CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: toelichting BP Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17 - 17a'28.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In voorliggend bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen om de bestemming Wonen naar een andere bestemming zoals Bedrijf te wijzigen, zonder hiervoor een separate procedure te doorlopen. Wél kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis bij de bestemming Wonen. Verkeersbewegingen Binnen het plangebied worden 2 vrijstaande en 4 tussen-/hoekwoningen toegevoegd. Op basis van de gemiddelde kencijfers van de CROW-publicatie 381 voor een gebied dat ‘weinig stedelijk’ is en behoort tot ‘rest bebouwde kom’ bedraagt het aantal verkeersbewegingen respectievelijk 8,0 per woning (vrijstaand) en 7,4 per woning (tussen/hoek). Dit leidt tot een gezamenlijk aantal verkeersbewegingen van afgerond 46 stuks. Hoewel initiatiefnemers niet voornemens zijn een beroep of bedrijf aan huis binnen het plangebied uit te oefenen, wordt in het kader van de maximale planologische mogelijkheden additioneel per woning nog gerekend met 5 extra verkeersbewegingen per dag. In totaal vinden er hiermee in de nieuwe situatie afgerond maximaal 76 verkeersbewegingen per etmaal plaats. Hiertegenover staat het verdwijnen van het kringloopcentrum binnen het plangebied.

Hoewel het kringloopcentrum dagelijks de nodige verkeersbewegingen genereert, waaronder enkele vrachtwagen-bewegingen, worden deze niet in mindering gebracht en wordt voor de stikstof- 31 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

depositie berekening worst-case uitgegaan van een toename van 76 verkeersbewegingen binnen het plangebied. Stookinstallaties Hoewel de nieuw te bouwen woning gasloos worden opgericht, wordt voor het berekenen van de toename van stikstofdepositie worst-case uitgegaan van de verwarming van de zes woningen middels een aardgasketel. De norm voor de emissie NOx ten gevolge van Wonen bedraagt 3,0 kg per jaar per woning. Berekening Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2021.0.5 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4

Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap de Dommel, de Keur Waterschap De Dommel 2015, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie NoordBrabant, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.

- 32 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed - 33 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Omdat bij voorliggend initiatief het totaal verhard oppervlak in het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling iets afneemt (zoals weergegeven in figuur 4.3), is het gemeentelijk beleid voor hydrologisch neutraal ontwikkelen van toepassing. Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 een water- en rioleringsplan (VGRP+ Meierijstad) vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering.

Uit onderstaande tabel, zoals opgenomen in het VGRP+, blijkt dat de gemeente Meierijstad ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 (0 tot 10.000 m2) compenserende maatregelen benodigd acht. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd. - 34 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Figuur 4.3: Tabel uitgangspunten afvoer hemelwater door toename verhard oppervlak (bron: VGRP+ Meierijstad).

Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode. In de huidige situatie is binnen het plangebied een kringloopcentrum gevestigd met 1.200 m2 aan bedrijfsbebouwing. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger Oppervlaktelichamen van Waterschap De Dommel. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden van zwak lemig fijn zand. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van circa 40-60 centimeter beneden maaiveld. Er dient daarom extra aandacht besteed te worden aan de ontwateringsdiepte. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte van 160-180 centimeter onder maaiveld. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap VI.

Figuur 4.4: Uitsnede Algemene Hoogtenkaart Nederland (bron: AHN).

- 35 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Op de hoogtekaart zoals opgenomen in figuur 4.4 is te zien dat er lager gelegen gebieden zijn in het plangebied waar gebouwd zal worden. De donkerblauwe gedeelten op de kaart betreffen de laagst gelegen punten, de oranje/rode gedeelten betreffen de hoogst gelegen punten. Mocht in een later stadium gekozen worden voor ophoging van de percelen dan zal hierbij extra aandacht aan de waterhuishouding worden besteed. Een ophoging van de percelen mag geen wateroverlast veroorzaken op eigen perceel of op naburige percelen door afstromend hemelwater. Oppervlaktewater Zoals zichtbaar op de kaart van de Legger van het Waterschap zoals opgenomen in figuur 4.5, zijn om het plangebied heen twee B-watergangen (lichtblauwe kleur) aanwezig. Aan de overzijde van de weg Sluitappel is daarnaast een A-watergang (donkerblauwe kleur) gelegen.

Figuur 4.5: Uitsnede kaart Legger (bron: Waterschap De Dommel).

Benodigde compensatie Bij voorliggend initiatief worden de bestaande bedrijfsbebouwing, in gebruik als kringloopcentrum, met bijbehorende erfverharding gesaneerd en worden hiervoor in de plaats 6 woningen in 3 bouwvolumes met bijgebouwen en erfverharding opgericht. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd en wordt omgezet naar burgerwoning. In de huidige situatie heeft de bedrijfsbebouwing een oppervlakte van 1.200 m2. In de nieuwe situatie hebben de drie bouwvlakken voor de 2 vrijstaande woningen en het blok van 4 seniorenwoningen oppervlaktes van respectievelijk 150 m2, 150 m2 en 300 m2. Het totale verhard oppervlak

- 36 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

in het huidige en de nieuwe situatie is weergegeven in figuur 4.6. Hieruit volgt dat als gevolg van voorliggende ontwikkeling het verhard oppervlak binnen het plangebied afneemt met ca. 375 m2. Oppervlakte Bedrijfsgebouwen (kringloopcentrum) Bedrijfswoning (wordt burgerwoning) Woningen (2 vrijstaand en 4 senior) Bijgebouwen (incl. huidige bedrijfswoning) Erfverharding (incl. huidige bedrijfswoning) Totaal

Huidige situatie

Nieuwe situatie

1.200 m2 150 m2 1.100 m2 2.450 m2

150 m2 600 m2 650 m2 675 m2 2.075 m2

Figuur 4.6: Verhard oppervlak Sluitappel 17-17a.

In de nieuwe situatie is er per vrijstaande woning sprake is van een verhard oppervlak van ca. 450 m2. Dit verhard oppervlak bestaat uit 150 m2 woning, 150 m2 bijgebouw en 150 m2 erfverharding. Op basis hiervan dient bij onderhavige ontwikkeling per vrijstaande woning een infiltratievoorziening te worden gerealiseerd van: 450*0,06 = 27 m3. Voor de 4 tussen-/hoekwoningen is sprake van een verhard oppervlak van ca. 175 m2. Dit verhard oppervlak bestaat uit 75 m2 woning, 50 m2 bijgebouw en 50 m2 erfverharding. Op basis hiervan dient bij onderhavige ontwikkeling per tussen-/hoekwoning een infiltratievoorziening te worden gerealiseerd van: 175*0,06 = 10,5 m3. Nadere uitwerking wateropgave Het hemelwater wordt in nieuwe situatie gescheiden van het afvalwater. Dit zorgt voor een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van bovenstaande gegevens worden onderstaand voor de te realiseren vrijstaande woning aan het Groene Woud, het blok van 4 seniorwoningen aan de Sluitappel en de vrijstaande woning aan de Sluitappel de individueel te realiseren waterbergingsvoorzieningen nader uitgewerkt. Vrijstaande woning aan Groene Woud Voor de nieuw te bouwen vrijstaande woning aan het Groene Woud zal ten behoeve van de afvoer van het hemelwater gebruik worden gemaakt van de greppel die aan de noordzijde van het perceel is gelegen.

Deze greppel is in de huidige situatie niet in gebruik en heeft een lengte van circa 45 meter. Voorheen was de greppel langer, maar de eigenaar van het perceel Driekant 3 heeft het gedeelte van de greppel dat op zijn perceel gelegen was dichtgegooid. Daar de GHG 40 – 60 cm bedraagt, kan enkel de bovenste 40 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De greppel kent in haar huidige vorm een breedte van 2,5 meter en een talud met een helling van 1:1. Dit talud zorgt ervoor dat op een diepte van 40 cm de greppel nog een breedte van 1,70 meter heeft. De bergingscapaciteit van de greppel bedraagt hiermee: 45 * (2,5 + 1,7)/2)) * 0,4 = 37,8 m3. Hiermee kan voorzien worden in de - 37 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

benodigde compensatie van 27 m3. In figuur 4.7 is de locatie en de dimensionering van de greppel nader weergegeven. Het gebruik van deze greppel voor waterberging is enkel mogelijk wanneer het water in de greppel kan worden vastgehouden en niet afstroomt naar het regionale oppervlaktewatersysteem. Om hierin te voorzien zal de greppel worden losgekoppeld van de B-watergang die gelegen is langs het Groene Woud. Voor het geval zich een scenario voordoet met extreme neerslag wordt echter vanaf de greppel wel een nood-overloop behouden richting de B-watergang, zodat het hemelwater bij hevige piekbuien weg kan vloeien uit het plangebied.

Greppel: 50 m.

B

BI

Greppel: 22 m.

B

BI

Nood-overloop

Figuur 4.7: Dimensionering greppels Groene Woud en Sluitappel.

Omdat het gebruik van de greppel voor de waterberging van het plan effect zou kunnen hebben op de ontwatering van het perceel Groene Woud 2, is een (aanvullende) omgevingsdialoog met de eigenaar van dit perceel gevoerd. Het verslagformulier van deze omgevingsdialoog is ter kennisname toegezonden aan de gemeente Meierijstad. De eigenaar van het perceel Groene Woud 2 heeft aangegeven akkoord te zijn met het gebruik van de greppel voor de waterberging van de nieuw te bouwen woning aan Groene Woud. - 38 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Vrijstaande woning, hoekwoning en tussenwoning aan Sluitappel Voor de nieuw te bouwen vrijstaande woning en twee van de woningen van de vierkapper (meest oostelijk gelegen hoekwoning en tussenwoning) aan de Sluitappel, zal ten behoeve van de afvoer van het hemelwater een greppel gegraven worden ter hoogte van de noordelijke perceelsgrens. Deze greppel krijgt een lengte van 50 meter. Daar de GHG 40 – 60 cm bedraagt, kan enkel de bovenste 40 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De greppel krijgt een breedte van 3,0 meter en een talud met een helling van 1:1. Dit talud zorgt ervoor dat op een diepte van 40 cm de greppel nog een breedte van 2,20 meter heeft. De bergingscapaciteit van de greppel bedraagt hiermee: 50 * (3,0 + 2,2)/2)) * 0,4 = 52 m3. Hiermee kan voorzien worden in de benodigde gezamenlijke compensatie van 48 m3 (27 m3, 10,5 m3 en 10,5 m3) voor deze drie woningen. In figuur 4.7 is ook de locatie en de dimensionering van deze greppel nader weergegeven. Hoekwoning en tussenwoning aan Sluitappel Voor de twee meest westelijk gelegen woningen van de te realiseren vierkapper aan de Sluitappel, te weten een hoekwoning en een tussenwoning, zal ten behoeve van de afvoer van het hemelwater eveneens een greppel gegraven worden ter hoogte van de noordelijke perceelsgrens. Deze greppel krijgt een lengte van 22 meter.

Daar de GHG 40 – 60 cm bedraagt, kan enkel de bovenste 40 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De greppel krijgt een breedte van 3,0 meter en een talud met een helling van 1:1. Dit talud zorgt ervoor dat op een diepte van 40 cm de greppel nog een breedte van 2,20 meter heeft. De bergingscapaciteit van de greppel bedraagt hiermee: 22 * (3,0 + 2,2)/2)) * 0,4 = 22,9 m3. Hiermee kan voorzien worden in de benodigde gezamenlijke compensatie van 21 m3 (10,5 m3 en 10,5 m3) voor deze twee woningen. In figuur 4.7 is ook de locatie en de dimensionering van deze greppel nader weergegeven. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd op de aanwezige gemeentelijke drukriolering. In de huidige situatie is reeds sprake van twee bestaande aansluitingen op het gemeentelijke drukriool voor respectievelijk de bestaande (bedrijfs)woning en voor de bedrijfsgebouwen. De aansluiting voor de bedrijfsbebouwing komt te vervallen en kant benut worden voor de woningen. Aanvullend zullen voor de nieuw te bouwen woningen nog enkele nieuwe aansluitingen moeten worden aangevraagd. Gezien het feit dat de ontwikkeling kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing.

De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel en/of veranderingen aan leidingen zijn voor de initiatiefnemers. Conclusie Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

- 39 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

4.5

Gemeente Meierijstad

Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In het kader van dit plan moet onderbouwd worden waarom de huidige bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Ook moet zijn onderbouwd dat het plan financieel haalbaar is. Aan Milieupartner B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de planlocatie. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende onderbouwing. De conclusie van het onderzoek is hieronder samengevat opgenomen en luidt als volgt:

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen Door Milieupartner BV is, in opdracht van initiatiefnemer te Sint-Oedenrode, een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel Sluitappel 17 te Sint-Oedenrode, kadastraal bekend onder gemeente Sint-Oedenrode, sectie S, nummers 1134, 1286, 1495 t/m 1499 en 1501. Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen bouw van twee vrijstaande woningen en één vier-onder-een-kapwoning. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygienische bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is te bepalen of ter plaatse van de druppelzone een verontreiniging met asbest en/of PCB (som 7) aanwezig is. Resultaten verkennend bodemonderzoek Uit de resultaten blijkt dat zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Analytisch blijkt zowel de bovengrond als de ondergrond niet verontreinigd te zijn met de onderzochte parameters. Hiermee is de hypothese 'onverdacht' bevestigd. Resultaten verkennend asbestonderzoek Uit de resultaten van het druppelzone onderzoek blijkt dat ter plaatse van de druppelzone bij de stal (MMA) een gewogen asbestgehalte van 9,3 mg/kg ds gemeten is.

Het aangetoonde gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de norm voor nader onderzoek (van 50 mg/kg d.s.). Ter plaatse is geen verhoogd gehalte aan PCB (som 7) aangetoond.

- 40 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Derhalve wordt nader onderzoek niet zinvol geacht en is geen sprake van een verontreiniging met asbest. Conclusies en aanbevelingen Met het verkennend bodem- en asbestonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie, ons inziens, voldoende vastgelegd. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw van de beoogde woningen. Bij afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Indicatief voldoet zowel de vrijkomende bovengrond als ondergrond van het perceel aan de klasse AW2000. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.

Conclusie Met het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek is in deze fase afdoende onderzoek gedaan om inzicht krijgen in de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Voorafgaand aan de sloop van de bedrijfshal dient op advies van ODBN nog een SEM-analyse plaats te vinden Na de sloop van de bedrijfshal moet de bovengrond worden onderzocht omdat na sloop afval in de bodem achter kan zijn gebleven. De verplichting tot het uitvoeren van deze onderzoeken wordt als voorwaarde opgenomen aan de te verlenen omgevingsvergunning bouwen voor de woningen.

4.6

Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Initiatiefnemer van onderliggend plan is verplicht zorg te dragen dat de door de nutsbedrijven aan te brengen gebruikelijke voorzieningen waarop de te realiseren woningen dienen te worden aangesloten (water, elektra, data e.d.) worden getroffen. De initiatiefnemer zal aan de nutsbedrijven de hiertoe benodigde opdrachten verstrekken. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. - 41 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert daarom twee omgevingstypen, te weten ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De planlocatie aan Sluitappel 17-17a is gelegen in het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Op basis van het voor het perceel vigerende bestemmingsplan SintOedenrode Oost worden in onderhavig hoofdstuk de aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied onderzocht. Aangegeven wordt welke afstanden uit de VNG Handreiking van toepassing zijn en getoetst wordt of hieraan kan worden voldaan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Milieuzonering In onderstaande tabel zijn de hindercontouren van de bedrijfsmatige functies, binnen een straal van 100 meter van de planlocatie aangegeven. Het betreffen allen bedrijven die gelegen zijn op bedrijventerrein De Kampen. De hindercontouren van de bedrijven komen voort uit de voor de bedrijfsmatige functies van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ rust tot de meest dichtbij gelegen bestemmingsgrens ‘Wonen’ (aan het

- 42 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Groene Woud). De afstanden gelden voor het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Eventuele overschrijdingen van de richtafstanden zijn vetgedrukt. Bedrijf

Richtafstand in meters

Afstand

id

Adres

Bestemming - functie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

feitelijk

1.

Alfr. Nobelstr. 2

Bedrijf - grooth. bouw

0

10

30

10

97 m.

2.

Alfr. Nobelstr. 4

Bedrijf - koeriersdienst

0

0

30

0

85 m.

3.

Alfr. Nobelstr. 6

Bedrijf - autogarage

10

0

30

10

73 m.

3.

Alfr. Nobelstr. 8

Bedrijf - verhuur o.g.

0

0

10

0

70 m.

5.

Alfr. Nobelstr. 10

Bedrijf - grooth. jacuzzi’s

0

0

30

0

70 m.

6.

Alfr. Nobelstr. 12

Bedrijf - glashandel

10

30

50

10

75 m.

Figuur 4.8: Overzicht en toetsing richtafstanden (Handreiking VNG, 2009).

Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie zijn een zestal bedrijfsmatige functies gelegen op het bedrijventerrein De Kampen. Uit figuur 4.8 volgt dat voor alle bedrijven ruimschoots wordt voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden voor de verschillende milieuaspecten. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.8

Geur Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering; ➢ Er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Daarbij wordt uitgegaan van de geurnormen en de richtafstanden uit de Wet geurhinder (Wgv) of de gemeentelijke verordening. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of de gemeentelijke beleidsregel. Individuele geurhinder De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze wettelijke normen voor de voorgrondbelasting zoals vastgelegd in de Wgv zijn door de voormalige gemeente SintOedenrode overgenomen in haar ‘Verordening geurhinder en veehouderij’.

- 43 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, zoals varkens, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Deze bedraagt maximaal: ➢ 3,0 ouₑ/m³ binnen de bebouwde kom ➢ 14,0 ouₑ/m³ buiten de bebouwde kom Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal de volgende aan te houden afstanden: ➢ ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ➢ ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom Zoals blijkt uit figuur 4.8 zijn in de directe omgeving van het plangebied géén veehouderijen gelegen. Daarnaast is het plangebied reeds volledig omringd door woonbestemmingen. Als gevolg van voorliggend initiatief worden dan ook geen veehouderijen belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Figuur 4.9: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (bron: ODZOB).

Gecumuleerde geurhinder Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden:

- 44 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

-

Gemeente Meierijstad

10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied.

Door de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant is onlangs een actuele geurkaart van de achtergrondbelasting in diverse Brabantse gemeenten, waaronder Meierijstad, opgesteld. In figuur 4.9 is een uitsnede van deze geurkaart opgenomen met daarop het plangebied rood omkaderd. Zoals blijkt uit figuur 4.9 is ter plaatse van het plangebied sprake van een achtergrondbelasting in de range van 3-7 ouₑ/m³. De wettelijke norm van 20 ouₑ/m³ wordt hiermee niet overschreden. Om het woon- en leefklimaat te beoordelen hanteert het RIVM voor de achtergrondbelasting geur de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in figuur 4.10. De achtergrondbelasting ter plaatse van de woning valt in de categorie 4 t/m 8 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondbelasting kan dan ook als goed worden beoordeeld.

Achtergrondbelasting (ou /m³ ) E

Mogelijke kans op geurhinder (%)

1-3

Beoordeling leefklimaat

<5

zeer goed

4-8

5-10

goed

9-13

10-15

redelijk goed

14-20

15-30

matig

21-28

20-25

tamelijk slecht

29-38

25-30

slecht

39-50

30-35

zeer slecht

51-65

35-40

extreem slecht

Figuur 4.10: Classificatie achtergrondbelasting (RIVM).

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.9

Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt.

- 45 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom de planlocatie zijn twee varkenshouderijen en een pluimveebedrijf gelegen. De PM10 (endotoxine) emissie van deze bedrijven is weergegeven in figuur 4.10. Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande formules worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.

Voor wat betreft de genoemde bedrijven gelden de richtafstanden en feitelijke afstanden zoals opgenomen in figuur 4.11. De afstanden gelden vanaf het emissiepunt afkomstig uit WEB-BVB tot de gevel van de twee woningen in het plangebied. Zoals blijkt uit figuur 4.11 wordt voor alle drie de bedrijven voldaan aan de richtafstand voor endotoxine tot de woning. Richtafstand

Feitelijke

endotoxine

afstand

Vleesvarkens: 125 kg. PM10/jaar

58 m.

290 m.

Vleeskuikens: 1.691 kg. PM10/jaar

147 m.

920 m.

Vleesvarkens: 181 kg. PM10/jaar

81 m.

580 m.

Id

Adres

Type bedrijf

1.

Postdijk 6

2.

Achterstesteeg 6

3

Kampenweg 4

Figuur 4.11: Richtafstanden Endotoxine.

2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de sanering van een bedrijfslocatie van een kringloopcentrum en de toevoeging van een zestal burgerwoningen ter plaatse. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats.

- 46 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5,0 OU/m3 voor de voorgrond en 10,0 OU/m3 voor de achtergrond. Zoals blijkt uit de toetsing uit hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting kent de achtergrondwaarde geur een bereik van 3-7 ouE/m3. Wellicht dat de gezondheidskundige advieswaarde van ≤5 ouE/m3 wordt overschreden. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; a. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden. Er is dan

- 47 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. b. Pluimveehouderijen Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom de planlocatie bevindt zich op 920 meter één pluimveehouderij aan de Achterstesteeg 6. Dit heeft echter geen consequenties voor het plan, daar de GGD hierover het volgende heeft aangegeven: “Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014- 2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden.

Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. c. Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies. Er bevinden zich binnen 250 meter van het plangebied geen andere veehouderijen.

- 48 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7. De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. De voorgenomen sanering van de bedrijfslocatie van een kringloopcentrum en de oprichting van een zestal woningen betreft geen ontwikkeling die leidt tot een toenemende onrust over de volksgezondheid. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er specifieke omstandigheden aan de orde zijn. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft een afweging van de gemeente Meierijstad. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit afwegingskader. Concreet betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪

Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten.

▪

Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Binnen een straal van 2 km van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gevestigd.

▪

Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. - 49 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Het plangebied is niet gelegen in het genoemde gebied met geitenhouderijen. Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.10 Geluid Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Industrielawaai Voor wat betreft het industrielawaai op de nieuwe woning afkomstig van de bedrijven die rondom de planlocatie gelegen zijn, wordt zoals aangegeven in figuur 4.4 voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden. Hiermee kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de oprichting van een zestal nieuwe woningen aan respectievelijk de wegen Sluitappel en Groene Woud. Aan Tritium Advies B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting.

De conclusie van het akoestische onderzoek is hieronder samengevat opgenomen:

Samenvatting en conclusie In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw van 6 woningen, verdeeld over 3 bouwmassa’s gelegen aan Sluitappel 17-17a te Sint-Oedenrode. Tevens wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure.

- 50 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A50, Evesestraat, Noordelijke Randweg, Oostelijke Randweg en Postdijk. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van een 30 km/uur weg Sluitappel. Voor de 30 km/uur weg Sluitappel geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 2 dB overschrijdt. Echter, voor 30 km/uur wegen kan geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde wegen Rijksweg A50, Eversestraat, Noordelijke Randweg, Oostelijke Randweg en Postdijk geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Ondanks dat voor onderhavig plan geen hogere waarde aangevraagd kan worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Een dergelijk onderzoek kan tevens worden geëist door de gemeente. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden.

Voor de geluidwering van de gevel van de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning stelt de ODBN het volgende: Als ODBN stellen we als standpunt dat een geluidniveau in de woning van ≤43 dB aanvaardbaar wordt geacht. De geluidnorm van 43 dB in de woning is een waarde die in de Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder aanvaardbaar wordt geacht voor bestaande woningen die vallen binnen de geluidzone van (spoor)wegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart. Deze norm is ook overgenomen bij het landelijk project sanering wegverkeerslawaai. De cumulatieve geluidbelasting op de voorgevel van de (voormalige) bedrijfswoning bedraagt maximaal 54 dB. Bij een geluidwering van de gevel van 11 dB wordt het voornoemde binnenniveau van 43 dB gewaarborgd. Gezien de opbouw van de gevel is te verwachten dat deze geluidwering behaald zal worden. Voor de (voormalige) bedrijfswoning is een aanvullend onderzoek geluidwering gevels derhalve niet noodzakelijk.

Voor de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening gaat ODBN, in tegenstelling tot wat het Bouwbesluit stelt, uit van de gecumuleerde geluidbelasting (excl. aftrek art. 110g Wgh) van alle omliggende wegen en een binnenniveau

- 51 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

van 33 dB. De berekende cumulatieve geluidbelasting wegverkeerslawaai vanwege alle wegen is weergegeven in bijlage 4 van het akoestisch rapport. Op de voorgevels van de nieuw te bouwen woningen gelegen aan de Sluitappel is de cumulatieve geluidsbelasting 55 dB. Met een geluidwering van 20 dB wordt er in de woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat behaald van 33 dB. Omdat de borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de voorgevels van de nieuw te bouwen woningen gelegen aan de Sluitappel niet is geregeld via het Bouwbesluit zijn hiervoor de volgende 2 regels opgenomen in Artikel 3.2.2 van de planregels behorend bij onderhavig bestemmingsplan: Artikel 1 De volgens de NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied mag aantoonbaar niet kleiner zijn dan 22 dB (55 dB – 33 dB). Artikel 2 De uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte heeft volgens de NEN 5077 een bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB lager is dan de karakteristieke geluidwering bedoeld in artikel 1. Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.11 Luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. Het plan betreft de sanering van de bestaande bedrijfslocatie van een kringloopcentrum en de nieuwbouw van een zestal woningen. Middels deze ontwikkeling vindt een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen plaats. Op basis van de gemiddelde kencijfers van de CROW-publicatie 381 voor een gebied dat ‘weinig stedelijk’ is en behoort tot ‘rest bebouwde kom’ bedraagt het aantal verkeersbewegingen respectievelijk 8,0 per woning (vrijstaand) en 7,4 per woning (tussen/hoek). Dit leidt tot een gezamenlijk aantal verkeersbewegingen van afgerond 46 stuks. Hiertegenover staat het verdwijnen van het kringloopcentrum binnen het plangebied. Hoewel het kringloopcentrum dagelijks ook de - 52 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

nodige verkeersbewegingen genereert, worden deze niet in mindering gebracht en wordt uitgegaan van worst-case scenario waarbij het aantal verkeersbewegingen met 46 stuks toeneemt. Met behulp van de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking in de nieuwe situatie in kaart gebracht. De uitkomst van de berekening van de NIBM-tool is in figuur 4.12 weergegeven. Hieruit volgt dat de nieuwe situatie een bijdrage van niet in betekende mate heeft op de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde.

Figuur 4.12: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www.infomill.nl).

Woon- en leefklimaat Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM zoals opgenomen in figuren 4.13 tot en met 4.15. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 18-20 μg/m3 (PM10) en < 10 μg/m3 (PM2,5), de norm bedraagt 40 μg/m3 en op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 31,2 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Conclusie Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. - 53 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Figuur 4.13: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron: geodata.rivm.nl)

Figuur 4.14: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron: geodata.rivm.nl)

Figuur 4.15: GCN-kaart RIVM stikfstofdioxide NO2 (bron: geodata.rivm.nl) - 54 -

Gemeente Meierijstad

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

4.12 Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt. Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

- 55 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Te realiseren objecten Middels voorliggend initiatief worden binnen het plangebied een zestal woningen binnen bestaand stedelijk gebied toegevoegd. Conform artikel 1 van het Bevi worden deze woningen aangemerkt als kwetsbare objecten. Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Een uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied is aangegeven is onderstaand opgenomen in figuur 4.16. Op circa 350 meter afstand van het plangebied ligt het Basisnet-wegtraject A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven) wegvak B132. Volgens de tellingen van Rijkswaterstaat worden over Basisnettraject gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieën LF1, LF2, GF3 en LT2 (bron: Rijkswaterstaat (2019), Lijst wegvakken data tellingen & Basisnet). Daarnaast ligt het plangebied op circa 700 meter afstand van de Schijndelseweg N637. Over de N637 worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorie GF3. Tevens ligt het plangebied op ongeveer 150 meter afstand van de lokale transportweg ‘Noordelijke Randweg’ waar onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 over worden vervoerd. Verder zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gevestigd die onder het regime van het Bevi vallen. Daarnaast zijn in en in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen gelegen.

Figuur 4.16:Uitsnede Risicokaart met plangebied Sluitappel 17-17a rood omkaderd.

- 56 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

Verantwoording groepsrisico Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie LT2 over de rijksweg A50 heeft een invloedsgebied van 880 meter (bron: RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport, p.19 tabel 4-2). Het invloedsgebied reikt geheel over het plangebied. Conform artikel 7 Bevt dient het groepsrisico verantwoord te worden voor het scenario toxische wolk. Gelet op de afstand kan worden volstaan met een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3, dat plaatsvindt over de wegen N637 en de Noordelijke Randweg, heeft een invloedsgebied van 355 meter (bron: RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport, p. 19 tabel 4-2.). Het invloedsgebied reikt voor wat betreft de N637 niet over het plangebied. Voor wat betreft de Noordelijke Randweg reikt het invloedsgebied wel over het plangebied. Omdat deze weg niet is meegenomen in het huidige bestemmingsplan en het plangebied binnen 200 meter van de transportweg ligt dient er, conform art. 8 Besluit externe veiligheid transport (Bevt), een volledige verantwoording van het groepsrisico afgegeven te worden.

De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de orientatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt, of er wordt aangetoond dat er geen sprake is van een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde. Over de Noordelijke Randweg vinden jaarlijks 150 transporten met GF3 plaats. Het aantal vervoersbewegingen is te klein om te kunnen resulteren in een benadering van 10% van de oriëntatiewaarde. Het relevante scenario betreft een BLEVE. Scenario’s De relevante scenario’s i.r.t. het plangebied zijn: een BLEVE en een toxische wolk. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen of door een grote mechanische impact op de tank. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tussen het plangebied en de incidentlocatie en wordt zichtbaar gemaakt in figuur 4.17. Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident met een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.

Indien men binnen schuilt neemt de kans op ernstig letsel sterk af. - 57 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

De kans op het plaats vinden van dit type incidenten is als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen bijzonder klein.

Figuur 4.17: Slachtoffer- en schadebeeld scenario BLEVE.

Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Via NL alert en andere media kunnen bewoners worden geïnformeerd en geïnstrueerd hoe te handelen op een dreiging. Via de Sluitappel kan afstand van de Noordelijke Randweg worden genomen. Indien men binnen blijft en niet voor ramen verblijft is de kans op ernstig letsel ook beperkt. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. Advies Door de Veiligheidsregio is op 13 juli 2022 een advies uitgebracht in het kader van voorliggend initiatief. Dit advies is bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. •

Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee - 58 -

Bestemmingsplan ´Sint-Oedenrode Oost, herziening Sluitappel 17-17a’

Gemeente Meierijstad

wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor onderhavig initiatief.

4.13 Verkeer en parkeren Verkeer In de huidige situatie is binnen het plangebied een kringloopcentrum aanwezig. Deze bedrijfslocatie wordt gesaneerd, waarna er een zestal woningen binnen het plangebied worden toegevoegd. Zoals nader onderbouwd in hoofdstuk 4.11 van voorliggende toelichting, bedraagt het aantal verkeersbewegingen voor de zes nieuwe woningen 46 stuks. Hiertegenover staat het verdwijnen van de verkeersbewegingen van het kringloopcentrum, bestaande uit bezoekers- en personeelsbewegingen met personenauto’s én enkele verkeersbewegingen per dag met een vrachtwagen ten behoeve van het laden en lossen van goederen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat de situatie verkeerskundig nauwelijks wijzigt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om deze minimale verkeerstoename te verwerken. Ten behoeve van de ontwikkeling zullen enkele nieuwe inritten worden aangelegd ten behoeve van de ontsluiting van de woningen op respectievelijk de Sluitappel en het Groene Woud. Vanuit het aspect ‘groen’ wordt hierbij een afstand van ten minste 1,5 meter van de stamvoet van de bestaande bomen tot deze nieuw te leggen inritten aangehouden. Zoals reeds vermeld in hoofdstuk 4.2 is sprake pootrecht voor bestaande bomen langs de straat zal overleg moeten worden gevoerd met deskundige van gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=62d62e09-a651-46a4-9f19-0a3be804c57a