CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: P05126_BP_MFA Groene Long, Sint Oedenrode_20230511

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'MFA de Groene Long Sint-Oedenrode'27.496 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode

Planstatus

Vastgesteld

Projectnummer

NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01

Datum

29 juni 2023

Bestemmingsplan MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode Gemeente Meierijstad Vastgesteld

Rapportnummer:

P05126_1

IMRO-identificatiecode:

NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01

Datum:

29 juni 2023

Opdrachtgever:

Gemeente Meierijstad

Projectteam BRO:

JRi, ADi, JvdA

Concept:

juni 2022

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

maart 2023

Vastgesteld:

29 juni 2023

Beknopte omschrijving:

Herziening bestemmingsplan ten behoeve van de transformatie van ‘De Groene Long’ in Sint-Oedenrode en het realiseren van nieuwbouw ten behoeve van de huisvesting van een multifunctionele accommodatie (MFA). Meierijstad

Bron foto kaft:

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie

8 8 10

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

15 15

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2 Provinciaal beleid

15 16 18

3.2.1 Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ 3.2.2 Interim Omgevingsverordening 3.3 Gemeentelijk beleid

18 18 20

3.3.1 Visie Meijerijstad 3.3.2 De Rooise Draad

20 21

4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Flora en fauna 4.5 Water 4.6 Bodem 4.7 (Ondergrondse) infrastructuur 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Geurhinder 4.10 Akoestiek (wegverkeerslawaai) 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Externe veiligheid 4.13 Hoogspanningslijnen 4.14 Spuitzones gewasbescherming 4.15 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

Inhoudsopgave

22 22 22 22 25 30 36 38 38 42 44 45 46 49 49 49

1

4.16 Bomen 4.17 Verkeer en parkeren

51 54

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de bestemmingen

57 57 57 60

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61 61 61

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

62 62 63 63

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Regiekaart Bijlage 2: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 3: Archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: AERIUS-berekening Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Akoestisch onderzoek wegverkeer en industrielawaai Bijlage 9: Akoestisch onderzoek gevelweging Bijlage 10: Boom Effect Analyse Bijlage 11: Mobiliteitsonderzoek Bijlage 12: Verslag Omgevingsdialoog Bijlage 13: M.e.r.-beoordelingsbesluit

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Onderhavig plan behelst de herbestemming en transformatie van ‘De Groene Long’ in Sint Oedenrode. Momenteel zijn hier de basisscholen OBS De Springplank en BS Kienehof en sportzaal De Kienehof gevestigd. De bebouwing ten behoeve van deze scholen en sportzaal is gedateerd en kwalitatief niet meer geschikt voor de functies onderwijs en sport. Om deze functies op deze locatie wel te kunnen voortzetten zijn in nauwe samenwerking tussen gemeente, basisscholen, kinderopvangorganisatie De Verbinding, Wijkraad KCK Rooi, de sportverenigingen, seniorenraad Meierijstad en Welzijn de Meierij plannen ontwikkeld om de scholen en sporthal te slopen en één multifunctionele accommodatie (MFA) te realiseren, dat naast ruimte voor onderwijs en sport, ook plaats biedt aan andere maatschappelijke functies zoals een wijkfunctie en kinderopvang. Naast de behoefte voor nieuwbouw die vanuit kwalitatief oogpunt bestaat, is de nieuwbouw van de scholen en sportzaal in combinatie met de vestiging van de wijkfuncties ook tot stand gekomen op basis van de wens het gebied klimaatbestendiger in te richten. Delen van het plangebied en de omgeving hiervan hebben in 2018 (een zeer droge zomer) onder water gestaan. Doelstelling is dan ook de wijk weerbaar te maken tegen langere periodes van droogte en tegen intensievere buien als gevolg van klimaatverandering.

Onderhavig planvoornemen is onderdeel van een integrale herinrichting van de wijk en draagt bij aan deze doelstelling. Het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Noord’. Conform dit bestemmingsplan rusten de enkelbestemmingen “Maatschappelijk”, “Sport”, “Verkeer en verblijfsgebied” en “Groen” op het perceel. Deze bestemmingen corresponderen functioneel gezien weliswaar met de beoogde situatie, maar de beoogde bestemmings- en bouwvlakken wijken af van de huidige situatie. Voor het plan dient een bestemmingsplan opgesteld te worden om de planologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de ‘Groene Long’ in Sint-Oedenrode, een groengebied met maatschappelijke functies, ingeklemd tussen woonbebouwing in de woonwijk ‘Kienehoef’. Het plangebied betreft een langgerekt gebied, grenzend aan de Pieter Christiaanstraat in het zuiden, de Julianastraat en Mauritsstraat in het westen, de Florisstraat in het noorden en de Mariannestraat in het oosten. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen gesitueerd. Het plangebied betreft de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Sint Oedenrode, sectie I, perceelnummers 4703, 6583 en 6857 (ged.). De totale oppervlakte van het plangebied is circa

Hoofdstuk 1

3

25.000 m2. In figuur 1.1 is een luchtfoto van de nabije omgeving en een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de globale ligging van het plangebied te zien is. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (plangebied geel omkaderd; bron: PDOK Viewer)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen (in zoverre relevant voor onderhavige ontwikkeling):  Bestemmingsplan “Sint-Oedenrode Noord” (vastgesteld op 15 april 2010 door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode).  “Paraplubestemmingsplan parkeren” (vastgesteld op 31 januari 2019 door de gemeente Meierijstad).  Bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit” (vastgesteld op 27 januari door de gemeente Meierijstad). Sint-Oedenrode Noord Conform het bestemmingsplan “Sint-Oedenrode Noord” is het plangebied bestemd als “Maatschappelijk”, “Groen”, “Sport” en “Verkeer en verblijf” met de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 3” en de gebiedsaanduiding “Wro-zone wijzigingsgebied (met nummer)”. Paraplubestemmingsplan parkeren Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met het “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad. Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit Tot slot is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ van kracht.

Dit plan is op 27 januari 2021 door de gemeente Meierijstad vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft tot doelstelling de verschillende regelingen en beleid opgesteld door de voormalige gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel (welke gefuseerd zijn tot de huidige gemeente Meierijstad) te bundelen. Hiermee worden procedurele lasten beperkt gezien regels gelijk worden gesteld en bepaalde zaken rechtstreeks worden toegestaan. Afwijking en nieuwe planologisch-juridische situatie De nieuwbouwplannen passen niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Voor de gewenste ontwikkeling is een functiewijziging van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied krijgt een bestemmingen ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Verkeer- Verblijfsgebied (VVB)’. Hoewel deze bestemmingen grotendeels overeenkomen met de huidige situatie, wijken de liggingen van de bestemmingen, alsmede de bouwvlakken binnen de bestemmingen af van de gewenste situatie. Om de deze nieuwe situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 1

5

Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Sint-Oedenrode Noord” (plangebied rood omkaderd; bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: één verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de voorschriften voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Achtereenvolgens is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de toekomstige ruimtelijk-functionele invulling van het gebied. Vervolgens is ingegaan op de beleidsinkadering, de milieu- en overige aspecten, sectorale onderzoeks- en analyseresultaten. Afgesloten wordt met het weergeven van de economische en maatschappelijke haalbaarheid en de te doorlopen procedure. Rapportages van uitgevoerde sectorale omgevingsonderzoeken (zoals akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, aanmeldnotitie m.e.r. e.d.) zijn als separate bijlagen bij deze toelichting gevoegd.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De Groene Long bevindt zich in de woonwijk de Kienehoef, ten noordwesten van de kern van Sint-Oedenrode. Zoals de naam al aanduidt, betreft het hier een groen gebied. De bebouwing is als het ware ingebed in het groene landschap. De bestaande bebouwing bestaat uit twee basisscholen (BS Kienehoef en OBS de Springplank) en sportzaal De Kienehoef. In het noorden van het plangebied is tevens een speeltuin gesitueerd. Deze bebouwing bestaat nu uit 3 gescheiden volumes, verspreid over het plangebied. Tussen de bebouwing, en langs de randen van de bebouwing bevinden zich groenstroken. Basisschool de Kienehoef heeft momenteel een oppervlakte van 1.237 m2 bvo en heeft 10 klaslokalen ter beschikking. Basisschool de Springplank heeft 6 klaslokalen en een oppervlakte van 1.317 m2 bvo. De sportzaal beschikt over een oppervlakte van 1.571 m2 bvo. In figuur 2.1 zijn impressies weergegeven van de huidige bebouwing in het plangebied.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.1 Impressie huidige situatie De Groene Long (boven: Basisschool de Springplank, midden: Sportzaal de Kienehoef, onder: Basisschool Kienehoef; bron: Google Streetview)

Hoofdstuk 2

9

2.2 Beoogde situatie Aangezien de bestaande school- en sportbebouwing gedateerd is en er tevens behoefte bestaat vanuit bewoners van de wijk aan een wijkfunctie, zijn er plannen opgesteld voor het amoveren van de bestaande bebouwing en het oprichten van één multifunctionele accommodatie (MFA). Beoogd wordt deze functies in één bouwvolume onder te brengen, waardoor de functies in synergie kunnen functioneren. De voorziening moet een plek zijn waar ontmoeten, cultuur, sport en onderwijs bij elkaar komen, waarbij het MFA de centrale verbinding is. De MFA bestaat uit een combinatie van twee basisscholen, kinderdagverblijf, wijkvoorziening en een microsporthal. Deze zijn in één bouwvolume ondergebracht. Het bouwvolume is in het zuidelijke uiteinde van De Groene Long gesitueerd, zo dat er een maximaal aaneengesloten oppervlak beschikbaar komt voor de mogelijke herinrichting als wijkpark, er ruimte blijft tussen het nieuwe bouwvolume en de bestaande bebouwing aan de Wilheminastraat om een wandelroute in het groen naar het wijkwinkelcentrum van Kienehoef te kunnen realiseren en de bestaande parkeerplaatsen van het, ten zuiden van de MFA gelegen, winkelcentrum optimaal benut kunnen worden middels medegebruik door de MFA. De microsporthal vormt het zuidelijk deel van het bouwvolume, de scholen en wijkvoorziening het noordelijke deel.

Onderstaand worden de verschillende functies toegelicht. Basisschool de Kienehoef en Springplank Basisschool de Kienehoef en de Springplank zijn voornemens meer in synergie samen te werken. Dit zal onder andere worden bewerkstelligd door het onderbrengen van de scholen onder één dak en het met elkaar delen van ruimtes. Dit levert daarbij een winst op in het benodigde ruimtebeslag. Basisschool de Kienehoef zal een oppervlak van circa 1.250 m2 bvo beslaan en de Springplank circa 800 m2 bvo. Tevens wordt er rekening gehouden met een extra 100 m2 voor de scholen in de toekomstige situatie aangezien het aantal leerlingen tot 2036 een toename aan leerlingen laat zien, wat resulteert in een behoefte aan extra ruimte. Ten opzichte van de huidige situatie zal het aantal klaslokalen toenemen. Basisschool de Kienehoef zal 10 groepsruimten krijgen, terwijl het aantal lokalen gelijk blijft voor basisschool de Springplank (6 lokalen). Vanuit de school is er een rechtstreekse uitloop naar de, ten noorden ervan gelegen, Groene Long. In de nabijheid van de school bestaat plek voor een “kiss and ride” voorziening in de Groene Long, die geen overlast geeft aan bestaande woningen. Kinderopvang Kinderopvang zal bestaan uit een peuteropvang, kinderdagopvang (voor kinderen van 0-4 jaar) en een buitenschoolse opvang.

In de MFA is er qua peuteropvang behoefte aan één volle groep van zestien kindplaatsen. Daarnaast zal er een groep voor de kinderdagopvang van 12 kindplaatsen komen en tot slot zullen er twee groepen à twintig kinderen buitenschoolse opvang komen. De kinderopvang zal in de toekomstige situatie een bvo van 177 m 2 beslaan. Wijkfuncties De wijk heeft behoefte aan ruimte(s) voor diverse activiteiten, waarbij gedacht wordt aan onder andere een servicepunt voor ouderen, een eetpunt, een buurtcafé, een hobbyclub, een repair café, cursussen

Hoofdstuk 2

10

en trainingen en ruimte voor dans en toneel. De wijkvoorziening zal volledig bestaan uit multifunctioneel te gebruiken ruimtes. Ook de ruimtes in te zetten voor bovengenoemde activiteiten kunnen deels worden gebruikt door de scholen en sportzaal. Zo kan een huiskamer worden gebruikt als sportkantine en kan een handvaardigheidslokaal worden ingezet als repair café of knutselruimte. De wijkfunctie zal in combinatie met de sportzaal maximaal 1.695 m 2 bedragen. Sportzaal De sportzaal zal door de basisscholen worden gebruikt ten behoeve van bewegingsonderwijs (gym) in combinatie met lokale sportclubs (mogelijk de basketbalvereniging en de badmintonvereniging). Mogelijk zullen er ook turnlessen worden gegeven in de sportzaal, mede afhankelijk van de realisatie van een valkuil. Tot slot zal er ook een dojo ruimte komen (voor het beoefenen van zelfverdedigingskunsten en vechtsporten). De microsporthal ligt het dichtst bij de bestaande parkeervoorziening bij het winkelcentrum. In de avonduren kan van de bestaande parkeerplaatsen gebruik gemaakt worden. Richtprogramma In onderstaande tabel zijn alle functies met bijbehorend richtprogramma in bvo’s overzichtelijk weergegeven. Het betreft hier nadrukkelijk een richtprogramma, waarbij uit wordt gegaan van bandbreedtes. In totaal wordt uitgegaan van een richtprogramma van in totaal circa 4.025 m 2 bvo, met een bandbreedte tot 4.100 m2 bvo.

Programma MFA De Groene Long

m² gebouw (BVO) (NB geen terrein)

Basisschool Kienehoef

1.250

Openbare basisschool de Springplank

800

Extra ruimte voor beide scholen

100

Kinderopvang de Verbinding

175

Sport en wijkfuncties

1.700

Totaal richtprogramma

4.025 (bandbreedte tot max 4.100)

Stedenbouwkundige visie In het kader van de nieuwbouw van de MFA zijn een aantal stedenbouwkundige kaders uitgewerkt. Onderstaand wordt hierop ingegaan. Verkeer en parkeren De bestaande woonomgeving zo min mogelijk belasten met het extra autoverkeer dat de MFA genereert is het basisuitgangspunt ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Het tweede uitgangspunt is dat de verkeersafwikkeling voor voetgangers, fietsers en auto’s zo georganiseerd wordt dat de MFA veilig en rechtstreeks bereikbaar is voor langzaam verkeer en dat auto’s kort geparkeerd kunnen worden om kinderen af te zetten of naar school te begeleiden:  Een “kiss and ride” voorziening realiseren waarbij gedacht kan worden aan het gedeelte van de Frederikstraat in de Groene Long. De Frederikstraat sluit rechtstreeks aan op de hoofdontsluitingsstraten door Kienehoef. Deze kiss and ride voorziening wordt duidelijk gemarkeerd, waardoor

Hoofdstuk 2

11

het voor automobilisten evident is dat deze aanwezig is en dat hier overstekende kinderen aanwezig kunnen zijn. Afstemmen van de situering van de entrees van de MFA met de verkeerssituatie. Dit ook met het oog op het creëren van een zo veilig en overzichtelijk mogelijke situatie.

Benodigde parkeercapaciteit wordt gerealiseerd door:  Zoveel mogelijk dubbel gebruiken van het parkeerterrein bij het winkelcentrum.  Door een mogelijke vergroting van dit parkeerterrein aan de noordzijde, mocht tijdens de in gebruik name van het nieuwe MFA blijken dat hier behoefte aan is. Bouwhoogte De maximale bouwhoogte voor het MFA betreft 12 meter. De hoogte loopt af naar een goothoogte van maximaal 8 meter langs de Wilhelminastraat en de Julianastraat. Bouwvolume in relatie tot de omgeving Het gebouw is in harmonie met de omgeving. De bebouwing in de omgeving bestaat grotendeels uit woningen van twee bouwlagen met kap. Harmonie met de omgeving is dan ook onder andere bewerkstelligd door:  Het afdekken van het gebouw met hellende dakvlakken (om aan te sluiten op de kappen in de omgeving).  Het gebouw gaat gradueel over in kleinere eenheden door middel van bijvoorbeeld hoogteverschillen en rooilijnverspringingen. Dit zorgt ervoor dat het gebouw niet oogt als één massaal bebouwingsblok en aansluit op de bebouwingsmassa van bebouwing in de omgeving.  Het creëren van een levendige architectonische expressie aan alle zijden van het gebouw en het inzetten van de situering en vormgeving van verschillende gebouwentrees als middel voor de architectonische expressie. Dit zorgt dat het gebouw ‘beleefbaar’ is vanuit de gehele omliggende woonwijk.

 Het toepassen van natuurlijke materialen zoals baksteen of hout en uitgevoerd in kleuren die harmoniëren met het omringende groen en bebouwing.  Het waar mogelijk opnemen van technische ruimten, installaties, dakdoorvoeren in het bouwvolume zodat deze niet zichtbaar zijn naar de omgeving. Buitenruimte In het kader van de inrichting van de buitenruimte worden een aantal uitgangspunten aangehouden:  De vormgeving van de speelplaats wordt afgestemd op de vormgeving van de Groene long. Voor de inrichting wordt een ontwerper ingeschakeld met expertise in het ontwerpen van speelterreinen.  Verharding waar het moet, groen waar het kan.  Hekken/omheining alleen daar waar het moet en bij voorkeur in de vorm van een haag.  Benodigde gebouwde voorzieningen, zoals vuilcontainerruimtes, opbergruimten speeltoestellen en fietsenstallingen worden bij voorkeur in het gebouw gemaakt. Waar dit echt niet mogelijk is worden ze ontworpen door de architect van de school. Dit geldt ook voor hekwerken en andere voorzieningen op het schoolterrein.

Hoofdstuk 2

12

   

Een klimaatadaptieve inrichting is reeds gerealiseerd; het hemelwater wordt bovengronds afgekoppeld en naar de omliggende infiltratieriolering geleid. Bestaande bomen (die niet in conflict zijn met het nieuwbouwplan) voldoende ruimte geven, kroonprojectie vrijhouden. Zorg voor voldoende schaduw op het schoolplein door nieuwe bomen. Speelplaats wordt indien mogelijk en indien overeengekomen met de schoolbesturen ook openbaar toegankelijk houden.

In onderstaande figuur (figuur 2.2) is het voorlopig ontwerp weergegeven. In de figuur op navolgende pagina (figuur 2.3) is de regiekaart van de ontwikkeling weergegeven. De regiekaart vormt de basis voor de omgevingsonderzoeken en de verbeelding. In de regiekaart zijn de stedenbouwkundige kaders opgenomen en is de maximale planologische invulling van het plangebied vertaald. Ook zijn de uitgangspunten vanuit de herinrichting voor de Groene Long meegenomen; namelijk dat het gebied klimaatbestendiger ingericht dient te worden, met ruimte voor waterberging, spelen en groen. Met de ontwikkeling zal het verhard oppervlak licht afnemen en er worden maatregelen genomen waarmee water langer vastgehouden kan worden (zie ook paragraaf 4.5 ‘Water’).

Figuur 2.2 Voorlopig ontwerp (Bron: Thomas Architecten)

Hoofdstuk 2

13

Figuur 2.3 Regiekaart

Hoofdstuk 2

14

3.

BELEIDSKADER Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de van belang zijnde beleidsuitgangspunten van de diverse overheidsinstanties.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. De NOVI is per 11 september 2020 in werking is getreden. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes, welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en

Hoofdstuk 3

15

vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien wordt de woning landschappelijk ingepast en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Doorwerking plangebied Het onderhavig plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het beleid inzake het realiseren van een multifunctionele accommodatie wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.

Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

Hoofdstuk 3

16

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Momenteel is reeds een behoorlijk areaal aan maatschappelijke functies en sportfuncties mogelijk binnen het plangebied. De schoolbebouwing beslaat een oppervlak van 2.590 m 2 bvo (en beschikt over in totaal 16 klaslokalen) en de sportzaal beslaat een oppervlak van 1.571 m2 bvo. In de toekomstige situatie zal het bvo van de schoolbebouwing afnemen tot circa 2.150 m2 bvo. Deze afname wordt met name teweeg gebracht door het deelgebruik van de basisscholen van enkele gezamenlijke ruimten. Het aantal klaslokalen zal wel toenemen (naar in totaal 16 klaslokalen). Het bvo van de sportzaal zal ook enigszins afnemen, tot 1.138 m 2 bvo.

Als hier de ruimten voor de dojo en het turnen bij worden opgeteld, gaat het om circa 1.553 m 2 bvo aan sportfaciliteiten. Wel worden nog enkele andere functies aan het plangebied toegevoegd, te weten een kinderopvang (circa 177 m2 bvo), een wijkfunctie (circa 113 m 2 bvo) en een facilitaire ruimte (circa 30 m 2 bvo). In totaal zullen deze toekomstige maatschappelijke functies (de hiervoor beschreven functies inclusief de scholen) een oppervlak van 4.100 m2 bvo beslaan. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Noord’ bestaat reeds de mogelijkheid om de bouwvlakken (van totaal circa 3.666 m2) waarbinnen de huidige scholen zijn gesitueerd volledig te bebouwen tot een hoogte van 8 meter (theoretisch gezien zijn er dus twee verdiepingen mogelijk). Ook de huidige sportbestemming mag volledig bebouwd worden (1.970 m 2) tot een hoogte van 8 meter. Planologisch gezien is dus in zekere zin reeds rekening gehouden met de (grootte van de) toekomstige functies. Op basis van het bovenste wordt onderhavige ontwikkeling, gezien de aard en omvang van het planvoornemen, niet gezien als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De functies zijn reeds mogelijk in het plangebied en de planologisch gezien zijn de huidige bebouwingsmogelijkheden ruimer dan de toekomstige beoogde bebouwing.

Het initiatief voldoet wel aan de kaders van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking; het gaat hier om een transformatie in bestaand stedelijk gebied (wat tevens inhoudt dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik) en er bestaat behoefte aan het nieuwbouwplan. De bestaande school- en sportbebouwing is gedateerd, waardoor de behoefte is aan kwalitatief goede voorzieningen. Daarbij komt ook dat de scholen de Kienehoef en de Springplank voornemens zijn in synergie samen te werken en ze dan

Hoofdstuk 3

17

ook graag onder één dak gehuisvest worden. Tot slot heeft de omgeving aangegeven meer voorzieningen te willen waarbij ontmoeting centraal staat. In dit kader worden er wijkfuncties mogelijk gemaakt binnen het MFA. Programma MFA De Groene Long

m² gebouw (BVO) (NB geen terrein)

Basisschool Kienehoef

1.250

Openbare basisschool de Springplank

800

Extra ruimte voor beide scholen

100

Kinderopvang de Verbinding

175

Sport en wijkfuncties

1.700

Totaal richtprogramma

4.025 (bandbreedte tot max 4.100)

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’

Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De nieuwbouw van de scholen en sportzaal in combinatie met de vestiging van de wijkfuncties is tot stand gekomen op basis van onder andere de wens het gebied klimaatbestendiger in te richten. Delen van het plangebied en de omgeving hiervan hebben in 2018 (een zeer droge zomer) onder water gestaan. Doelstelling is dan ook de wijk weerbaar te maken tegen langere periodes van droogte en tegen intensievere buien als gevolg van klimaatverandering. Bijkomend zal dan ook de Dommel minder zwaar belast worden met overstortwater vanuit de wijk. Ook is de ontwikkeling in lijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan.

In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in lijn is met de omgevingsvisie. 3.2.2

Interim Omgevingsverordening

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor

Hoofdstuk 3

18

de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening als ‘Stedelijk gebied’ en ‘Landelijke kern’ zijn aangeduid.

De volgende artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. Daarnaast is sprake van een inbreidingsplan en transformatieopgave in stedelijk gebied.

Eén van de uitgangspunten van het plan betreft de klimaatadaptieve inrichting van de ruimte. De wijk moet weerbaar gemaakt worden tegen langere periodes van droogte en tegen intensievere buiten als gevolg van

Hoofdstuk 3

19

klimaatverandering. Daarnaast moet ervoor gezorgd worden dat de Dommel ontlast wordt en minder overstortwater hoeft te verwerken. Om dit te bewerkstelligen wordt het gebied klimaatrobuuster ingericht. Dit wordt onder andere gedaan door het vasthouden van water in het gebied, het aanvullen van grondwater en het creëren van vertraging om het water later in de Dommel te laten stromen. Ook moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving. Een goede omgevingskwaliteit wordt enerzijds bewerkstelligd door het creëren van een plek waar ontmoeting en sociale cohesie centraal staan, maar ook door een gezonde leefomgeving te garanderen. In hoofdstuk 4 ‘omgevingsaspecten’ zal nader worden ingegaan op het garanderen van deze gezonde leefomgeving. De voorgestane ontwikkeling is in lijn met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Visie Meijerijstad In de ‘Visie Meierijstad’ wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers- en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Een veilige woon- en werkomgeving staat voorop, evenals een duurzame leefomgeving. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt ingezet op bovenstaande uitgangspunten.

Er wordt sterk ingezet op verbetering van dit deel van Sint-Oedenrode. Het gaat hier zowel om verbetering van de bestaande onderwijs- en sportvoorzieningen als een verbetering van het openbare gebied, waardoor sprake is van een duurzame leefomgeving. Er wordt ingezet op het realiseren van sportfaciliteiten die voorheen nog niet aanwezig waren (zoals een valkuil voor het turnen en een ruimte voor een dojo) en het efficienter inrichten van de schoolbebouwing voor de basisscholen De Springplank en de Kienehoef. Gezamenlijk met deze ontwikkelingen wordt het openbaar gebied ingericht, waarbij wordt ingezet op een

Hoofdstuk 3

20

vergroening hiervan. Door de clustering van de sport- en schoolbebouwing zal er meer ruimte zijn voor vergroening in het openbaar gebied ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad. 3.3.2 De Rooise Draad Tevens is in 2005 het visiedocument ‘De Rooise Draad’ opgesteld. Hierin is de strategische visie opgenomen tot 2020. Onderstaand zijn voor de onderwerpen sport, onderwijsvoorzieningen en recreatie enkele uitgangspunten van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode (opgenomen in dit visiedocument) beschreven. Sport De bevolking van Sint-Oedenrode voelt zich thuis en is nauw verbonden met het dorp en met elkaar. De verschillende sportverenigingen binnen de kern spelen hierin een grote rol. Het (sport)verenigingsleven brengt mensen samen en zorgt voor sociale cohesie. De voormalige gemeente Sint-Oedenrode had de doelstelling sport te stimuleren en aanwezige sportvoorzieningen te behouden. Onderwijsvoorzieningen De voormalige gemeente Sint-Oedenrode vond het belangrijk te investeren in onderwijsvoorzieningen. Groen, recreatie Daarnaast bestond de wens van de gemeente om het dorp zo groen mogelijk te houden. Voorwaarde hiervoor is dat de kwaliteiten ook daadwerkelijk beleefd kunnen worden.

Randvoorwaarde is onder andere een aantrekkelijk en helder recreatief wandel- en fietspadennetwerk in de gemeente, langs aantrekkelijke gebieden en naar het buitengebied. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt ingezet op bovenstaande uitgangspunten. Er wordt sterk ingezet op verbetering van dit deel van Sint-Oedenrode. Het gaat hier zowel om verbetering van de bestaande onderwijs- en sportvoorzieningen als een verbetering van het openbare gebied. Er wordt ingezet op het realiseren van sportfaciliteiten die voorheen nog niet aanwezig waren (zoals een valkuil voor het turnen) en het efficiënter inrichten van de schoolbebouwing voor de basisscholen De Springplank en Kienehoef. Gezamenlijk met deze ontwikkelingen wordt ruimte gecreëerd om het openbaar gebied te herinrichten, waarbij zal worden ingezet op een vergroening hiervan. Door de clustering van de sporten schoolbebouwing zal er meer ruimte zijn voor vergroening in het openbaar gebied ten opzichte van de huidige situatie.

Hoofdstuk 3

21

4.

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een initiatief ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.2 M.e.r.-plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling1 opgesteld en deze is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Er is een gemeentelijk besluit genomen waarin is aangegeven dat voor de verdere planvorming van voorliggend initiatief geen milieueffectrapportage wordt vereist. Dit besluit is als bijlage opgenomen.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van

1

BRO, Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode, 15 december 2022

Hoofdstuk 4

22

objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied archeologie De onderzoekslocatie ligt, op basis van het bestemmingsplan “Sint-Oedenrode Noord” binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Binnen voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw met niet meer dan 100 m² wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Het gaat hier weliswaar om herbouw van bestaande school, maar de positie zal dusdanig veranderen dat er sprake is van ruimtelijke wijziging van de bebouwing. Daarnaast zullen ook de dieptemarges worden overschreden. Conform het gemeentelijk beleid is dus archeologisch onderzoek nodig. Derhalve heeft Econsultancy een archeologisch bureau- en booronderzoek2 uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste bevindingen vermeld.

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen. De kans op het aantreffen van archeologische indicatoren uit deze perioden is hoog voor de gebieden binnen het plangebied die liggen op een dekzandrug. Voor dezelfde perioden geldt voor de dekzand-

2

Econsultancy, Archeologisch bureau- en booronderzoek Frederikstraat te Sint-Oedenrode, d.d.21 juni 2022

Hoofdstuk 4

23

vlakte een lage verwachting, dit was in het verleden een te nat gebied om te kunnen vestigen. De latere perioden hebben ook een lage archeologische verwachting gekregen. Het plangebied lag in de Late-Middeleeuwen en tot de tweede helft van de 20e eeuw namelijk ver van doorgaande wegen af. De eventueel aanwezige archeologische resten zijn afgedekt met een eerddek, welke is opgebracht vanaf de Late-Middeleeuwen. De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. Resultaten inventariserend veldonderzoek In slechts één boring is de bodem boven de C-horizont nog deels intact. In boring 16 is namelijk een dun restant van een esdek met hieronder een lichtgeelbruin restant van een BC-horizont van een veldpodzolbodem. Aangezien het hier slechts om één boring gaat, die bovendien gelegen is binnen de zone waar volgens de geomorfologische kaart een dekzandvlakte aanwezig is, wordt niet verwacht dat ter plaatse behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan worden teruggebracht naar laag voor alle perioden. Het gebied is in zijn geheel verstoord en hoge enkeerdgronden zijn niet meer (intact) aangetroffen.

Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven. Doorwerking plangebied cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de Meierij, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang, en het Groene Woud, een van cultuurhistorisch waardevol landschap. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Kenmerkend voor het Groene Woud is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Met de ontwikkeling van de MFA worden de waarden van de Meierij en het Groene Woud niet geschaad.

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

24

4.4 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’.

Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Hoofdstuk 4

25

Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Quickscan flora en fauna Door BRO is een quickscan flora en fauna3 uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste bevindingen vermeld. Wettelijke gebiedsbescherming Sint-Oedenrode is gelegen op ruime afstand van Natura 2000-gebieden.

Het meest nabijgelegen (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied is “Kampina & Oisterwijkse Vennen” gelegen op circa 10,5 km ten westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuwe multifunctionele maatschappelijke accommodatie betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Deze stikstofdepositieberekening4 is uitgevoerd en opgenomen in de bijlagen. Zowel de bouwfase als de gebruiksfase is berekend. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij beide fases geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming

3 4

BRO, Quickscan flora en fauna De Groene Long te Sint-Oedenrode, d.d. 2 juni 2022 BRO, AERIUS-berekening MFA Groene Long, Sint-Oedenrode, 15 december 2022

Hoofdstuk 4

26

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 375 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Voor het kappen, aantasten of rooien van bomen binnen het plangebied en die voldoen aan de criteria in de Bomenverordening van Gemeente Meierijstad dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De criteria zijn opgenomen in artikel 5 van de bomenverordening, zie onderstaand. Artikel 5 Velverbod overig Het is verboden, onverminderd het gestelde in artikel 3 eerste lid, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen.

Het gaat om de volgende houtopstanden: a) op de Groene Kaart aangewezen solitaire houtopstand met een stamomtrek van minimaal 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld; b) op de Groene Kaart aangewezen boomvlakken of landschapselementen; c) houtopstand aangeplant op grond van artikel 11 en 12 (hieronder vallen bijvoorbeeld bomen die zijn geplant op grond van een herplant- of instandhoudingsplicht); d) houtopstand aangelegd op grond van overeenkomst publiekrechtelijk bestuursorgaan. Er is een Boomeffectanalyse opgesteld waarin is aangegeven op welke bomen ruimtelijk beslag wordt gelegd vanwege het nieuwbouwplan (zie paragraaf 4.16 voor een toelichting hierop). Toetsing soortenbescherming In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

27

Soortgroep

Algemeen

Potentieel

Sprake van

aanwezig

overtreding

Ja

Te voorkomen

Broedv ogels

Jaarrond

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Plangebied buiten broedseizoen

Globale broedseizoen loopt van

bouwrijp maken of controle vooraf

maart tot half augustus

Nee

Nee

-

-

Ja

Te voorkomen

Vervolgonderzoek naar gebruik

Bij aanwezigheid is voor de sloop

van sportzaal de Kienehoef door

een ontheffing nodig

beschermd VerbliVleer-

jfplaatsen

muizen

vleermuizen Foerageer-

Ja

Te voorkomen

habitat

Licht heeft een verstorende werking

gaand groen dient te worden ver-

op vleermuizen

meden

Vliegroutes Grondgebonden zoog-

Licht gericht of uitstralend op op-

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

dieren

Heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Tabel 4.1 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop van sportzaal de Kienehoef zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Dit onderzoek is uitgevoerd (zie hierna) en hieruit volgt dat binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort zijn waargenomen;  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

Hoofdstuk 4

28

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Vervolgonderzoek Sportzaal de Kienehoef Er is protocollair vervolgonderzoek naar vleermuizen voor sportzaal De Kienehoef uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. Uit het onderzoek volgt dat binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort zijn waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus, gierzwaluw en een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: 

De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;

Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.

Sporenonderzoek OBS de Springplank Op basis van de quickscan flora en fauna was ook niet uit te sluiten dat er overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort konden voorkomen bij de sloop van OBS de Springplank. In dit kader is een sporencontrole vleermuizen uitgevoerd en is hiertoe een notitie opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Uit de resultaten blijkt dat in 6 van de 12 open stootvoegen spinrag is aangetroffen direct in de open stootvoeg, wat duid op geen recent gebruik van deze open stootvoegen door vleermuizen. In de overige open stootvoegen is geen spinrag aanwezig, en deze zijn toegankelijk voor vleermuizen. Er zijn geen sporen in de vorm van uitwerpselen of haren van vleermuizen aangetroffen in de ruimten achter de open stootvoegen. Achter alle open stootvoegen is isolatiemateriaal aangetroffen, en veelal was spinrag aanwezig binnen de ruimten in de spouw. Tijdens de controle zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen in de ruimten achter de open stootvoegen. Bij het uitvoeren van voorgenomen plannen zullen er redelijkerwijs geen rust- of verblijfplaatsen van een gebouwbewonende vleermuissoort verloren gaan. De zorgplicht is echter altijd geldend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b7ed6b18-bbcd-4be6-9a07-3f1e611faf04