Bijlage 1: P05126_Bijlagenboek BP MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode_20230511
Tekst van het document
Bestemmingsplan
MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode Bijlagenboek
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode_bijlagen
Planstatus
Vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Datum
29 juni 2023
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Regiekaart
6
Bijlage 2
Aanmeldingsnotitie m.e.r.
8
Bijlage 3
Archeologisch bureau- en booronderzoek
21
Bijlage 4
Onderzoeken Ecologie
87
Bijlage 5
AERIUS-berekening
120
Bijlage 6
Waterparagraaf
142
Bijlage 7
Verkennend bodemonderzoek
162
Bijlage 8
Akoestisch onderzoek wegverkeer en industrielawaai
269
Bijlage 9
Akoestisch onderzoek gevelwering
390
Bijlage 10
Boom Effect Analyse
426
Bijlage 11
Mobiliteitsonderzoek
453
Bijlage 12
Verslag omgevingsdialoog
475
Bijlage 13
M.e.r. beoordelingsbesluit
478
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 3 van 481
Datum:29-06-2023
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 4 van 481
Datum:29-06-2023
Bijlagen bij toelichting
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 5 van 481
Datum:29-06-2023
Bijlage 1 Regiekaart
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 6 van 481
Datum:29-06-2023
+ + +
Profiel MFA Groene Long 1:500 +
+
+
+
H max 12.00 m
+
+
+ +
H max 9.00 m
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
H max 9.00 m
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
9.00 m
7.50 m
+
+
+ +
4.00 m
+ +
+
+ +
+
+
+ +
+ + + +
+
+
+22.50 m
+ +
+ +
+
7.50 m
+ +
22.50 m
10.00 m
32.00 m
+ +
+
+
+ +
+ +
+
+
+
+
+ +
+
+ +
+
+ +
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+
+
+ + +
+
+
+
+ +
+
+ +
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+ +
+
+ +
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
G
+
+ +
+
+ +
+
+ +
+
+ +
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Legenda
+ +
+
+
Maatschappelijk - sport - onderwijs - wijkfuncties/ ontmoetingsruimte - kinderopvang
M
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+
+ + +
+
+
+
+ +
+
+ +
Groen - groen - waterberging - paden langzaamverkeer
+
+
+
+
+
G
+
+ +
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
(os)
+
(os) - auto te gast - kiss & ride - parkeren
G +
(sp)
+
+
+
+
+
+ + +
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+ + +
4.0 9.0
9.0
+
+
12.0
7.5 9.0
+
+
+
+
M
+
Te slopen bebouwing
+
+
+
+
+
+
+
Speelplaats +
+
+
+
Bouwvlak
+
+
+
+
+
+
+
+
Verkeer- Verblijfsgebied (V-VB)
(sp)
+
+
+
V- VB
+
+
+
+
+
+ +
5m
+
+
5m
,5 m
22
Boom met kroonprojectie +
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
V-VB
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
G
+
+
+
+ +
Bijgebouwen buiten bouwvlak - max. 150 m2 bijgebouwen - goothoogte max. 3 m - bouwhoogte max. 4.5 m - bergingen mogen niet buiten de zijgevelrooilijnen (rooilijnen langs de twee straten) van het schoolgebouw worden geplaatst
+
+
+
+
+ +
+
+
+
Bouwhoogte
12
+
7,5 m
+
+ +
+
+
+ + + +
Gemengd gebied
+
+ +
+
+
Gevellijn, goot- en bouwhoogte max. 4 m
+
+
+ +
+
+
+ +
+ +
+
+
+ +
+ + +
+ +
+
+
+
+
gemengd gebied
+
+
+ +
+
+ +
+
+
+
+
+ +
Regiekaart MFA De Groene Long Sint-Oedenrode
+
+
+
+
Gemeente Meierijstad
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+
Datum: februari 2022
Schaal: 1:1500
Getekend: IB
Formaat: A3S
Tekeningnr.:
Projectnr.: P05126
+
www.bro.nl +
info@bro.nl +
+
+
telefoon +31 (0)411 85 04 00 + +
+
+
Bosscheweg 107 Boxtel
N
Bijlage 2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 8 van 481
Datum:29-06-2023
Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode Gemeente Meierijstad <Status>
colofon
titel rapport Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode datum 15 december 2022 projectnummer P05126 opdrachtgever Gemeente Meierijstad BRO Projectleider AD, JR Projectteam LvK bron Kaft BRO
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
“Als we anderen de ruimte niet gunnen zullen we zelf steeds meer opgesloten raken.” Prof. Hans Galjaard
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Inleiding 1.2 Toetsing besluit m.e.r. 1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.4 Leeswijzer
3 3 3 3 3
2
Effecten op milieu 2.1 Inleiding 2.2 Kenmerken van het project 2.3 Plaats van het project 2.4 Kenmerken van het potentiële effect
4 4 5 7 9
3
VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING
10
donderdag 15 december 2022
2
1 Inleiding Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
1
Inleiding
1.1
Inleiding
Onderhavig plan behelst de herbestemming en transformatie van de ‘Groene Long’ in Sint Oedenrode. Momenteel zijn hier
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.
1.4
de basisscholen OBS De Springplank en BS Kienehof en sportzaal De Kienehof gevestigd. De bebouwing ten behoeve van deze scholen en sportzaal is gedateerd en kwalitatief niet meer geschikt voor de functies onderwijs en sport. Om deze functies op deze locatie wel te kunnen voortzetten zijn in nauwe samenwerking tussen gemeente, basisscholen, kinderopvangorganisatie De Verbinding, Wijkraad KCK Rooi, de sportverenigingen, seniorenraad Meierijstad en Welzijn de Meierij plannen ontwikkeld om de scholen en sporthal te slopen en één multifunctioneel gebouw te realiseren, dat naast ruimte voor onderwijs en sport, ook plaats biedt aan andere maatschappelijke functies zoals een wijkcentrum en kinderopvang.
1.2
Procedure De gemeente (het bevoegd gezag) neemt binnen 6 weken na ontvangst van de aanmeldingsnotitie (mededeling) een beslissing of een MER gemaakt moet worden.
De ontwikkeling van de MFA is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldings-notitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 vormt de aanmeldingsnotitie, hoofdstuk 3 vormt de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de plaats waar de activiteit plaatsvindt, o.a. in relatie tot gevoelige gebieden ; b. de kenmerken van de activiteit ; c. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. d. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie).
Toetsing besluit m.e.r.
Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.
donderdag 15 december 2022
1.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.
3
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
2
Effecten op milieu
2.1
Inleiding
In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het ruimtelijke plan. In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Tabel 1 Kenmerken van het project Kenmerken van het project
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële project
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
donderdag 15 december 2022
4
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
2.2
Kenmerken van het project
donderdag 15 december 2022
5
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
Tabel 2
Kenmerken van het project
Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2,5 hectare. Het project betreft de realisatie van een nieuwe multifunctionele accommodatie (MFA) met onderwijs- en sportvoorzieningen.
Cumulatie met andere projecten
N.v.t.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t., Na realisatie van het MFA zal geen sprake zijn van het permanent gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Het gebouw wordt bijna energieneutraal opgeleverd (BENG).
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. MFA (met onderwijs- en sportvoorzieningen, een wijkcentrum en kinderopvang) aanwezig in het plangebied. Deze veroorzaken geen verontreiniging en hinder buiten de reguliere effecten van een gebouw ten behoeve van onderwijs- en sportfuncties, wijkactiviteiten en een kinderdagopvang. Akoestiek wegverkeer: De beoogde bebouwing is niet gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone (200 meter) van omliggende wegen conform de Wet geluidhinder (Wgh). Voor de realisatie van geluidgevoelige objecten (zoals een school) binnen de wettelijke zone van wegen en in de nabijheid van andere 30 km/uur-wegen met een relatief hoge intensiteit is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wenselijk. De geluidbelasting van het wegverkeerslawaai op de gevels van de MFA is berekend. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt Lden = 52 dB ter plaatse van de oostgevel. Uit oogpunt van kwaliteit kan in aansluiting op de (formeel niet van toepassing zijnde) Wgh en te nog te realiseren geluidwering van de gevel, worden gesteld dat deze waarde acceptabel is. Bedrijven en milieuzonering (akoestiek industrielawaai): Er wordt niet overal voldaan aan de richtafstanden van de beoogde functies ten opzichte van omliggende woningen.
Om inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van het planvoornemen op rondom gelegen woningen is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidniveaus ten opzichte van de huidige situatie iets zullen toenemen, maar dat deze wel acceptabel kunnen worden geacht, gezien de beperkte overschrijding, de beperkte belastingen in de tuinen en de huidige aanwezigheid van maatschappelijke voorzieningen. Uit uitgevoerd gevelweringsonderzoek blijkt bovendien dat de optredende binnenwaarden in de omliggende woningen acceptabel zijn. In het kader van de verdere planuitwerking zal worden gekeken naar eventuele maatregelen die genomen kunnen worden ten aanzien van het industrielawaai (speelplein, dakinstallatie, hoge geluidniveaus op de gevel van de MFA zelf, als gevolg van spelende kinderen op het speelplein). Luchtkwaliteit: Er is onderzoek uitgevoerd naar het effect op de luchtkwaliteit door de ontwikkeling van de MFA. Uit het onderzoek volgt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling voor luchtkwaliteit die is opgenomen in de Wet milieubeheer. De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Externe veiligheid: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes waarvan de risicoafstanden tot over het plangebied reiken.
Met het planvoornemen wordt ook geen risicobron gerealiseerd. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen. Ecologie: Het plangebied bevat potentiële ecologische waarden. Met betrekking tot de sloop van sportzaal de Kienehoef zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Dit onderzoek is afgerond en hieruit volgt dat er geen vleermuizen zijn aantroffen. Op basis van de quickscan flora en fauna was ook niet uit te sluiten dat er overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort konden voorkomen bij de sloop van OBS de Springplank. In dit kader is een sporencontrole vleermuizen uitgevoerd. Tijdens de controle zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen in de ruimten achter de open stootvoegen. Bij het uitvoeren van voorgenomen plannen zullen er redelijkerwijs geen rust- of verblijfplaatsen van een gebouwbewonende vleermuissoort verloren gaan. Ten aanzien van vleermuizen dient tevens licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden. Ook dienen nestgelegenheden buiten het broedseizoen te worden verwijderd of dienen broedgevallen uitgesloten te worden.
Tot slot dient voldoende zorg te worden gedragen voor aanwezige individuen in het kader van de algemene zorgplicht.
donderdag 15 december 2022
6
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
Criteria
Toets Stikstofdepositie: het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is de ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ (op circa 10,6 kilometer afstand). Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de de bouw-, aanleg- en sloopfase alsook de gebruiksfase. Uit stikstofberekeningen volgt dat vanwege het plan een stikstofdepositiebijdrage berekend wordt van ten hoogste 0,00 mol N/ha/jaar voor de gebruiksfase. Er is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie. Er is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie. Water: Uit de opgestelde waterparagraaf blijkt dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect water. Speerpunt bij de te realiseren bebouwing en de herinrichting van het (omliggende) gebied is dat het gebied klimaatadaptiever wordt ingericht. In de waterparagraaf wordt toegelicht dat het verhard oppervlak licht zal afnemen en er worden maatregelen benoemd waarmee water langer vastgehouden kan worden. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden bekeken welke maatregelen worden genomen. Bodem: De algemene milieuhygiënische bodemconditie vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Op basis van de analyseresultaten wordt de opgestelde onderzoekshypothese ‘onverdachte locatie’ voor de onderzoekslocatie verworpen. Echter, na uitvoering van aanvullend onderzoek is een beter beeld van de verontreinigingssituatie verkregen.
Uitvoeren van verder aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen. De ontwikkeling omvat tot slot geen activiteiten die de kwaliteit van de bodem verslechteren. Geur: In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het verblijfklimaat. Dit is tevens te zien op de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (peildatum maart 2022) van de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit betreffende kaart blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving aangemerkt wordt als ‘zeer goed’. De ontwikkeling omvat geen activiteiten die geur(overlast) naar de omgeving veroorzaken. Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen: Het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ is succesvol doorlopen. Een advies van de GGD is daarom niet noodzakelijk. Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen zorgt niet voor belemmeringen.
Risico van ongevallen
Er is met de realisatie van de MFA geen sprake van een nieuwe risicobron.
2.3
Tabel 3
Plaats van het project
Plaats van het project
Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Het plangebied bestaat momenteel uit basisschool de Kienehoef, basisschool de Springplank en sportzaal de Kienehoef met bijbehorende groen- en parkeervoorzieningen. Deze functies zijn momenteel verdeeld over drie bouwvolumes.
donderdag 15 december 2022
7
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
Criteria
Toets
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
N.v.t.
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Natura 2000-gebieden liggen op een te grote afstand (meest nabijgelegen op circa 10,6 kilometer). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Er is geen sprake van externe werking op een Natura 2000-gebied zoals blijkt uit het stikstofdepositie onderzoek (zie onder Verontreiniging en hinder (stikstof) hiervoor). Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde.
gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Het plangebied ligt niet in de omgeving van gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
Het plangebied ligt niet in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Archeologie: In het kader van de planontwikkeling is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. De gespecificeerde archeologische verwachting kan worden teruggebracht naar laag voor alle perioden. Het gebied is in zijn geheel verstoord en hoge enkeerdgronden zijn niet meer (intact) aangetroffen. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Cultuurhistorie: Met de ontwikkeling van de MFA worden de waarden van de Meierij en het Groene Woud niet geschaad. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
donderdag 15 december 2022
8
2 Effecten op milieu Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
Tabel 4
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.)
Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Er is geen sprake van een beschermd natuurmonument
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Habitat of vogelrichtlijngebied.
Watergebied van internationale betekenis
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een watergebied van internationale betekenis.
Natuurnetwerk Nederland / Natuur-netwerk Brabant (NNB) (voormalige EHS)
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 375 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast.
Landschappelijk waardevol gebied
Er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden
Er is geen sprake van een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Beschermd monument
In het plangebied zijn geen beschermde monumenten aanwezig.
Belvedère-gebied
Het plangebied betreft geen Belvedère-gebied.
2.4
Tabel 1
Kenmerken van het potentiële effect
Kenmerken van het potentiële effect
Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Op de locatie wordt een MFA gerealiseerd. Ter plaatse van het beoogde MFA staat momenteel reeds bebouwing (school en sportzaal). De effecten van de aanleg zijn beperkt tot de locatie zelf. De effecten zijn daarmee zeer beperkt.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is geen sprake van een grensoverschrijdend effect.
Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Er is sprake van de realisatie van een MFA. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoordt in het voorgaande zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
donderdag 15 december 2022
9
3 VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
3
VORMVRIJE M.E.RBEOORDELING
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Wij bevelen u aan - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan ‘MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode’, gemeente Meierijstad geen milieueffectrapportage wordt vereist.
donderdag 15 december 2022
10
3 VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING Aanmeldingsnotitie m.e.r. MFA De Groene Long, Sint-Oedenrode
Hoofdvestiging Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 Vestiging Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen
www.bro.nl | info@bro.nl
donderdag 15 december 2022
T +31 (0)77 373 06 01
11
Bijlage 3 Archeologisch bureau- en booronderzoek
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032022P-VG01
Pagina: 21 van 481
Datum:29-06-2023
ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN BOORONDERZOEK FREDERIKSTRAAT TE SINT-OEDENRODE GEMEENTE MEIERIJSTAD
Archeologisch bureau- en booronderzoek Frederikstraat te Sint-Oedenrode Opdrachtgever
BRO Postbus 4 5280 AA Boxtel
Rapportnummer
17998.002
Versienummer1
2
Datum
21 juni 2022
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw L. Veenendaal, MA en de heer drs. J. Holl
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
17998.002
Toponiem
Frederikstraat
Opdrachtgever
BRO
Gemeente
Meierijstad
Plaats
Sint-Oedenrode
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Sint-Oedenrode, Sectie I, Nummers 6583, 6856 en 6857 met aanvullend de percelen 4491 en 4703
Omvang plangebied
Circa 2,65 ha
Kaartblad
51 B (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 159.762/Y: 398.300
Bevoegde overheid
Dhr. M. van Broek Medewerker Erfgoed gemeente Meierijstad E: mvandenbroek@meierijstad.nl T: 0413 - 381 838
Deskundige namens de bevoegde overheid
Dhr. J. van der Roest Afdeling SO/Erfgoed v/d gemeente ’s-Hertogenbosch E: j.vanderroest@s-hertogenbosch T: 06 - 22 17 83 42
ARCHIS3
Bureauonderzoek 5161874100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Booronderzoek 5161882100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerders
Econsultancy, mevrouw L. Veenendaal, MA en de heer ir. E.M. ten Broeke
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
R 17998.002 versie 1
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van BRO in februari 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Frederikstraat te Sint-Oedenrode in de gemeente Meierijstad. De gemeente Meierijstad heeft voornemens de bestaande twee basisscholen en de sportzaal te slopen en hiervoor een nieuwe multifunctionele accommodatie te realiseren, met behalve de genoemde onderdelen ook een kinderdagopvang en wijkfunctie. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen. De kans op het aantreffen van archeologische indicatoren uit deze perioden is hoog voor de gebieden binnen het plangebied die liggen op een dekzandrug. Voor dezelfde perioden geldt voor de dekzandvlakte een lage verwachting, dit was in het verleden een te nat gebied om te kunnen vestigen. De latere perioden hebben ook een lage archeologische verwachting gekregen. Het plangebied lag in de Late-Middeleeuwen en tot de tweede helft van de 20e eeuw namelijk ver van doorgaande wegen af.
De eventueel aanwezige archeologische resten zijn afgedekt met een eerddek, welke is opgebracht vanaf de LateMiddeleeuwen. De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. Resultaten inventariserend veldonderzoek In slechts één boring is de bodem boven de C-horizont nog deels intact. In boring 16 is namelijk een dun restant van een esdek met hieronder een lichtgeelbruin restant van een BC-horizont van een veldpodzolbodem. Aangezien het hier slechts om één boring gaat, die bovendien gelegen is binnen de zone waar volgens de geomorfologische kaart een dekzandvlakte aanwezig is, wordt niet verwacht dat ter plaatse behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn.
R 17998.002 versie 1
Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan worden teruggebracht naar laag voor alle perioden. Het gebied is in zijn geheel verstoord en hoge enkeerdgronden zijn niet meer (intact) aangetroffen. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
R 17998.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18
R 17998.002 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel V. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). Het plangebied op de kadastrale kaart. Het plangebied op een luchtfoto uit 2021. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied op het actueel hoogtebestand. Het plangebied op de bodemkaart. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Situering van het plangebied binnen de archeologische waardenkaart. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Kadastrale minuutkaart. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1850. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1900. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1950. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1990. Het plangebied op de Topografische kaart uit 2015. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2021.
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
R 17998.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van BRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Frederikstraat te Sint-Oedenrode in de gemeente Meierijstad (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft voornemens de bestaande twee basisscholen en de sportzaal te slopen en hiervoor een nieuwe multifunctionele accommodatie te realiseren, met behalve de genoemde onderdelen ook een kinderdagopvang en wijkfunctie. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in februari 2022 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Projectleider Archeologie) en de heer ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02);
SIKB.
R 17998.002 versie 1
Pagina 1 van 18
beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Meierijstad; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, Circa 2,65 haligt aan de Frederikstraat, ongeveer 1 kilometer ten noorden van de kern van Sint-Oedenrode in de gemeente Meierijstad (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 10,7 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Sint-Oedenrode, Sectie I, Nummers 6583, 6856 en 6857 met aanvullend de percelen 4491 en 4703. De eigenaar van de grond is gemeente Meierijstad. Volgens de topografische kaart van Nederland, 51 B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 159.762/Y: 398.300. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
R 17998.002 versie 1
Pagina 2 van 18
Binnen het plangebied staan momenteel twee basisscholen en een sportzaal. Het niet bebouwde gebied bestaat uit bestrating en grotendeels grasland (zie figuur 3). De eigenaar van het gebied is gemeente Meierijstad. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Noord (vastgesteld op 15-04-2010)’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 3. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij een verstoringsoppervlak groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 5 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart.
Volgens de archeologische verwachtingskaart (zie figuur 9) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.7 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer heeft voornemens de bestaande twee basisscholen en de sportzaal te slopen en hiervoor in de plaats een nieuwe multifunctionele accommodatie te realiseren, met behalve de genoemde onderdelen ook een kinderdagopvang en wijkfunctie. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 4.000 m2 worden bebouwd. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend (zie bijlage 7). De nieuwbouw komt grotendeels in het gebied te staan waar momenteel al
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Gemeente Sint-Oedenrode 2007. 7 Bodemloket. 6
R 17998.002 versie 1
Pagina 3 van 18
bebouwing aanwezig is. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Bx6: Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek
Geomorfologie9
Het grootste gedeelte van het plangebied bestaat uit een dekzandvlakte. In het midden, in het oosten, en zuiden van het plangebied ligt een gebied met een dekzandrug.
Bodemkunde10 en grondwatertrap
Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23) en grondwatertrap VI
Landschappelijke ontwikkeling Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet (73.000-12.500 jaar geleden) in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen, -kopjes en -welvingen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge en Oude dekzand vallen onder het Laagpakket van Wierden. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een uitgestrekt gebied met afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6). 11 In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden gevormd.
Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden, dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd.12 De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Schijndel afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel.
8
De Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1985. 11 De Mulder et al. 2003, Berendsen, 2008. 12 Berendsen, 2008 9
R 17998.002 versie 1
Pagina 4 van 18
DINO13 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 14 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit fijn zand, met daaronder op circa 0,70-1,30 m -mv matig fijn zand. Ten noordoosten en westen van het plangebied komt leem op circa 1,20-1,70 m -mv voor. In het oosten en zuidwesten komt het leem dieper voor, namelijk op circa 2,80-3,30 m -mv. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het grootste gedeelte van het plangebied op een dekzandvlakte. In het midden (oosten) en in het zuiden van het plangebied ligt een gebied met een dekzandrug (zie figuur 4). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)15 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse.
Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied in een middelhoog gebied (circa 11 m +NAP) (zie figuur 5). Dichter naar het centrum van Sint-Oedenrode neemt de hoogte iets toe (circa 12 m + NAP). Ten noorden en westen van het plangebied wordt het gebied lager (circa 9 m +NAP). Door de ligging in bebouwd gebied zijn de, volgens de geomorfologische kaart aanwezige, dekzandruggen niet herkenbaar in het plangebied. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden (zie figuur 6). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.
Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.
13
Dinoloket. DINO boornummers B51B1681, B51E1440, B51B1544 en B51B1543. 15 AHN. 14
R 17998.002 versie 1
Pagina 5 van 18
In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.16 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.
De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling17
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Voor zones met grondwatertrap VI en zEZ23 gelden overwegend zeer ruime mogelijkheden voor vruchtwisseling. Verder is het geschikt als veengrasland. Daarnaast zijn de gronden ook goed geschikt voor loofen naaldhout. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke 16 17
Doesburg et al., 2007. Locher & De Bakker, 1990.
R 17998.002 versie 1
Pagina 6 van 18
ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).18 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 7. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant19 Op de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt in het cultuurhistorisch landschap Groene Woud. In het Groene Woud zijn twee cultuurhistorische landschappen gedefinieerd, namelijk de Meierij en Kempen.
Het gebied Kempen ligt in het zuidwesten van het plangebied, onder Eindhoven. Het plangebied ligt in het gebied de Meierij. Het gebied heeft een zwak golvend landschap waar dekzandruggen, lager gelegen beekdalen en broekgebieden elkaar afwisselen. In het Pleistoceen zijn door de wind zand- en leemlagen afgezet. In deze tijd ontstond ook de brede, west-oost lopende dekzandrug die bekend staat als de Midden-Brabantse rug. De rug vormde een belemmering voor de afwatering in noordelijke richting. Ten noorden van Son en Breugel stroomt de Dommel door deze rug. Na afloop van de laatste ijstijd, in het Holoceen, ontstond het bekenstelsel zoals we dat nu kennen. De beken traden veelvuldig buiten hun oevers en zetten in de dalen een laag sediment af. In het Holoceen ontstonden ook hier en daar kleine veengebieden. Op kleine schaal is veen gewonnen in de beekdalen en in dichtgegroeide vennen op de hogere gronden. In dit landschap is de mens al vanaf het Paleolithicum aanwezig. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate geënt op de natuurlijke terreingesteldheid. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. In deze terreinen lagen de beemden.
Dit zijn kleine, vaak strookvormige percelen weide- of hooiland, omgeven door houtsingels. Op de natste plekken lagen broekbossen en werden rabatten aangelegd voor eikenhakhout en later voor populieren. De hogere delen van het dekzandlandschap werden extensief gebruikt om vee te weiden en strooisel te winnen. Geleidelijk degradeerde het eiken-berkenbos dat daar van nature groeide en ontstonden uitgebreide heidevelden. Door de begrazing door schapen en door het steken van heideplaggen ontstonden hier en daar zandverstuivingen, die de akkers konden bedreigen. Tal van dorpen en buurtschappen in het Groene Woud waren al in de Vroege-Middeleeuwen bewoond. Uitgestrekte nederzettingen waren er in die tijd nog niet. Vaak gaat het om zogeheten domeinen. Een domein is een hoofdboerderij waar een lokale heer woonde met enkele hiertoe behorende hoeven.
18 19
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Brabant.nl.
R 17998.002 versie 1
Pagina 7 van 18
Vanuit deze oude bewoningskernen zijn delen van de wildernis ontgonnen. Gaandeweg nam de bevolking toe en men ging ook meer marginale delen van het gebied ontginnen, vaak in georganiseerd verband. In het landschap zien we deze gebieden terug als complexen van lange strookvormige percelen. De kleine akkertjes maakten later plaats voor grote open akkercomplexen. Soms had dit tot gevolg dat de boeren het dorp verlieten en een nieuwe boerderij bouwden aan de rand van de akkers. Vaak bleef de kerk, als enige stenen gebouw, op de oude plek staan. Vanaf de 15e eeuw deed ook de plaggenbemesting zijn intrede. De stalmest werd vermengd met bosstrooisel of heideplaggen en dit mengsel werd als bemesting op de akkers gebracht. Door het eeuwenlange opbrengen van materiaal werden de akkers langzaam maar zeker opgehoogd en kregen de bijeen liggende akkers een enigszins bolle ligging. Op tal van plaatsen zijn deze open, bolle akkercomplexen te zien. De bodem, die soms wel voor meer dan één meter uit opgebracht materiaal bestaat, wordt een es- of enkeerdgrond genoemd. Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw zijn veel woeste gronden, heidevelden en broekgebieden, ontgonnen. Door gebruik van kunstmest voor de bemesting van de akkers verloren de heidevelden hun oorspronkelijke functie voor de landbouw.
Op de uitgestrekte heidevelden zorgden landbouwontginningen en uitgebreide bebossingprojecten voor een landschappelijke ommekeer. Men legde een rechthoekig patroon van wegen en waterlopen aan, waarbinnen percelen landbouwgrond of bos werden aangelegd. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. Sommige delen van het Groene Woud ontwikkelden zich tot echte populierenlandschappen. De bomen werden vooral langs de wegen en op perceelgrenzen gepoot. Daarnaast waren er ook speciale bomenakkertjes. De populieren dienden vooral om klompen van te maken. Kerngebied van de klompenmakerij en de populierenteelt was de omgeving van St.-Oedenrode, Schijndel, Veghel, Liempde, Best en Boxtel. In de beekdalen liggen diverse middeleeuwse kastelen. De natte beekdalen boden de gelegenheid grachten aan te leggen die het hele jaar water voerden. De landgoederen en buitenplaatsen uit de 19e en 20e eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. In de 20e eeuw is het landschap van karakter veranderd. Door het gebruik van prikkeldraad verloren de elzensingels in de beekdalen en broekgebieden hun functie en verdwenen in de loop van de tijd. Beken werden genormaliseerd. Ruilverkavelingen zorgden voor grotere percelen, nieuwe wegen en betere productieomstandigheden voor de boeren.
Het onderscheid tussen de verschillende onderdelen van het cultuurlandschap vervaagde en werd minder beleefbaar, ook door de uitbreiding van steden en dorpen. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied20 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 7). Het AMK-terrein ligt 500 meter te zuidoosten van het plangebied. Hierbij gaat het om resten van Kasteel “De Kolk/De Colc”