CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting Bp Groothees 9

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Groothees 9, Erp'14.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Definitief bestemmingsplan “Groothees 9, Erp” Gemeente Meierijstad Definitief

Plangegevens Project Naam document IMRO Rapportnummer

: : :

Toelichting bestemmingsplan “Groothees 9, Erp” NL.IMRO.1948.BGV000BP0082022P-VG01 137900BP01

Initiatiefnemer Naam Contactpersoon Adres Postcode, plaats

: : : :

Familie Van Oostrum-Wolsink E. Wolsink Groothees 9 5469 ST, Erp

Locatie Adres Postcode, plaats

: :

Groothees 9 5469 ST, Erp

Kadastrale ligging

:

Gemeente: Erp Sectie: R Nummers: 1025 en 1043

Bevoegd gezag Naam Adres Postcode, plaats

: : :

Gemeente Meierijstad Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel

Colofon rapportage Opgesteld door Collegiale toets Datum

: : :

H. de Kleijne BSc Ing. H. Stultiëns Februari 2024

Inhoud 1.

INLEIDING....................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ...................................................................................................................... 3 1.2 Ligging en begrenzing plangebied .............................................................................................. 3 1.3 Bij het plan behorende stukken .................................................................................................. 4 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................................... 4 2. PLANBESCHRIJVING .................................................................................................................... 5 2.1 Huidige situatie ........................................................................................................................... 5 2.2 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................ 5 2.3 Beschrijving planvoornemen....................................................................................................... 6 3.

BELEIDSKADER ............................................................................................................................ 8 3.1 Rijksbeleid................................................................................................................................... 8 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ................................................................... 8 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................ 8 3.1.3 Besluit en ministeriële regeling algemene regels en ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) ... 9 3.2 Provinciaal beleid ...................................................................................................................... 10 3.2.1 Brabantse omgevingsvisie ................................................................................................ 10 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................. 10 3.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 15 3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 ...............................................................................................

15 3.3.2 Kansen voor kwaliteit ........................................................................................................ 15 4. PLANOLOGISCHE EN MILIEUHYGIËNISCHE ASPECTEN ...................................................... 19 4.1 Bedrijven en milieuzonering...................................................................................................... 19 4.2 Geluid........................................................................................................................................ 21 4.3 Geur .......................................................................................................................................... 21 4.4 Verkeer en parkeren ................................................................................................................. 22 4.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 23 4.5.1 NIBM-toetsing ................................................................................................................... 23 4.5.2 Spuitzones gewasbescherming ........................................................................................ 24 4.6 Externe veiligheid .....................................................................................................................

25 4.6.1 Risiconormering ................................................................................................................ 25 4.6.2 Beschouwing risicobronnen .............................................................................................. 25 4.7 Bodem....................................................................................................................................... 27 4.8 Waterhuishouding ..................................................................................................................... 28 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................................. 30 4.10 Natuur ....................................................................................................................................... 31 4.11 Kabels en leidingen .................................................................................................................. 32 4.12 Volksgezondheid ...................................................................................................................... 33 4.13 M.e.r. beoordeling ..................................................................................................................... 33 5.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING ........................................................................................... 34 5.1 Opbouw bestemmingsplan ....................................................................................................... 34 5.2 Toelichting regels ...................................................................................................................... 34 5.3 Toelichting verbeelding ............................................................................................................. 34 6. UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ..................................................................................... 35 6.1 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 35 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................ 35 Procedure algemeen ..................................................................................................................... 35 Zienswijzen .................................................................................................................................... 35 7. CONCLUSIE EN AFWEGING....................................................................................................... 36 8.

BIJLAGEN..................................................................................................................................... 37

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Aan de Groothees 9, te Erp is een woonhuis met bijgebouwen aanwezig binnen een woonbestemming. Voorheen was op deze locatie een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Familie Van Oostrum-Wolsink, hierna initiatiefnemers, willen de bestemming van de locatie wijzigen ten behoeve van hun bedrijf. Het bedrijf van initiatiefnemers is ongeveer 3 jaar geleden ontstaan uit een gezamenlijke hobby en voorliefde voor mens en dier. Het bedrijf richt zich op het overbrengen van liefde, passie en kennis van de natuur en dieren naar kinderen, volwassenen en ouderen. Dit wordt gedaan door het geven van educatieve workshops, lessen, kinderfeestjes etc. De grootste doelgroep zijn gezinnen (educatieve kinderfeestjes), scholen, BSO’s, etc. Nu wordt dit vormgegeven door met dieren naar locatie te gaan en daar workshops te geven. Initiatiefnemers zijn voornemens om bezoekers op planlocatie te kunnen ontvangen en de dieren in hun eigen omgeving te kunnen laten zien. Hiervoor hebben zij de loods/kassen bij het pand op de Groothees 9 in gedachten. Hier kunnen kleine groepen worden ontvangen en een rondleiding krijgen, waarbij de kennis en passie voor deze dieren en natuur wordt overgedragen. Daarnaast zijn sinds 1,5 jaar ook twee cliënten die initiatiefnemers helpen bij het schoonmaken en verzorgen van de dieren (en van tijd tot tijd ook mee een workshop verzorgen).

Dit sluit aan bij de werkzaamheden van één van de initiatiefnemers als orthopedagoog. Het begeleiden van deze mensen met een beperking en het bieden van een zinnige dagbesteding geeft initiatiefnemers veel plezier. Dit wordt ook teruggezien bij de cliënten zelf in het werken met de dieren. Op termijn willen initiatiefnemers de dagbesteding verder uitbouwen zodat meer mensen het plezier kunnen ervaren van het werken met dieren. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is reeds een principeverzoek ingediend bij het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meierijstad op 14-01-2021. Het College van Burgemeester en Wethouders heeft hier in haar vergadering van 02-03-2021 besloten om middels een positief principebesluit onder voorwaarden medewerking te verlenen aan bestemmingswijziging van de planlocatie. Deze toelichting dient als onderbouwing voor de bestemmingsplanwijziging op Groothees 9 voor het mogelijk maken van de bedrijfsmatige activiteiten van initiatiefnemers.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Groothees 9, te Erp. Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Erp, sectie R, nummers 1025 en 1043. Het gebied heeft een totale oppervlakte 3.707 m2 en is gelegen in landelijk gebied ten noordoosten van de kern Erp. De planlocatie wordt aan de noord- en westzijde omgeven door een glastuinbouwcomplex. De omgeving van onderhavige planlocatie wordt afgebeeld in figuur 1.1.

Figuur 1.1: Ligging planlocatie in omgeving (rood omkaderd)

1.3

Bij het plan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: 1. Toelichting; waarin de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt, nader worden gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en hoe bij de ontwikkeling met (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden; 2. Regels; waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen; 3. Verbeelding; waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer

In de voorliggende toelichting wordt in het tweede hoofdstuk de planbeschrijving behandeld waarin achtereenvolgens de huidige situatie, het vigerende bestemmingsplan en het planvoornemen wordt beschreven. Hierna wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader behandeld waaraan het plan wordt getoetst. Dit gebeurt achtereenvolgens op Rijksniveau, provinciaal niveau en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 worden de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid uiteengezet. Het laatste hoofdstuk dient als conclusie waarin de planologische afweging van het initiatief wordt gemaakt.

2.

Planbeschrijving

2.1

Huidige situatie

In figuur 2.1 wordt een luchtfoto weergegeven waarin de huidige inrichting van de planlocatie te zien is. Met rood wordt de planlocatie aangegeven. De planlocatie is in gebruik als burgerwoning. Deze bestemming wordt in de beoogde situatie gewijzigd in een niet-agrarische bedrijfsbestemming.

Figuur 2.1: Huidige inrichting planlocatie Op de locatie zijn, behalve een woning met bijbehorende bouwwerken ook kassen met een oppervlakte van 1.025 m2 aanwezig, dit is inclusief 103 m2 aan kassen, welke voor privé-doelen gebruikt zal worden. Ook zijn er overige gebouwen, welke voorheen én in de beoogde situatie, dienst gaan doen als bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsgebouwen hebben een bestaande oppervlakte van 623 m 2.

2.2

Vigerend bestemmingsplan

In figuur 2.2 wordt een uitsnede weergegeven van de verbeelding van bestemmingsplan “Buitengebied Veghel” rondom de planlocatie. Dit bestemmingsplan is op 22-10-2015 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel. Op 1 januari 2017 zijn de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gefuseerd tot de gemeente Meierijstad. Naar aanleiding van de fusie is er veel nieuw beleid ontwikkeld en zijn de verordeningen geharmoniseerd. De gemeenteraad van de nieuwe gemeente Meierijstad heeft op 2701-2021 het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ vastgesteld. Beide bestemmingsplannen zijn geheel in werking. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing op de planlocatie: • Enkelbestemming ‘Wonen’ • Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ • Gebiedsaanduiding ‘Dorpslandschap’

• • •

Gebiedsaanduiding ‘Oude akkers’ Gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied 1’ Gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – Radar’

Figuur 2.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Veghel", planlocatie in geel De gebruiksregels behorend bij de enkelbestemming ‘Wonen’ staan niet toe dat op deze gronden een bedrijf wordt geëxploiteerd. Hiervoor dient een bedrijfsbestemming aanwezig te zijn op de planlocatie.

2.3

Beschrijving planvoornemen

Initiatiefnemers zijn voornemens om de huidige bestemming ‘Wonen’ te wijzigen naar bestemming ‘Bedrijf’ ten dienste van educatie over exotische dieren waar de volgende activiteiten onder vallen: • Het huisvesten en verzorgen van exotische dieren (slangen, spinnen, wandelende takken etc.) in de bestaande kassen; • Het realiseren van een terrarium, tropische binnentuin, werkplaats, workshopruimte, keuken en sanitaire voorzieningen in de bestaande loods; • Het bieden van dagbesteding in vorm van het verzorgen van de exotische dieren aan cliënten; • Het geven van workshops en rondleidingen op reservering aan kleine groepen op het vlak van educatie over exotische dieren en planten. Een situatietekening van de beoogde situatie en welke beoogde functies waar gaan plaatsvinden is opgenomen in bijlage 1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad heeft onder voorwaarden besloten in principe medewerking te verlenen aan de beoogde wijziging van het bestemmingsplan. Deze voorwaarden luiden: • De bestaande oppervlaktes in m2 van de loods (circa 500 m2) en van de kassen (circa 1.000 m2) dienen los van elkaar vastgelegd te worden als maximaal toegestane aantal m 2 bij de nieuwe bedrijfsbestemming.

• De kassen met een oppervlakte van 1.000 m2 mogen uitsluitend gebruikt worden voor het houden/verzorgen van exotische dieren en het geven van rondleidingen/educatie onder begeleiding van een beheerder.

Met het bovengenoemde doel en met inachtneming van de genoemde voorwaarden door de gemeente Meierijstad zal de bestemming gewijzigd worden ten behoeve van de bestemming ‘Bedrijf’.

3.

Beleidskader

Gemeente Meierijstad heeft te maken met beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen in lijn te zijn met de regels die hogere overheden hebben opgesteld. De voorgenomen ontwikkelingen dienen daarnaast ook te passen binnen het gemeentelijk beleid. In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavige ontwikkeling relevante beleid uiteengezet op nationale, provinciale en gemeentelijke schaal. Daarna wordt getoetst of onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is een beleidsdocument dat de ambitie weergeeft voor Nederland in 2040. Deze ambitie is vertaald naar doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Met de SVIR geeft het Rijk meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. Dit betekent minder rijksdoelen en eenvoudigere regelgeving. Nationaal belang 13 uit de SVIR betreft een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken.

Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en dient over programmering te worden voorkomen. Om beide te bereiken is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 oktober 2012 in werking getreden. De toepassing van de Ladder heeft tot onduidelijkheid geleid bij overheden, juristen en planologen. Derhalve is de wet gewijzigd. Deze wijziging is van kracht sinds 1 juli 2017. De Ladder is een instrument waarmee tot een gebalanceerde regionale ontwikkeling kan worden gekomen. De kernbepaling van de nieuwe Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Ladder moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken hieraan worden getoetst. In artikel 1.1.1 eerste lid onder i van het Bro wordt een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling gegeven. Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden

beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075). Door de geringe omvang van de functiewijziging hoeft de ladder niet doorlopen te worden. Ook in het geval er geen sprake is van een formele ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, moet er toch worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien de Ladder niet van toepassing is, ontslaat dat de initiatiefnemers en het bevoegd gezag niet van de plicht te voldoen aan andere normen voor een goede ruimtelijke ordening. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de onderbouwing dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

3.1.3 Besluit en ministeriële regeling algemene regels en ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor het opstellen van bestemmingsplannen als het gaat om ontwikkelingen van nationaal belang. Het Barro biedt juridische kaders die nodig zijn om het vigerende ruimtelijke rijksbeleid te borgen. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden, op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. De uitspraken in de Barro onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Deze regels zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect hun doorwerking te hebben tot de besluitvorming op het lokale niveau. Door nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, levert het Barro een versnelling op in de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindert het de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro horende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

In deze regeling wordt de begrenzing vastgesteld van de gebieden uit een aantal titels uit het Barro waarvoor een reservering of een vrijwaring geldt. De aanduiding van deze gebieden is opgenomen in het Barro. De kaart horende bij het Rarro laat zien dat de planlocatie is gelegen binnen het radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Volkel. Het onderhavige plan omvat echter geen activiteiten die van invloed zijn op de werking van een radar, er worden geen hoge obstakels toegevoegd. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

De visie en ambitie van de provincie Noord-Brabant, met betrekking tot de fysieke leefomgeving ,wordt verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien. En stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze heeft een bindende werking voor het handelen van burgers, bedrijven, gemeenten en waterschappen. 3.2.1 Brabantse omgevingsvisie Het uitgangspunt van de Brabantse omgevingsvisie is dat door het juiste samenspel de kwaliteit van het leven hier en nu goed samen kan gaan met de kwaliteit van leven elders en later. Om de huidige kwaliteit van Noord-Brabant te behouden, verbeteren en door te geven aan de volgende generaties, moet er continu zorggedragen worden voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving. Met de omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. Met de omgevingsvisie wordt aansluiting gevonden op Rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Bekeken wordt hoe de provincie er in 2050 uit zal moeten zien, daarbij worden meetbare tussendoelen gesteld. In de Omgevingsvisie wordt de omgeving Oost-Brabant in 2050 geschetst als gebied dat wordt gewaardeerd vanwege het aangename dorpenlandschap in de Peel.

Het wordt gezien als een gebied waar de bewoners van het stedelijke gebied rondom Eindhoven graag hun ‘high-tech’ omgeving afwisselen om hun vrije tijd door te brengen. De dorpen zijn er levendige plekken waar jong en oud zich thuis voelen. Brabant is in 2050 een provincie waar het goed wonen, werken en recreëren is. Om deze geschetste panorama te bereiken is het verstandig om verschillende doelen aan elkaar te koppelen. Om zo meerdere vliegen in één klap te kunnen slaan. Dit streven naar meerwaarde is de centrale gedachte van de Omgevingsvisie. Bij het zoeken naar oplossingen vindt de provincie het belangrijk om naar een ontwikkeling te kijken vanuit meerdere richtingen. Een ontwikkeling hier en nu mag niet in sociaal, economisch en ecologisch opzicht ten koste gaan van de levenskwaliteit elders en later. Om dit te kunnen realiseren wordt een ‘diepe’, ‘ronde’ en ‘brede’ manier van kijken gehanteerd. De ‘diepe’ manier van kijken houdt in dat er op verschillende schaalniveaus wordt gekeken. De ‘ronde’ manier van kijken houdt in dat er niet puur sectoraal wordt gekeken maar dat er verschillende vraagstukken gecombineerd worden. Er wordt daarbij gezocht naar een balans tussen ‘people’ dat staat voor de gemeenschap ‘planet’ dat staat voor de leefomgeving en ‘profit’ dat staat voor wat het in economisch opzicht oplevert.

De ‘brede’ manier van kijken wil zeggen dat verschillende partijen en belanghebbenden worden betrokken. Conclusie Ten aanzien van het plan kan worden gesteld dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit elders of op een later tijdstip. De functiewijziging van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’ geeft geen negatieve gevolgen voor de kwaliteit elders of op een later tijdstip. Hiermee is het voorgenomen plan passend binnen de Brabantse omgevingsvisie. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening (IOV) Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim Omgevingsverordening worden het beleid en de maatregelen uit de Brabantse omgevingsvisie uitgewerkt in (beleids)programma’s en regels. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat houdt in dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat instructieregels die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening Ruimte Noord-Brabant. De instructieregels gelden bij het uitoefenen van ruimtelijke bevoegdheden door de gemeenten. Het gaat daarbij om het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De instructieregels die ter plaatse gelden richten zich op een evenwichtige toedeling van functies, in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen. De regels die gelden zijn dus vanuit de functie bezien opgebouwd. Plannen moeten daarbij voldoen aan een aantal basisprincipes. De regels die op onderhavige ontwikkeling van toepassing zijn, zijn: de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, zorgvuldig gebruik van ruimte en kwaliteitsverbetering landschap. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (Artikel 3.5) De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving.

Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De karakteristiek van een plek of gebied bestaat uit herkomst- en belevingswaarden. Onderling zijn deze nauw verbonden en geworteld in een lang historisch ontwikkelingsproces. Herkomstwaarde gaat onder andere over verbondenheid, eigenheid en herkenbaarheid, cultuurhistorische verscheidenheid en leesbaarheid van de omgeving in tijd en ruimte. Voorbeelden van belevingswaarde zijn uitstraling en aantrekkelijkheid, de schoonheid van de omgeving en een omgeving met contrasten, diversiteit, rust en ruimte. De gebruiks- en toekomstwaarden van een plek of gebied zijn vooral verbonden met de maatschappelijke en ruimtelijke dynamiek. Actuele maatschappelijke opgaven en vraagstukken zijn veelal in grote mate bepalend voor de toekomstige kwaliteit van de leefomgeving. Gebruikswaarde heeft onder andere betrekking op een goede bereikbaarheid en functionaliteit van locaties, effectiviteit en productiviteit, externe veiligheid, een schoon milieu en een goede waterhuishouding. Bij toekomstwaarde gaat het bijvoorbeeld om stabiliteit en flexibiliteit, duurzaamheid, draagvlak voor een betekenisvolle toekomst, erfgoed, rekening houden met ecologische voorraden en duurzame ecosystemen.

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging, bijvoorbeeld van individuele bedrijven, is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Dit beleid wordt gecontinueerd. Mede gelet op de leegstand van agrarisch vastgoed is het toelaten van functies in het landelijk gebied door nieuwvestiging niet opportuun. Hierop bestaan wel uitzonderingen, bijvoorbeeld in geval van verplaatsing van een bedrijf in het kader van een groot openbaar belang of in het geval van functies die vanuit het borgen van een goede en veilige leefomgeving niet in de directe omgeving van kwetsbare functies mogelijk zijn, zoals windturbines. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is.

Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.

Deze voorwaarde geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving. Omdat de toepassing van de ladder vanuit provinciale beleid essentieel is, is deze in de verordening opgenomen. Er zijn daarbij geen extra eisen gesteld. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de verordening het begrip bouwperceel. Dit biedt ruimte aan de gemeente om binnen een bouwperceel onderscheid te maken in bijvoorbeeld een gedeelte waar alleen bouwwerken zijn toegestaan, zoals permanente teeltondersteunende voorzieningen, en een gedeelte waar het bouwvlak ligt ten behoeve van het oprichten van gebouwen. Overigens zijn in veel gevallen de omvang van het bouwperceel en het bouwvlak gelijk. Met name in de land- en tuinbouw of bij sommige recreatiebedrijven waar slechts op een beperkt deel van een bouwperceel gebouwen staan, is het gewenst of nodig onderscheid te maken. De bestaande bedrijfsbebouwing binnen het bestemmingsvlak zal gemaximeerd worden op de reeds aanwezige loods en kassen. Derhalve zal een nieuw ruimtebeslag niet plaatsvinden en is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik waarbij bestaande bebouwing een nuttige nieuwe functie krijgt.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering Landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Soms is nadrukkelijk bepaald dat dit artikel niet van toepassing is omdat de regeling zelf al voorziet in kwaliteitsverbetering, zoals de ontwikkeling van ruimte voor ruimte woningen en landgoederen. Er is derhalve geen sprake van een stapeling van regelingen. In de toelichting geeft de gemeente aan dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving.

Dit kan bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen. De verordening biedt dus de mogelijkheid dat de kwaliteitsverbetering niet op dezelfde plek plaatsvindt als de ontwikkeling. Het is aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen. In geval de kwaliteitsverbetering elders wordt uitgevoerd, geldt ter plaatse van de ontwikkeling uiteraard wel een goede landschappelijke inpassing. Om alle onduidelijkheid over het begrip landschap weg te nemen is duidelijk aangegeven dat het begrip landschap niet alleen betrekking heeft op groenontwikkeling maar ook betrekking heeft op de sloop of uiterlijke verschijningsvorm van bebouwing. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het bestemmingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. Overigens is het daarbij nog steeds nodig dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan geborgd wordt. In geval daarbij een landschapsfonds is

ingesteld, geldt dat er over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg. De kwaliteitsverbetering wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.2. Op de planlocatie zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten van toepassing. Dit is omdat de planlocatie is gelegen in een boringsvrije zone. Deze zone is gelegen binnen het werkingsgebied Waterwinning voor menselijke consumptie. Paragraaf 2.2.1 Waterwinning voor menselijke consumptie Het werkingsgebied Waterwinning voor menselijke consumptie omvat: • Waterwingebied • Grondwaterbeschermingsgebied • Boringsvrije zone • Beschermingszone rivierwaterwinning Voor de aangeduide gebieden is een algemene zorgplicht opgenomen voor eenieder die weet of redelijkerwijs kan weten dat het verrichten van een activiteit schade toebrengt aan de kwaliteit van het grondwater of de kwaliteit van het rivierwater. De zorgplicht omvat ook de plicht om bij direct optredende of dreigende verontreiniging Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, respectievelijk Rijkswaterstaat bij rivierwaterwinningen, op de hoogte te stellen. Zij stellen op hun beurt het desbetreffende drinkwaterbedrijf op de hoogte. Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een beschermingszone, als die activiteit risico's voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd.

Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken. De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. De aan de regeling ten grondslag liggende risicobenadering brengt met zich mee dat degene die een activiteit wil uitvoeren op grond van de zorgplicht zelf beoordeelt of er geen minder risicovol alternatief is en, als dat er niet is, welke maatregelen ter beperking van de risico's moeten worden genomen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet voor de gevallen dat er geen specifieke regeling is opgenomen. Artikel 3.12 Boringsvrije zone In de boringsvrije zone geldt een beperkte bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Hiertoe zijn concrete regels gesteld in hoofdstuk 2. Over het algemeen is het voor boringsvrije zones niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijk spoor op te nemen aangezien hoofdstuk 2 voorziet in een systeem van melding van activiteiten.

Desondanks is opname van de zone in het bestemmingsplan zinvol vanwege mogelijke beperkingen die er gelden voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van bodemenergiesystemen bij de ontwikkeling van nieuwe functies. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden geen nieuwe bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. De beoogde bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden in bestaande bebouwing. De planlocatie is tevens gelegen in gemengd landelijk gebied. Voor de vestiging van een nietagrarisch bedrijf in Landelijk gebied zijn regels opgenomen in artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d.

dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten 2; hoogste voor 200 m De mogelijkheden vestiging in het Landelijk gebied zijn voorts nadrukkelijk niet bedoeld voor c. een voorziening ten dienste vrije tijd en zorg, een de bebouwing van De bedrijven die zich vanwege optredendevan milieubelasting horen te omvang vestigenvan op een bedrijventerrein. ten hoogste 1 hectare. vestiging is uitsluitend bedoeld voor kleinschalige, bedrijfsmatige activiteiten die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken. Het planvoornemen voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.73. Conclusie Uit de bovenstaande toetsing aan de regels uit de Brabantse Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant volgt dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Derhalve past de voorgenomen ontwikkeling binnen de door de provincie gestelde kaders. In de volgende hoofdstukken wordt dit nader uitgewerkt.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 is de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. Deze bestaat uit twee delen, namelijk de visie en de uitwerking. In deze structuurvisie wordt de visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030 geschetst. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. De planlocatie is gelegen in het ‘buitenlandschap’ van Erp. Ten noorden en zuiden van Erp ligt een afwisselend landschap, waarin landbouw, wonen, werken en recreatie in samenhang wordt ontwikkeld, met oog voor de mogelijkheden die er liggen op het gebied van duurzame energie. Het gebied ten noorden van Erp is bovendien deels aangemerkt als mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw. Bestaande bedrijven kunnen hier uitbreiden, mits die uitbreiding inpasbaar is in het landschap. In dit buitenlandschap is geen van de functies dominant. In het buitenlandschap worden gebouwde functies langs de linten geconcentreerd, voortbouwend op de traditionele wijze waarop het buitengebied is ontwikkeld.

Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisie Veghel 2030. Planlocatie met rood aangegeven. Conclusie De vestiging van een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf is mogelijk binnen de gebouwde functie, waar de bedrijvigheid wordt gerealiseerd binnen het bebouwingslint aan de Groothees. De bedrijfslocatie zal bovendien gerealiseerd worden binnen een cluster van glastuinbouw, waarmee het past binnen een groter bebouwd cluster. 3.3.2 Kansen voor kwaliteit De gemeenteraad van de gemeente Meierijstad heeft op 7 mei 2020 het rapport ‘Kansen voor Kwaliteit’ vastgesteld’. Dit rapport voorziet in een afwegingskader voor hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Aan de hand van dit rapport heeft de gemeenteraad besloten tot het opstellen van richtlijnen voor landschappelijke inpassing met inachtneming van de gebiedskenmerken zoals opgenomen in de Landschapsanalyse Meierijstad. Deze richtlijnen zijn bedoeld voor de beoordeling van de basisinspanning.

Ook is besloten tot het opstellen van een regeling ‘Kwaliteitsverbetering’, bedoeld voor de grondwaardebepaling en de bepaling van de hoogte van de tegenprestatie. Deze regeling is bedoeld voor de beoordeling van de aanvullende kwaliteitsverbetering. Aanvullende kwaliteitsverbetering De voormalige gemeente Schijndel heeft de Nota Kwaliteitsverbetering ‘Kwaliteitsverbetering in Landelijk Gebied’ opgesteld. Deze nota geeft handvatten voor het waarderen van de benodigde kwaliteitsverbetering, afgaande op de grondwaardevermeerdering . Voor het bepalen van deze grondwaardevermeerdering zijn forfaitaire bedragen opgenomen in bijlage 1 van de nota. In het geval van een negatieve grondwaardeontwikkeling is geen sprake van verdere tegenprestatie of een bijdrage aan een kwaliteitsfonds. De bestemming wordt gewijzigd van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’, waarbij de bebouwing op de planlocatie gelijk blijft. In bijlage 1 van deze nota zijn waardes opgenomen voor de bestemming wonen, maar ook voor de bijbehorende tuin. Hoe groter de tuin, hoe minder waarde deze vertegenwoordigd. Ook voor bedrijven (bebouwd en onbebouwd) zijn forfaitaire bedragen opgenomen. Hieronder volgt schematisch een opsomming van de huidige en toekomstige forfaitaire waarde volgens de in de nota gehanteerde grondprijzen. Hier volgt de grondwaardeontwikkeling uit:

Wonen bouwvlak grondgebonden (incl. tuin tot 500 m2 Tuin 500-1000 m2 Tuin vanaf 1000-2000 m2 Tuin vanaf 2000 m2 Bijbehorend bouwwerk > 100 m2 (buitengebied)

Bedrijven (bebouwd) Bedrijven (onbebouwd)

Grondwaarde € 350,-

aantal m2 500 m2

Waarde € 175.000,-

500 m2 1000 m2 1707 m2 1500 m2

€ 65.000,€ 50.000,€ 34.140,€ 52.500,-

Forfaitaire waarde huidige situatie:

€ 376.640,-

€ 130,1750 m2 € 45,1957 m2 Forfaitaire waarde beoogde situatie:

€ 227.500,€ 88.065,€ 315.565,-

€ 130,€ 50,€20,€35,-

Grondwaardeontwikkeling € - 61.075 Tabel 3.1: Berekende waardevermeerdering volgens methodiek voormalige gemeente Schijndel. Bovenstaande berekening is niet bindend, omdat het niet is vastgelegd in beleid van de gemeente Meierijstad. Echter geeft het wel een goede, indicatieve waardebepaling. Uit deze waardering blijkt dat geen aanvullende kwaliteitsverbetering is vereist en dat voldaan kan worden aan de eisen voor landschappelijke inspanning door te voldoen aan de basisinspanning. Categorie Ingevolge de ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ kan het planvoornemen worden beschouwd als een categorie 3-ontwikkeling. Het initiatief past niet binnen de afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan en ook niet binnen afwijkend beleid (kruimelgevallen). De wijzigingen hebben geen grote impact op de omgeving en het landschap, maar ingevolge het wijzigen van het bestemmingsplan is initiatiefnemer verplicht om naast de landschappelijke inpassing van het perceel, een aanvullende kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren. Op het moment dat door omzetting van functie uw grond meer waard wordt, wordt objectief bepaald, aan de hand van eenheidsprijzen voor bijvoorbeeld landbouwgrond, wonen, welke investering gedaan moet worden in het landschap. Hierbij wordt eerst de waarde berekend van de bestaande situatie. Daarna wordt de waarde berekend van de toekomstige situatie.

Vervolgens wordt, op basis van 20% van de berekende waardevermeerdering, de investering in euro’s in de kwaliteit van het landschap bepaald.

Zoals hierboven beschreven, waarbij wordt uitgegaan bij de waarderingsmethodiek van de voormalige gemeente Schijndel, is sprake van een waardedaling. Derhalve kan volstaan worden met een basisinspanning. Basisinspanning De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Die basisinspanning is afhankelijk van de functie in relatie tot de omgeving. In algemene zin is voor een ontwikkeling van grotere omvang ook een grotere ofwel robuustere landschappelijke inpassing vereist. Dat kan tot uitdrukking komen in landschapselementen, maar bijvoorbeeld ook in een aanpassing van de ontsluiting en/of in nadere eisen voor vorm, omvang en situering van gebouwen. Ook compensatieverplichtingen die volgen uit specifieke wetgeving, behoren tot de basisinspanning. Initiatiefnemers zijn zich bewust van de waarde van flora en fauna. Het groen om hen heen maakt dan ook een wezenlijk onderdeel uit van de bedrijfsbestemming. Initiatiefnemers hebben de intentie om het aanwezige groen te behouden en waar mogelijk te versterken. Desalniettemin zal ook voor wat betreft de kwaliteitsverbetering van het landschap getoetst moeten worden aan geldende regelgeving. Het buitengebied van Meierijstad is groot en divers. Dit buitengebied kent verschillende type gebieden.

Gebieden waar het primaat ligt bij de landbouw, gebieden die belangrijk zijn voor natuur en recreatie en gebieden waar landbouw en andere functies zoals wonen, recreatie en niet-agrarische bedrijvigheid naast elkaar voorkomen. De planlocatie is gelegen in gebiedstypologie II: ‘Landelijk gebied, verweving van functies’. Zie hiervoor ook onderstaande figuur.

Figuur 3.2: Uitsnede gebiedstypologie Meierijstad, planlocatie met geel aangegeven. Binnen het gebiedstype ‘verweving van functies’ speelt de landbouw een belangrijke rol. Maar in deze gebieden zijn de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In dit gebied zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. In juni 2020 is door de gemeente Meierijstad de ‘Landschapsanalyse Meierijstad’ opgesteld. In deze landschapsanalyse worden verschillende landschapstypen onderscheidden door de gemeente. De planlocatie is gelegen in het landschapstype ‘Oude ontginningen’. De begrenzing van de oude

ontginningen is een afgeleide van de bodemkaart, de geomorfologische kaart en de historische kaart anno 1850. Het zijn de gronden die al voor 1850 door de mens zijn ontgonnen. Bepalend was de intrede van de landbouw en veeteelt. De hoge en droge gronden waren het meest geschikt voor de agrarische bedrijfsvoering. Dat is ook de reden dat we globaal drie zones met oude ontginningen in Meierijstad kunnen onderscheiden. Dit is de zone aan weerszijden van de Dommel, de zone aan weerszijden van de Aa en de zone rondom Schijndel/Eerde. Het landschap van de oude zandontginningen is een halfopen, kleinschalig landschap met een onregelmatig, organisch gevormd wegen- en verkavelingspatroon. Er is een grote diversiteit aan landschapselementen zoals lanen, houtwallen, bomenrijen, solitaire bomen, droge en natte boscomplexen en kleinere hakboutbosjes. Door deze landschapselementen zijn ook de open ruimten gevarieerd in omvang en vorm. Er komen besloten landschapsdelen (b.v. boscomplexen) voor alsook open gebieden (b.v. bolle akkers en graslanden). Grote structuren en scherpe begrenzingen ontbreken. Wel zijn er lokale verschillen in openheid, hoeveelheid aanwezige bebouwing of bosschages, verkaveling en grondgebruik. De overgangen zijn echter frequent en subtiel. In dit deelgebied vertonen wegen een redelijk tot sterk bochtig patroon met relatief veel zijvertakkingen.

Dit in tegenstelling tot de latere heide- en broekontginningen. De oude ontginningen worden gedifferentieerd gebruikt door zowel agrariërs met weilanden en akkers, als burgers met woningen en bedrijven. Door het kleinschalige afwisselende karakter is het ook aantrekkelijk voor recreatief medegebruik. De bestaande beplanting, op het perceel zal in stand blijven om het perceel een groen karakter te geven. Het behoud van deze beplanting draagt bij aan een vriendelijke, groene omgeving waarin groepen kunnen leren over exotische dieren. Bovendien is dit een prettige omgeving voor mensen die hier dagbesteding krijgen. Concreet betekent dit dat de bomen binnen het perceel behouden blijven, danwel vervangen worden door een nieuwe boom met minimaal een gelijke ecologische waarde en dat het perceel afgescheiden blijft door de geschoren haag van twee meter hoog. Rondom de bedrijfswoning zal een tuin worden aangelegd. Conclusie Uit de berekening, gebruik makende van indicatieve bedragen, volgt een negatieve grondwaardeontwikkeling. In dergelijke gevallen is geen sprake van verdere tegenprestatie of een bijdrage. Derhalve dient volgens deze systematiek geen investering gedaan te worden in landschappelijke inpassing ten behoeve van landschapsversterking.

Ondanks het feit dat uit de geldende regelgeving geen verplichting geldt voor de landschappelijke inpassing zijn initiatiefnemers wel voornemens om het bestaande groen in stand te houden en waar mogelijk te ontwikkelen zodat hun locatie een groene uitstraling krijgt die past bij de bedrijfsactiviteiten, waar natuureducatie een belangrijk onderdeel van is.

4.

Planologische en milieuhygiënische aspecten

Een bestuursorgaan dient bij voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zo wordt beschreven in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten behoeve van onderhavig project zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen in navolgende paragrafen aan bod.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

Om de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen, moet bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden worden met milieuzonering van bedrijven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, uitgave 2009. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. Er dient te worden beoordeeld of, uitgaande van de maximale mogelijkheid van het plan, geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten. In de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning, of verblijfsruimte die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk of buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’, er is hier namelijk geen sprake van een ‘rustige woonwijk of buitengebied’. Het gebied bestaat uit een bebouwingslint waarbij verschillende functies naast elkaar zitten. Dit houdt in dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verkleind.

Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid, deze wordt niet verkleind. De activiteiten die ter plaatse worden uitgevoerd horen bij die van een niet-agrarisch bedrijf. De bedrijfsactiviteiten worden in de VNG handreiking beoordeeld als respectievelijk: • milieucategorie 2 onder de categorie ‘Dienstverlening ten behoeve van de landbouw, fokken en houden van overige dieren – overige dieren (SBI-2008 code 0149-6). • milieucategorie 2 onder de categorie ‘Sociale werkvoorziening (SBI-2008 code 32991). In onderstaande tabel worden de richtafstanden weergegeven, deze richtafstanden zijn van toepassing in een ‘rustig buitengebied’. De planlocatie is gelegen in ‘gemengd gebied’ waardoor de richtafstanden met één afstandstrap verlaagd mogen worden ten opzichte van gevoelige objecten. Bedrijf

Houden van dieren

Typering Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw. Fokken en houden van overige dieren: overige dieren

Vervaardiging van Sociale werkvoorziening goederen n.e.g. Tabel 4.1: Richtafstanden Bedrijven en milieuzonering

SBI

Richtafstanden Geur

Stof

Geluid

Gevaar

016-6

30

10

30

10

32991

0

30

30

0

De richtafstand in gemengd gebied bedraagt 10 meter voor de beoogde bedrijfsactiviteiten. De gevoelige objecten in de nabijheid zijn de bedrijfswoningen aan Groothees 6, 7 en 11. De agrarische bedrijfswoning aan Groothees 6 is gelegen aan de overzijde van de weg de afstand tussen beide percelen is 13 meter. De afstand van de planlocatie tot aan de bedrijfswoning is 30 meter. De bedrijfswoning aan Groothees 7 is gelegen in het perceel, direct grenzend aan de planlocatie. De bedrijfswoning zelf is gelegen op 55 meter van de planlocatie. De bedrijfswoning aan Groothees 11 is gelegen in het perceel, direct grenzend aan de planlocatie. De bedrijfswoning zelf is gelegen op 8 meter van de planlocatie. Stof Totaal stof is de verzameling van al het zwevend stof, ongeacht de deeltjesgrootte. De in het Activiteitenbesluit opgenomen emissiegrenswaarden gelden voor totaal stof. Totaal stof bestaat uit grof stof en fijnstof. Onder grof stof vallen de vaste zwevende deeltjes met een aerodynamische diameter groter dan 10 micron. De effecten van grof stof bestaan vooral uit de hinder doordat stof neerslaat in de leef- en woonomgeving. Bij fijnstof gaat het om deeltjes met een aerodynamische diameter van ten hoogste 10 micron (PM 10). Over het algemeen geldt dat hoe kleiner de deeltjes zijn, hoe dieper ze in de luchtwegen kunnen doordringen.

Het fijnstof is vooral van belang voor de volksgezondheid. Binnen het te vestigen bedrijf vinden geen significante emissies van stof plaats. Derhalve is het aannemelijk dat de emissiegrenswaarde uit het Activiteitenbesluit voor stof van 5 mg/Nm 3 gehaald wordt. De richtafstand voor stof in gemengd gebied is 10 meter tot het dichtstbijzijnde gevoelige object. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Het aspect luchtkwaliteit wordt nader behandeld in paragraaf 4.4. Uit deze toelichting zal blijken dat in het kader van de luchtkwaliteit wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften en dat voor het aspect stof er sprake zal blijven van een aanvaardbaar woonen leefklimaat op Groothees 11. Gevaar Voor gevaar geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter volgens de handreiking milieuzonering en bedrijven. Er worden geen bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die gevaar veroorzaken. In paragraaf 4.6 Externe veiligheid zal nader op het aspect gevaar in worden gegaan. Conclusie In de volgende paragrafen wordt separaat ingegaan op de aspecten geluid, geur en stof. Voor deze aspecten wordt niet voldaan aan de richtafstanden in relatie tot de woning op Groothees 11. Voor deze aspecten zal dit in de paragrafen 4.2, 4.3 en 4.5 nader worden onderbouwd.

Volgend uit deze paragrafen is het voldoende aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering zal vormen voor de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning op Groothees 11.

4.2

Geluid

De wet geluidhinder heeft tot doel objecten te beschermen tegen (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd. Dit zijn woningen, waaronder bedrijfswoningen en geluidsgevoelige terreinen. De VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt voor geluid een richtafstand van 10 meter tot woningen in gemengd gebied. Hiermee is aangegeven dat bij de beoogde bedrijfsactiviteiten op Groothees 9, de richtafstand voor geluid 10 meter is ten opzichte van gevoelige objecten. Vanwege de aard en kleinschaligheid van de activiteiten (het houden van en de educatie over exotische dieren) die plaats gaan vinden bij het te vestigen bedrijf, zullen deze voor het aspect geluid geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de omliggende woningen. De omliggende woningen hebben ook geen invloed op de bedrijfsvoering van het te vestigen bedrijf. Conclusie Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid, zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Echter, gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten en de minimale overschrijding van de richtafstanden biedt het voornemen geen belemmering het woon- en leefklimaat op Groothees 11.

4.3

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de milieuaspecten met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de landelijk gestelde normen. De gemeente Meierijstad heeft geen geurverordening vastgesteld, waardoor de landelijke normen gelden. Dit plan voorziet in de wijziging van een burgerwoning naar een bedrijfsbestemming op Groothees 9, te Erp. Dit is géén toevoeging van een geurgevoelig object en heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsruimte van omliggende veehouderijen. Voor het houden van exotische dieren zijn geen geurnormen vastgesteld. Door de zorgvuldige verzorging van deze dieren is ook niet de verwachting dat de geuremissie van deze dieren zal leiden tot overlast gevende situaties. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale belasting van alle veehouderijen in een gebied. De individuele emissies van afzonderlijke bedrijven worden bij elkaar opgeteld, wat een cumulatieve geurbelasting op geurgevoelige objecten geeft. Dit is de zogenaamde achtergrondbelasting.

Deze belasting geeft aan waar sprake is van overbelaste situaties en waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de achtergrondbelasting op de planlocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7e11f252-2e65-4dfb-9f3e-7b24cbae5ff6