouwing nodig.
De verkeersintensiteit op de Schootsestraat bedraagt circa 3500 motorvoertuigen per etmaal (bron: verkeersmodel Brabant Brede Model Aanpak, BBMA). Vanwege de grote afstand van 50m tussen de as van de weg en de te realiseren woningen, de verkeersintensiteit van 3.500 motorvoertuigen per etmaal, de bomengroep aan de Schootseweg en de tussengelegen bebouwing van de voormalige Klompenfabriek kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting ter hoogte van de nieuwe woningen lager zal zijn dan 53 dB exclusief aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder. Met een in artikel 3.2 van het Bouwbesluit vastgelegde
43
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
minimale karakteristieke geluidwering van de gevel van 20 dB wordt in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behaald van 33 dB. Conclusie Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet vereist. 9.3.2 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een zone van een industrieterrein. Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van industrielawaai.
44
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
9.4 Luchtkwaliteit 9.4.1 De invloed van het project op de luchtkwaliteit In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is vastgelegd wanneer een project/plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan of project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de concentraties met 1,2 µg/m³. Projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Wel moet worden aangetoond dat als gevolg van het project de jaargemiddelde concentraties PM10 en NO2 niet met meer dan 1,2 µg/m³ toenemen. In de onder het Besluit NIBM vallende Regeling niet in betekenende mate bijdragen is tot slot een aantal categorieën van plannen (projecten) opgenomen waarvoor zonder meer geldt dat deze plannen niet in betekenende mate bijdragen. Blijft de ontwikkeling binnen de voor deze categorieën opgenomen grenzen, dan is het project per definitie niet in betekenende mate, hoeft dit niet met berekeningen te worden aangetoond en hoeft ook in dat geval verder geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden.
De NIBM-grens voor woningbouwlocaties, zoals vastgelegd in voorschrift 3A.2 van de Regeling NIBM is 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderhavig initiatief, de ontwikkeling van 20 woningen, hoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer. 9.4.2 De luchtkwaliteit ter plaatse van het project Het bevoegd gezag betrekt de luchtkwaliteit in de besluitvorming van ruimtelijke plannen. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat gekeken wordt of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling aanvaardbaar is. Ook wordt gekeken wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkeling voor het leefklimaat zijn. Dit gebeurt in het kader van een "goede ruimtelijke ordening". Om te bepalen of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is wordt bepaald of de grenswaarden voor de fijnstofconcentraties (PM10 en PM2.5) en de stikstofdioxideconcentratie (NO2) worden overschreden.
45
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Bovenstaande afbeeldingen van de Monitoringtool NSL 2021 laten zien dat de waarden voor deze concentraties, gemeten langs de nabijgelegen ontsluitingsweg, onder de respectievelijke grenswaarden liggen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.
46
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
9.5 Geur 9.5.1
Geurhinder en veehouderijen
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bouwbedrijf van Grunsven B.V. heeft Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een onderzoek geurhinder veehouderijen ten behoeve van de nieuwbouw aan de Schootsestraat 45 te Schijndel. De initiatiefnemer is voornemens de terreinen rond de voormalige klompenfabriek aan de Schootsestraat 45 in Schijndel te herontwikkellen en te transformeren naar een kleinschalige woonlocatie met in totaal 20 woningen. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande panden te slopen en nieuwbouwwoningen te realiseren. Voor de realisatie van het plan is een bestemmingswijziging noodzakelijk. Voor het plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe moeten de gevolgen van een project voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woningen middels een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. De conclusies van het rapport zijn hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 12 toegevoegd. Het toetsingskader voor het geuronderzoek wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij.
Alle relevante gegevens van de veehouderijen worden beheerd door de gemeenten. De gegevens van de veehouderijen zijn ontleend aan het Web-bvb van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de ligging van de veehouderijen blijkt dat aan de minimaal te hanteren afstanden conform de Wet geurhinder en veehouderij met het plan ruimschoots wordt voldaan.
47
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Voor de directe omgeving van het plan zijn op basis van de berekende geurbelastingen contouren vastgesteld. In bovenstaande figuur zijn de 98-percentiel contouren van de achtergrondbelasting ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen weergegeven. De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 0,9 tot 1,0 ouE/m³. Het percentage geurgehinderden binnen een concentratiegebied II blijft beperkt tot 2,1%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen zeer goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet (verder) beperkt. Tevens kan er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd worden. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Spuitzones Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. 48
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Binnen de afstand van 50 meter van het plangebied, welke als vuistregel beschouwd wordt, zijn geen spuitzones voor gewasbescherming geconstateerd die een belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat binnen het plangebied geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan. 9.6 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.
9.6.1 Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord
49
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
door het bevoegd gezag.
Uitsnede risicokaart Op bovenstaande afbeelding zijn voor het plangebied de meest nabijgelegen risicobronnen weergegeven. Hieruit blijkt dat:
Het plangebied niet binnen de invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen valt; Het plangebied niet binnen de invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen valt; Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van buisleidingen.
Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de 50
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie uit veehouderijen. Metingen en berekeningen laten zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is. Bij een individueel varkensbedrijf is dat tot op een afstand van ca. 200 meter mogelijk en bij pluimvee tot ca. 500 meter.Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf ligt op circa 240 meter van de inbreidingslocatie. Overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 is dientengevolge onwaarschijnlijk.
Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Dit blijkt vooral uit vervolganalyses van de VGO-aanvullende studies in 2017 en de VGO-III deelresultaten in 2018. In het VGO-hoofdonderzoek waren hiervoor al aanwijzingen gevonden, die daarna nader onderbouwd zijn over een langere periode. Er is geen onderzoek voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de grenswaarde van 30 EU/m3 wordt overschreden. De Wageningen University & Research heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Uit een eerste oriënterend onderzoek met verspreidingsmodellen is gebleken dat het risico op overschrijding van de 30 EU/m3 in de bewoonde omgeving rondom grote pluimveebedrijven het grootst is. Voor andere diercategorieën, zoals geiten, schept de bestaande geurzonering voldoende afstand. Met het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 kan worden vastgesteld of het voor de volksgezondheid wenselijk is dat de GGD om nadere advisering wordt gevraagd. Stap 1 Concentratie Endotoxine: Er zijn geen pluimvee- of varkensbedrijven binnen de respectievelijke endotoxinegrensrichtafstand van 200 of 500 meter aanwezig.
Het is aannemelijk dat de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine niet wordt overschreden. Stap 2 Emissietoename: Het project betreft de realisatie van een twintigtal woningen. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak is niet aan de orde.
51
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Stap 3A Geur: is er op basis van het wettelijk kader een goed woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 0,9 tot 1,0 ouE/m³. De voorgrondgeurbelasting van de nieuw te bouwen woningen ligt op maximaal 0,8 OU/m3. Deze waarden blijven onder de streefwaarden van de gemeente Meierijstad. Stap 3B Geur: is er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de gezond’ heidskunde advieswaarde De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 0,9 tot 1,0 ouE/m³. Daarmee wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondgeurbelasting. De voorgrondgeurbelasting van de nieuw te bouwen woningen ligt op maximaal 0,8 OU/m3 (ten gevolge van Putsteeg 6). Hiermee wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde. De afstand van de meest nabijgelegen veehouderij is circa 250 meter. Hier worden onder meer dieren zonder wettelijke emissiefactoren gehouden. Er wordt voldaan aan het afstandscriterium voor geur voor dieren zonder wettelijke emissiefactor.
Stap 4A: is er sprake van meer bedrijfsmatig gehouden diersoorten binnen één veehouderij. In de omgeving bevinden zich geen veehouderijen met meer dan één bedrijfsmatig gehouden diersoort. Stap 4B: de afstand tot het dichtstbijzijnde pluimvee- of varkensbedrijf. De afstand tot het dichtstbijzijnde pluimvee- of varkensbedrijf is groter dan de grenswaarde van 100m. Stap 5A: de afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij. Het beoogde initiatief ligt in de nabijheid van twee geitenhouderijen, te weten Boxtelseweg 10, op circa 1000m, en Oetelaarsestraat 29, op 1870 m afstand. De geitenhouderij aan de Boxtelseweg is niet meer in bedrijf, en wordt getransformeerd naar een zorgboerderij. De vergunning wordt op termijn ingetrokken. De geitenhouderij aan de Oetelaarseweg ligt aan de noord-westzijde van Schijndel, met een groot aantal woningen in de directe omgeving. Gezien de overheersende zuidwesten windrichting ligt de ontwikkellocatie aan de Schootsestraat 45 gunstig tov deze geitenhouderij. Zie voor overzicht dieren en bijbehorende vergunningen bijlage 13. Stap 5B: de afstand tot het dichtstbijzijnde pluimveehouderij. Er ligt geen pluimveehouderij binnen de minimale richtafstand van 1000m. Stap 5C: de afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij. Er ligt geen veehouderij binnen de minimale richtafstand van 250m.
Stap 6: Is er een een mestbe- of verwerkingsbedrijf in de directe omgeving 52
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Er is geen mestbe- of verwerkingsbedrijf in de directe omgeving. Stap 7: Is er onrust bij de omwonenden. Er is geen onrust bij de omwonenden. Vanwege de nabijheid van een geitenhouderij op minder dan 1000m is de GGD om advies gevraagd. Het rapport is als bijlage14 toegevoegd. Het advies luidt als volgt: Het plangebied is wel gelegen binnen 2 km van een geitenhouderij. Bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij lopen een verhoogd gezondheidsrisico. Dit risico is het grootst binnen 500 meter van de geitenhouderij. Niet bekend is wat de oorzaak is van het verhoogd risico op longontsteking, waardoor het niet mogelijk is maatregelen te nemen. Stemt de gemeente in met het ingediende initiatief, dan is het advies toekomstige bewoners in elk geval van het verhoogd risico op longontsteking op de hoogte te brengen. Conclusie Het aspect Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het initiatief.
9.8 Gezondheid 9.8.1 Hoogspanningsleidingen Op een afstand van ongeveer 2,5 km meter ligt een 150 kV hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 2x100m. Het plangebied ligt hier buiten. Conclusie Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor het initiatief.
10. BEDRIJVEN EN VOORZIENINGEN 10.1 Bedrijven en milieuzonering Als door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Enerzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door milieubelastende bedrijven in de directe omgeving. Anderzijds moet mogelijke uitbreiding van bedrijven niet worden beperkt door de realisatie van milieugevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een gevoelige functie. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieu hygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken, is gebruik gemaakt van de 53
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) uit 2009. Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenoemde afstandentabel). De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk, maar kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Het initiatief behelst de realisatie van 20 woningen. Hiervoor is het omzetten van van de de bestemmingen Groen en Maatschappelijk en een deel van de bestemming Cultuur en Ontspanning naar Wonen noodzakelijk. Met deze omzetting wordt oprichting van nieuwe gevoelige functies, in dit geval woningen, mogelijk. Er dient dus vastgesteld te worden of er voldoende afstand blijft tussen bedrijven en de woningen.
Gezien de afwisseling van functies in de directe omgeving is het gebied als ‘gemengd gebied’ te beschouwen. adres
bedrijf
Milieucategorie
Schootsestraat 46 Venushoek 2
Agrarisch
Grondgebonden veehouderij
Spoorlaan Schootsestraat 45
Gasontvangststation Bedrijventerrein Cultuur en ontspanning
Vereiste afstand 50m
Werkelijke afstand >200m
30m
> 200m
Max. 3.2
50m
>1100m
1
10m
>20m
Onderhavige ontwikkeling van woningen vindt plaats achter het lint van de Schootsestraat. Tussen de nieuw te realiseren woningen en de bestaande bedrijven wordt voldoende afstand gehouden. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee verzekerd. Verder worden bestaande bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.
11. VERKEER 11.1
Inleiding
54
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Het toevoegen van woningen zal effect hebben op het aantal verkeersbewegingen in de directe omgeving en op de parkeerbehoefte ter plaatse. Het is dus belangrijk deze veranderingen inzichtelijk te maken. Het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad is vastgelegd in het ´Paraplubestemmingsplan parkeren`, vastgesteld 31 januari 2019. Dit bestemmingsplan heeft als doel voor alle bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad de verbinding te leggen met de ´Nota Parkeernormen Meierijstad 2018´, vastgesteld 18 december 2018. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of openbaar gebied wordt gerealiseerd, in stand wordt gehouden dan wel aanwezig is. Ook moeten deze parkeervoorzieningen voldoen aan de in de Nota vastgelegde afmetingen. 13.1.1 Verkeersgeneratie Met behulp van de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW is de minimale verkeersgeneratie na realisatie van het plan berekend. Hierbij is uitgegaan van de gebiedscategorie rest bebouwde kom en weinig stedelijk gebied. Voor twee-onder-een-kap woningen bedraagt de verkeersgeneratie gemiddeld 8 per woning, Voor huurwoningen bedraagt de verkeersgeneratie gemiddeld 5 per woning. Type Seniorenwoning Koop/huurwoning Vrijstaande woning
aantal 5 14 1
gemiddeld 3 5 5
totaal 15 70 5 90 De toename van circa 90 verkeersbewegingen is aanvaardbaar voor het omliggende wegennet. 13.1.2 Parkeren Op basis van de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018, het woningtype en de gebiedscategorie is in onderstaande tabel het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. De complete berekening is als bijlage 15 toegevoegd. Type Seniorenwoning Koop/huurwoning Vrijstaande woning
Rest bebouwde kom
aantal
norm
2,1 2,1 2,4
5 14 1 20
10,5 29,4 2,4 42,3
Eigen terrein 5 9 2 16
openbaar 5,5 20,4 0,4 26.3
Verrekening dubbelgebruik en de bijbehorende aanwezigheidspercentages resulteert in een vermindering van 2.3 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied zijn in totaal 40 parkeerplaatsen aanwezig (16 op eigen terrein en 24 in openbaar gebied). Het plan voldoet daarmee aan de beleidsregel.
55
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
13.1.3 Verkeerssituatie in en rond het plangebied Het plangebied ligt achter het lint van de Schootsestraat en sluit hierop aan met een als ‘inrit’ vormgegeven ontsluitingsweg. De woningen in het plangebied zijn gesitueerd rond de centrale groenvoorziening. Verder is er een langzaam verkeer aansluiting op het fiets/voetpad richting het Elde College. Op loopafstand van de locatie bevinden zich de OV-haltes van lijn 644, met een beperkt aantal ritten tussen Veghel en Boxtel.
56
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
12. JURIDISCHE PLANOPZET 12.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting de planregels de verbeelding De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting dient als onderbouwing van het plan en verklaring van de bestemmingen en planregels, in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De planregels bevatten de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige dan wel op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. 12.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP2012 betreft: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid 57
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Artikel 3 Bos Deze bestemming regelt het bosgebied, gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 4 Groen Deze bestemmingen regelt het openbare gebied en de plantsoenen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Binnen de bestemming Groen is parkeren uitsluiten binnen de Gebiedsaanduiding 'zone-parkeren toegestaan’ mogelijk. Artikel 5 Verkeer Deze bestemmingen regelt de verkeers- en parkeervoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 6 Wonen De bestemming Wonen is toegekend aan de woningen in het plangebied met de daarbij behorende tuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van twee woningtypen: vrijstaand en aaneengebouwd. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan. In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en carports. Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bijbehorende bouwwerken mogen ook daarbuiten staan, maar moeten wel voldoen aan diverse situeringseisen. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven. Artikel 7 Dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4 Deze bestemming beschermd eventueel aanwezige archeologische waarden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 9) Gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, kunnen niet nogmaals als zodanig ingezet worden. Algemene bouwregels (artikel 10) Regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels (artikel 11) Dit artikel bevat regels over strijdig gebruik en regels over het aantal parkeerplaatsen. Algemene afwijkingsregels (artikel 12) Dit artikel bevat een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden en bijbehorende criteria. Overige regels (artikel 13) In dit artikel wordt de aanvullende werking van de bouwverordening, zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van de Woningwet, uitgesloten.
58
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 14) Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast. Slotregel (artikel 15) In dit artikel staat de naam waaronder de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
13. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. In dergelijke gevallen zijn de door de gemeente te maken kosten beperkt en kunnen de kosten verhaald worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën. Voor onderhavig planvoornemen is overeenkomstig artikel 6.24 lid 1 Wro een anterieure overeenkomst afgesloten, zodat er geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan. De initiatiefnemer financiert de ontwikkeling van de woningen en heeft hiervoor middelen beschikbaar. Ook eventuele andere bijkomende kosten, waaronder kosten voor dit bestemmingsplan en kosten voor sanering worden gefinancierd door de initiatiefnemer.
Met de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de kosten voor de gemeentelijke ondersteuning worden gedekt, de benodigde gronden van de gemeente worden ingebracht en het openbaar gebied na oplevering van bouw- en woonrijpmaken wordt teruggeleverd aan de gemeente. In het kader van artikel 6.12 Wro is er geen aanleiding om een exploitatieplan vast te stellen, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn middels een tussen de Gemeente en de ontwikkelende partij(n) afgesloten anterieure overeenkomst. Hierin is onder meer overeengekomen dat het bouwplan voor eigen rekening en risico van de ontwikkelende partij ontwikkeld zal worden en dat de ontwikkelende partij de kosten draagt in het kader van het opstellen van dit bestemmingsplan, bijbehorende onderzoeken en sanering van de gronden. Ook zal eventueel te verwachten planschade door de ontwikkelende partij gedragen worden. 59
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Het bestemmingsplan is hiermee financieel uitvoerbaar en geconcludeerd wordt dat het kostenverhaal verzekerd is. Er is voorts geen noodzaak tot het bepalen van een tijdvak of fasering noch tot het stellen van eisen, regels aan het bouwrijp maken of de uitvoerbaarheid.
14. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 14.1 Omgevingsdialoog Wanneer een initiatief of planvoornemen gevolgen heeft voor de omgeving vraagt de gemeente Meierijstad de initiatiefnemer een zogenaamde Omgevingsdialoog te voeren met de direct betrokkenen. Deze dialoog is een open gesprek tussen meerdere partijen. Het is belangrijk dat mensen uit de buurt betrokken worden bij de plannen en dat de initiatiefnemer kennisneemt van hun eventuele bezwaren, wensen en belangen. Het is aan de initiatiefnemer hoe om wordt gegaan met de gemaakte opmerkingen. De Omgevingsdialoog heeft vooralsnog geen juridische status. De initiatiefnemer heeft gesprekken gevoerd met de direct omwonenden. Tijdens deze gesprekken zijn door de omwonenden opmerkingen gemaakt en voorstellen ter verbetering gedaan. Op basis van deze opmerkingen heeft de initiatiefnemer een aantal aanpassingen aan het plan doorgevoerd. Er zijn verder geen bezwaren geuit. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage 16 toegevoegd.
14.2 Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voor- bereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties, te weten Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant, worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. 14.3 Planprocedure: inspraak op basis van de gemeentelijke inspraakverordening De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
60
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Regels NL.IMRO.1948.SCH001BP0042022P-ON01
15 mei 2023
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Schootsestraat 45 met identificatienummer NL.IMRO.1948.SCH001BP0042022P-ON01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge deze regels- regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aaneengebouwde woning een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde een gestapelde woning; 1.6 aansluitend terrein aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied; 1.7 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.8 achtergevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel; 1.9 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden,
fokken of veredelen van dieren; 1.10 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.11 afhaalpunt een locatie waar de consument uitsluitend - voorafgaande aan het bezoek - via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten;
bestemmingsplan 'Kom Schijndel 2013, herziening Schootsestraat 45'
1.12 bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.13 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke 1.14 beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend; 1.15 begane grondvloer de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.16 bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, dan wel na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning met betrekking tot bouwen, waarbij de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend; 1.17 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.18 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met