Bijlage 1: P05126_BP_MFA Groene Long, Sint Oedenrode_20230511
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
29
4.5 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan NoordBrabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel.
De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het waterbeheerprogramma. In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan vervolgens de regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.
De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede
Hoofdstuk 4
30
waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Hoofdstuk 4
31
Waardevol water in Meierijstad De gemeente Meierijstad en de waterschappen hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer i.p.v. nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt de maatschappij zoveel als mogelijk betrokken. Op particulier terrein liggen namelijk veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners.
Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. De online 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten en vroegtijdige afstemming van het planvoornemen mogelijk maakt. Middels de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. De verordening geldt vanaf 1 juli 2021. In deze verordening aan aangegeven dat het verboden is vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken.
Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1) Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2) De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken; b. voor het oppervlak aan groen dak (in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist;
Hoofdstuk 4
32
c. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; d. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp van een berging van ten minste 20 mm (per m² verhard oppervlak). Doorwerking plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderbouwing van het wateraspect opgesteld door Aeres Milieu5. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen beschreven, voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Waterhuishoudkundig systeem Voor de nieuwbouw van het MFA is voldoende ontwatering benodigd om het risico op toekomstige grondwateroverlast te beperken. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt in het relatief hooggelegen stedelijk gebied van de woonkern Sint-Oedenrode. Gemiddeld ligt het plangebied op circa 10,7 m +NAP en de aangrenzende straten op circa 10,3 m +NAP (bron: AHN Nederland).
Grondwater Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart van Nederland (2019) op een dekzandvlakte. Naar verwachting heeft zich ter plaatse van het plangebied een hoge zwarte enkeerdgrond gevormd met lemig fijn zand. De omgeving van Sint-Oedenrode Noord wordt gekenmerkt door grondwatertrap VI, waarbij de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) voorkomt tussen de 40 en 80 centimeter. Op basis van de (model)gegevens uit het Dinoloket kan een verwachte bodemopbouw worden vastgesteld. Hieruit blijkt dat er een slecht doorlatende leemlaag te verwachten is tussen de 2,0 en 3,5 meter onder maaiveld. Deze leemlaag zal een belemmerende factor vormen voor snelle infiltratie van (hemel)water in de bodem. Vanaf circa 3,5 meter onder maaiveld gaat de bodem over in de Formatie van Boxtel, waarbij verschillende zand- en leemlagen elkaar afwisselen. Binnen of nabij het plangebied zijn geen grondwatermeetgegevens bekend waardoor uit de beschikbare online data een inschatting van de grondwaterstanden kan worden gemaakt. Uit deze gekende kaartgegevens blijkt dat de GHG op ca. 9,4 m +NAP te verwachten is. Momenteel is de bestaande bebouwing reeds hoger dan de aangrenzende wegen gelegen waardoor er geen grondwateroverlast aanwezig/bekend is. Om de kans op grondwateroverlast te verkleinen wordt geadviseerd om een mi-
5
Aeres Milieu, Onderbouwing wateraspect De Groene Long, Sint-Oedenrode, 4 april 2022.
Hoofdstuk 4
33
nimale drooglegging aan te houden van 70 centimeter voor bebouwing en secundaire wegen. Derhalve wordt voor de nieuwbouw een vloerpeil als bestaand of ca. 30 centimeter boven de kruin van de nabijgelegen weg geadviseerd. Hierdoor wordt ook een eventuele instroom van hemelwater vermeden. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen met een nieuw te bouwen MFA is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Circa 350 meter ten westen van het plangebied liggen de vijvers van Park Kienehoef. Dit oppervlaktewater wordt beheerd door de gemeente en heeft geen leggerstatus van het waterschap. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op een traditioneel gemengd rioolstelsel. De gemeente Meierijstad heeft recent in de wijk Kienehoef een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Particulieren en nieuwbouwprojecten dienen op eigen terrein derhalve een gescheiden rioolstelsel aan te leggen, zodat deze gemakkelijk hierop aangesloten kunnen worden. Voor de wijziging aan de aansluiting van het nieuwe MFA op het gemeentelijk rioolstelsel dient te zijner tijd een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente Meierijstad.
Door de sloop van de huidige schoolgebouwen en de bouw van het nieuwe MFA zal de afvalwaterstroom beperkt toenemen ten opzichte van de huidige situatie welke derhalve door het nieuwe DWAstelsel verwerkt zal kunnen worden. Hemelwater Ter plaatse is reeds diverse verharding aanwezig (bebouwing en omliggende verharding). De meeste verharding wordt gesloopt voor een nieuwbouw. Hieronder is een overzicht van de bestaand en de op basis van de concepttekening bepaalde toekomstige verhardingen (d.d. 18-02-2022) opgenomen. Voor de centraal gelegen verkeer/kiss & ride-strook is een verhardingspercentage van 70% aangehouden.
Hoofdstuk 4
34
Tabel 4.2 Overzicht bestaand en toekomstig verhard oppervlak
Uit bovenstaande tabel blijkt dat door de voorgenomen ontwikkeling het verhard oppervlak licht zal afnemen. Uitgangspunt is dat de herontwikkeling minimaal hydrologisch neutraal ontwikkeld wordt en hemelwater in de mate van het mogelijke ter plaatse verwerkt wordt. Vanuit het waterschap is voor de ontwikkeling sec geen hemelwaterbergingseis van toepassing, maar aangezien er in totaliteit meer dan 1 hectare verhard oppervlak wordt afgekoppeld, is er toch een bergingsopgave. Deze opgave wordt ingevuld met de uitvoering van maatregelen uit het overkoepelende afkoppelplan wijk Kienehoef, waarvoor door het Waterschap eerder een watervergunning voor is verstrekt met kenmerk Z/19/075586. Op basis van de verwachte bodemsamenstelling en hogere grondwaterstand zal er een slechte tot matige infiltratiesnelheid aanwezig zijn ter plaatse van het plangebied. Ter plaatse kunnen in het groen aanvullend wel bovengrondse hemelwatervoorzieningen ingepast worden. Voorts kan een plat dak ingericht worden als groen- of blauw dak zodat ter plaatse hiervan een bui langer vastgehouden wordt en piekafvoer vanuit het plangebied vermeden wordt. Aanvullend kan bijvoorbeeld ook hemelwater opgevangen en hergebruikt worden voor bijvoorbeeld de toiletspoeling.
Gezien de aangelegd gescheiden rioolstelsel ter plaatse en in de nabijgelegen wijk is de insteek om bij de nieuwbouw een gescheiden rioolstelsel aan te leggen waarbij het hemelwater bovengronds / oppervlakkig afstroomt naar het wegprofiel welke vervolgens afvoert naar een IT-riool waar het kan infiltreren. Dit IT-riool kan bij vulling overlopen naar een enkele aangelegde wadi’s en uiteindelijk overlopen naar de vijvers van Park Kienehoef. Bij de nieuwe ontwikkeling dient hiermee rekening gehouden te worden. Bij de nieuwbouw dienen de regenpijpen derhalve boven de grond afgezaagd te worden om het water via maaiveld in het gescheiden stelsel af te laten vloeien. Er worden geen ondergrondse aansluitingen gemaakt. Specifiek voor het huidige plangebied is zuidelijk een IT-riool aangebracht en centraal (ter plaatse van de ontsluiting ter hoogte van de huidige Frederikstraat) waren oorspronkelijk twee sloten
Hoofdstuk 4
35
gepland. Deze sloten zijn vanwege uitvoeringstechnische redenen vervangen door een ondergrondse buisleiding. Conclusie Speerpunt bij de te realiseren bebouwing en de herinrichting van het (omliggende) gebied is dat het gebied klimaatadaptiever wordt ingericht. Bovenstaand wordt toegelicht dat het verhard oppervlak licht zal afnemen en er worden maatregelen benoemd waarmee water langer vastgehouden kan worden. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden bekeken welke maatregelen worden genomen.
4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Door ingenieursbureau Land is een verkennend bodem en asfaltonderzoek 6 uitgevoerd. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen opgenomen, voor de gehele rapportage wordt naar de bijlagen verwezen. Vooronderzoek In het kader van het bodemonderzoek is als eerste stap een vooronderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt bureauonderzoek gedaan om zo een hypothese op te stellen over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek. Hieruit zijn de volgende conclusies getrokken: Bodem Uit de beschikbare voorinformatie blijkt dat onderzoekslocatie onverdacht is op aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Asbest Omdat uit het vooronderzoek is gebleken dat het geen asbestverdachte locatie betreft, zal het onderzoek niet uitgebreid worden met de parameter asbest.
Asfalt Het asfalt is aangelegd voor 1995 en kan teerhoudende lagen bevatten.
6
Ingenieursbureau Land, Verkennend bodem- en asfaltonderzoek, 28 april 2022
Hoofdstuk 4
36
Veldonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van het veldonderzoek wordt navolgend per terreindeel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem beschreven: Onder tegelverharding bij OBS de Springplank, boring 22 en 23 Ter plaatse van boring 22 en 23 (zie figuur 4.1) is de zandlaag (0,06-0,2 m-mv) niet toepasbaar wegens een hoog gehalte PFOS. De waarde PFOS blijft echter wel ruim onder de INEV waarde (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging) voor PFOS. Deze is vastgesteld op 110 μg/kg voor grond. Er is in dit geval op basis van deze resultaten geen saneringsnoodzaak maar zodra de grond geroerd wordt, dient deze naar een erkende verwerker afgevoerd te worden. Dus voordat er gesloopt wordt, dient duidelijk te worden waar deze verontreinigde grond zich bevindt, zodat deze niet verspreid wordt over het terrein bij sloop- en graafwerkzaamheden en dat deze op de juiste manier afgevoerd wordt. Naar verwachting zullen de resultaten bij het aantreffen van deze bodemlaag op overige locaties niet afwijken van hetgeen reeds aangetoond. De verontreiniging is niet afgeperkt in de horizontale richting.
Figuur 4.1 Veldwerktekening met boringspunten
Overige bodem Voor zowel de visueel schone als belaste, zandige bovengrond zijn binnen het projectgebied geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond. Op basis van de aangetoonde gehalte PFAS is de te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘klasse Landbouw/natuur’.
Hoofdstuk 4
37
Voor de zandige ondergrond zijn binnen het projectgebied geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘Altijd toepasbaar’. Voor de kleiige ondergrond zijn binnen het projectgebied overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond voor de parameters kobalt en nikkel. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘Altijd toepasbaar’. In het grondwater overschrijden, in peilbuis 104, de aangetoonde barium concentraties de streefwaarde. Dit heeft een natuurlijke herkomst. In de overige peilbuizen zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen. In de bodem en op het maaiveld van de onderzoekslocatie zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Toetsing onderzoekshypothese Op basis van de analyseresultaten wordt de opgestelde onderzoekshypothese ‘onverdachte locatie’ voor de onderzoekslocatie verworpen. Echter, na uitvoering van aanvullend onderzoek is een beter beeld van de verontreinigingssituatie verkregen. Uitvoeren van verder aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Naar verwachting zullen de resultaten niet afwijken van hetgeen reeds aangetoond. Conclusie Aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Wel wordt aanbevolen, indien er grond afkomstig van de locatie elders wordt toegepast, dit te laten gebeuren conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS.
4.7 (Ondergrondse) infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Binnen het terrein zijn wel kabels en leidingen van derden gelegen. Hiervoor is een KLIC-melding opgevraagd.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
38
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 7. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied.
In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Daarnaast onderscheidt de VNG-publicatie 'functiemengingsgebieden'. Dit zijn bijvoorbeeld dorpscentra of winkelcentra. Binnen een gebied met functiemenging kan de kan Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging worden toegepast. Hierbij is het beter mogelijk om menging van functies toe te staan. Doorwerking plangebied De omgeving van de multifunctionele accommodatie kan, ondanks de ligging van het gebied in een woonwijk, het meest accuraat worden omschreven als gemengd gebied. Naast het voorkomen van de huidige scholen en sportvoorzieningen in het gebied, zijn direct ten zuiden van het plangebied ook horecavoorzieningen en detailhandelsvoorzieningen toegestaan. Daarnaast bevinden zich in de woonwijk ook enkele bedrijven en dienstverlenende functies. Om te bepalen wat de invloed is van de uitbreiding van de basisschool op het woon- en leefklimaat wordt gekeken naar zowel de externe werking (invloed op omgeving) en de invloed van de omgeving op de multifunctionele accommodatie. Invloed initiatief op omgeving Het plangebied wordt grotendeels door woonbestemmingen begrensd.
In de richtafstanden lijst van de VNG zijn de volgende richtafstanden (voor gemengd gebied) opgenomen voor de functies kinderdagopvang, basisschool, buurthuis en sportzaal: Basisschool 10 meter (grootste afstand vanwege geluid) Kinderopvang 10 meter (grootste afstand vanwege geluid)
7
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
39
Buurthuis 10 meter (grootste afstand vanwege geluid) Sportzaal 30 meter (grootste afstand vanwege geluid) Voor bovengenoemde functies zijn de richtafstanden voor geur, stof en gevaar 0 meter. Deze afstanden betreffen richtafstanden ten opzichte van een milieugevoelige functie, bijvoorbeeld woningen. De MFA zal op een afstand van circa 25 meter liggen tot de dichtstbijzijnde woningen aan de Julianastaat en de Wilhelminastraat (afstand bouwvlak woning tot afstand bestemmingsvlak MFA). In onderhavige situatie is al lange tijd sprake van de functies basisschool en sportzaal en die zijn in de huidige situatie direct naast woningen gelegen. Naast dat nagenoeg aan de richtafstanden wordt voldaan, is dan ook geen sprake van verslechtering in het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Zorgvuldigheidshalve is echter wel een akoestisch onderzoek industrielawaai8 uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Akoestisch onderzoek industrielawaai Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat er in de toekomstige situatie enkele knelpunten optreden. De knelpunten betreffen vooral de geluidbelastingen als gevolg van spelende kinderen op het speelplein. De overschrijding ten aanzien van de streefwaarde als gevolg van spelende kinderen op het speelplein bedraagt in de dagperiode ca. 15 dB(A).
Ook is er sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (2 dB(A)) in de dagperiode als gevolg van inrichtingsgebonden verkeer. Inrichtingsgebonden verkeer Ten aanzien van de 2 dB(A) overschrijding (Wilhelminastraat 17) ten aanzien van de voorkeursgrenswaarde uit de Schrikkelcirculaire als gevolg van inrichtingsgebonden verkeer, wordt opgemerkt dat deze in relatie tot de inrichtingsgebonden verkeersstroom van de nabijgelegen supermarkt dient te worden beschouwd. Onderzoek hieromtrent valt buiten de scope van dit onderzoek en gegevens omtrent de supermarkt ontbreken vooralsnog. Wel kan de optredende geluidbelasting ten aanzien van de te verwachten geluidwering van de gevel worden beschouwd. De betreffende woning is gebouwd in 1977 (bron: BAG viewer) voorzien van een gemetselde spouwmuur, houten kozijnen met dubbele beglazing (bron: Google maps). Hier mag een geluidwering verondersteld worden van ca. GA=≥ 20 dB(A). Op basis van de berekende geluidbelasting van 52 dB(A) is het binnenniveau als gevolg van het inrichtingsgebonden verkeer ten hoogste 32 dB(A). Een dergelijk geluidniveau in een woning is in de dagperiode laag te noemen. Toepassing verhoogde richtwaarde Het akoestisch onderzoek toont aan dat in de toekomstige situatie een overschrijding plaatsvindt van geluidshinderniveaus.
In de huidige situaties is dit reeds het geval, echter geldt dat deze geluidhinder zich verplaatst naar gevels van woningen waar momenteel deze geluidhinder niet optreedt. Zowel in de huidige als de toekomstige situatie is er sprake is van een “gemengd gebied” van wonen en bedrijvigheid (supermarkt, sporthal en scholen). Ook is er in de huidige en de toekomstige situatie
8
Buro Bouwfysica, Akoestisch onderzoek RO procedure, 9 december 2022
Hoofdstuk 4
40
sprake van geluidniveaus (LAr,LT) van 50 tot 60 dB(A) in de dagperiode op de gevels van woningen als gevolg van spelende kinderen op de speelpleinen. In beide situaties worden zowel de grenswaarden als de verhoogde richtwaarde uit de VGN (publicatie Bedrijven en milieuzonering) in de dagperiode overschreden. In de avond- en nachtperioden is er geen sprake van overschrijding van grenswaarden, voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Het hoogst berekende gecumuleerde geluidniveau in de achtertuinen van de omliggende woningen in de toekomstige situatie is LAr,LT = 49 dB(A) voor de woning aan de Julianastraat 1. De gecumuleerde geluidniveaus in de achtertuinen van de overige woningen rondom het toekomstige speelplein zijn ca. 43-45 dB(A). Hoewel er sprake is van een hogere berekende waarden in de achtertuinen kunnen de achtertuinen nog steeds worden aangemerkt als geluidluwe buitenruimten. Daarbij komt dat in de huidige situatie reeds een school binnen de Groene Long is gevestigd. De omgeving heeft nooit te kennen gegeven last van deze school te ondervinden en duldt eventuele geluidsoverschrijdingen dan ook. Daarbij is de school enkel open tijdens schooluren en wordt er maar op beperkte momenten buiten gespeeld. Goede ruimtelijke ordening en binnenniveau In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet het geluidniveau in een woning aanvaardbaar zijn.
Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de gecumuleerde geluidsbelasting in de woning niet hoger is dan 33 dB. Omdat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat op verschillende woningen overschrijdingen van de geluidhinderniveaus op de gevels, is aanvullend onderzoek 9 uitgevoerd naar de gevelwering en het binnenniveau. In het onderzoek is bepaald of de gevelopbouw, de hierin toegepaste materialen en getroffen voorzieningen (zoals ventilatieroosters) voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidwering zodat kan worden aangetoond dat een voldoende akoestisch binnenniveau bereikt kan worden. Van de gevels van de getoetste referentiewoningen (Wilhelminastraat 28, Frederikstraat 39, Beatrixstraat 1 en Julianastraat 1) kan worden gesteld dat de gevels voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidwering mits ook gebruik gemaakt is van de op de vergunningstekening aangegeven materialen en voorzieningen. Het volledige onderzoek is als bijlage toegevoegd. Invloed omgeving op initiatief In onderstaande tabel zijn nabij het plangebied gelegen bedrijven benoemd. Te zien is dat aan de richtafstanden wordt voldaan.
9
Onderzoek geluidwering gevels MFA Groene Long Sint-Oedenrode, De Roever Omgevingsadvies, 7 december 2022 (kenmerk: 20221407)
Hoofdstuk 4
41
Bedrijf
Adres
Bloembinderij
Pieter Christi-
de Keizers-
aanstraat 17
Bestemming
Milieucate-
Richtafstand
Afstand tot plange-
gorie
(m)
bied (m)
Detailhandel
1
0
37
Detailhandel
1
0
37
Horeca
1
0
37
kroon Jumbo
Pieter Christiaanstraat 11
Snackbar ’t
Pieter Christi-
Huuske
aanstraat 1
Tabel 4.3: Milieubelastende functies/bestemmingen in de omgeving van het plangebied
Invloed activiteiten onderling Voor het zorgen van voldoende isolatie en geluidwering (overdrachtsgeluid) van de verschillende functies binnen het MFA wordt aangesloten op de eisen vanuit het Bouwbesluit. Conclusie Er wordt niet overal voldaan aan de richtafstanden van de beoogde functies ten opzichte van omliggende woningen. Om inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van het planvoornemen op rondom gelegen woningen is een akoestisch onderzoek industrielawaai en vervolgens een onderzoek naar de gevelwering uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidniveaus ten opzichte van de huidige situatie iets zullen toenemen, maar dat gelet op de minimale overschrijding, de optredende binnenniveaus (die onder de 35dB blijven), het feit dat er al sprake is van diverse maatschappelijke voorzieningen in de huidige situatie (waaronder scholen met speelvoorzieningen), het feit dat de overschrijdingen alleen overdag plaatsvinden en de beperkte belastingen in de tuinen, de gemeente de optredende geluidniveaus aanvaardbaar acht. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en van een goede ruimtelijke ordening.
Daarbij worden de overschrijdingen veroorzaakt door spelende kinderen op het buitenterrein en dit geluid hoeft in het kader van de beoordeling aan het Activiteitenbesluit niet te worden meengenomen, maar is wel een afweging te maken in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Deze afweging is gemaakt. De omliggende overige bedrijven zijn op voldoende afstand tot de MFA gelegen.
4.9 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Het aspect geur bestaat uit twee delen, namelijk de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Aan de hand van deze aspecten wordt beoordeeld of ter plaatste geurhinder wordt ondervonden van nabijgelegen veehouderijen. Indirect heeft de regelgeving zoals opgenomen in de Wgv en het Activiteitenbesluit ook gevolgen voor het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen. Dit noemen we
Hoofdstuk 4
42
de 'omgekeerde werking'. Er moet aangetoond worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat wordt gekeken naar de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de gezamenlijke geurbelasting van alle rond een geurgevoelig object gelegen agrarische bedrijven. In de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat de kans op geurhinder in de bebouwde kom niet hoger mag zijn dan 12% (10 ouE/m³) en in het buitengebied niet hoger dan 20% (20 ouE/m³), tenzij er - indien blijkt dat de kans op geurhinder hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt, maar wel op een locatie waar in de huidige situatie ook een geurgevoelig object aanwezig is.
Per saldo zullen omliggende veehouderijen niet extra belemmerd worden door onderhavig plan. Daarbij komt dat het plangebied zich in de bebouwde kom van Sint-Oedenrode bevindt, en dat er reeds geurgevoelige objecten op kortere afstand van veehouderijen zijn gelegen. Deze meest nabijgelegen geurgevoelige objecten zijn maatgevend voor de veehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het verblijfklimaat. De meest nabijgelegen veehouderij met geuremissie bevindt zich op een afstand van circa 900 meter (Kinderbos 5) en zonder geuremissie op een afstand van circa 750 meter (Schijndelseweg 43). Dat er geen sprake is van geurhinder vanuit veehouderijen is te zien op de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (peildatum maart 2022) van de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. In onderstaande figuur is een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Te zien is dat de kwaliteit van de leefomgeving aangemerkt wordt als ‘zeer goed’.
Hoofdstuk 4
43
Figuur 4.2 Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (bron: atlas.odzob.nl, 2022)
4.10 Akoestiek (wegverkeerslawaai) Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied De beoogde bebouwing is niet gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone (200 meter) van omliggende wegen conform de Wet geluidhinder (Wgh). Voor de realisatie van geluidgevoelige objecten (zoals een school) binnen de wettelijke zone van wegen en in de nabijheid van andere 30 km/uur-wegen met een relatief hoge intensiteit is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
44
Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wenselijk. Om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting is op de gevels van het MFA ten gevolge van wegverkeerslawaai is door Buro Bouwfysica een akoestisch onderzoek 10 uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. De geluidbelasting van het wegverkeerslawaai op de gevels van de MFA is berekend. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt Lden = 52 dB ter plaatse van de oostgevel. Uit oogpunt van kwaliteit kan in aansluiting op de (formeel niet van toepassing zijnde) Wgh en te nog te realiseren geluidwering van de gevel, worden gesteld dat deze waarde acceptabel is.
4.11 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Om te bepalen of de ontwikkeling invloed heeft op de omgeving is de NIBM-tool ingevuld, zie figuur 4.3. In paragraaf 4.17 is de verkeersgeneratie berekend op basis van het beoogde programma.
In totaal bedraagt de totale verkeersgeneratie voor het kinderdagverblijf, de basisscholen, de sportzaal en de wijkfuncties afgerond 471 motorvoertuigen per etmaal. Deze totale verkeersgeneratie is hoger dan de extra verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige functies, maar is zorgvuldigheidshalve gebruikt voor de berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Uit de NIBM-tool volgt dat de totale verkeersgeneratie niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is.
10
Buro Bouwfysica, Akoestisch onderzoek RO procedure, 9 december 2022
Hoofdstuk 4
45
Figuur 4.3 Berekening NIBM-tool
Meetpunt
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
222059
13.9
16.8
6.0
9.6
2020
222060
13.8
16.8
6.0
9.6
2020
222017
13.9
16.8
6.0
9.6
2020
222018
13.8
16.8
6.0
9.6
2020
222015
13.2
16.7
6.0
9.6
2020
222016
13.2
16.7
6.0
9.6
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.4: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
(
Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. (tabel 4.4) zijn de achtergrondwaarden. De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben
Hoofdstuk 4
46
op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants11. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc.
11
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
47
Doorwerking plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4 uitsnede Risicokaart (plangebied met blauwe stip aangegeven)
Risicovolle buisleidingen Op circa 1,1 kilometer afstand van het plangebied bevindt zich de buisleiding ‘Z-544-01’ van de Gasunie. Deze buisleiding kent een 100%-letaliteitsafstand van 80 meter en een 1%-letaliteitsafstand van 150 meter. Het plangebied bevindt zich hierbuiten. De buisleiding vormt derhalve geen belemmering. Risicovolle transportroutes Op circa 1.380 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich de A50 (wegvak B132). Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De weg kent geen PR 10 -6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Wel worden er toxische en brandbare vloeistoffen over de weg vervoerd. Ten aanzien van deze stoffen geldt een invloedsgebied van 880 meter. Deze afstand ligt niet tot over het plangebied. De A50 vormt derhalve geen belemmering. Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied, aan de Schijndelseweg 19, bevindt zich Bongers tankstation B.V.. Hier bevindt zich een LPG tankstation met LPG reservoir en afleverinstallatie. Ten aanzien hiervan kent deze inrichting een invloedsgebied van 150 meter. De beoogde bebouwing bevindt zich op circa 340 meter.
Hoofdstuk 4
48
Aan de Dommelstraat 20, op circa 600 meter van de beoogde bebouwing, bevindt zich Zwembad de Neul. Hier bevindt zich bulkopslag van chloorbleekloog. Deze inrichting kent geen PR 10-6 risicoafstand. Het plangebied ligt op voldoende afstand. Tot slot bevindt zich ten noorden van het plangebied, aan de Zwembadweg 35-37 een camping. Hier wordt propaan opgeslagen in een bovengrondse tank (8000 liter) en vindt bulkopslag van chloorbleekloog (500 liter) plaats. Ten aanzien van de propaantank geldt een risicoafstand van 17 meter. De beoogde bebouwing binnen het plangebied zal op circa 750 meter worden gerealiseerd. Aan bovenstaande richtafstanden wordt voldaan. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘externe veiligheid’.
4.13 Hoogspanningslijnen Er zijn geen hoogspanningslijnen gelegen in de nabijheid van het plangebied. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn bevindt zich op circa 3.8 kilometer ten oosten van het plangebied. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.
4.14 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
4.15 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Er is geen specifieke wet- en regelgeving voor het meenemen van het aspect volksgezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Om de toetsing van gezondheid een volwaardige plaats te geven binnen de ruimtelijke ordeningspraktijk wordt de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ gehanteerd. In deze handreiking is een stappenplan opgenomen met betrekking tot veehouderijen. Deze kan ook gebruikt worden met betrekking tot de zogenoemde omgekeerde werking. Dat laatste houdt in dat wordt gekeken naar wat de eventuele effecten zijn van een toevoeging van milieugevoelige functies in de buurt van een veehouderij.
Hoofdstuk 4
49
Het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ is doorlopen. Onderstaand wordt dit stappenplan toegelicht. Stap 1: De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkenshouderijen (500 meter) en voor pluimveehouderijen (1000 meter). De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Oostelijke Randweg 2, op circa 1,39 kilometer van het plangebied. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen op het adres Corridor 3 (op circa 1,18 kilometer van het plangebied). Stap 2: Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammonia De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a-b: Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderhavige situatie is geen sprake van een overbelasting voor geur (zie paragraaf 4.9). Het is ook niet aannemelijk dat de gezondheidskundige normen worden overschreden. In paragraaf 4.9 is namelijk aangetoond dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is te zien dat het plangebied buiten geurcontouren van omliggende veehouderijen ligt.
Stap 4a-b: De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij In de toekomstige situatie zal er binnen het plangebied geen sprake zijn van een veehouderij waarbinnen bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden en zal met het planvoornemen niet de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf worden verkleind Stap 5a-b-c. Geitenbedrijf: binnen 2 kilometer afstand staan woon- of verblijfsruimten van derden. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden. Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Voor pluimveebedrijven; zie stap 1. Er zijn geen geitenhouderijen gelegen binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied. Ook zijn er geen overige veehouderijen gelegen binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied. Stap 6: De aanwezigheid van mestbe- of verwerking (verder mestbewerking) Er is geen sprake van mestbe- of verwerking bij omliggende (agrarische) bedrijven (al dan niet als nevenactiviteit). Stap 7. Ongerustheid bij omwonenden Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid. Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
50
4.16 Bomen In het kader van de voorgenomen planontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden wat het effect hiervan is op het huidige bomenbestand binnen het plangebied. Op basis hiervan kunnen eventuele maatregelen worden genomen om te voorzien in het duurzaam behoud van de bomen. Doorwerking plangebied Om na te gaan wat de effecten zijn op de bomen binnen het plangebied en aan de randen van het plangebied heeft Pius Floris een Boom Effect Analyse (BEA)12 uitgevoerd. De belangrijkste bevindingen zijn onderstaand beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen.
Figuur 4.5 Overzichtskaart BEA Advies
Tijdens de ontwikkelfase zijn voor drie bomen ingrijpende maatregelen nodig om de bomen te behouden. Voor zes bomen zijn specifieke maatregelen en voor drie bomen zijn beperkte maatregelen noodzakelijk voor duurzame handhaving/inpassing in het ontwerp. Door onoplosbare knelpunten is duurzame handhaving voor 28 bomen niet mogelijk. Voor de overige bomen zijn geen maatregelen nodig voor duurzame handhaving.
12
Pius Floris, Boom Effect Analyse, De Groene Long, Sint-Oedenrode, d.d. 7 maart 2022
Hoofdstuk 4
51
Ruimtelijk beslag Zonder aanpassing van het ontwerp wordt er ruimtelijk beslag gelegd op 28 bomen. Door de werkzaamheden is er sprake is van significante ondergrondse en bovengrondse schade. In dit kader is binnen het huidige ontwerp duurzame handhaving van deze bomen uitgesloten. Of op bomen 36 t/m 48, 55 en 56 ruimtelijk beslag wordt gelegd, hangt in grote mate af van de manier waarop de parkeergelegenheden worden ingetekend en aangelegd. De gegevens (boomkronen en stabiliteitskluiten) uit onderliggende BEA zouden gebruikt kunnen worden om een ontwerp te maken voor de parkeerplaats waarbij zoveel mogelijk bomen behouden kunnen blijven. Ingrijpende maatregelen Voor bomen 28, 29 en 54 zijn ingrijpende maatregelen nodig om deze duurzaam te behouden. Voor bomen 28 en 29 geldt dat deze zowel bij de sloop van de huidige bebouwing als de realisatie van de nieuwbouw op (zeer) korte afstand staan van de werkzaamheden. Tijdens de sloop van de huidige bebouwing dient van de bomen af gesloopt te worden. Hierbij dient nadrukkelijk rekening gehouden te worden met de boomkronen. Aangezien deze bomen gesnoeid moeten worden voor de realisatie van de nieuwbouw, wordt geadviseerd om deze snoei voor de sloop te laten plaatsvinden. De fundering dient gesloopt te worden onder toezicht van de boomtechnisch toezichthouder.
Tijdens de realisatie van de nieuwbouw komt de rand van het dak (4 meter hoog) op zeer korte afstand van de boomkronen van bomen 28 en 29. Geadviseerd wordt om voor aanvang van de werkzaamheden de boomkronen aan de onderzijde, onder toezicht van de boomtechnisch toezichthouder, te laten snoeien door een ETW gecertificeerd boomverzorger. Takken van minder dan 10 cm doorsnede kunnen verwijderd worden. Op deze manier wordt de kans op takbreuk verminderd. Snoei dient op een boomverantwoorde wijze te gebeuren en valt te allen tijde binnen de vergunningsvrije criteria (< 20% snoei). Om boom 54 te behouden dient in het ontwerp van de parkeervoorzieningen rekening gehouden te worden met minimaal de stabiliteitskluit (2,5m doorsnee) van deze boom. Bij voorkeur behoudt de boom de huidige groeiplaats onder de boomkroon. Specifieke maatregelen Voor duurzaam behoud van bomen 5, 12, 13, 15, 19 en 20 zijn specifieke maatregelen nodig. Een deel van de specifieke maatregelen voor deze bomen betreft het met de hand voorsteken van de graaflijnen voor de nieuwbouw en de speelplaats. Een aanzienlijk deel van de ondergrondse groeiruimte van deze bomen wordt aangetast/verwijderd. Mochten tijdens het voorsteken wortels met een diameter van meer dan 5 cm worden aangetroffen, dienen deze bij voorkeur behouden te blijven. Enkel in overleg met de toezichthouder bomen mogen deze worden afgezet.
Daarnaast geldt voor bomen 5, 12, 13, 19 en 20 dat de nieuwbouw bovengronds qua hoogte een knelpunt veroorzaakt met de boomkronen. Tijdens het veldwerk is gekeken of conflicten ontstaan met niet te verwijderen gesteltakken. Op basis van de aangereikte ontwerpen is dit niet het geval. Alvorens met de werkzaamheden wordt gestart dient in het veld de bouwlijn uitgezet te worden en de kronen van
Hoofdstuk 4
52
deze bomen gesnoeid te worden door een gecertificeerd ETW’er en onder toezicht van de boomtechnisch toezichthouder. Voor bomen 12, 13, 19 en 20 geldt dat er minimaal 7,5 meter +mv vrij moet zijn, voor boom 5 is dit 4 meter +mv. Ten aanzien van de bouwbuffer (gevellijn + 1,5m) moet geaccepteerd worden dat er niet snoeibare takken binnen deze zone blijven zitten. Hier zal omheen gewerkt moeten worden. In overleg met de toezichthouder wordt besloten welke takken wel/niet gesnoeid kunnen worden en op welke wijze de blijvende beschermd kunnen worden gedurende de werkzaamheden. Beperkte maatregelen Bomen 16 en 35 kunnen met behulp van beperkte maatregelen duurzaam behouden worden. Voor boom 16 geldt dat met de hand dient te worden voorgestoken voor de aanleg van de speelplaats. Mochten wortels worden aangetroffen met een diameter van meer dan 5 cm, dan dienen deze te worden opgenomen in het cunet onder de speelplaats. Voor boom 35 geldt dat de aan te leggen parkeervoorzieningen voor een beperkt deel overlappen met de kwetsbare boomzone. Tijdens de aanleg van de parkeervoorzieningen dient met de hand te worden voorgestoken. Mochten wortels worden aangetroffen met een diameter van meer dan 5 cm, dan dienen deze te worden opgenomen in het cunet. Boom 51 staat met de boomkroon op korte afstand van de theoretische bouwbuffer.
Het is mogelijk dat de boomkroon licht gesnoeid moet worden om bijvoorbeeld steigers te kunnen plaatsen. De snoei dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerd ETW’er. Geen ‘noemenswaardige’ maatregelen Voor de overige bomen zijn geen ‘noemenswaardige’ maatregelen noodzakelijk. Voor bomen 57 t/m 74 geldt dat deze niet het behouden waard zijn vanwege de kwaliteit en duurzaamheid, en verwijderd kunnen worden mocht dit nodig blijken. Bomenverordening gemeente Meierijstad In de bomenverordening van de gemeente Meierijstad is uitgewerkt welke regels gelden voor het kappen van bomen en het uitvoeren van werkzaamheden bij bomen. Onderdeel van de Bomenverordening is de Groene Kaart. Hierop is inzichtelijk welke waardevolle en monumentale bomen en structuren zich in de gemeente bevinden. Binnen het plangebied is één monumentale boom (gewone plataan) gevestigd. Daarbij is het gehele plangebied aangeduid als ‘Waardevol park’. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de monumentale boom. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanduiding ‘Waardevol park’. Hierbinnen geldt dat voor het kappen, aantasten of rooien van bomen die in het structuurvlak staan en die bovendien voldoen aan de criteria in de Bomenverordening van Meierijstad een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden. De criteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning luiden als volgt:
Hoofdstuk 4
53
Artikel 4 Criteria verlening omgevingsvergunning artikel 3 1. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een Beschermde houtopstand kan, mits alternatieven voor behoud zijn onderzocht, slechts bij uitzondering door het bevoegd gezag worden verleend indien: a. sprake is van een Monumentale houtopstand en een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of; b. sprake is van een Waardevolle houtopstand en een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of; c. sprake is van een boom met een stamomtrek van 30 cm die deel uitmaakt van een Hoofdgroenstructuur, Wijkgroenstructuur, bomenlaan of bomenrij en een algemeen maatschappelijk belang of zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de boom. 2. De omgevingsvergunning voor vellen kan tevens worden verleend: a. Indien de reden voor velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand in het kader van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is; b.
indien naar het oordeel van een boomdeskundige: 1) de verwachte levensduur van de houtopstand minder is dan 5 jaar of; 2) instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade of; 3) sprake is van noodzakelijke maatregelen tot behoud van de houtopstand, die niet vallen onder regulier periodiek onderhoud. Conclusie Op basis van bovengenoemde criteria en de uitgevoerde BEA dient bepaald te worden of een boom kan wijken ten behoeve van onderhavig initiatief.
4.17 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd.
Hoofdstuk 4
54
Doorwerking plangebied In het kader van de planvorming is door Goudappel een mobiliteitsonderzoek 13 uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen vermeld. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Voor de gebiedsindeling is aangesloten bij de parkeernormennota van de gemeente Meierijstad. De verkeersgeneratie van de huidige situatie is weergegeven in tabel 4.5. De toekomstige verkeersgeneratie14 is weergegeven in tabel 4.6
Tabel 4.5 Huidige verkeersgeneratie
Tabel 4.6 Toekomstige verkeersgeneratie
De toename is beperkt: (471 – 352=) 119 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze verdelen zich over de eerder genoemde routes: Frederikstraat – Wilhelminastraat – Julianastraat (51 motorvoertuigbewegingen per dagperiode en 9 motorvoertuigbewegingen per avondperiode).