CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Boterpad 1 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'18.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

27

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Ter plaatse worden de varkensstal en mestsilo gesloopt en wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Hierdoor zal de totale oppervlakte aan verharding afnemen. Hemelwater heeft in de beoogde situatie meer ruimte om direct te kunnen infiltreren. De Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. A-watergang Aan de zuidoostzijde van het plangebied bevindt zich een A-watergang. Ten aanzien van deze A-watergang is aan beide zijden sprake van een beschermingszone van 5 meter.

Binnen deze zone mag niets worden gebouwd/aangeplant wat ervoor kan zorgen dat het onderhoud van de watergang wordt bemoeilijkt of niet mogelijk is. In bepaalde situaties kan er aan beide kanten van de 5 meter beschermingszone worden afgeweken. Hiervoor dient men een vergunning aan te vragen en als deze wordt verleend dient er tevens een zakelijk recht te worden gevestigd. Indien er in dit geval blijkt dat er een vergunning noodzakelijk is, zal deze worden aangevraagd.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Met de omschakeling van een agrarische functie naar een bedrijfsfunctie is in het kader van het aspect bodem geen sprake van een gevoeliger gebruik. De voorgenomen bestemmingswijziging geeft dus geen aanleiding om een bodemonderzoek op de locatie uit te voeren. Daarnaast zijn de te slopen stallen gebouwd in 2000. Bij het oprichten van de stallen is geen asbest gebruikt. Voor de daken is gebruik gemaakt van asbestvrije golfplaten, waardoor de bodem rondom de stallen niet verdacht is op asbest. Dit geeft tevens geen aanleiding om een bodemonderzoek uit te voeren.

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Op een afstand van circa 850 meter ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

28

Ten aanzien van de ontwikkeling bieden kabels, leidingen en hoogspanningslijnen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. In dit geval worden er op de planlocatie geen gevoelige functies gerealiseerd. Dit betekent dat bedrijven in de omgeving niet in hun (uitbreidings-)mogelijkheden worden beperkt. Daarnaast dient te worden gekeken of er in het kader van Bedrijven en milieuzonering voldoende afstand worden aangehouden tussen de functies op de planlocatie en burgerwoningen in de omgeving. Conform de VNG-publicatie dienen ten aanzien van de functies binnen het plangebied de volgende afstanden te worden aangehouden: • Caravanstalling: ‘Opslaggebouwen’ milieucategorie 2 → 30 meter • Bedrijvenhotel: ‘Vervaardiging van overige goederen n.e.g.’ milieucategorie 3.1 → 50 meter • Akkerbouwloods: ‘Algemeen (o.a.

loonbedrijven) <= 500 m2’ milieucategorie 2 → 30 meter In beginsel valt de functie ‘vervaardiging van overige goederen n.e.g.’ binnen milieucategorie 3.1. Echter mogen er in het bedrijvenhotel enkel functies plaatsvinden met een maximale milieucategorie 2. Ten aanzien van deze milieucategorie dient er, in plaats van de genoemde 50 meter, 30 meter te worden aangehouden tot gevoelige objecten. De grootste richtafstand welke dient te worden aangehouden betreft 30 meter. In dit geval zijn er geen woningen binnen een afstand van 30 meter van de beoogde functies gelegen. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van 29

veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Plangebied Binnen het plangebied worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. De huidige bedrijfswoning blijft ongewijzigd als bedrijfswoning behouden welke niet in gevoeligheid veranderd. Ten aanzien van de woning binnen het plangebied zijn geen belemmeringen te verwachten op het gebied van geur. Omgeving Daarnaast dient te worden gekeken of het initiatief een effect heeft op de omgeving. In dit geval verdwijnt de varkenshouderij op de planlocatie en door de herbestemming is het niet meer mogelijk om een (intensieve) veehouderij op te richten. De beoogde functies hebben geen geuruitstoot tot gevolg, waardoor het woon- en leefklimaat voor de woningen in de omgeving door de ontwikkeling verbeterd.

Voor omliggende woningen vormt het aspect geur dan ook geen belemmering.

4.9

Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval is ter plaatse sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. De bedrijfswoning blijft ook in de beoogde situatie als bedrijfswoning behouden. Daarnaast betreffen de caravanstalling, het bedrijvenhotel en de akkerbouwloods tevens geen geluidgevoelige objecten, waardoor er ten aanzien van akoestiek geen belemmeringen zijn. Tot slot zullen de bedrijfsactiviteiten niet leiden tot een verkeersaantrekkende werking, maar neemt het aantal verkeersbewegingen juist af (zie paragraaf 4.12.1). Hierdoor wordt een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan 30

minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden, waardoor toetsing aan de luchtkwaliteit niet aan de orde is. Daarnaast dient te worden gekeken of de gewenste ontwikkeling een invloed heeft op het woon- en leefklimaat voor de omgeving op het gebied van luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit kan negatief worden beïnvloed door een toename van het aantal verkeersbewegingen. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijn stof (PM2,5) en (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM is gekeken of er in de directe omgeving sprake is van een acceptabele situatie op het gebied van de concentraties fijn stof of stikstofdioxide. Fijn stof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt (PM2,5) 25 μg/m3 en (PM10) 40 μg/m3.

Voor het besluitgebied blijkt dat de concentratie voor fijn stof (PM2,5) circa 9,87 μg/m3 bedraagt en de concentratie voor fijn stof (PM10) bedraagt circa 16,95 μg/m3. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 16,05 μg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Initiatief Uit paragraaf 4.12.1 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van onderhavige ontwikkeling afneemt. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit binnen het plangebied en in de omgeving aanvaardbaar is.

4.11

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk 31

met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

32

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.

Spoor-, Rijks- en waterwegen

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of

(Bevt)

overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing

Figuur 9 Risicokaart met plangebied blauw omcirkeld

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1

33

Initiatief In de beoogde situatie wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Er wordt enkel gebruik gemaakt van de reeds bestaande bebouwing welke tevens niet wordt uitgebreid. De afstanden van de bebouwing ten opzichte van de omliggende risicovolle inrichtingen en transportroutes blijven dus gelijk aan de huidige situatie. Het is hierbij tevens van belang om te kijken of de functie binnen de bestaande bebouwing wijzigt. Op de planlocatie zijn in de huidige situatie een bedrijfswoning, akkerbouwloods, caravanstalling en varkenshouderij aanwezig. De akkerbouwloods wordt gebruikt door de bewoners van de bedrijfswoning. Dit wijzigt ten opzichte van de huidige situatie niet. Ten behoeve van de varkenshouderij en de caravanstalling wordt ook door derden gebruik gemaakt van de locatie. In het kader van het aspect externe veiligheid dient te worden gekeken of de personendichtheid op de locatie in de beoogde situatie toeneemt. In de beoogde situatie is de varkenshouderij beëindigd en wordt in een deel van de caravanstalling een bedrijvenhotel gerealiseerd. Het aantal werkzame personen op het varkensbedrijf was groter dan het aantal personen dat gebruik zal maken van het bedrijvenhotel. Per saldo zal het aantal aanwezige personen op het perceel in de beoogde situatie dus afnemen.

Omdat er minder personen tegelijkertijd op de locatie aanwezig zijn, neemt het groepsrisico in ieder geval niet toe. Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicovolle inrichtingen gelegen. •

Op de locatie Taylorweg 5 zijn koelinstallaties (ammoniak) aanwezig. In het bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding opgenomen ten aanzien van externe veiligheid. Uitsluitend binnen deze zone mogen bedrijven met een extern veiligheidsrisico worden gevestigd. In dit geval is sprake van een bestaande bedrijfslocatie waar het aantal aanwezige personen niet toeneemt. Deze inrichting vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

•

Op de locatie Den Dubbelen 3 is een vriesinstallatie (ammoniak) aanwezig. Tussen deze inrichting en het plangebied zijn verschillende burgerwoningen aanwezig. Binnen het plangebied is reeds een bestaande bedrijfswoning aanwezig en neemt de personendichtheid af. Deze inrichting vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

•

Op de locatie Rooseveltlaan 2 worden gasflessen opgeslagen en ligt op een afstand van circa 940 meter van het plangebied. De veiligheidsafstand (PR-contour) welke dient te worden aangehouden bedraagt 50 meter. De inrichting betreft geen BEVIinrichting waardoor geen GR-contour geldt. De inrichting vormt geen belemmering.

Buisleidingen Ten zuidwesten van het plangebied is op een afstand van circa 940 meter een buisleiding gelegen. Ten aanzien van deze buisleiding dient aan beide zijden van de leiding een veiligheidsafstand van 5 meter te worden aangehouden.

34

Ten noordoosten is op een afstand van 650 meter tevens een buisleiding gelegen. Ten aanzien van deze buisleiding dient aan beide zijden van de leiding een veiligheidsafstand van 4 meter te worden aangehouden. Gezien de grote afstanden tussen de buisleidingen en het plangebied zijn geen belemmeringen te verwachten. Transportroutes gevaarlijke stoffen • Transport over wegen Op een afstand van circa 161 meter ten noorden van het plangebied is de A50 gelegen. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Ten aanzien van deze transport geldt een PR-contour (plaatsgebonden risico) van 0 meter. Over de A50 worden onder andere GF3 en LT2 stoffen vervoerd, waardoor sprake is van een GRcontour (groepsrisico) van 880 meter. Het plangebied is dus binnen het invloedsgebied gelegen. Omdat het plangebied binnen 200 meter vanaf de transportroute ligt, dient er volgens art. 8 van het Bevt een volledige verantwoording van het groepsrisico te worden afgelegd. De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt. De vuistregels van de handleiding risicoanalyse transport (HART) kunnen worden gebruikt om te bepalen of een risicoberekening noodzakelijk is. Toetsing groepsrisico 1.

Bij toetsing van de oriëntatiewaarde is vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Over deze weg worden deze stoffen niet vervoerd. 2. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-4 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-5 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Dit is inderdaad minder. Bij de toetsing 10% van de oriëntatiewaarde zijn dezelfde eisen van toepassing dus ook daar is het aantal GF3 minder. Op basis van bovenstaande vuistregels van het HART hoeft er geen risicoberekening te worden gemaakt. Dit betekent dat er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de scenario’s toxisch en BLEVE. • Transport over water In de omgeving zijn geen waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit vormt dan ook geen belemmering. • Transport over spoor In de omgeving zijn geen spoorwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit vormt dan ook geen belemmering. Verantwoording groepsrisico

35

Vanwege de ligging van de planlocatie in een omgeving met verschillende risicovolle inrichtingen en transportwegen, wordt hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico weergegeven. Het is namelijk altijd mogelijk dat er in de omgeving een ramp voordoet. Daarom is hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico weergegeven. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen nietof verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: • goed te alarmeren is; • goed te schuilen is; • goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven.

Schuilen voor een toxische wolk 36

is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen, een buisleiding en transportroute zijn gelegen. Het plangebied is niet binnen de PR-contouren gelegen, maar is wel binnen het invloedsgebied van een aantal inrichtingen gelegen. Gezien de personendichtheid in de beoogde situatie afneemt, zijn er in het kader van de externe veiligheid geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.12

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.12.1

Mobiliteit Om te bepalen of het aspect mobiliteit een belemmering vormt is gekeken naar de verkeersaantrekkende werking. Hiervoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie (381) ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen.’ (december 2018). De huidige en beoogde situatie zijn hierbij met elkaar vergeleken. In de huidige situatie vinden er onder andere verkeersbewegingen plaats ten behoeve van aan- en afvoer van dieren, mest en voer, ophalen en stallen van caravans en woonen werkverkeer. In de beoogde situatie blijven de woning, akkerbouwloods en caravanstalling behouden, waardoor er ten aanzien van die functies geen wijzigingen plaatsvinden. Wel heeft het beëindigen van de varkenshouderij en het realiseren van een bedrijvenhotel invloed op het aantal verkeersbewegingen. Varkenshouderij Voor varkenshouderijen (arbeidsintensief/bezoekersextensief) wordt uitgegaan van gemiddeld 10 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. De varkensstal heeft een oppervlakte van 983 m2. Dit zou betekenen dat er ten behoeve van de varkenshouderij 98,3 verkeerbewegingen per dag zijn benodigd. Bedrijvenhotel Gezien het bedrijvenhotel ruimte biedt voor maximaal 5 kleinschalige bedrijven, wordt er per dag door maximaal 5 personen gebruik gemaakt van het bedrijvenhotel.

Dit betekent dat er per persoon twee verkeersbewegingen benodigd zijn, wat in totaal neerkomt op (5x2=) 10 verkeersbewegingen per dag.

37

In de feitelijk situatie vinden er geen 98,3 verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de varkenshouderij, maar is het aantal wel een stuk hoger dan de verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijvenhotel. In de beoogde situatie zal de verkeersgeneratie dus aanzienlijk afnemen. De huidige infrastructuur is in de huidige situatie in staat om de verkeersgeneratie van en naar het plangebied zonder problemen te verwerken, waardoor dit in de beoogde situatie met minder verkeersbewegingen tevens geen belemmeringen oplevert.

4.12.2

Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dient te geschieden op eigen terrein. Daarnaast zijn er in de Nota parkeernormen opgenomen voor verschillende functies. Er dient aan deze normen te worden voldaan om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Ter plaatse van het plangebied dient er parkeergelegenheid te zijn voor de aanwezig functies: bedrijfswoning, akkerbouwloods, caravanstalling en bedrijvenhotel. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied wordt uitgegaan van 2,4 benodigde parkeerplaatsen. Ten aanzien van de akkerbouwloods zijn geen extra parkeerplaatsen benodigd, gezien de werkzaamheden worden uitgevoerd door de bewoners van de woning. Voor de caravanstalling zijn tevens geen parkeerplaatsen benodigd. De caravans worden enkel gebracht en gehaald, waardoor parkeerplaatsen overbodig zijn. Het bedrijvenhotel kan worden gezien als een bedrijfsverzamelgebouw. Dit betreft een mix van kantoren en bedrijven. Voor bedrijfsverzamelgebouwen wordt in de Nota uitgegaan van 2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In dit geval heeft het bedrijvenhotel een oppervlakte van maximaal 500 m2. Dit betekent dat er conform de Nota (5*2=) 10 parkeerplaatsen zijn benodigd. In totaal zijn er ter plaatse (2,4+10=) afgerond 13 parkeerplaatsen nodig om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Achter de woning is voldoende ruimte om te voorzien in 3 parkeerplaatsen en daarnaast kunnen er ten zuiden van het bedrijfsgebouw 10 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De situering van de parkeerplaatsen is weergegeven op de landschappelijke inpassing welke is bijgevoegd in de bijlage. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde 13 parkeerplaatsen. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

4.13

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen voor de gezondheid zoals bij omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op veehouderijen werken. Mensen kunnen namelijk ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen. Voorbeelden van dit soort ziekteverwekkers zijn Q-koorts en salmonella, maar ook fijnstof en endotoxinen kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen.

38

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met diverse agrarische bebouwing naar een burgerwoning met caravanstalling en een bedrijvenhotel. De bestaande loods blijft behouden ten behoeve van de stalling van machines en materieel ten behoeve van de bewerking van de omliggende agrarische gronden. Er is in beide gevallen sprake van een gevoelig object (de woning) met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.

4.14

Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met diverse agrarische bebouwing naar een burgerwoning met caravanstalling en een bedrijvenhotel. De bestaande loods blijft behouden ten behoeve van de stalling van machines en materieel ten behoeve van de bewerking van de omliggende agrarische gronden. Er in beide gevallen sprake van een gevoelig object (de woning) met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert er niets aan de situatie.

Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt.

39

HOOFDSTUK

5 Juridische planopzet

De gewenste ontwikkeling van de sanering van de varkenshouderij en de realisatie van een kleinschalig bedrijvenhotel in bestaande bebouwing ter plaatse van de Boterpad 1 te Veghel is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 22 oktober 2015). Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, is de gewenste situatie niet direct toegestaan. Om het initiatief mogelijk te maken loopt onderhavige locatie meer in een gemeentelijk veegplan. Middels onderhavige onderbouwing is aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De planregels en verbeelding worden door de gemeente verzorgd en vormen het juridische kader.

40

HOOFDSTUK

6 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Voor het plan is geen sprake van een aangewezen bouwplan en hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden. Bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan bestaat het risico op planschade. Door middel van een planschadeverhaalsovereenkomst kunnen eventueel toe te kennen verzoeken om planschade worden verhaald op de initiatiefnemer.

41

HOOFDSTUK

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Uit de gevoerde omgevingsdialoog (Bijlage IV) blijkt dat er draagvlak is voor de gewenste ontwikkeling. Het voorontwerp-bestemmingsplan waarvan onderhavige ontwikkeling deel uitmaakt, is ter vooroverlegreactie voorgelegd aan de provincie. In de vooroverlegreactie is aangegeven dat meer duiding/inkadering van het soort toegestane bedrijven wenselijk is. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie is de toelichting waar nodig aangevuld. De ruimtelijke onderbouwing ‘Boterpad 1 te Veghel’ is onderdeel van een veegplan welke ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

42

HOOFDSTUK

8 Conclusie

De gewenste herbestemming naar ‘Bedrijf’ ter plaatse van Boterpad 1 te Veghel is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ zijn geen mogelijkheden opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Ter plaatse van het plangebied is de bedrijfsbebouwing reeds aanwezig en er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht maar vindt enkel sloop plaats, waardoor het voornemen ruimtelijk-functioneel in de omgeving past. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.

43

BOTERPAD 1 EERDE LANDSCHAPPELIJKE INPASSING 28 ARPIL 2021

COLOFON

INHOUDSOPGAVE

Titel document:

1 Inleiding

Boterpad 1 Eerde Datum: 28 april 2021 Status:

Inrichtingsvoorstel Formaat:

Enkelzijdig liggend A4

Locatie: Boterpad 1 Eerde

1.1 1.2 1.3

Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch T: 06-26949922 M: info@VanDoorenLandschap.nl

Reland Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen T: 085-0431949 M: info@Reland.nl www.Reland.nl

2

3 3 3 3

2 Landschap

4 4 4 5 6 7

3 Kaders en wensen

8 8 8

4 Inrichtingsvoorstel

8 8 10

BIJLAGE I Landschapsplan BIJLAGE II Beplantingsplan

11

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

3.1 3.2

4.1 4.2

Auteur/Adviseur

Aanleiding Locatie Leeswijzer

Inleiding Huidige situatie Analyse bestaand erf Historie landschap Gemeentelijke visie

Kaders Wensen

Landschappelijke inpassing Beplanting

12

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer is woonachtig en eigenaar van de varkenshouderij op de locatie aan Boterpad 1 te Eerde. Ter plaatse is een varkensstal, mestsilo, caravanstalling, loods en bedrijfswoning aanwezig. Met het openstellen van de Saneringsregeling Varkenshouderij is de keuze gevallen op het beëindigen van de varkenshouderij. Na de beëindiging van de varkenshouderij zullen de bijbehorende varkensstallen worden gesaneerd. Men wil de caravanstalling op locatie behouden en in een deel van de caravanstalling een bedrijvenhotel, voor de vestiging van 3 tot 5 kleinschalige ambachtelijke bedrijven, realiseren. De bestaande loods achter de woning blijft behouden ten behoeve van de bewerking van de omliggende agrarische gronden.

1.3

Leeswijzer

De aanleiding en huidige situatie is in hoofdstuk 1 beschreven. Hoofdstuk 2 biedt inzicht in de huidige situatie, de huidige landschappelijke kwaliteiten en kansen van het plangebied en omgeving. Daarnaast wordt de visie van de gemeente op het landelijk gebied beschreven en gekeken hoe de huidige situatie zich hiertoe verhoud. In hoofdstuk 3 biedt inzichtin de kaders en wensen tav de planvorming. Hoofdstuk 4 bechrijft de landschappelijke inrichting. Deze wordt ondersteund met een beplantingsen beheerplan voor de nieuwe elementen.

Conform het vigerende bestemmingsplan is het planvoornemen niet rechtstreeks toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad heeft besloten dat er onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan de herontwikkeling van de locatie aan Boterpad 1 te Eerde. Om de wens mogelijk te maken dient een planologische procedure te worden doorlopen in de vorm van een wijziging van het geldende bestemmingsplan. Een onderdeel hiervan is de landschappelijke verantwoording van het perceel. In dit document wordt deze verantwoording toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.

1.2

Aanduiding plangebied in rood in zijn omgeving (bron Topotijdreis.nl)

Locatie

Het plangebied is in het buitengebied ten noordoosten van de kern Eerde en ten westen van de kern Veghel gelegen. Het plangebied is gelegen binnen het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Veghel, sectie R, perceelnummer 93. Beeld 1. De huidige bedrijfswoning

3

Boterpad 1 Eerde

Figuur 2. Beeld vanaf Boterpad op de schuren

2 Landschap 2.1

Inleiding

Om inzicht te krijgen in de lokale kwaliteiten en kansen van het plangebied is een analyse uitgewerkt op verschillende niveaus. De karakteristieke kwaliteiten en kansen worden verkregen uit een historische analyse. Door middel van een beleidsanalyse op het gebied van landschap is inzicht verkregen in de gewenste ontwikkelingen conform de gemeentelijke visie. 2.

Huidige situatie

5.

1

6.

4.

De huidige situatie van Boterpad 1 te Eerde is een agrarische bedrijfslocatie. Op het agrarische erf staat een bedrijfswoning, een loods achter de bedrijfswoning, 2 schuren, waarvan één in gebruik als caravanstalling en de ander voor het houden van varkens en een kleine terrasoverkapping in de achtertuin. Op het erf is functionele erfverharding aanwezig naast de woning en voor de schuren.

3.

2.2

De bedrijfswoning met tuin heeft een verzorgde uitstraling van inheemse beplanting met sierplantsoen. De haag aan de voor- en zijtuin bestaan uit beuken. Naast de inrit (ten noorden) staat een bomengroep met berken, beuken en moerascypres. Rondom de woning staan diverse bomen. Ten zuiden (zijtuin) van de woning staan twee grove dennen en in de achtertuin een Moerascypres. Achter het bijgebouw staat een eik. In de greppel met de buurman staan enkele elzen en een populier. Deze staan op grond van de buurman, maar groeien deels over de grond van de initiatiefnemer. 4

Boterpad 1 Eerde

Bo

te

rp

ad

1.

De Boterpad is een doodlopende straat door de aanleg van de A50. Vanaf de bedrijfswoning verloopt de weg als een zandpad naar achterliggende akkers. Voor de woning ligt een brede watersloot, welke een overstort vormt voor het dorp Eerde.

De H

orst

jens

Luchtfoto met aanduiding plangebied in paars (bron: Google.nl) Cijfers met pijltjes verwijzen naar de geschoten foto’s ter plaatse op januari 2021

Achter de woning en de loods ligt een weide voor diverse kleindieren. Enkele pony’s en kippen begrazen dit terrein. Vanuit de woning en vanaf de weg zijn deze elementen ervaar- en zichtbaar. De schuren liggen vrij in het landschap. De overige grond is in gebruik als akkerbouw.

2.3

Analyse bestaand erf

In hoofdstuk 2.2 is de huidige situatie beschreven. In dit hoofdstuk zijn de bestaande kwaliteiten en kansen beschreven van de bestaande situatie. De gekozen beplanting in de tuin rondom de woning zijn aan de randen veelal inheems (beukenhagen, grove den, eik, berken en beukenboom). De moerascypres is weliswaar niet inheems, maar van dermate grootte dat deze een imposante verschijning vormen en in combinatie met de overige beplanting een meerwaarde vormen voor de plek.

Beeld 3. bossingel voor de schuren

Beeld 4. Zicht op achtertuin en achterland vanuit de woning

Beeld 5. Zicht op bedrijfswoning

Beeld 6. Zicht op zijtuin bedrijfswoning met grove den en beukenhaag

De elzen in de greppel direct naast de grens vormen in combinatie met de bestaande beplanting een mooi half transparant geheel met de woning. De woning ligt in een open landschap, maar subtiel in een groen kader. De schuren liggen aan het Boterpad verscholen achter de bossingel. De noord-oost zijde ligt kaal in het landschap Hier behoeft wat aandacht voor een groen kader/omzoming.

5

Boterpad 1 Eerde

2.4

Historie landschap

De locatie ligt in het landschapstype van een hogere dekzandrug. De brede dekzandrug loopt parallel aan het lager gelegen beekdal van de Aa De hogere gronden nabij beekdalen waren van oudsher gunstige vestigingsplaatsen. Over de dekzandrug liep een verbindingsroute van Veghel via Schijndel naar ‘s-Hertogenbosch. Hier vestigde diverse agrarische bedrijven zich en ontstonden er gehuchten en dorpen. Aan de ‘Dr. Dalen straat’ (huidige De Horstjens) ontstond een lintbebouwing met diverse agrarische bedrijven. De achterliggende gronden waren gemeenschappelijke akkers. De akkers waren omgeven door houtsingels, -wallen en struweelhagen. De zandwegen werden begeleid door laanbomen. De erven waren beplant met diverse kleinschalige landschapselementen, zoals struweelhagen, kniphagen, boomgaarden en diverse landschapsbomen.

Plangebied historische kaart 1900, plangebied in rood (bron PDOK)

Plangebied historische kaart 1968, plangebied in rood (bron PDOK)

Sinds de ruilverkaveling (medio jaren zestig van de vorige eeuw) heeft een schaalvergroting plaatsgevonden. De waterlopen zijn gekanaliseerd en veel groenstructuren zijn verdwenen. In de jaren 90 is de A50 aangelegd, waardoor er een landschappelijke barrière is ontstaan ten oosten van het plangebied. Het huidige bedrijf grenst daarmee direct aan de A50.

Plangebied historische kaart 2017, plangebied in rood (bron PDOK)

6

Boterpad 1 Eerde

2.5

Gemeentelijke visie

Diverse beleidsstukken van de gemeente Meierijstad hebben invloed op de uiteindelijke inrichting van het plangebied. In deze paragraaf de belangrijkste gegevens uit de Structuurvisie. Structuurvisie Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. Binnen de structuurvisie is de Middegaal aangewezen als ‘Ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek’ en ‘Regionale open ruimtes / lokale open ruimtes’. ‘Ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek’ In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het Veghels mozaïek. De kwaliteit van het Veghels mozaïek ligt in het evenwicht tussen het landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het gebied vormt hiermee een duidelijke overgangszone tussen de kern Veghel en de overige delen van het buitengebied. Het uitbouwen van één van de afzonderlijke dragers behoort tot de mogelijkheden, maar altijd integraal en daarmee met oog voor het eerdergenoemde evenwicht tussen landschap en gebouwde functies.

‘Regionale open ruimtes / lokale open ruimtes’ Buiten de grote steden liggen de typische Brabantse mozaïeklandschappen bezaaid met grote en kleine dorpen, gehuchten, buurtschapjes, boerderijen, villa’s en boerderettes. Groene gebruikslandschappen vooral, met een hoge opnamecapaciteit. Maar ook landschappen waar

7

Boterpad 1 Eerde

open ruimte steeds schaarser begint te worden. Tussen de verschillende kernen en langs infrastructuur is sprake van regionale en lokale open ruimtes. De regionale open ruimtes zijn bedoeld om bandstad-achtige ontwikkelingen langs infrastructuur tegen te gaan. Stedelijke ontwikkeling is hier niet aan de orde. In de lokale open ruimtes moet de term openheid letterlijk worden genomen: geen bebouwing voor niet-gewenste functies en geen beplanting van enige omvang. De lokale open ruimtes zijn 36 vooral bedoeld om bijvoorbeeld Mariaheide, Eerde, Zijtaart, Keldonk en Erp als losse kernen te blijven ervaren.

3

Op regionaal niveau wordt ingezet op het instandhouden van goed leven in Veghel open ruimten tussen de kernen, zodat de afzonderlijke Woningbouwlocaties: kern Veghel (in ontwikkeling of vastgesteld identiteiten herkenbaar blijven. Voor Eerde gaat het daarbij / kerkdorpen (voldoende speelruimte tot 2030) om het handhavenplan)van de open ruimte tussen Veghel, Strategische ontwikkellocaties kern Veghel (nadere afspraken respectievelijk Schijndel. zou moeten gebeuren door maken overDat invulling, aantallen en woningtypen) / ‘Reservelocaties’ kerkdorpen (eventueel tot 2030)met rondom Eerde nieuwe groene functies te aanvullend realiseren, Voorzieningen in de veel Eerdse mogelijk behouden name bij de afslag van de A50 enkerkdorpen tussenzode Baan en basisschool, dorpshuis, kinderopvang de spoorlijn. Voorzieningen in de wijkcentra zo veel mogelijk behouden supermarkt, ruimte voor ontmoeting Ecologische verbindingszones overwegend gekoppeld aan belangrijke watergangen ‘Omleiding’ ecologische verbindingszone t.b.v. ‘zwakke schakels’ langs Zuid-Willemsvaart en Duits Lijntje Versterken continuïteit beekdal in kernen Veghel en Erp ruimte voor water en groen, verbeteren beleving van de Aa Versterken landschappelijke geleding tussen Zijtaart en bedrijventerreinen

goed leven in Veghel

Woningbouwlocaties: kern Veghel (in ontwikkeling of vastgesteld plan) / kerkdorpen (voldoende speelruimte tot 2030)

Regionale open ruimtes / lokale open ruimtes voorkomen bandstad-ontwikkeling / behoud openheid Mogelijke uitbreiding waterwingebied ten zuiden van Blankens Kerkhof Regionaal waterbergingsgebied / reserveringsgebied waterberging Nieuwe fietsverbindingen realiseren t.p.v. ontbrekende schakels (niet hele netwerk afgebeeld) Aa & Leigraaf als groenblauwe ruggengraat water(berging), natuur, recreatie, landbouw Versterken groene ruggengraat door ontwikkelen samenhangend groengebied Veghel-noord Ontwikkelen afwisselend ‘buitenlandschap’

goed leven in Vegh

verbinden Maashorst & Groene W

Landschappelijk en eco groenblauwe stapstenen

Strategische ontwikkellocaties kern Veghel (nadere afspraken maken over invulling, aantallen en woningtypen) / ‘Reservelocaties’ kerkdorpen (eventueel aanvullend tot 2030)

Globale grens Veghels m overlap met andere gebi

Voorzieningen in de kerkdorpen zo veel mogelijk behouden basisschool, dorpshuis, kinderopvang

Ontwikkelen van een af clusters van wonen, werk

Voorzieningen in de wijkcentra zo veel mogelijk behouden supermarkt, ruimte voor ontmoeting Ecologische verbindingszones overwegend gekoppeld aan belangrijke watergangen

Ontwikkelen Duits Lijnt

versterken groenstructuu kunstdeels evz & cultu goed voorbee op locaties m

‘Omleiding’ ecologische verbindingszone t.b.v. ‘zwakke schakels’ langs Zuid-Willemsvaart en Duits Lijntje

goedVersterken levencontinuïteit in Veghel (vervolg) beekdal in kernen Veghel en Erp

huidige situatie

ruimte voor water en groen, verbeteren beleving van de Aa Versterken verbinden Maashorstlandschappelijke & Groene Woud geleding tussen Zijtaart en bedrijventerreinen Landschappelijk en ecologisch Uitbreiding bosareraal groenblauwe stapstenen langs Leijgraaf en Aa benutten Visiekaart uit ‘Structuurvisie gefaseerde ontwikkeling Veghel 2030’, plangebied paars omcirkeld Globale grens Veghels mozaïek Natuurkerngebieden overlap met andere gebieden mogelijk behouden en versterken groenblauwe kwaliteiten Ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek Cultuurhistorisch akkercomplexen clusters van wonen,waardevolle werken & recreatie in het landschap behoud openheid Ontwikkelen Duits Lijntje tot groene & ecologische drager Regionalegroenstructuur, open ruimtes /samenhang lokale openkern, ruimtes versterken fiets- & wandelroutes / voorkomen deels evz bandstad-ontwikkeling / behoud openheid Mogelijke uitbreiding waterwingebied ten zuiden van Blankens Kerkhof Regionaal waterbergingsgebied / reserveringsgebied

waterberging huidige situatie

Uitbreiding bosareraal gefaseerde ontwikkeling Natuurkerngebieden behouden en versterken groenblauwe kwaliteiten Cultuurhistorisch waardevolle akkercomplexen behoud openheid

3

0

Nieuwe fietsverbindingen realiseren t.p.v. ontbrekende schakels (niet hele netwerk afgebeeld) Centrumgebied Veghel Aa & Leigraaf als groenblauwe boodschappen, winkelen, cultuurruggengraat & uitgaan water(berging), natuur, recreatie, landbouw Grootschalige voorzieningen langs as Corridor - Udenseweg Versterken groene ruggengraat perifere detailhandel, middelbaar- en beroepsonderwijs door ontwikkelen samenhangend groengebied Veghel-noord 2 km Hoofdwegenstructuur Ontwikkelen afwisselend ‘buitenlandschap’ snelwegen, provinciale wegen & lokale wegen landbouw, wonen, werken, recreatie & landschap Hoofdwaterstructuur transport Ontwikkelen agrarisch Zuid-Willemsvaart, zijtaklandschap Veghel enz.(noordflank Veghel) aansluiten op landschap rond Heeswijk-Dinther Hoofdwaterstructuur afwatering Aa, Leijgraaf enz. Woongebieden (kernen & linten) met dorpse kwaliteiten Bestaande bedrijventerreinen cat. 3/4/5, cat. 2/3/4 (soms met ontheffing), cat. 2/3, watergebonden Wijk- en dorpsvoorzieningen basisonderwijs, zorg, detailhandel enz. Sportvoorzieningen prins Willem-Alexander sportpark & dorpen Wijk- & buurtgroen kern Veghel

Centrumgebied Veghel -> dagelijkse voo boodschappen, winkelen Eén van de m Grootschalige voorzien perifere detailhandel, mid om op het ge Hoofdwegenstructuur provinciale w is snelwegen, het invester Hoofdwaterstructuur tr kerkdorpen is Zuid-Willemsvaart, zijtak af deHoofdwaterstructuur vorm van e Aa, Leijgraaf enz. Woongebieden (kernen nele accomm met dorpse kwaliteiten bijdrage aan d Bestaande bedrijventer cat. 3/4/5, cat. 2/3/4 (som betrokkenheid Wijk- en dorpsvoorzieni basisonderwijs, eel nodigzorg, éndetam Sportvoorzieningen haven van ees prins Willem-Alexander Wijk& buurtgroen servicepunt bi kern Veghel ties zijnen natuur die ho Bos, park binnen de kernen & in he sen en ze bov en de sociale De Bunders in voor wat betr en een superm

-> bouwen met Bij het verster

3 Kaders en wensen

4 Inrichtingsvoorstel

3.1

Kaders

4.1

3.2

Wensen

Ten aanzien van de ruimtelijke inrichting zijn de volgende kaders relevant: • Behoud van open ruimte in het landschap; geen beplanting van enige omvang; • Bebouwde massa als een eenheid met landschap beschouwen. Versteken van het mozaïek-landschap. • Landschappelijke inpassing met streekeigen soorten; • Voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Conform parkeernormen is dit minimaal 5 stuks.

Ten aanzien van de ruimtelijke inrichting zijn de volgende wensen relevant: • Onderhoudsvriendelijke beplanting toepassen (niet meer hagen dan er nu al zijn); • Verharding ten noorden van de bestaande schuur, om de toegang tot halverwege de schuur te kunnen benaderen; breedte maximaal 6m; Daar waar de schuur en mestsilo wordt gesloopt, • wordt de overige grond in gebruik genomen als bouwland.

Landschappelijke inpassing

In de nieuwe situatie blijft de bedrijfswoning, loods achter de woning en de schuur voor caravanstalling gehandhaafd. Twee van de drie inritten blijven verhard. Achter de woning is voldoende ruimte voor 5 parkeerplaatsen. De tweede bestaande inrit biedt toegang tot de bestaande schuur. de voorzijde van de schuur wordt gebruikt voor bedrijfsopslag. Er ligt verharding voor de schuur om erin te rijden en te kunnen keren. Naast de schuur ligt verharding (maximaal 6m breed) om de statische opslag te ontsluiten aan de achterzijde van de schuur. De ingang tot de statitische opslag zit aan de lange noordzijde van de bestaande schuur. De derde bestaande inrit wordt het toegangspad voor het bouwland. Verharding wordt daar verwijderd. De tuin is omzoomd door een bestaand beukenhaag. Op één punt wordt een gat in de haag geheeld. De bestaande grove den en eiken vormen landschappelijk een meerwaarde en blijven gehandhaafd.

Referentie Alnus glutinosa in een rij

Achter de tuin ligt een dierenweide. Deze blijft gehandhaafd en vormt een bijdrage als kleinschalig cultuurlandschap. Tevens waarborgt deze plek de openheid op het achterliggend landschap vanuit de woning als vanaf het Boterpad. De bossingel blijft gehandhaafd met minimaal de inheemse beplanting. De moerascypressen mogen blijven staan. Ten noorden van de singel, aan de andere zijde van de inrit, wordt het eind van het erf gemarkeerd door een solitaire boom. Dit eind van het erf wordt bekrachtigd door het doorzetten van de bestaande beukenhaag tot het einde van het erf. Vanaf het Boterpad is daarmee een duidelijke afronding van het erf zicht- en merkbaar. Referentie Tilia vulgaris

8

Boterpad 1 Eerde

De bestaande schuur wordt afgeschermd door een bomenrij. De rij bestaat uit elzen, de soort die op diverse plekken in het omringde landschap voorkomt. Daarmee vormt het een harmonische samenhang met zijn omgeving.

Landschappelijk ontwerp (maatvaste ondergrond, zie Bijlage I)

9

Boterpad 1 Eerde

4.2

Beplanting

Ten aanzien van de beplanting voor de landschappelijke inpassing worden de volgende soorten gebruikt:

Haag laag: 22m Aanplant • Voortuin aanplanten met groene beuk (Fagus sylvatica) minimaal 80/100 (2- of 3 jarig bosplantsoen). Deze in één rij aanplanten met minimaal 5 planten per meter (110 stuks). Beheer • De haag 2x per jaar scheren tot een minimale hoogte van 0,7 en maximale hoogte van 1,2m; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart; • Maaisel afvoeren. Landschapsboom 10 stuks Aanplant Boom planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). Onderstaand assortiment toepassen op voorgestelde locatie. Code refereert naar code op beplantingsplan: Tv - 1 st Hollandse linde (Tilia vulgaris) 16-18 • Ag - 9 st Zwarte els (Alnus glutinosa) 14-16 • • Beheer • Zieke en beschadigde takken verwijderen en afvoeren. • Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart; • Bij versnipperen van het takhout worden de snippers niet in het element verwerkt. •

10

Boterpad 1 Eerde

Beplantingsplan (maatvaste ondergrond, zie Bijlage II)

BIJLAGE I Landschapsplan

11

Boterpad 1 Eerde

BIJLAGE II Beplantingsplan

12

Boterpad 1 Eerde

5.1 Beschrijving locatie Deze locatie betreft één gebouw. Het adres is Boterpad 1, 5466 RH Veghel.

Figuur 3. Locatie 2, Boterpad 1, Veghel. De nummering van het gebouw komt overeen met Tabel 2. De planlocatie bestaat uit één operationele stal. De andere aanwezige stal wordt gebruikt als stalling voor caravans.

Ecologische quickscan 33 varkenshouderijen gemeente Meijerijstad

RA20204-16

27

Figuur 4. Impressie stal.

5.2 Uitgevoerd onderzoek De locatie is op 3 juni 2020 bezocht door ecoloog Dennis van Hooren. Voor een beschrijving van de werkwijze zie Hoofdstuk 2.

5.3 Resultaten 5.3.1 Beschermde gebieden Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-

. Dit gebied ligt op een

afstand van 15 kilometer van het plangebied. NNB Het plangebied ligt op 200 meter afstand van het NNB. Zie Bijlage 4, locatie 2, voor een plattegrond.

Ecologische quickscan 33 varkenshouderijen gemeente Meijerijstad

RA20204-16

28

5.3.2 Beschermde soorten Gegevens NDFF In de uit de NDFF geselecteerde informatie zijn voor deze locatie geen gegevens aanwezig. Beschermde soorten quickscan Van de soorten waar het onderzoek op gericht was werd de aanwezigheid van boerenzwaluw nestelend vastgesteld (zie Tabel 2). Het gaat naar schatting om vier nesten. Tabel 2. Resultaat beschermde soorten quickscan. De nummering van de gebouwen komt overeen met Figuur 3. n = niet aanwezig, m = mogelijk aanwezig.

Gebouw

ooievaar

torenvalk

kerkuil

steenuil

huismus

gierzwaluw

boerenzwaluw

huiszwaluw

steenmarter

vleermuizen

gebouw 1

n

n

n

n

n

n

j

n

n

n

Algemene broedvogels Aanwezigheid van algemene broedvogels kan niet worden uitgesloten. Direct rond de gebouwen zijn enkele bomen aanwezig waarin vogels als vink en merel kunnen broeden. Overige beschermde soorten Naast de in Tabel 2 vermelde en hiervoor besproken soort(groep)en werden er geen andere beschermde soorten, sporen ervan of andere aanwijzingen voor hun aanwezigheid op de planlocatie waargenomen. Ook werden er geen omstandigheden aangetroffen waarvan te verwachten is dat ze geschikt zijn als leefgebied voor andere beschermde soorten.

5.4 Effectbeoordeling en toetsing 5.4.1 Natura 2000 gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kampina & Oisterwijkse Vennen . Dit gebied ligt op een afstand van 15 km van het plangebied. Door deze afstand zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op dit Natura 2000-gebied uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verdroging. Afhankelijk van de in te zetten machines bij sloop en het afvoeren van het sloopmateriaal kan de ingreep mogelijk wel leiden tot een verhoging van de stikstofdepositie op deze of andere N2000-gebieden. Dit kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden is op basis van de nu beschikbare informatie niet uit te sluiten.

5.4.2 Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt buiten het NNB, op een afstand van 200 m ervan. In de Provincie Noord-Brabant geldt dat ook de externe werking van ingrepen getoetst moet worden als een negatief effect op de wezenlijke waarde en kenmerken te verwachten is. Gelet op de afstand van de planlocatie tot het NNB en de Ecologische quickscan 33 varkenshouderijen gemeente Meijerijstad

RA20204-16

29

aanwezigheid van een snelweg tussen de planlocatie en het NNB is een negatief effect op het NNB echter redelijkerwijs uit te sluiten. Toetsing aan de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB is niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=04a89d6a-6a9f-4363-b2c9-4b5c1339b1a1