CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting Bp Groothees 9

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Groothees 9, Erp'14.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 4.1: Achtergrondbelasting, planlocatie blauw omcirkeld. Bron: ODZOB. Zoals in de figuur is weergegeven is de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van de planlocatie goed tot redelijk goed. Hiermee wordt ruim voldaan aan de provinciale richtlijn van 20 OUE/m3 voor geurgevoelige objecten in het landelijk gebied. Conclusie Het aspect geur, zowel afkomstig van de planlocatie als de geurinvloeden van buitenaf, vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4

Verkeer en parkeren

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de verkeersafhandeling en het aspect parkeren van belang. Voor de verkeersgeneratie worden de CROW-normen gehanteerd die op dit moment van toepassing zijn. Aan de hand van de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, publicatie 317 van het CROW, wordt bekeken wat de geldende normen zijn. De gemiddelde dichtheid van adressen in de gemeente Meierijstad is 990 adressen per vierkante kilometer, dit houdt in dat de gemeente te typeren is als ‘weinig stedelijk’. Het gebied waarin de planlocatie is gelegen is daarnaast te typeren als ‘buitengebied’. De gemeente Meierijstad heeft aanvullend eigen beleid opgesteld voor parkeernormen. Om de parkeerbehoefte als gevolg van het onderhavige initiatief te bepalen worden derhalve de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ gehanteerd die op dit moment van toepassing zijn. Het initiatief aan de Groothees 9 is niet eenduidig in één van de genoemde categorieën in de nota te plaatsen. Derhalve wordt aan de hand van de beoogde bedrijfsactiviteiten en verwachte verkeersgeneratie en parkeerbehoefte onderbouwd. Beoogde situatie Initiatiefnemers hebben de ambitie om een kleinschalig bedrijf te runnen. Hierbij is het niet de bedoeling om open te gaan voor bezoekers of op grootschalige schaal mensen te ontvangen.

Initiatiefnemers hebben de ambitie om workshops op afspraak te organiseren op de bedrijfslocatie. Het werken op afspraak vindt deels zijn oorsprong in de dagbesteding. Ervaring leert dat een toestroom van bezoekers onrust en prikkels geeft aan de cliënten van de dagbesteding.

Bovendien hebben initiatiefnemers zich tot doel gesteld om bezoekers beter voor te lichten over dier en natuur. Door bezoekers enkel toegang te bieden aan vooraf gereserveerde workshops, kan kennis over dieren en hun natuurlijke habitat beter worden overgebracht en krijgt het bezoek een hogere educatieve waarde. Om op een zinvolle wijze kennis over te dragen en mensen kennis te laten maken met de dieren is een groepsgrootte van ongeveer 10 personen ideaal. Dit zal oplopen tot maximaal 20 personen. In deze kleine groepen is er volop ruimte voor een persoonlijke benadering. Tot slot zien ook de initiatiefnemers dat een continue stroom bezoekers niet wenselijk is aan de Groothees. Voor wat betreft verkeersgeneratie wordt enkel een auto of busje verwacht voor de deelnemers aan de dagbesteding. Workshops zullen ook voor een bescheiden verkeersgeneratie zorgen van enkele auto’s per keer. De verkeersgeneratie neemt slechts in beperkte mate toe en de Groothees is berekend op een dergelijke verkeersgeneratie. Initiatiefnemers zullen zelf op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte. Op de locatie zullen 5 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Dit is voldoende om de parkeerdruk op te vangen die plaatsvindt wanneer deelnemers aan de dagbesteding en volgers van workshops met een ruim aantal auto’s aanwezig zijn op de bedrijfslocatie.

Hierbij dient vermeldt te worden dat deelnemers aan de dagbesteding vaak niet de beschikking hebben over eigen vervoer. Een piekbelasting van 20 voertuigbewegingen op drukke dagen is derhalve realistisch. Conclusie De parkeerbehoefte in de beoogde situatie is niet eenvoudig vast te stellen omdat het een nieuw initiatief betreft die weinig vergelijkbare casussen kent. Hetzelfde geldt voor het aantal verkeersbewegingen. Desalniettemin is uit de aard van de bedrijvigheid op te maken dat het initiatief niet leidt tot een forse toename van verkeersbewegingen op de Groothees en dat initiatiefnemers op eigen terrein zullen voorzien in de parkeerbehoefte van bezoekers aan hun bedrijf.

4.5

Luchtkwaliteit

In het kader van de onderhavige planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen die gelden voor luchtkwaliteit. Hierbij dient de uitwerking op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de ‘Wet luchtkwaliteit’ in beeld te worden gebracht. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijn stof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Ruimtelijke ingrepen dienen te worden beoordeeld op basis van de Wet milieubeheer artikel 5.2 luchtkwaliteitseisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering als: • er geen sprake is van een feitelijke dreigende overschrijding van een grenswaarde; • door toedoen van het project, al dan niet per saldo, de luchtkwaliteit niet verslechtert; • een uitoefening of toepassing ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 is vastgesteld.

4.5.1 NIBM-toetsing De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate’. Dit heeft betrekking op het bijdragen aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van NIBM bij een ruimtelijk project of activiteit waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Als dit het geval is dan is geen toetsing aan de grenswaarden van luchtkwaliteit noodzakelijk. Dit is mogelijk omdat de effecten van NIBM-projecten zijn betrokken bij

trendmatige ontwikkeling van achtergrondconcentraties in Nederland in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Hierin zijn voldoende verbetermaatregelen opgenomen om de effecten van NIBM-projecten te compenseren. De bedrijfsactiviteiten zullen in de toekomstige situatie leiden tot een verkeersaantrekkende werking ten aanzien van het geven van rondleidingen, workshops en dagbesteding. De toename van verkeersbewegingen en de bijdrage hiervan aan de luchtkwaliteit is getoetst met de NIBM-tool. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld en is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. Deze tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. De extra voertuigbewegingen bedragen maximaal 20 per gemiddelde weekdag, dit is in paragraaf 4.4 uiteengezet. De berekening van de bijdrage van de extra verkeersbewegingen zijn uiteengezet in onderstaande figuur.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 20 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 10,0% Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,00

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 4.2: NIBM-berekening (versie d.d. 06-04-2021) 4.5.2 Spuitzones gewasbescherming Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande woning met (voormalige) bedrijfsbebouwing naar een bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing. Er is in beide gevallen sprake van een gevoelig object (woning) met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelde in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Conclusie De beoogde ontwikkeling op Groothees 9, te Erp draag niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het initiatief kan derhalve doorgang vinden voor het aspect luchtkwaliteit.

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. 4.6.1 Risiconormering Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

- Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Van deze waarde mag gemotiveerd worden afgeweken. - Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht, wat blijkt uit artikel 12 en 13 van het Bevi. Het houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. 4.6.2 Beschouwing risicobronnen Hieronder is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. De planlocatie is blauw omcirkeld.

De Bevi, Bevt en de Bevb worden hier stapsgewijs nagelopen. Inrichtingen (Bevi) Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo’n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming individuen (plaatsgebonden risico’s) en groepen personen (groepsrisico’s). In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Voor zogenaamde ‘categoriale inrichtingen’ geeft de Revi tabellen met vaste veiligheidsafstanden.

Er zijn geen relevante inrichtingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied die van invloed zijn. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Deze gelden vanaf 1 april 2015. Er zijn geen relevante transportroutes aanwezig in de directe omgeving van het plangebied die van invloed zijn. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Vanaf 1 januari 2011 geldt het Bevb en bijbehorende regeling. Hierin staan regels over de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. Het inhoudelijke beleid komt op hoofdlijnen overeen met het beleid voor andere situaties met gevaarlijke stoffen. Er zijn geen relevante buisleidingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied die van invloed zijn. De dichtstbijzijnde buisleiding is een leiding van de Gasunie, gelegen op meer dan 2.000 meter ten noordoosten van de planlocatie.

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, planlocatie blauw omcirkeld. Bron: Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. Conclusie In het plangebied, of in de directe omgeving ervan, zijn de bovengenoemde kabels en leidingen niet aanwezig. Het planvoornemen is daarmee voorstelbaar vanuit het aspect externe veiligheid.

4.7

Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging of wijziging van het bodemgebruik wordt voorzien, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In het kader van de ruimtelijke procedure moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de geplande nieuwe functie en dat het plan financieel haalbaar is ondanks een eventueel noodzakelijke bodemsanering. Er is sprake van een wijziging naar een ander gebruikstype. Een kas is niet te beschouwen als een verblijfsruimte voor mensen. Het plan bestaat uit het ontvangen van bezoekers in bijvoorbeeld de kassen, welke zullen dienen als dierenverblijf. Ter plaatse van Groothees 9 te Erp (kadastraal bekend als gemeente Erp, sectie R, nummer 1025) is een aanvullend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een bodemonderzoek, naar asbest in bodem conform NEN 5707 uitgevoerd door Terra Milieu BV. Voorafgaand aan de uitvoer van het aanvullend bodemonderzoek heeft Terra Milieu BV al een verkennend bodemonderzoek (kenmerk rapport: 22076 VBO, d.d. 20-07-2022) uitgevoerd waarbij een vooronderzoek conform NEN 5725 is uitgevoerd.

De aanleiding voor het asbest in bodemonderzoek wordt gevormd door de opmerkingen van de ODBN (Omgevingsdienst Brabant Noord) die de locatie als asbestverdacht beschouwen vanwege de aanwezigheid van glastuinbouw. Tevens vindt de ODBN dat de voormalige bovengrondse tank nog aanvullend onderzocht dient te worden en dat van de bestaande peilbuis het grondwater aanvullend op OCB’s onderzocht dient te worden. De onderzoeken zijn als bijlage bijgevoegd. AANVULLEND BODEMONDERZOEK cf. NEN 5740: Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in zowel de bovengrond, ondergrond en het grondwater, ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank, géén van de geanalyseerde parameters verhoogd worden aangetroffen. Analytisch wordt in het grondwater, ter plaatse van de bestaande peilbuis, de parameter OCB’s niet verhoogd ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. VERKENNEND ASBEST IN BODEMONDERZOEK cf. NEN 5707: Zintuiglijk is in géén van de asbestgaten asbest waargenomen. In het mengmonster dat is samengesteld van de grond bevat analytisch geen asbest. In het mengmonster dat is samengesteld van het zand blijkt analytisch een concentratie aan asbest te bevatten van 0,37 mg/kg ds. (niet hechtgebonden asbest). De concentratie asbest die wordt aangetroffen is kleiner dan 100 mg/kg ds.

Het gehalte aan asbest overschrijdt de norm voor nader onderzoek (>50 mg/kg ds.) niet, waardoor verder onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Met de resultaten van onderhavige rapportage zijn de voormalige tank en de bestaande peilbuis op OCB’s voldoende onderzocht. Ter plaatse van de kas is het verkennend asbest in bodemonderzoek ook voldoende onderzocht. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. Conclusie De kwaliteit van de bodem is geschikt voor de beoogde functie, doordat geen sanering benodigd is zijn er derhalve vanuit het aspect bodem geen (financiële) belemmeringen om het bestemmingsplan ter herzien.

4.8

Waterhuishouding

Per 1 november 2003 is het wettelijk verplicht voor alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Deze toets heeft zowel betrekking op grondwater als op oppervlaktewater. Er dient in beeld te worden gebracht wat de mogelijke gevolgen zijn van een ontwikkeling. Concreet betekent de invoering van de watertoets dat een plan of ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf dient te hebben. Hierin worden keuzes die betrekking hebben op waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Provincie Noord-Brabant Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is vastgesteld op 18 december 2015. Het dient als structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het PMWP geeft de uitgangspunten aan voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Ook toetst de provincie aan de hand van dit plan of de plannen van de waterschappen in lijn zijn met het provinciale beleid. Het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater en het scheiden van relatief schone en vuile waterstromen zijn algemene uitgangspunten die worden benoemd.

Waterschap Aa en Maas De planlocatie is gelegen in het stroomgebied van het waterschap Aa en Maas. Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben de keuren geüniformeerd in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB). Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. De Keur is opgesteld en in werking getreden per 1 maart 2015. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die invloed hebben op de waterhuishouding en het waterbeheer. Regelgeving omtrent veranderende waterafvoer door verhard oppervlak, wateronttrekking en drainage worden hierin beschreven.

Zo wordt in artikel 3.6 van de Keur het verbod beschreven op afvoer door verhard oppervlak: ‘Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te komen.’ In artikel 15.1 van de algemene regels is echter een uitzonderingsbevoegdheid opgenomen die de voorwaarden stelt waarbij vrijstelling wordt verleend van het verbod. Dit artikel luidt als volgt: Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; 2. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m 2 is, of; 3. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 4.

De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 60 mm De voorziening dient tevens te voldoen aan de volgende eisen: • De bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); • De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Gemeente Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft haar regels met betrekking tot hemelwater vastgelegd in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Hoofdstuk 6 wordt gewijd aan de afvoer van hemelwater en grondwater. Het doel van deze regels is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen.

Artikel 6.4 vervat een ‘Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering’. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Eigenaren van percelen hebben de verplichting om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Daarbij hebben ze een vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen. De minimale te realiseren hemelwatervoorziening moet 20 mm per m2 verhard oppervlak kunnen verwerken. Conclusie De planlocatie zal geen nieuwe verharding realiseren. Zowel de bestaande erfverharding als de aanwezige bebouwing blijft gelijk. Derhalve zullen geen nieuwe infiltratievoorzieningen gerealiseerd hoeven te worden. De ontwikkeling leidt niet tot een toename van de verharding.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden, met name voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. Om gebieden met mogelijke archeologische waarde te beschermen zijn in bestemmingsplan “Buitengebied Veghel” dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie opgenomen die regels opleggen bij ruimtelijke ingrepen. Zulke locaties worden aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar gradatie van hogere waarde archeologie (1 tot en met 4). Ter plaatse van de planlocatie is sprake van dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van ver-/nieuwbouw van bestaande bouwwerken, de bouw van een bouwwerk tot maximaal 100 m2 of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 100 m2 en de bouw van een bouwwerk waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Conclusie Dit alles is niet van toepassing omdat geen nieuwe grondbewerkingen zullen plaatsvinden.

De bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing, die niet uitgebreid zal worden. De bestaande bebouwing zal vastgelegd worden als maximaal toegestane bebouwing.

4.10

Natuur

Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving aangehaald. De effecten van de beoogde activiteiten op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht. Soortenbescherming De Flora- en Faunawet (1 april 2002) is 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming. In de nieuwe Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Ook verplicht de wet de burger zorgplicht te dragen over de flora en fauna. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. De bestaande bebouwing blijft behouden en zal ingezet worden voor de bedrijfsactiviteiten. Eventuele nest- en/of schuilgelegenheden van beschermde dieren zullen derhalve behouden blijven. Gebiedsbescherming Het planvoornemen zal geen negatieve effecten hebben op de stikstofdepositie van omliggende Natura2000-gebieden. De afstand tot Natura 2000-gebieden is 19,3 kilometer. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Deurnsche Peel & Mariapeel.

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn op grote afstand gelegen van de onderhavige planlocatie aan Groothees 9 te Erp, waardoor overige effecten (niet zijnde stikstofdepositie en dientengevolge verzuring/vermesting) met zekerheid zijn uit te sluiten. De groei in veel natuurlijke land-ecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de aanwezige fauna doordat hierdoor veranderingen van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. De kleinschalige bedrijfsactiviteiten en de afstand van de planlocatie tot aan Natura 2000-gebieden zijn van invloed op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er kan met zekerheid gesteld worden dat onderhavig planvoornemen géén negatieve effecten heeft op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Cv-ketels Binnen de planlocatie kunnen de cv-ketels worden aangemerkt als emissiebronnen.

Voor de bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen (inclusief kassen) wordt uitgegaan van twee cv-ketels. De emissie van stikstofoxiden (NOx) van een cv-ketel in 2006 bedraagt 36 gram per GigaJoule voor verwarmingstoestellen en bedraagt 27 gram per GigaJoule voor warmwatertoestellen (Bron: TNO rapport 2014 R10584 ‘Update NOx-emissiefactoren kleine vuurhaarden – glastuinbouw en huishoudens’). Dit geeft een gemiddelde emissie van 31,5 gram per GigaJoule. De calorische (onder)waarde van aardgas is 31,65 MJ/m3. De berekening van het te verwachten aardgasverbruik voor een cv-ketel is weergegeven in onderstaande tabel. Gasverbruik 2004 voor een vrijstaande woning bedroeg 2.624 m3 per jaar (Bron: ‘Cijfers en tabellen 2007’ Senternovem, uitgave 2007). Dit verbruik is verdubbeld, zodat het verbruik voor de vrijstaande woning en de bedrijfsgebouwen gelijk is gehouden. Derhalve zal gerekend worden met het verbruik van twee cv-

ketels. Zo zal voor onderhavig plan gerekend worden met het dubbele verbruik, namelijk 5.248 m3 per jaar. Door uit te gaan van deze worst case benadering kan met zekerheid worden uitgesloten dat het project niet leidt tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Emissiebron

Verbruik aardgas

Calorische waarde aardgas m3/jaar MJ/m3 Verwarmingsketel 5.248 31,65 Tabel 4.4: Berekening NOx-emissie stookinstallaties

Emissie NOx g/GJ 31,5

Emissie NOx totaal kg/jaar 5,23

Voertuigbewegingen Naast de emissie van de cv-ketels is er voor vrijstaande woningen een maximale verkeersgeneratie van 20 voertuigen per weekdag (Bron: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW). Ook deze auto’s zijn ingevoerd in AERIUS. De verkeersstromen zijn, conform de instructie gegevensinvoer AERIUS gemodelleerd tot aan de N616, waar de verkeersstromen in het overige verkeer worden opgenomen. Emissie exotische dieren Voor de te houden exotische dieren is zijn geen emissiefactoren voor ammoniak vastgesteld, zoals dit wel het geval is voor boerderijdieren in de Regeling ammoniak en veehouderij. Om negatieve effecten voor nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden uit te kunnen sluiten is voor de dieren uitgegaan van een worst case benadering. Voor de dieren is uitgegaan van de diercategorie A 1.100. Deze dieren hebben een veelvoud van de massa welke de exotische dieren hebben derhalve een hogere emissie dan de te houden dieren. Zo kan aannemelijk worden gemaakt dat de ontwikkeling geen depositie van stikstof veroorzaakt op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Deze dieren zullen nooit op deze locatie gehouden worden, en de beoogde bestemming staat dit ook niet toe. Het berekenen van de stikstofdepositie met 10 dieren uit categorie A 1.100 geeft wel goed weer dat geen sprake zal zijn van depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden.

Conclusie De AERIUS-berekening is bijgevoegd in bijlage 2. Hieruit blijkt dat het planvoornemen niet resulteert in stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden.

4.11

Kabels en leidingen

Bij ruimtelijke ingrepen dienen de initiatiefnemers rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: - hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; - buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; - buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; - buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; - buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Binnen het plangebied, of in de directe omgeving daarvan, zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een dergelijke belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen plannen.

4.12

Volksgezondheid

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande woning met (voormalige bedrijfsbebouwing naar een bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object (woning) met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In dien zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelde in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig.

4.13

M.e.r. beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten als bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Een ontwikkeling waarbij een woonperceel in gebruik wordt genomen voor bedrijfsactiviteiten wordt mogelijk gezien als D11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, gezien de beperkte omvang van het project kan ingevolge jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, o.a. ECLI:NL:RVS:2014:1442 en ECLI:NL:RVS:2016:1075, worden geconcludeerd dat géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en dat de voorgenomen activiteiten, gezien de aard en omvang van de functiewijziging, niet m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Conclusie In het Besluit Milieueffectrapportage komt de voorgenomen activiteit niet voor. Voor een bedrijf ten behoeve van het houden van exotische dieren en het verzorgen van rondleidingen/workshops en dagbesteding vinden bovendien geen negatieve milieu effecten plaats.

5.

Juridische planbeschrijving

5.1

Opbouw bestemmingsplan

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd.

De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.

5.2

Toelichting regels

Conform de SVBP dienen de regels te bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Tevens is de opbouw en volgorde van de diverse artikelen grotendeels voorgeschreven in de SVBP. De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Nieuw ten opzichte van het bestemmingsplan “Buitengebied” zoals vastgesteld op 22 oktober 2015, is de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Hiermee worden de gewenste nieuwe functie planologisch toegestaan en wordt daarnaast de locatie waar deze functies mogen worden uitgeoefend planologisch vastgelegd.

5.3

Toelichting verbeelding

Als basis voor onderhavig plan wordt de verbeelding van het vigerende planologische regime (bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel’) gehanteerd. De bestemming zal gewijzigd worden van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’. Tevens zal de maximale oppervlaktes bebouwing worden vastgelegd. Door de keuze van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding, in combinatie met de bijbehorende regels, wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

6.

Uitvoerbaarheid en procedure

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De voorgestane ontwikkeling aan de Groothees 9 te Erp betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemers. De eventuele gemeentelijke kosten worden verhaald via het in rekening brengen van leges. Er zijn geen financiële consequenties van het plan voor de gemeente Meierijstad. De risico’s zullen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin wordt opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd, er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en er geen sprake is van locatieeisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) is bovendien geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een planvoornemen. Een ruimtelijke ontwikkeling heeft invloed op zijn directe omgeving en daarom is het van belang deze omgeving te betrekken in de procedures. Een dialoog tussen de initiatiefnemers en omgeving is een belangrijk aspect van de planvorming geweest. Omwonenden en belanghebbenden hebben deelgenomen aan de omgevingsdialoog. Omwonenden hebben tijdens deze omgevingsdialoog aangegeven geen problemen te hebben met het planvoornemen. Een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen in bijlage 1. Procedure algemeen De formele vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan vindt vervolgens plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Hierbij wordt o.a. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard, met een aantal aanvullende procedurevereisten. Het (ontwerp)plan wordt ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken omtrent het plan. Na behandeling van de eventueel ingebrachte zienswijzen dient de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging te beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Na vaststelling wordt het besluit bekend gemaakt en het plan wederom voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan daags na de inzagetermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Zienswijzen De resultaten van de inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.

7.

Conclusie en afweging

Het onderhavige initiatief tot herbestemming van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’ is beoordeeld op de eisen van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en hieruit is gebleken dat het initiatief aan alle vereisten voldoet. Bovendien is rekening gehouden met de omgeving door het woon- en leefklimaat van omwonenden te betrekken in de planvorming. Het onderhavige initiatief getoetst aan geldende sectorale wet- en regelgeving en hieruit is gebleken dat er geen milieu planologische belemmeringen zijn. Vanwege het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief vanuit het gemeentelijke ruimtelijke belang, het belang van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en uit oogpunt van milieu planologische wet- en regelgeving is aangetoond.

8.

Bijlagen

Bijlage 1 – Inrichtingsplan (separaat) Bijlage 2 – Omgevingsdialoog (separaat) Bijlage 3 – Verkennend bodemonderzoek (separaat) Bijlage 4 – Aanvullend bodemonderzoek (separaat)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7e11f252-2e65-4dfb-9f3e-7b24cbae5ff6