CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Boterpad 1 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'18.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing ‘Boterpad 1 Veghel’ Gemeente Meierijstad

1

Colofon Ruimtelijke onderbouwing: Boterpad 1 Veghel Rapportnummer: 2020.0801 Status: Ontwerp Datum: 10 maart 2022 Projectlocatie Boterpad 1 5466 RH Veghel Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. J.H.C. Roosenboom Senior Adviseur 06 - 8997 0794 jack@reland.nl

© maart 2022 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5

1.3

Vigerende bestemmingsplannen ............................................................................................. 6

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ............................................................................................................ 8 2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................... 8

2.2

Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................... 8

2.3

Landschappelijke inpassing .................................................................................................... 9

HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 11 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 11

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 11

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 12

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 12

3.2

Provinciaal beleid.................................................................................................................. 13

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant ........................................................................................ 13

3.2.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant .................................................... 13

3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 15

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 18

3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030 ........................................................................................... 18

3.3.2

Afwegingsschema Meierijstad ...................................................................................... 19

3.3.3

Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) ................................................................. 21

3.3.4

Omgevingsdialoog ............................................................................................................ 23

HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording.................................................. 24 4.1

M.e.r.-beoordeling................................................................................................................. 24

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 24

4.3

Flora en Fauna ..................................................................................................................... 25

4.3.1

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 25

4.3.2

Soortenbescherming..................................................................................................... 26

4.4 4.4.1

Waterparagraaf ..................................................................................................................... 26 Beleidskader ..................................................................................................................... 27

4.5

Bodem .................................................................................................................................. 28

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 28

4.7

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 29 3

4.8

Geurhinder ............................................................................................................................ 29

4.9

Akoestiek .............................................................................................................................. 30

4.10

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 30

4.11

Externe veiligheid ................................................................................................................. 31

4.12

Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 37

4.12.1

Mobiliteit ........................................................................................................................ 37

4.12.2

Parkeren ....................................................................................................................... 38

4.13

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ....................................................................... 38

4.14

Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 39

HOOFDSTUK 5 Juridische planopzet ................................................................................................... 40 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 41 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 42 HOOFDSTUK 8 Conclusie .................................................................................................................... 43

BIJLAGEN Bijlage I

Landschappelijke inpassing

Bijlage II

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage III

Aerius-berekening

Bijlage IV

Omgevingsdialoog

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemer is woonachtig en eigenaar van de varkenshouderij op de locatie aan Boterpad 1 te Veghel. Ter plaatse is een varkensstal, mestsilo, caravanstalling, loods en bedrijfswoning aanwezig. Met het oog op de toekomst is de initiatiefnemer zich gaan oriënteren op een mogelijke (her)ontwikkeling van de bedrijfslocatie. Gezien de strengere regels vanuit de provincie Noord-Brabant ten aanzien van het versneld emissiearm maken van veehouderijbedrijven stond de initiatiefnemer voor de keuze om de varkensstallen te moderniseren of om de varkenshouderij te beëindigen. Met het openstellen van de Saneringsregeling Varkenshouderij is de keuze gevallen op het beëindigen van de varkenshouderij. Na de beëindiging van de varkenshouderij zullen de bijbehorende varkensstallen worden gesaneerd. Gezien de varkens in dat geval geen inkomstenbron meer betreffen bestaat de wens om de caravanstalling te kunnen behouden. Daarnaast bestaat het voornemen om in een deel van de caravanstalling een bedrijvenhotel voor de vestiging van 3 tot 5 kleinschalige ambachtelijke bedrijven te realiseren. De bestaande loods blijft behouden ten behoeve van de stalling van machines en materieel ten behoeve van de bewerking van de omliggende agrarische gronden. Conform het vigerende bestemmingsplan is het planvoornemen niet rechtstreeks toegestaan.

De wens is door VABImpuls middels een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Meierijstad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft besloten dat er onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan de herontwikkeling van de locatie aan Boterpad 1 te Veghel. Om de wens mogelijk te maken dient een planologische procedure te worden doorlopen in de vorm van een herziening van het geldende bestemmingsplan. De gemeente Meierijstad werkt met zogenaamde veegplannen. Dit bestemmingsplan is onderdeel van een veegplan. Onderhavig document betreft de toelichting behorende bij dit nieuwe bestemmingsplan. In deze toelichting wordt de ontwikkeling beschreven en onderbouwd.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is in het buitengebied ten noordoosten van de kern Eerde en ten westen van de kern Veghel/bedrijventerrein Den Dubbelen gelegen. Het plangebied is gelegen binnen het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Veghel, sectie R, perceelnummer 93 (figuur 1). Boterpad betreft een doodlopende weg, waarbij onderhavige bedrijfslocatie de laatste bebouwing aan deze weg betreft. In de omgeving zijn voornamelijk burgerwoningen met daarnaast tevens (agrarische) bedrijvigheid en landbouwgronden. De omgeving kenmerkt zich door een halfopen agrarisch landschap met een redelijk grootschalige verkaveling en jonge bebouwing.

5

Figuur 1 Luchtfoto met plangebied uitgelicht

1.3

Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende bestemmingsplannen geldend: - ‘Buitengebied’ zoals vastgesteld op 22 oktober 2015 - ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ zoals vastgesteld op 31 januari 2019 - ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ zoals vastgesteld op 27 januari 2021 Het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ stelt dat bij ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein aanwezig dient te zijn conform de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018'. In hoofdstuk 5 wordt de ontwikkeling hier dan ook aan getoetst. Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ heeft geen nadere invloed op onderhavige ontwikkeling. Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het bouwvlak betreft het rode kader zoals aangegeven in figuur 2. Ten slotte zijn er een aantal gebiedsaanduidingen van toepassing: • ‘kleinschalig cultuurlandschap’ • ‘toerisme’ • ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ • ‘vrijwaringszone – radar’

6

Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplan met plangebied uitgelicht

Het planvoornemen is om de aanwezige varkensstal te slopen en de bestemming ten behoeve van de gewenste bedrijfsactiviteiten in de te behouden bebouwing om te zetten naar een bedrijfsbestemming. Deze ontwikkeling past niet rechtstreeks binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Om het planvoornemen mogelijk te maken dient de agrarische bestemming te worden omgezet naar een bedrijfsbestemming. In artikel 4.8.10 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de huidige agrarische bestemming te wijzigen naar ‘Bedrijf’. Eén van de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid is dat de wijziging naar een niet-agrarische functie uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'dorpslandschap', 'toerisme', 'dagrecreatie', 'beekdalontwikkeling', 'landschapsbouw', 'bos' en 'landbouw'. Geen van deze aanduidingen is van toepassing op het plangebied, waardoor er geen gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De ontwikkeling wordt opgenomen in het ‘Ontwikkelplan sanering varkenshouderij’. Dit bestemmingsplan voorziet in het aanpassen van de bestemmingen voor verschillende locaties in de gemeente waar varkenshouderijen worden beëindigd door deelname aan de saneringsregeling.

7

HOOFDSTUK 2.1

2 Planbeschrijving

Huidige situatie Op de locatie is in de huidige situatie verschillende bebouwing aanwezig. Zo zijn er een varkensstal, mestsilo, caravanstalling, akkerbouwloods en bedrijfswoning aanwezig. Deze bebouwing is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3 Luchtfoto met huidige situatie plangebied

Naast bebouwing is verharding aanwezig om de bedrijfsbebouwing te bereiken. Zowel de woning, als de caravanstalling en varkensstal hebben een eigen inrit. De akkerbouwloods is te bereiken via dezelfde inrit als voor de woning. De ruimte rondom de woning is ingericht als privétuin. De omliggende gronden zijn in gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling Het voorgenomen initiatief betreft het beëindigen en saneren van de varkenshouderij met bijbehorende mestsilo, het behouden van de caravanstalling en het mogelijk maken van een bedrijvenhotel in een deel van de caravanstalling voor ambachtelijke bedrijven tot milieucategorie 2. De ambachtelijke bedrijven betreffen bedrijven waarbij het accent ligt op het in handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsmede het verkopen en/of leveren van goederen, die verband houden met het ambacht als niet-zelfstandig onderdeel van de onderneming. Voorbeelden van bedrijven die zich in het bedrijfsverzamelgebouw kunnen vestigen zijn veelal aan de bouwsector gerelateerde bedrijven (zoals schilders, stukadoors, stratenmakers e.d). In deze branches zijn veel kleine bedrijven, waarbij gelet op de aard van de bedrijvigheid vooral behoefte is aan opslagruimte, waarbij de werkzaamheden hoofdzakelijk op locatie plaatsvinden. De omvang van de ruimtebehoefte is bij dit soort 8

bedrijven vaak net te groot voor een bedrijf aan huis en weer te klein voor het huren van een ‘eigen’ bedrijfspand op een bedrijventerrein. Naast de bovengenoemde categorie bedrijven zouden ook kleinschalige productiebedrijven op deze plaats voorstelbaar zijn, hierbij kan worden gedacht aan een meubelstoffeerder of een atelier voor een kunstschilder, pottenbakker of kleermaker. In de beoogde situatie zullen de varkensstal van circa 975 m2 en mestsilo van 134 m2 worden verwijderd. De akkerbouwloods en caravanstalling blijven in het geheel behouden. In de caravanstalling wordt tevens een bedrijvenhotel mogelijk gemaakt. De caravanstalling zal een oppervlakte van circa 400 m 2 hebben. Het bedrijvenhotel beslaat een oppervlakte van circa 500 m2, waarbij de oppervlakte per bedrijf maximaal 250 m2 mag bedragen. De bedrijfswoning blijft als bedrijfswoning bij het nieuwe bedrijf behouden. De gronden ter plaatse van de te slopen bebouwing wordt ingezet als agrarische grond. In figuur 4 is de beoogde situatie indicatief weergegeven.

Figuur 4 Indicatie beoogde situatie plangebied

2.3

Landschappelijke inpassing Ten aanzien van de nieuwe situatie wordt de locatie landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing is in figuur 5 weergegeven en tevens bijgevoegd als separate bijlage. In de nieuwe situatie blijven de bedrijfswoning, de loods achter de woning en de schuur (caravanstalling) gehandhaafd. Twee van de drie inritten blijven verhard. Achter de

9

woning is voldoende ruimte voor 5 parkeerplaatsen. De derde bestaande inrit wordt het toegangspad voor het bouwland en de verharding wordt daar verwijderd. De tuin is omzoomd door een bestaande beukenhaag. De bestaande grove den en eiken vormen landschappelijk een meerwaarde en blijven gehandhaafd. Achter de tuin ligt een dierenweide. Deze blijft gehandhaafd en vormt een bijdrage als kleinschalig cultuurlandschap. Tevens waarborgt deze plek de openheid op het achterliggend landschap zowel vanuit de woning als vanaf het Boterpad. De bossingel met de inheemse beplanting blijft gehandhaafd. De moerascypressen mogen blijven staan. Ten noorden van de singel, aan de andere zijde van de inrit, wordt het einde van het erf gemarkeerd door een solitaire boom. Dit einde van het erf wordt bekrachtigd door het doorzetten van de bestaande beukenhaag. Vanaf het Boterpad is daarmee een duidelijke afronding van het erf zicht- en merkbaar. De bestaande schuur wordt afgeschermd door een bomenrij. De rij bestaat uit elzen. Deze soort komt op diverse plekken in het omringde landschap voor. Daarmee vormt het perceel een harmonische samenhang met zijn omgeving.

Figuur 5 Landschappelijke inpassing nieuwe situatie Boterpad 1

10

HOOFDSTUK

3 Beleidstoets

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).

Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het besluitgebied is gelegen binnen een van de aanvullende doelen van deze Nationale Hoofdstructuur. Het besluitgebied is namelijk gelegen binnen het radar verstoringsgebied. Hierdoor gelden er aanvullende regels binnen het besluitgebied ten opzichte van ontwikkelingen. Conclusie Met onderhavige ontwikkeling dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. In dit geval wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, maar vindt de sloop van bestaande bebouwing plaats. Het gewenste bedrijvenhotel wordt gerealiseerd binnen de bestaande caravanstalling. Gezien het gegeven dat de overtollige bebouwing wordt gesaneerd en er gebruik wordt gemaakt van de huidige bebouwing, kan worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast is in dit geval sprake van een ontwikkeling welke kleinschalig is van aard, waardoor geen nationale belangen in het geding komen. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de SVIR.

11

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'jamits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De uitleg van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ luidt: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Voor ‘andere stedelijke ontwikkelingen’, als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro, in de vorm van een terrein is in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Bestaat de stedelijke ontwikkeling uit de realisatie van een nieuw gebouw, dan ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Er moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Hiervan is sprake als de ontwikkeling meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige

12

functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. In de jurisprudentie is bijvoorbeeld uitgemaakt dat het anders situeren van bedrijfsfunctie op een bedrijventerrein, waarbij het aantal vierkante meters per saldo afneemt, niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dus salderen binnen een plangebied, of reductie van onbebouwde plancapaciteit, is in beginsel Laddervrij. In dit geval vindt geen toevoeging van nieuwe bebouwing plaats, maar wordt het oppervlakte aan bebouwing binnen het plangebied gereduceerd. Daarnaast wordt geen nieuwe ruimte gevraagd, maar vindt de beoogde functie plaats in reeds bestaande bebouwing. Onderhavige ontwikkeling betreft dus geen ladderplichtige stedelijke ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Hierbij heeft de provincie ambities welke betrekking hebben op energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Met deze ambities werkt de gemeente aan onder andere veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te werken aan een slimme netwerkstad, wordt gericht op zorgvuldig ruimtegebruik. In dit geval betreft de locatie aan het Boterpad een reeds bebouwd perceel. In de beoogde situatie wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, maar wordt de overtollige bebouwing gesloopt. Hierdoor kan worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling is daarom niet in strijd met de omgevingsvisie.

3.2.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 13

2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (figuur 6).

Figuur 6 Plankaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant met plangebied wit omcirkeld

Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging 14

varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Eerde tussen de dorpskern Eerde en het bedrijventerrein ‘Den Dubbelen’. In de omgeving zijn dus verschillende functies te vinden, waardoor sprake is van een gemengde plattelandseconomie. In de beoogde situatie hebben de activiteiten op onderhavige locatie betrekking op een caravanstalling, bedrijvenhotel en de akkerbouw. Deze activiteiten zijn passend binnen de gemengde plattelandseconomie. Onderhavige ontwikkeling past daarmee binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de Provincie Noord Brabant.

3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. De geconsolideerde versie is op 1 maart 2020 vastgesteld. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld.

Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor de plangebieden is de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.

15

Figuur 7 Plankaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met plangebied wit omcirkeld

Uit figuur 7 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het gemengd landelijk gebied. Binnen het (gemengd) landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. Met voorgenomen ontwikkeling wordt omgeschakeld van een intensieve veehouderij naar een bedrijfsfunctie met akkerbouwactiviteiten als nevenfunctie. In de schuur wordt een caravanstalling met de aanvullende functie van bedrijvenhotel gerealiseerd. In artikel 3.73 is opgenomen dat niet-agrarische functies in het landelijk mogelijk zijn, mits kan worden voldaan aan de voorwaarden. Hieronder zijn de voorwaarden uit artikel 3.73 opgenomen en per voorwaarde een korte motivatie gegeven. Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2.

Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. 16

De omgeving bestaat uit verschillende agrarische en niet-agrarische functies met voornamelijk wonen en (ambachtelijke) bedrijfsfuncties. De caravanstalling met bedrijvenhotel is een specifieke functie welke slechts kleinschalig van aard is en tevens blijft. Het gaat om kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die qua aard en omvang passend zijn op deze locatie in het buitengebied. De realisatie van deze functie op een bedrijventerrein past niet binnen de gedachte van de initiatiefnemer. Daarnaast blijven de akkerbouwactiviteiten aanwezig, welke juist passend zijn in het buitengebied. De beëindiging van de varkenshouderij zorgt ervoor dat de milieueffecten op omliggende woningen verminderen. Het kleinschalige bedrijvenhotel zorgt voor minder negatieve effecten op de omliggende woningen (zie Hoofdstuk 4) dan de varkenshouderij. Ten slotte wordt gebruik gemaakt van de huidige bebouwing en wordt de overtollige bebouwing (varkensstal) gesaneerd. In paragraaf 3.3.3 is het bovenstaande nader toegelicht. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b. Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt; De varkensstal en de mestsilo worden gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3.

Mestbewerking. De bedrijfsactiviteiten hebben geen betrekking op één van bovenstaande activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. Over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De bedrijfsmatige functie blijft kleinschalig. Het bedrijvenhotel zal bestaan uit 3 tot 5 bedrijven. Een verdere groei is niet noodzakelijk en tevens niet gewenst. In feite worden de maximale mogelijkheden hierdoor voldoende geborgd. Alle bedrijfsactiviteiten vinden inpandig plaats. Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. Bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

De ontwikkeling betreft geen vrije-tijdvoorziening of zorg en is niet gericht op detailhandel. De bedrijfsfunctie blijft kleinschalig en gezien er tevens kleinschalige 17

akkerbouwactiviteiten plaatsvinden is het niet doelmatig om de bedrijvigheid te vestigen op een bedrijventerrein. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor het provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030 In de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ schetst de gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de mogelijkheden om de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden. Ten aanzien van functies in het buitengebied is er een visiekaart ‘bedrijvigheid & landbouw’ opgesteld waarin aangegeven wordt welke ontwikkelingen op welke plaatsen wenselijk zijn. Het plangebied ligt in het gebied waarin ruimte voor landbouw in het buitengebied in combinatie met andere functies wenselijk is (figuur 8).

Figuur 8 Visiekaart Structuurvisie Veghel met plangebied rood omcirkeld

In het buitengebied van Veghel is plaats voor agrarisch gebruik van gronden waarbij er rekening gehouden moet worden met de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. Voor gebieden in het buitengebied die geen onderdeel vormen van landbouwontwikkelingsgebieden (waaronder de planlocatie) geldt dat de landbouw een belangrijke drager is maar de groeiruimte voor deze agrarische functies zijn beperkt. In

18

de huidige situatie vinden er, op kleine schaal, akkerbouwactiviteiten plaats. De akkerbouwactiviteiten zijn passend binnen het gebied waarbinnen ruimte wordt geboden voor landbouw. In deze gebieden wordt, gezien de beperkte groeiruimte voor agrarische functies, tevens ruimte geboden voor andere (niet agrarische) functies zoals bedrijven, recreatie en voorzieningen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Veghel wat niet is aangemerkt als een landbouwontwikkelingsgebied. Functies zoals een caravanstalling en bedrijvenhotel zijn in beginsel mogelijk op de planlocatie. Onderhavig planvoornemen past binnen de ‘Structuurvisie Veghel 2030’.

3.3.2

Afwegingsschema Meierijstad De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingsschema waarbij wordt bekeken of een nieuwe ontwikkeling realiseerbaar is in haar omgeving. Dit doet de gemeente niet door specifieke regels te stellen, maar door te werken via een stappenplan, zie onderstaand. 1. Bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten/maatschappelijke meerwaarde zoals: extra werkgelegenheid, verbetering van het woon- of leefklimaat door afname van milieucontouren of minder vrachtwagenbewegingen, wateropgave, het creëren van bijzondere architectonische kwaliteiten etc. Ter plaatse wordt de varkenshouderij beëindigd en de bijbehorende varkensstal en mestsilo worden geheel gesloopt. De intensieve veehouderijbestemming verdwijnt, waardoor milieutechnisch een verbetering plaatsvindt van het woon- en leefklimaat. Het nieuwe bedrijvenhotel in een deel van de caravanstalling heeft minder negatieve milieueffecten op de omgeving dan de varkenshouderij gezien er minder verkeersbewegingen zijn en de geurcontouren zullen vervallen. 2. Het ruimtebeslag: • Wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing? In de huidige situatie wordt de grote schuur gebruikt als caravanstalling. Voor het gewenste bedrijvenhotel wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, maar wordt gebruik gemaakt van een deel van de caravanstalling.

• Vindt er ontstening plaats? De varkensstal en mestsilo zullen geheel worden gesloopt en er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, waardoor sprake is van ontstening. • De aard van de locatie en de omgeving; In dit geval is de locatie reeds in gebruik ten behoeve van verschillende bedrijfsactiviteiten. In de omgeving zijn voornamelijk woonbestemmingen gelegen, waardoor de nieuwe situatie met minder negatieve effecten en een minder grote omvang passend is in de omgeving. 3. Zijn er negatieve effecten op omgevingskwaliteiten te verwachten? Bijvoorbeeld door geluidhinder, toename stikstof door verkeer, visuele hinder en versnippering voor bijvoorbeeld aangrenzend natuurgebied; De mogelijkheden voor de exploitatie van een intensieve veehouderij ter plaatse verdwijnen gezien de intensieve veehouderijbestemming wordt omgezet naar een bedrijfsbestemming met ondergeschikte akkerbouwactiviteiten. Daardoor is sprake van een afname van verschillende elementen (geur, stikstof, zoönose, endotoxinen en verkeersbewegingen). Uit hoofdstuk 4 blijkt dat beoogde activiteiten minder milieueffect hebben op de omgeving dan in de huidige situatie. Er is geen sprake van een mogelijk

19

effect op natuurgebieden vanwege het ontbreken van natuurgebieden in de directe omgeving. 4. De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving; • Is er milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies te verwachten als gevolg van activiteit op het terrein (buiten werken met dieren, machines, laden/lossen van voertuigen). De milieucategorie van de activiteit uit de VNG-brochure vormt hierbij het vertrekpunt; In dit geval is sprake van een caravanstalling, bedrijvenhotel en akkerbouwactiviteiten, waarvan de caravanstalling en akkerbouwactiviteiten reeds aanwezig zijn. In de VNG lijst valt deze bedrijvigheid onder: • Caravanstalling: ‘Opslaggebouwen’ milieucategorie 2 • Bedrijvenhotel: ‘Vervaardiging van overige goederen n.e.g.’ milieucategorie 3.1 • Akkerbouwactiviteiten: ‘Algemeen (o.a. loonbedrijven) <= 500 m2’ milieucategorie 2 In beginsel valt de functie ‘vervaardiging van overige goederen n.e.g.’ binnen milieucategorie 3.1. Echter mogen er in het bedrijvenhotel enkel functies plaatsvinden met een maximale milieucategorie 2. De gewenste bedrijvigheid heeft geen grote milieueffecten op de omgeving en zijn daarom passend binnen een omgeving met voornamelijk burgerwoningen. Uit paragraaf 4.7 blijkt dan ook dat dit geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling.

• Zijn er problemen te verwachten rondom de verkeersafwikkeling (ook in relatie tot milieueffecten)? Dit is onder andere afhankelijk van de frequentie van verkeersbewegingen, het gebruik van grote voertuigen (laden en lossen goederen of onderdeel van bedrijfsvoering) en de geschiktheid van de aanwezige infrastructuur en de verkeersafwikkeling richting doorgaande wegen. De ontsluiting veranderd niet en er is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn dus geen problemen te verwachten. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.12.1. 5. Visuele hinder: • Hoe is de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en uitstraling van het erf? • Past de uitstraling van de nieuwe functie in het (groene) buitengebied? • Past de omvang van de gebouwen binnen de schaal van het landschap (afhankelijk van landschapstype)? • Past de schaal van de activiteiten op het erf in het betreffende landschap? De landschapstypen vormen hierbij het vertrekpunt? Het perceel zal landschappelijk worden ingepast. In de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage I) is deze landschappelijke inpassing bijgevoegd. Met het opstellen daarvan is rekening gehouden met bovenstaande aandachtspunten. Daardoor kan gesteld worden dat geen sprake is van visuele hinder en zorgvuldig met de ruimte wordt om gegaan. 6. Impact: Sturen op de mate van impact van een initiatief.

Dit kan onder andere door: • Ontwerpprincipes te koppelen aan het initiatief • Het stellen van randvoorwaarden zoals opgenomen in onderstaande voorwaarden;

20

• De omvang van de nieuwe functie of het ruimtebeslag in te beperken en daarmee ook de impact. Voorwaarden vanuit de omgeving. a) Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc; b) De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; c) De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; d) De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving; e) Er dient een watertoets te worden gedaan. Deze wordt voor advies aan het waterschap voorgelegd; f) Er moet een zorgvuldige omgevingsdialoog worden gevoerd. Genoemde aspecten zullen in hoofdstuk 4 worden behandeld. Hierbij zijn een aantal aspecten nader onderzocht waarbij is geconcludeerd dat er geen negatieve impact op de omgeving ontstaat door deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling is met de buren besproken en er is door de buurt aangegeven dat ze geen problemen hebben met de ontwikkeling. In bijlage II van deze ruimtelijke onderbouwing is de omgevingsdialoog toegevoegd. Conclusie beleid Met onderhavige ontwikkeling kan aan alle voorwaarden uit het beleid worden voldaan.

Op basis van deze onderbouwing kan worden gesteld dat het initiatief bijdraagt aan de transitie van het landelijke gebied door uitvoering te geven aan ontstening en het opzetten van een kwalitatieve verbetering van het erf, waarbij de nieuwe situatie passend is bij de functies in de omgeving en geen negatieve effecten tot gevolg heeft.

3.3.3

Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Allereerst mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Uit paragraaf 2.2 is reeds gebleken dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast is in hoofdstuk 4 de invloed van voorgenomen ontwikkeling op de omgeving onderzocht en is geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden verwacht. Naast deze omgevingsscan is het voor de gemeente Meierijstad van groot belang dat er ook wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en aanvullende kwaliteitsprestaties. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. In de gemeente Meierijstad wordt document ‘Kansen voor kwaliteit’ gebruik als afwegingskader voor vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing.

Uitgangspunt hierbij is dat per locatie maatwerk moet kunnen worden geboden, waarbij de eerder gehanteerde

21

kwantitatieve normen worden losgelaten en in de nieuwe opzet een kwalitatieve beoordeling plaatsvindt aan de hand van drie hoofdprincipes: 1. omgeving is leidend; 2. kwaliteitsimpuls is vereist; 3. afstemming is nodig. Uitgangspunt is dat de nieuwe functie moet passen in het buitengebied, daarbij kan het ook gaan om functies die niet aan het buitengebied zijn gebonden. Hierbij geldt wel dat deze niet mogen concurreren met functies op bedrijventerreinen of in centra. Onderscheid wordt gemaakt in 3 functietypen: 1. Gebiedsgebonden functies; 2. Gebiedspassende functies; 3. Gebiedsstrijdige functies. Ten aanzien van niet-agrarisch bedrijvigheid is in het afwegingskader het volgende opgenomen: “Het buitengebied is niet bedoeld voor bedrijven die vanwege hun uitstraling en milieuhinder op een bedrijventerrein horen. Niet-agrarische bedrijven die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken (geen bedrijven met een baliefunctie, geen bedrijven met grote of verlichte buitenreclame) kunnen wel eventueel in het buitengebied gevestigd worden.

Voorbeelden van toelaatbare bedrijven zijn (kleinschalige) ambachtelijke bedrijven (bewerking en vervaardiging van producten en materialen), stalling van voertuig(en) en benodigdheden terwijl de werkzaamheden elders worden uitgevoerd (veelal zzp-ers) en startende ondernemers, waarvoor een bedrijventerrein geen logische plek is. Onder voorwaarden is het ook mogelijk om meerdere (kleinschalige) niet-agrarische bedrijven toe te staan op één vrijkomende agrarische bedrijfslocatie. Bijvoorbeeld door het samenbrengen van meerdere bedrijven in één bedrijfsverzamelgebouw die in elkaars verlengde liggen of elkaar versterken. We sluiten dit niet meer op voorhand uit, zolang zich dit nu en in de toekomst presenteert als één bedrijf. Aard en omvang van toe te laten bedrijvigheid alsmede de borging ervan, vormen hierbij belangrijke aandachtspunten.” Gebiedstypologie Het perceel Boterpad 1 ligt tussen de kern Eerde en de A50. Aan de andere kant van de snelweg bevinden zich de grootschalige bedrijventerrein van de kern Veghel. Het gebied valt in gebiedstypologie II (landelijke gebied, verweving van functies). In de directe omgeving bevinden zich vooral woonpercelen, al dan niet met nevenfuncties. De onbebouwde gronden zijn in gebruik as landbouwgrond (akkers/ weiland). De bereikbaarheid van het perceel is goed.

Impact Het betreft het hergebruiken van een bestaande loods voor lichte bedrijvigheid (bedrijfsverzamelgebouw) en statische opslag. De impact van deze bedrijven op de omgeving is beperkt. Het oorspronkelijk bouwvlak wordt verkleind, overtollige bebouwing wordt gesloopt en de resterende bebouwing wordt landschappelijke ingepast. De sanering van de varkensstal en de mestsilo zal ter plekke een kwaliteitswinst opleveren. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor parkeren en laden en lossen. Het terrein behoudt de uitstraling van één erf, ook al kunnen hier meerdere bedrijven worden gevestigd.

22

Met het voorgaande wordt tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zoals opgenomen in paragraaf 3.2.3. Naast de verbetering van de kwaliteit hecht de gemeente Meierijstad waarde aan het betrekken van de direct omwonenden in de planvorming. In paragraaf 3.3.4 wordt de omgevingsdialoog nader toegelicht.

3.3.4

Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn dat omwonenden aan de Boterpad 7 en 8. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkeling op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage IV.

23

HOOFDSTUK

4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

4.1

M.e.r.-beoordeling Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Het mogelijk maken een kleinschalig bedrijvenhotel in reeds bestaande bebouwing (caravanstalling) komt niet voor in bijlage C en D van het besluit m.e.r..

Dit geldt eveneens voor de sloop van de varkensstal en mestsilo. De ontwikkeling is slechts kleinschalig van aard. Er is geen sprake van de verplichting om een m.e.r.(beoordelings-)procedure te doorlopen.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op het plangebied ligt ter plaatse van de woning en de garage/veldschuur de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hier geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,3 meter. De sloop van de varkensstal en het verwijderen van de erfverharding omvat een kleinere oppervlakte dan 10.000 m 2, waardoor deze ingreep is uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

24

Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient, degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, dit zo spoedig mogelijk dient te melden bij Onze Minister. Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Ook zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.3

Flora en Fauna

4.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.

Natuur Netwerk Brabant Uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door ver verspreiding van stoffen in lucht of water. Natura 2000-gebied Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ is met circa 14,7 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebied moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Middels een Aeriusberekening is getoetst of onderhavige ontwikkeling als onafhankelijke ontwikkeling een significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake 25

van significante effecten als de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. De uitgevoerde Aerius-berekening is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de berekening blijkt dat onderhavige ontwikkeling geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg heeft. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden is er dan ook geen sprake van belemmeringen.

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het wijzigen van de bestemming brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Daarnaast is het planvoornemen om binnen het plangebied om een deel van de aanwezige bebouwing en verharding te slopen. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De varkensstal op het perceel zou als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stal in zijn geheel zal worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Daarom is er op 3 juni 2020 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage III bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. In het gebouw zijn vier nestplaatsen van boerenzwaluw aanwezig. Deze verdwijnen bij de sloop.

Door vervangende nestplaatsen te realiseren in de naburige stal of woning wordt voorkomen dat nestgelegenheden voor deze soort verdwijnen of afnemen. In dit geval dienen er ten minste vier vervangende nestplaatsen te worden gerealiseerd in de naburige stal of woning. Daarnaast dient de sloop buiten het broedseizoen (tussen 31 augustus en 1 april) te worden uitgevoerd. De ingreep kan leiden tot het vernielen van eieren of nesten van algemene broedvogels, verstoren van deze nesten en het doden van jongen en daarmee tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Door de sloop uit te voeren in de periode tussen september en februari wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedende vogels voorkomen. Als sloop buiten deze periode niet mogelijk is, dient in overleg met een deskundige te worden bepaald welke maatregelen vooraf dienen te worden getroffen te worden waarmee voorkomen wordt dat vogels in het gebouw gaan broeden. Andere beschermde soorten zijn niet aanwezig, zodat een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten ook niet te verwachten is.

4.4

Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan

26

leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

4.4.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) 2017-2022, het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=04a89d6a-6a9f-4363-b2c9-4b5c1339b1a1