Bijlage 1: Toelichting bestemmingsplan Heikampenweg 19 Sint-Oedenrode
Tekst van het document
4.8 Natuur 4.8.1 Natuur Netwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ ▪ ▪ ▪
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Vrijwel alle verantwoordelijkheden inzake natuurbescherming zijn bij de provincies komen te liggen. 4.8.2 Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. De begrenzing van het netwerk is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. In hoofdstuk 3 is reeds getoetst aan deze omgevingsverordening. Het dichtstbijzijnde NNB is gelegen op circa 300 meter afstand van de woning (een beek). In onderhavig geval is sprake van beëindiging van een bedrijf en omschakeling naar een woonbestemming. De beoogde ontwikkeling heeft daarmee geen invloed dit NNB. 4.8.3 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende wettelijk stelsel voor de natuurbescherming vervangen. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (gebieds- en soortenbescherming). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.
Het dichtstbij gelegen Natura 2000gebied is Kampina & Oisterwijkse Vennen op ruim 12,5 km afstand.
25 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De ontwikkeling op het plangebied heeft geen mogelijke negatieve effecten tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Het betreft namelijk een bedrijfsbeëindiging en omschakeling naar een woonbestemming. Er zijn geen nieuwe gebouwen of bouwwerken voorzien. Daarbij is de afstand tot de Natura 2000-gebieden erg groot. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten. Ook op basis van de aard en omvang van de bouw- en sloopfase in combinatie met de grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn geen gevolgen te verwachten. Dit betekent dat in het vergunningentraject voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. Het gebruik als ‘bedrijfslocatie’ wordt beëindigd. Het gebruik als woonhuis blijft ongewijzigd. De verkeersbewegingen nemen af en de eventuele stookinstallaties blijven ongewijzigd. Voor de volledigheid is een AERIUS berekening voor de maximaal planologische mogelijkheden uitgevoerd.
Voor één vrijstaande woning geldt volgens de CROW normen (weinig stedelijk Sint-Oedenrode, buitengebied) maximaal 8,6 verkeersbewegingen per dag, met licht verkeer (personenauto’s) en wordt uitgegaan van de verwarming van de woning middels een aardgasketel. De norm voor de emissie NOx ten gevolge van wonen bedraagt 3,0 kg per jaar per woning. Hiermee is gerekend. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000gebieden door de gebruiksfase van het plan. De berekening is opgenomen in de bijlage. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Bescherming van soorten De soortenbescherming is ook via de overkoepelende natuurwet geregeld. Het beschermingsregime van soorten is onder andere afkomstig uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien is voor de soortenbescherming wettelijk rechtstreeks verwezen naar de hiervoor relevante Europese verdragen, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen, afhankelijk van de soort en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Zo is opdrachtgever bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis moeten plannen getoetst worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld als aannemelijk is dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In onderhavig plan is sprake van de beëindiging van een bedrijf en omschakeling naar een woonbestemming. Er worden geen nieuwe gebouwen voorzien. Wel wordt het bestaande bedrijfsgebouw gesloopt. Daarom is een quick scan flora en fauna uitgevoerd door RKS advies, welke is opgenomen in de bijlage. Hierin wordt het volgende geconcludeerd: 26 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Uit de QuickScan is naar voren gekomen dat bij de uitvoering van de in de inleiding omschreven voorgenomen activiteiten geen onevenredig negatief effect uitgeoefend wordt op de in de zoals in de Wet natuurbescherming omschreven beschermde Flora en Fauna op de projectlocatie en directe omgeving. Aan de achterzijde van de projectlocatie is een zoals hierboven omschreven eventueel in gebruik zijnde, bijburcht van een das geconstateerd. Geconcludeerd kan worden dat de activiteiten die plaatsvinden op de projectlocatie geen negatief effect hebben op het leefgebied van de das. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder zijn in en rondom het te slopen gebouw op de projectlocatie zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. De sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Er behoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een ontheffing noodzakelijk bij een negatief effect op beschermde soorten is niet noodzakelijk. Het aspect natuur staat dus met zekerheid de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. 4.9 Waterhuishouding Waterhuishoudkundige aspecten zijn een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is dan ook wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Hierin is bepaald dat een plan een waterparagraaf dient te bevatten, waarin de keuzes ten aanzien van water gemotiveerd worden. Daarnaast dient ook de waterbeheerder om een advies te worden gevraagd. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van toepassing. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is in ontwerp beschikbaar. In het Nationaal Waterplan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkeling is van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor onderhavig plan. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PWMP). De provincie werkt aan een nieuw plan voor water en bodem, Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeente, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap De Dommel Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van Waterschap De Dommel. De visie van Waterschap De Dommel is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 ‘Waardevol 27 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Water’ en kent een geldigheid vanaf 1 januari 2016. Inmiddels is waterbeheerprogramma 2022-2027 in ontwerp beschikbaar. Het waterbeheerplan beschrijft de doelstellingen van Waterschap De Dommel en hoe zij deze doelstellingen willen realiseren. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de legger. De waterschapsdoelen zijn doorvertaald in beleidsregels, waaronder de Keur. De drie NoordBrabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk besloten om de Keuren te uniformeren en te dereguleren. De nieuwe uniforme keuren zijn in werking getreden op 1 maart 2015. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In de Keuren zijn diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000.
Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde gebieden die in de keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid. Dit betekent dat alle ingrepen (zoals onttrekkingen, beregening, drainage, etc) in dergelijke gebieden in beginsel vergunningsplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Een ander zeer belangrijk en vaak ruimtevragend aspect betreft de verplichting om zorgvuldig om te gaan met neerslag afkomstig van een toename van verhard of bebouwd oppervlak of door het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Een watervergunning is noodzakelijk, tenzij: ▪ ▪ ▪ ▪
Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of: De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of: De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of De toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is, en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Er moet dan een voorziening worden getroffen met een minimale retentiecapaciteit, conform de rekenregel:
Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor kan 1, ½, of ¼ bedragen en is aangeduid op de kaart ‘Algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’, toebehorende aan de Keur. Daarnaast zijn een aantal voorschriften gesteld aan nieuwe retentievoorzieningen, zoals dat de bodem boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen, er een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater plaatsvindt (diameter 4 cm) en er sprake dient te zijn van een overloopconstructie.
28 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Gemeentelijk beleid De gemeente Meierijstad heeft voor de periode 2017 – 2022 een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan opgesteld. Hierin worden verschillende speerpunten en aandachtsvelden benoemd ten behoeve van het leveren van een klimaatbestendig toekomstbeeld. Naast voorzetting van de reguliere werkzaamheden wordt gericht op: ▪ klimaatbestendig inrichten van het openbaar en particulier gebied; ▪ het verhogen van het waterbewustzijn en het stimuleren van waterbewust handelen; ▪ het verduurzamen van de afvalwaterketen; ▪ het behalen van de Kaderrichtlijn Water (K R W )-doelen. Hierin staan chemische, ecologische en drinkwaterdoelstellingen beschreven; ▪ het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied; ▪ het verhogen van de belevingswaarde en benutten van water voor natuur en recreatie; ▪ het professionaliseren van het stedelijk waterbeheer; ▪ samenwerken. Nieuwbouw vindt waterneutraal plaats, ofwel levert geen extra belasting voor het omringende systeem in kwalitatieve- en kwantitatieve zin. In principe zamelt de gemeente Meierijstad stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in. De gemeente hecht veel waarde aan duurzaamheid en streeft naar afkoppeling van het op de gemengde riolering afvoerende oppervlak. Dit draagt bij aan vermindering van wateroverlast en verdroging en verbetering van de waterkwaliteit.
Het uitganspunt wordt gehanteerd dat hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd als er geen oppervlaktewater in de buurt is. Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden, waardoor een versnelde afvoer van hemelwater ontstaat. Bij dergelijke ontwikkelingen wordt het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen nagestreefd. Als voorkeursvolhorde wordt de trits ‘infiltreren – bergen – afvoeren naar oppervlaktewater – afvoeren naar riolering’ nagestreefd. Bij een toename van 0 tot 10.000 m² aan afstromend verhard oppervlak is er per m² aan verharding 60 mm berging benodigd. Bij een toename van meer dan 10.000 m² aan afstromend verhard oppervlak dient een waterhuishoudkundig plan te worden onderbouwd. De richtlijnen hiervan zijn omschreven in de Hydrologische uitgangspunten van het Waterschap. In de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) zijn ook regels opgenomen omtrent de afvoer van hemelwater. Zo is het verboden om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Het is verplicht om hemelwater op eigen terrein te verwerken. Daarbij geldt een vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen, waarbij een aantal regels zijn gesteld zoals dat de hemelwatervoorziening minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) moet kunnen verwerken. 4.9.1
Huidige en toekomstige situatie
Oppervlakte water Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten van het plangebied, op ca. 300 meter afstand is een A-watergang aanwezig. Beoogde ontwikkeling heeft geen effect op deze watergang. 29 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Verhard oppervlakte Het planvoornemen bestaat uit het beëindigen van een bedrijf in statische opslag en de omschakeling naar een woonbestemming. De bestaande schuur (en omliggende erfverharding) wordt gesloopt. Er wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd dat aanzienlijk kleiner is dan het bestaande bedrijfsgebouw. Het verhard oppervlakte neemt met beoogde ontwikkeling dus af. Afvalwater Aan de Heikampenweg is een rioolstelsel gelegen. De bestaande (bedrijfs)woning is hierop aangesloten voor wat betreft het huishoudelijk afvalwater. Dit blijft ongewijzigd. Er wordt geen hemelwaterafvoer op het drukriool aangesloten. Hemelwater In de huidige situatie wordt het hemelwater afgewaterd naar de groensingel (houtwal) rondom het perceel. In de beoogde situatie is er sprake van een afname van verharding. Hierdoor is geen compensatie vereist. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening aanbevolen, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Gedacht kan worden aan een infiltratievijver, zaksloot of verlaagd grasveld/wadi of het gebruik van een grindkoffer. Een regenton is mogelijk voor kleinschalig regenwater hergebruik. Infiltratievoorzieningen dienen altijd plaats te vinden boven de GHG.
Ten aanzien van het materiaalgebruik van de bebouwing worden geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. De ontwikkeling heeft hierdoor geen mogelijke schadelijke gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan. In het kader van vooroverleg is het initiatief bovendien voorgelegd aan het waterschap De Dommel. 4.10 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch belang wordt in de ruimtelijke ordening o.a. behartigd door opname van een motiveringsvereiste in artikel 3.1.6, lid 5 Besluit ruimtelijke ordening. Dit artikel bepaalt dat in een toelichting tenminste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een aangeduid complex van cultuurhistorisch belang. Wel ligt het plangebied in één van de provinciaal ingedeelde regio’s, namelijk de Meierij.
Deze aanduiding kent een zeer uitgestrekte ligging, die de cultuurhistorische waarden van een relatief grote regio vertegenwoordigen. De provinciale strategie is opgesteld voor de volledige regio en kent derhalve een ander schaalniveau dan dit planvoornemen. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard, er wordt enkel een bedrijf beëindigd en de bestemming gewijzigd in een woonbestemming. Enkel de bestaande schuur wordt gesloopt. Er is alleen een nieuw bijgebouw voorzien. Het plan kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van 30 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
de regionale ambitie. Het voornemen doet daarmee geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie. 4.11 Archeologie In 1992 heeft Nederland het ‘Verdrag van Malta’ inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in Europees verband mede ondertekend. Uitgangspunt van dit verdrag is om het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, betreft een wijziging van de Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daar hoort ook bij dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. Vanaf 1 juli 2016 wordt de bescherming voor archeologie gereguleerd in de Erfgoedwet. De voorgeschreven archeologische bescherming uit de Monumentenwet 1988 (inclusief de Wamz) wordt hiermee voortgezet. In de Erfgoedwet is o.a.
geregeld hoe gebouwde en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument. Een stelsel aan diverse vergunningen en subsidieregelingen draagt vervolgens bij aan de bescherming van deze monumenten. Verder stelt deze wet o.a. uitvoeringsregels aan de archeologische monumentenzorg, met bijvoorbeeld regels inzake certificering en de omgang met vondsten in het kader van archeologisch onderzoek. De Erfgoedwet bevat daarnaast (middels het overgangsrecht en de verwijzing hierin naar de Monumentenwet 1988) regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Hierbij is o.a. bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Tevens kan in het belang van de archeologische monumentenzorg hiertoe een omgevingsvergunningstelsel (bijvoorbeeld voor bouwen of voor aanlegactiviteiten) met de bijbehorende onderzoeksvereisten verplicht worden gesteld. Ter bescherming van de archeologische waarden zijn in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ en haar herzieningen gebiedsaanduidingen opgenomen. Bij een opgenomen gebiedsaanduiding zijn de gronden tevens bestemd voor de bescherming en instandhouding van de archeologische verwachtingswaarde.
Hiertoe is een ‘aanlegvergunningenstelsel’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) opgenomen. Het is zonder vergunning en archeologisch onderzoek ter plaatse van deze gebiedsaanduiding niet toegestaan om diverse bodemingrepen te verrichten. Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’. Uit de regels blijkt dat de gronden archeologische waarden hebben en dat voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2 en een diepte van meer dan 50 cm een rapport moet worden opgesteld om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen. In dit geval wordt een nieuw bijgebouw voorzien van maximaal 225 m2 ter plaatse van het bestaande, te slopen, bedrijfsgebouw. De grond hier is al dermate geroerd en daarmee verstoord zodat archeologische waarden zeer onwaarschijnlijk zijn. Ook is de totale oppervlakte beperkt. Daar komt bij dat de archeologische waarde op de verbeelding en in de 31 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
regels van onderhavig bestemmingsplan opnieuw is opgenomen. Indien alsnog een bijgebouw groter, dan wel op een andere locatie wordt gerealiseerd, is op grond van de regels van onderhavig wijzigingsplan alsnog een archeologisch onderzoek noodzakelijk in het kader van de omgevingsvergunning procedure. Daarmee heeft de ontwikkeling geen gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.12 Externe veiligheid Het landelijk beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: ▪ ▪ ▪
Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); Het gebruik van luchthavens.
Dit gebeurt onder andere door te voorkomen dat kwetsbare locaties te dicht bij activiteiten met veiligheidsrisico’s plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Bij de totstandkoming van ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan de kernbegrippen ‘plaatsgebonden risico’ (PR) en ‘groepsrisico’ (GR) centraal. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer het advies van de veiligheidsregio is ingewonnen. Ook moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Risicofactoren 32 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicofactoren aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Uit deze kaart volgt dat de dichtstbijzijnde risico inrichting is gelegen aan de zuidzijde, de mestbewerker aan de Wolvensteeg 2, op een afstand van ca. 250 meter afstand van de woning. Op circa 250 meter afstand van het plangebied ligt het Basisnet-wegtraject A50 (afrit 10 (Eerde)-A58 (Eindhoven), wegvak B132. Over deze weg worden onder andere de stof categorieën GF3 en LT2 vervoerd. Verantwoording Plaatsgebonden risico Het bedrijf aan de Wolvensteeg 2 is ruimschoots buiten het plangebied gelegen. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden van dit bedrijf. Ook blijft de bestaande (bedrijf)woning ongewijzigd. Enkel een bedrijf in statische opslag wordt beëindigd en het bedrijfsgebouw wordt gesloopt. Er zijn geen nieuwe bouwwerken voorzien. Derhalve zijn er geen risico’s met betrekking tot het aspect externe veiligheid. Verantwoording groepsrisico Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A50 heeft GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter en LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter.
Het plangebied ligt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (200 meter), waardoor het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoordt hoeft te worden voor de scenario’s BLEVE en toxische wolk. Dit betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de afstand van het plangebied tot de Rijksweg A50 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.
Voor de Veiligheidsregio heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten. Extra maatregelen zijn daarom niet nodig. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 33 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
1. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn goed. Het initiatief voorziet in omschakeling van een bedrijf naar een woonbestemming, de bestaande (bedrijfs) woning blijft ongewijzigd. Hierbij is en blijft sprake van een woning voor één gezin. Er zijn geen aanwijzingen dat hier niet – of verminderd – zelfredzame personen aanwezig zullen zijn. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te faciliteren Behalve de vraag of zelfredzaamheid mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredzaamheid optimaal kan plaatsvinden. De Veiligheidsregio Brabant Noord is ingevolge artikel 7-9 van het Bevt om advies gevraagd inzake de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en heeft geen opmerkingen. Conclusie Er bevinden zich geen risicovolle inrichting in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A50. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: ▪ de rekenkundige hoogte van het groepsrisico neemt nauwelijks toe; ▪ er zijn geen negatieve gevolgen voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit externe veiligheid voor onderhavig initiatief.
4.13 Kabels en leidingen Bij ruimtelijke ingrepen dient opdrachtgever rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: ▪ Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; ▪ Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; ▪ Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; ▪ Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; ▪ Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Op het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante kabelsen leidingen aanwezig blijkt uit het bestemmingsplan. Daar komt bij dat het planvoornemen geen bodemingrepen mogelijk maakt. Dit aspect is dus niet nader relevant voor dit bestemmingsplan. 4.14 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen enerzijds gevoelige bestemmingen (zoals woningen) en anderzijds percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Welke
34 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen naar een burgerwoning met bijgebouwen en sloop van het bedrijfspand en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect spuitzones gewasbescherming. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom gesteld worden dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloed. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor plannen gelden de onderstaande criteria als uitgangspunt om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale verordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Aanleiding hiertoe is de modernisering van de m.e.r.- wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft tot gevolg dat de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden. Ook een project net onder de drempelwaarden, kan immers (afhankelijk van de omstandigheden van de activiteit en de ligging) belangrijke nadelige (milieu)gevolgen hebben. Ook onder de genoemde drempelwaarden moet derhalve worden beoordeeld of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is. Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Deze beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld.
Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. Deze criteria betreffen o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Uit het eerstgenoemde criterium volgt dat het plan moet worden beschouwd in relatie tot de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een bedrijfsbeëindiging en omschakeling naar een woonbestemming. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C- en D-lijst. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Door middel van de toetsing in deze toelichting heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit 35 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft, wegens aard, omvang en afstand, met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale Interim omgevingsverordening. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante omgevingsaspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
36 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
5. Juridische planopzet 5.1 Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten om bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan moet bestaan. Het gaat om een verbeelding, met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting bevat een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan relevante milieuaspecten en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw van de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Onderhavig plan betreft een bestemmingsplan. Dit betreft een juridisch plan, dat bindend is voor burgers en voor de overheid. 5.2 Toelichting verbeelding Het bestemmingsplan bevat een verbeelding.
Deze vervangt de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ voor zover het betreft onderhavig plangebied. Op de verbeelding is voor het plangebied de bestemming ‘Wonen’ met een apart (bouw)vlak opgenomen, met bouwaanduiding en maatvoeringsaanduiding. Ter plaatse van het huidige bestemmingsvlak bedrijf dat nu geen onderdeel meer uitmaakt van het bestemmingsvlak wonen krijgt de bestemming ‘Agrarische met waarden – Landschapswaarden’. Ook is opnieuw de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen en is ter plaatse van de houtsingel de ‘groen’ bestemming opgenomen. Ook is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – struweelvogels’ opgenomen. 5.3 Toelichting regels De regels van het bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. De inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels. De regels van onderhavig bestemmingsplan zijn gelijk aan de regels uit de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’, ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ en ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’. Enkel de van toepassing zijnde regels zijn in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.
37 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met opdrachtgever heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder is vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening is van initiatiefnemer. Bovendien worden de gemeentelijke kosten verhaald via het in rekening brengen van leges. Hiermee is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op initiatiefnemer. Daarnaast is een fasering vastleggen niet wenselijk en ook locatie-eisen zijn niet van toepassing. Hierdoor is geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een planvoornemen. In dat kader heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de direct omwonenden van het plangebied. Een verslag van deze omgevingsdialoog is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. In artikel 3.1.1. van het Bro is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een plan overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken provincie en waterschap. De resultaten van het vooroverleg zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
Het ontwerpbestemmingsplan zal ter inzage worden gelegd, waarmee eenieder een zienswijze kan indienen. Indien er een zienswijze wordt ingediend wordt dit te zijner tijd verwerkt in onderhavige toelichting.
38 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’
Bijlage: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Landschappelijk inpassingsplan, H8 Ontwerp Verkennend bodemonderzoek, MBS bodemsanering Quick scan flora en fauna, RKS advies Omgevingsdialoog AERIUS berekening Advies Veiligheidsregio Brabant-Noord
39 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heikampenweg 19’