Bijlage 1 - Haalbaarheidsstudie monomestvergisting Meierijstad - DEF - DLV Advies
Tekst van het document
4 https://groenewoudgas.nl/
25
Door duidelijke rollen, verantwoordelijkheden en communicatiekanalen te definiëren, kan de organisatie zowel de operationele efficiëntie als de tevredenheid van de stakeholders waarborgen, terwijl er duurzame energie wordt geproduceerd en milieudoelen worden gerealiseerd. Voor beide organisatiemodellen zijn de volgende stakeholders in beeld. ▪
Boeren De primaire leveranciers van mest, die hun mest aan de vergister leveren.
▪
Vergister exploitant Dit kan een coöperatie van de deelnemende boeren zijn, maar ook een commerciële partij.
▪
Afnemers van biogas Dit kunnen energiebedrijven zijn die het geproduceerde biogas kopen om te gebruiken voor stroom- of warmtelevering of directe invoeding op het aardgasnet.
▪
Overheden / gemeente / provincie Betrokken in relatie tot vergunningverlening en subsidies, welke belang hebben bij omgevingsfactoren en milieudoelen (zoals vermindering van CO₂-uitstoot).
▪
Investeerders en financiële instellingen Zorgen voor de financiering van de installatie en exploitatie. Dit kan via coöperatieve structuren of externe investeerders.
Financieringsvorm ▪ Private financiering Private partijen, zoals bedrijven of investeerders, kunnen kapitaal inbrengen als eigen vermogen. Zij worden dan deels eigenaar van het project en delen in de winst (en het risico). Deze vorm van kapitaal is vaak duurder dan leningen, omdat investeerders een hoger rendement verwachten in ruil voor het risico. Daarnaast kunnen banken of institutionele beleggers leningen verstrekken aan PPS-projecten. Vaak gebeurt dit in de vorm van projectfinanciering, waarbij de lening wordt terugbetaald uit de kasstromen die het project genereert. Private leningen kunnen variëren in looptijd en rentevoorwaarden, afhankelijk van de risicobeoordeling van het project. ▪
Collectieve investering in geval van een opgerichte coöperatie De benodigde investering wordt gedeeld door alle deelnemende veehouders, afhankelijk van hun aandeel in het aangeleverde mestvolume en het gebruik van de installatie. Dit verlaagt de individuele financiële last en verhoogt de haalbaarheid voor (kleinere) bedrijven. Daarentegen is de kans relatief klein dat de totale gezamenlijke investeringen gerealiseerd kunnen worden door vermogensinbreng van de deelnemende veehouders.
▪
Subsidies en ondersteuningsmogelijkheden De ondernemers kunnen in aanmerking komen voor landelijke of provinciale subsidies voor duurzame energieproductie of stikstofreductie. Fiscale regelingen, zoals de MIA en Vamil, kunnen extra financiële steun bieden. Daarnaast wordt er normaliter gebruik gemaakt van de SDE++ regeling welke een exploitatiesubsidie is, gerelateerd aan de productie van duurzame energie.
26
▪
Afnamecontracten en subsidies De coöperatie of beheerder kan afnamecontracten afsluiten met gasleveranciers voor een stabiele afnameprijs. Daarnaast kan aanspraak worden gemaakt op subsidies voor duurzame energieproductie, zoals de SDE++ subsidie in Nederland, wat de rentabiliteit van het project vergroot. Vanwege de omvang zijn de exploitatiesubsidies per eenheid energie over het algemeen lager dan bij bijvoorbeeld bedrijven die individueel vergisten.
Aanvoer en logistiek van mest ▪ Mestaanvoer vanuit omliggende bedrijven Veehouderijen in de regio brengen hun mest naar de centrale vergistingslocatie. Een logistiek team (in eigen beheer of via een externe logistieke partij zoals een transporteur of loonwerker) organiseert en plant het mesttransport. Dit team zorgt ervoor dat de aanvoer optimaal is afgestemd op de vergistingscapaciteit. Daarnaast dienen er plannings- en prijsafspraken gemaakt te worden over de te leveren mest, transport- en bemonsteringskosten en mogelijke afname van digestaat, dan wel bewerkte meststromen. Versheid van de mest kan bepalend zijn in de hoogte van de prijsafspraken. Het organisatiemodel van een grootschalige centrale vergister in Nederland is doorgaans coöperatief van aard, waarbij boeren samen investeren en profiteren van de vergisting van mest. De samenwerking zorgt ervoor dat kosten en opbrengsten worden gedeeld, terwijl tegelijkertijd wordt bijgedragen aan de verduurzaming van de landbouw en energievoorziening. Het succes van het model hangt af van efficiënte logistiek, goed procesbeheer en naleving van regelgeving.
Door de realisatie van een grootschalige centrale vergister kan er relatief veel impact behaald worden op meerdere duurzaamheidsaspecten, gaande van een reductie van de emissies van stikstof en broeikasgassen tot verminderde uitspoeling van nutriënten uit de bodem omdat bewerkte meststromen efficiënter kunnen worden ingezet met een hogere opname door planten tot gevolg. 3.3.4.2
FINANCIELE HAALBAARHEID TYPE 4 GROOTSCHALIGE CENTRALE VERGISTER
Grotere vergistingsinstallaties kunnen profiteren van schaalvoordelen, wat betekent dat de kosten per eenheid geproduceerd biogas lager kunnen zijn bij grotere capaciteiten. Dit kan de financiële haalbaarheid op de lange termijn verbeteren, vooral als er voldoende mest beschikbaar is om het systeem rendabel te maken. In vergelijking met de vergisters type 1 en 2 is de CAPEX voor een grootschalige vergister complex te begroten. Enerzijds wordt deze collectieve vergister normaliter (vanwege vergunningen en bereikbaarheid) niet op een primair agrarisch bedrijf toegestaan / gerealiseerd. Dit betekent dat er veelal grondaankoop vereist is. De aankoopprijs is erg afhankelijk van locatie en bestemming, maar veelal zal dit op een industrieterrein zijn. Daarnaast wordt bij een grootschalige centrale vergister veelal ook geïnvesteerd in verdere mestbewerkingsinstallaties. Dit vraagt enerzijds om extra investeringen in installaties en gebouwen. Omwille van specifiek maatwerk wat bij dergelijke investeringen en installaties gevraagd wordt, is er voor dit type geen voorbeeld CAPEX begroting opgesteld. Het opnemen van een voorbeeld loopt het risico op meer discussie dan helderheid op te leveren. In Tabel: staan de belangrijkste posten genoemd die van toepassing zijn bij een grootschalige centrale vergister. Hierbij is een omvang van 100.000 ton mest als uitgangspunt genomen.
De bedragen zijn indicatief. Bovenop onderstaande OPEX-kosten komen nog de bankkosten voor de initiatiefnemer in de vorm van rente en aflossing. De hoogte hiervan is afhankelijk van de hoogte van de investering en de gekozen financieringsvorm. Ter indicatie, bij een investering van € 4.000.000 met aflossing gedurende 10 jaar en een rente van 5% zijn de jaarlijkse gemiddelde bankkosten ca. € 500.000.
27
Operationele uitgave Verzekering Onderhoudscontract Kosten energieverbruik Meet- en regeldiensten en carbongebruik Arbeid (2 fte) Transport en bemonstering Afvoer van digestaat / meststromen*
Bedrag € 25.000 € 100.000 € 400.000 € 50.000 € 120.000 € 750.000 € 2.000.000
Totaal uitgave
€ 3.445.000
* Het uitgangspunt is hierbij dat de uitgaande mest (digestaat) tegen dezelfde prijs wordt afgezet als waar de mest voor ingenomen is. In bovenstaande tabel is hiervoor € 20/ton gerekend als aanname. Zie in onderstaande tabel dezelfde inkomstenpost op mestaanvoer
Tabel: 9 Voorbeeld OPEX grootschalige centrale vergister
Inkomsten Marktinkomsten groen gas Subsidie inkomsten (SDE) Inkomsten certificaten (GVO’s) Aanvoer mest *
Bedrag € 720.000 € 1.080.000 € 360.000 € 2.000.000
Totaal inkomsten
€ 4.160.000
Tabel 10: Voorbeeld inkomsten grootschalige centrale vergister
Mest kent de laatste jaren een negatieve waarde in de regio, wat betekent dat de aanvoer van mest ter vergisting een opbrengstenpost is bij inname. Daar staat tegenover dat de afvoer van onbewerkt digestaat een kostenpost is, die (excl. transportkosten en bemonstering) vergelijkbaar is met de innameprijs. Vanwege de omvang is het interessant om naast de vergistingsactiviteit een extra mestbewerkingsactiviteit te exploiteren op dezelfde locatie om de mest verder te verwaarden tot een lager volume en efficiëntere meststromen met lagere emissies en een lagere afzetprijs. Dit geeft een extra verdienmodel op het concept, waar wel een extra investering tegenover staat. De capex en opex van verdere mestverwaarding is niet verder begroot in deze studie. 3.3.4.3
RANDVOORWAARDEN GROOTSCHALIGE CENTRALE VERGISTER BINNEN DE GEMEENTE MEIJERIJSTAD
Een centrale vergister met een capaciteit van > 25.000 ton vergt een specifieke locatie die zowel omgevingstechnisch als ook conform het huidige bestemmingsplan van de gemeente niet op een primair agrarisch bedrijf past. Omdat deze collectieve vergister meer aandacht vraagt ten aanzien van een geschikte locatie dan de andere drie monomestvergistingsconcepten, worden in deze paragraaf de belangrijkste criteria benoemd die bepalend zijn bij de keuze van een locatie voor een grootschalige centrale collectieve vergister. Afstand tot bestaande 8 bar netwerk Uitgaande van opwerking tot groen gas en invoeding op het openbaar gasnetwerk is aansluiting op minimaal een 8 bar netwerk vereist. Dit netwerk is niet overal in de gemeente op korte afstand bereikbaar, zie Figuur 8. Een langere afstand tot een 8 bar netwerk is kostenverhogend en drukt hiermee het verdienmodel. Vervolgens is van belang of er op het betreffende netwerk ook jaarrond voldoende afname / gebruik van gas is om de afnamezekerheid zoveel mogelijk gegarandeerd te hebben.
28
Hierbij dient vermeld te worden dat de afname aan verandering onderhevig is. Zie verder toelichting op de huidige status van het aardgasnetwerk in de gemeente in Hoofdstuk 4. Alternatieve toepassing van biogas Continue invoeding van groen gas op het openbare lokale gasnetwerk is niet gegarandeerd. Daarbij is zekerheid van inkomsten bij gebruikmaking van de SDE++ regeling ‘slechts’ voor 12 jaar gegarandeerd. Ondanks de aanname dat opwaardering naar groen gas vandaag de dag het meest zekere verdienmodel lijkt te geven, dient bij de keuze van locaties ook gekeken te worden naar alternatieve benutting van het biogas. Denk hierbij aan de levering / omzetting van ruw biogas naar directe warmte voor bijvoorbeeld industriële processen met een hoge warmtevraag of omzetting naar stroom en indirecte warmte via een WKK. Inpassing in het landschap De realisatie van een centrale vergister vraagt grotere installaties en gebouwen in vergelijking met een installatie van het monomestvergistingsconcept type 1 t/m 3. Over het algemeen bestaat een grootschalige centrale vergistingsinstallatie uit 2 vergisters (hoofd- en navergister) en een gebouw voor overige installaties en mestbewerking. Dit vraagt extra aandacht ten aanzien van inpassing op het bouwblok, aanzichten en omgeving.
Economische impact voor omgeving en omliggende bedrijven Een grootschalige centrale monomestvergister kan aanzienlijke economische voordelen bieden, zoals lagere kosten voor mestbeheer, goedkopere energie en extra inkomsten voor omliggende bedrijven. Denk hierbij onder andere aan diensten zoals transport en bemonstering, onderhoud en management van de vergister. Daarbij geeft de bouw van een installatie ook economisch perspectief voor bouw- en installatiebedrijven. Bij verdere ver- en/of bewerking van het digestaat ontstaan er verschillende biomassastromen en nevenproducten. Denk hierbij aan dikke fractie of bijvoorbeeld mestkorrels, kunstmestvervangers, CO2 etc. Dit geeft lokaal extra economische kansen tot verwaarding en verhandeling van producten. Maatschappelijke impact Een grootschalige centrale vergister heeft potentie om bij te dragen aan klimaatdoelen, energietransitie en de versterking van lokale gemeenschappen en koppeling met andere lokale bedrijven (zie ook bovenstaande economisch impact). Tegelijkertijd vraagt het om zorgvuldige planning en communicatie om overlast te beperken en weerstand bij omwonenden weg te nemen. Transparantie, betrokkenheid van de gemeenschap en goede regulering zijn cruciaal om de maatschappelijke impact positief te maken.
Daarbij dient een bewustzijn en realisme aanwezig te zijn dat bepaalde bedrijven en deelnemende boeren meer profiteren dan omliggende omwonende die geen directe betrokkenheid hebben. Transportbewegingen Bij een centrale vergister wordt mest van omliggende bedrijven aangevoerd. Dit vraagt meerdere transportbewegingen per dag. Ter indicatie: bij een vergistingscapaciteit van 50.000 ton/jaar zijn dit ca 1.400 aanvoerbewegingen op jaarbasis, oftewel ca. 5 à 6 per dag (uitgaande van aanvoer op doordeweekse dagen). Daarnaast vraagt de afvoer van verschillende biomassastromen ook de nodige afvoerbewegingen. Dit aantal is afhankelijk van het type mestbewerking, de mate waarin transportbewegingen van aan- en afvoer gecombineerd kunnen worden en welk aandeel van de mest kan worden omgezet in loosbaar water. Bij een vergistingscapaciteit van 50.000 ton/jaar is het totaal aantal transportbewegingen van 2.000 op jaarbasis een reële inschatting.
29
Om de overlast van extra transportbewegingen voor de omgeving te beperken is een goede ontsluiting en locatie in de nabijheid van een N-weg een pré. Alhoewel een grootschalige centrale vergister leidt tot een toename van het aantal regionale transportbewegingen naar deze collectieve vergister, neemt het totaal aantal transportkilometers i.r.t. mestafzet van de toeleverende bedrijven zeer waarschijnlijk af. De meeste veebedrijven zijn dermate intensief dat er volgens de mestwetgeving mest afgevoerd dient te worden. Dit gebeurt momenteel deels in de nabije omgeving, maar ook grotendeels op lange afstand via transport naar afzetgebieden in bijvoorbeeld Zeeland, Flevoland, Groningen etc. Door de vergiste mest verder te bewerken tot efficiëntere meststromen en deels loosbaar water, kan een groter gedeelte van de mineralen geplaatst worden op regionale, dan wel eigen grond van de toeleveranciers. Daarnaast wordt op korte termijn goedkeuring van de toepassing van kunstmestvervangers in de mestwetgeving verwacht. Via voorgeschreven mestverwerkingstechnieken kan dan een deel van de mest omgezet worden tot kunstmestvervangers, welke direct benut kunnen worden in de mestboekhouding van deelnemende, dan wel regionale grondgebruikers.
Hiermee kan door verwerking van de mest een veel groter gedeelte van de mineralen regionaal geplaatst worden, welke lange afstand transporten van mest doet verminderen. Milieu Het vergisten en bewerken van mest vraagt verschillende processen die van invloed kunnen zijn op verschillende milieuaspecten: ▪ Methaanuitstoot: In mest is methaan aanwezig, dit is een sterk broeikasgas. Tijdens de opslag van mest kan deze methaan vervliegen en in de atmosfeer terechtkomen. Monomestvergisting kan deze uitstoot verminderen door dagverse mest te vergisten, methaan op te vangen en om te zetten in biogas. Tijdens de opwaardering van biogas naar groen gas is aandacht nodig om methaanverliezen (in de vorm van methaanslip, beperkt tot enkele procenten van het geproduceerde gas) te minimaliseren. Methaanslip kan richting de atmosfeer ontsnappen tijdens het transport of gebruik van het geproduceerde gas. ▪ Geurhinder: Tijdens het transporteren, opslaan en verwerken van mest kunnen geurstoffen vrijkomen. Dit kan invloed hebben op omwonenden en de leefomgeving. Goed ontwerp en luchtfilteringssystemen (bijv. biofilters) zijn cruciaal om geurhinder te minimaliseren. ▪ Water- en bodemkwaliteit: Opslaan en bewerking van mest geeft risico op lekkages of lozingen van mest of digestaat naar grond- of oppervlaktewater. Hier dient aandacht voor te zijn bij het ontwerp van de gebouwen en installatie i.c.m.
wettelijke kaders die hier voor gelden. Dit vraagt om adequate opslagen verwerkingssystemen om waterverontreiniging te voorkomen. ▪ Luchtkwaliteit: Er kan mogelijke uitstoot ontstaan van ammoniak, methaan en geurstoffen tijdens transport, verwerking en opslag. Effectieve technieken, zoals emissiearme opslagsystemen en luchtwassers, kunnen emissies beheersen. Ook geeft een centrale vergister meer regionale transportbewegingen met bijkomende emissies. Echter is het zeer waarschijnlijk dat het totaal aantal transportwegingen gerelateerd aan mestafzet verminderd, zie voorliggende alinea. Bruto zal de luchtkwaliteit door transport minder verslechteren. Daarnaast bestaat de optie om het transport van en naar de vergister uit te voeren door een vast wagenpark, welke uitgevoerd kan worden middels aandrijving op biogas. ▪ Geluid: Tijdens de operationele fase ontstaat er geluid vanuit apparatuur zoals pompen, mixers, motoren en de gasopwerkinstallatie. Transport van mest en digestaat met vrachtwagens kan extra geluidsoverlast veroorzaken, vooral bij laad- en losactiviteiten. ▪ Veiligheid: Bij veiligheid in relatie tot een centrale vergister spelen verschillende facetten een rol. Denk hierbij onder andere aan mogelijk explosiegevaar, verkeersveiligheid en veiligheid van personeel. Voor deze facetten zal aandacht moeten zijn bij de ontwikkeling en realisatie van een centrale vergister.
Hier dienen de wettelijke kaders gevolgd te worden.
30
Koppeling met bestaande bedrijfsactiviteiten binnen de gemeente Bij vergisting vinden meerdere processen plaats die aan kunnen sluiten bij bestaande bedrijfsprocessen en behoeftes die binnen de gemeente aanwezig zijn. Hier kan een vorm van synergie ontstaan die mede bepalend kan zijn in de keuze van een geschikte locatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: ▪ nieuwe milieustraat; ▪ RWZI; ▪ loonwerker(s); ▪ biomassa verwerkers; ▪ warmte-afnemers; ▪ etc. 3.3.5.
SAMENVATTEND OVERZICHT CONCEPTEN MONOMESTVERGISTING
Onderstaand is een samenvattende tabel weergegeven van de belangrijkste kenmerken per vergistingsconcept. 1: Individuele vergister
2: Buurt vergister
Volume mest in m3
10.000 – 25.000
12.000 – 25.000
> 18.000
> 25.000
Aantal melkkoeien Aantal vleesvarkens Potentie groengas in m3 / jaar Investering
350 - 800 10.000 – 25.000
400 - 800 12.000 – 25.000
600 > 18.000
> 800 > 25.000
200.000 – 500.000 1,4 – 1,8 miljoen
200.000 – 450.000 1,5 – 2,0 miljoen
> 360.000
> 450.000
hoog
Vrij hoog
Afhankelijk van omvang hoog
Afhankelijk van omvang gemiddeld
hoog
gemiddeld
Boven gemiddeld
laag
Digestaat met mogelijkheden tot verdere verwaarding, afhankelijk van omvang
Digestaat met mogelijkheden tot verdere verwaarding, afhankelijk van omvang
Digestaat met beperkte mogelijkheden tot verdere verwaarding,
Autonoom / zelfstandig
Autonoom / zelfstandig
Deels autonoom en deels coöperatief
Bewerkte meststromen zoals dikke fractie, loosbaar water, kunstmestvervan gers Coöperatief, commercieel of combinatie
Type: Kenmerk:
Haalbare emissiereductie / veehouder Investering per veehouder Eindproduct
Aansturing
3: Biogas cluster
4: Centrale vergister
Tabel 11: Samenvattingstabel vergistingsconcepten
31
3.4.
MAATSCHAPPELIJKE CRITERIA
De realisatie van een monomestvergistingsinstallatie heeft in zijn algemeenheid zowel invloed op de omgeving als ook een maatschappelijke impact. Diverse onderzoeken wijzen op de voordelen van dagontmesting op de uitstoot van emissies van veebedrijven al dan niet in combinatie met vergisten of het verder verwerken van de mest. Een recent onderzoek dat verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest heeft vergeleken is het onderzoek van Verdoes, 2022: NL Next Level Mestverwaarden. WUR Rapport 1372.5 Hierna worden de maatschappelijke voor- en nadelen van monomestvergisting nader benoemd. Voordelen 1. Duurzame energieproductie Elk type monomestvergister produceert biogas, wat kan worden omgezet in elektriciteit, warmte of groen gas welke op het openbaar netwerk ingevoed kan worden. Dit draagt bij aan de energietransitie / RES-doelstellingen en onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen. 2. Reductie van broeikasgasuitstoot Door mest te vergisten (in eender welk type monomestvergister) in plaats van regulier op te slaan in bijvoorbeeld mestkelders kan de uitstoot van methaan (een krachtig broeikasgas) sterk worden verminderd. Dit helpt om klimaatdoelstellingen te halen en de opwarming van de aarde te beperken.
Verdoes berekent dat een referentiebedrijf 191 kg methaan per melkkoe emitteert tegenover 31 kg methaan per melkkoe op een bedrijf dat via dagontmesting en vergisting de mest verwerkt. Dit is een reductie van 83%. 3. Verminderen van de ammoniakuitstoot Volgens Verdoes neemt de ammoniakuitstoot met 46% tot 62% af bij het toepassen van dagontmesting in combinatie met vergisting en het verwerken van de mest. 4. Sluiten van de kringlooplandbouw Het digestaat (het restproduct van vergisting) bevat nog steeds waardevolle voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor. Dit kan worden gebruikt als meststof. Met name bij een grootschalige centrale vergister (type 4) bestaan bijkomende bewerkingsmogelijkheden om dit digestaat om te zetten naar hoogwaardige meststoffen tot zelfs kunstmestvervangers. Hierdoor kan kunstmestgebruik worden verminderd en de landbouwkringloop verder worden gesloten. Daarnaast kan dit zorgen voor minder mestafzet waardoor minder transportbewegingen noodzakelijk zijn voor mestafzet op lange afstand. 5. Lokale werkgelegenheid en economische kansen Het ontwikkelen en onderhouden van vergistingsinstallaties kan nieuwe banen creëren, vooral in plattelandsgebieden. Dit stimuleert ook de lokale economie en innovatie in duurzame landbouwtechnologieën.
Waar bij monomestvergisters type 1 t/m 3 vooral in de periferie rond de monomestvergisters bijkomende werkgelegenheid wordt gecreëerd (aanleg, onderhoud, etc.) wordt bij een grootschalige centrale vergister (type 4) ook op de locatie van de vergister zelf bijgedragen aan directe werkgelegenheid.
5 Gollenbeek L.R., J.P.B.F. van Gastel, F.A.M. Casu, I. Huisman,
N. Verdoes, 2022. Berekeningen emissies en economie voor verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest; NL Next Level Mestverwaarden. Wageningen Livestock Research, Openbaar Rapport 1372. 32
6. Vermindering van geurhinder De geur van onvergiste mest kan sterk zijn en bijdragen aan milieuoverlast. Monomestvergisting kan geurhinder verminderen doordat het organische materiaal in mest tijdens de vergisting wordt afgebroken, waardoor geurintensieve stoffen zoals ammoniak en zwavelverbindingen worden omgezet. Tijdens het gecontroleerde vergistingsproces komen minder vluchtige geurstoffen vrij dan bij traditionele opslag of uitrijden van mest. De vergiste mest, oftewel digestaat, bevat minder snel afbreekbare organische stoffen, wat resulteert in minder geurhinder bij toediening op het land. Bovendien kan de afgevangen biogasproductie geurverspreiding voorkomen door het verminderen van ongecontroleerde methaan- en ammoniakemissies. Doordat de mest sneller wordt verwerkt, neemt de opslagduur af, wat de kans op geurhinder ook verkleint. Door deze gecombineerde effecten wordt de leefomgeving rondom veehouderijen aangenamer door een lagere geur- en emissieuitstoot. Hiermee kan monomestvergisting bijdragen aan een duurzamere en maatschappelijk beter geaccepteerde veehouderij. Nadelen 1. Kosten en investeringsdrempels Het opzetten van monomestvergisters vergt een aanzienlijke initiële investering. Voor veel boeren kan dit financieel moeilijk haalbaar zijn zonder subsidies of leningen.
Dit zorgt voor ongelijkheid tussen boeren die wel en niet kunnen investeren in vergistingstechnologie. 2. Beperkte energieopbrengst In vergelijking met co-vergisting (waarbij andere biomassa / co-producten worden toegevoegd) levert monomestvergisting minder biogas op. Hierdoor kan het economisch minder aantrekkelijk zijn zonder extra steun of inkomstenbronnen. 3. Risico op extra emissies bij aanwending van onbewerkt digestaat Hoewel de uitgewerkte mest die vrijkomt uit de vergister (digestaat) nagenoeg dezelfde voedingstoffen bevat als onvergiste mest kan onbewerkte digestaat bij aanwending extra emissies, van met name ammoniak, veroorzaken in vergelijking tot reguliere drijfmest. Dit wordt veroorzaakt doordat er minder organisch gebonden stikstof aanwezig is in digestaat en meer ammoniumstikstof die sneller opneembaar is, maar ook gevoeliger is voor uitspoeling. Dit vraagt extra aandacht in de bewerking, dan wel aanwending van digestaat.6 Bij vergisting in een grootschalige centrale vergister waarbij digestaat verder verwerkt wordt tot hoogwaardige meststoffen, blijft het risico op extra emissies uit digestaat beperkt en kan ook bij aanwending een voordeel behaald worden t.o.v. reguliere drijfmest. 4. Regelgeving en bureaucratie De regelgeving rondom monomestvergisting en het gebruik van digestaat kan ingewikkeld zijn.
Boeren moeten voldoen aan milieu- en mestwetgeving, wat voor extra administratieve lasten zorgt. Denk hierbij onder andere aan de huidige vergunningssystematiek van stalsystemen in relatie tot stikstofemissies en de toepassing van praktische dagontmesting. Daarnaast vraagt en geeft de toepassing van uitgewerkte digestaat als meststof andere toepassingsmogelijkheden, dit is met name relevant voor de grootschalige centrale vergister (type 4).
6 Gollenbeek L.R., J.P.B.F. van Gastel, F.A.M. Casu, I. Huisman,
N. Verdoes, 2022. Berekeningen emissies en economie voor verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest; NL Next Level Mestverwaarden. Wageningen Livestock Research, Openbaar Rapport 1372. 33
5. Risico op methaanlekkage Hoewel vergisting methaanuitstoot vermindert, bestaat er altijd een risico dat tijdens het proces methaan ontsnapt (in de vorm van methaanslip tijdens het transport van het geproduceerde gas of tijdens gebruik in een WKK). Dit zou de voordelen ten aanzien van klimaatverandering kunnen beperken als hierop onvoldoende wordt gemonitord. Omdat methaanlekkage de (biogas)opbrengsten vermindert, zetten exploitanten van vergisters in op het maximaal reduceren van methaanlekkage. 6. Concurrentie met traditionele mesttoepassingen Vergisting verandert de manier waarop mest wordt gebruikt, wat kan leiden tot veranderingen in de lokale mestmarkt (prijzen en beschikbaarheid). Traditionele mestafnemers kunnen hier nadeel van ondervinden. 3.4.1.
MAATSCHAPPELIJK IMPACT INDIVIDUELE MONOMESTVERGISTER
Bij monomestvergisting type 1 is geen samenwerking tussen veehouders nodig. Een dergelijke individuele exploitatie heeft maatschappelijk gezien een andere impact dan een samenwerkingsvorm, met specifieke voor- en nadelen. Voordelen 1. Autonomie en flexibiliteit Een boer met een eigen monomestvergister heeft volledige controle over het proces, de opbrengsten en het gebruik van het biogas en digestaat. Dit leidt tot een betere afstemming op de specifieke behoeften van het eigen bedrijf. 2. Kleinere schaal en lokale impact Omdat een individuele vergister meestal kleinschaliger is, heeft het project een lagere impact op het omringende landschap en op het transport van mest. Dit kan de acceptatie door de lokale gemeenschap vergroten, omdat de directe belasting op infrastructuur en leefomgeving kleiner is. 3. Lagere administratieve last Een boer met een eigen installatie hoeft alleen zijn eigen administratie en regelgeving bij te houden, zonder rekening te hoeven houden met verschillende partijen en hun belangen. Dit kan administratief eenvoudiger zijn dan een collectief. Nadelen 1. Hoge kosten voor kleine spelers Voor individuele boeren kan de investering in een vergister erg hoog zijn, vooral voor kleinere boeren. Dit kan leiden tot ongelijkheid in de sector, waarbij alleen grotere bedrijven zich monomestvergisting kunnen veroorloven. 2.
Minder efficiëntie en schaalvoordelen Individuele vergisters kunnen minder efficiënt zijn dan collectieve vergisters, omdat ze op kleinere schaal werken. De kosten per geproduceerde eenheid biogas kunnen hoger zijn, wat de economische levensvatbaarheid kan beperken. 3. Beperkte maatschappelijke bijdrage Omdat de energieproductie op kleine schaal plaatsvindt, is de bijdrage aan de energietransitie op lokaal en nationaal niveau minder significant, tenzij veel landbouwbedrijven investeren in een individuele vergister. 34
3.4.2.
MAATSCHAPPELIJKE IMPACT VERGISTEN IN SAMENWERKINGSVERBAND
Bij monomestvergisting type 2 t/m 4 wordt een vorm van samenwerking tussen veehouders gevraagd. Maatschappelijk gezien heeft een samenwerkingsvorm een andere maatschappelijke impact dan een individuele exploitatie, met specifieke voor- en nadelen. Voordelen 1. Schaalvoordelen en kostenefficiëntie Een collectief vergistingsconcept kan op grotere schaal werken, waardoor de kosten per eenheid geproduceerde energie lager zijn. Dit maakt het economisch aantrekkelijker voor de deelnemende boeren en kan leiden tot betere investeringsrendementen. 2. Betere toegang tot financiering en subsidies Door samenwerking kunnen boeren gezamenlijke investeringen doen, wat hen een betere positie geeft om subsidies aan te vragen of leningen te verkrijgen. Dit verlaagt de drempel voor kleinere boeren om deel te nemen aan vergisting. 3. Grotere maatschappelijke bijdrage aan duurzame energie Een collectieve installatie kan meer biogas produceren, waardoor de bijdrage aan de energietransitie groter is. Dit versterkt de maatschappelijke impact op het gebied van duurzame energieproductie en klimaatdoelstellingen. 4. Vermindering van mesttransport over lange afstanden Als meerdere boeren in een regio samenwerken, kan dit mesttransport over lange afstanden verminderen, wat de CO₂-uitstoot en verkeersoverlast verlaagt.
Dit is vooral gunstig voor dichtbevolkte gebieden en gebieden met relatief veel veehouderijbedrijven met mestoverschot. 5. Sociale cohesie en samenwerking tussen boeren Door deel te nemen aan een collectief samenwerkingsverband kunnen boeren onderling meer samenwerken, wat de sociale cohesie in plattelandsgebieden versterkt. Dit kan leiden tot kennisdeling, betere onderlinge verhoudingen en gezamenlijke innovatie in de landbouw. Nadelen 1. Complexere organisatie en afstemming Een samenwerkingsverband vereist goede coördinatie tussen de verschillende deelnemende boeren. Dit kan leiden tot meer administratieve lasten en besluitvormingsprocessen, wat tijd en energie kost om iedereen op één lijn te houden. Daarbij is de impact van het uitstappen van een deelnemer binnen een samenwerkingsverband zeer verschillend. Bij type 3 kan de impact groot zijn en dient hier dan boven gemiddelde aandacht voor te zijn t.a.v. de contractvorming. Bij type 2 en 4 dient hier ook aandacht voor te zijn, maar heeft de terugtrekking van een deelnemer uit een samenwerkingsverband minder impact, dan wel is een deelnemer makkelijker te vervangen door een nieuwe deelnemer. Dit komt o.a. door het feit dat hier lagere technische oplossingen en bijkomende investeringen gevraagd worden. 2.
Minder autonomie Deelnemende boeren hebben minder controle over het proces en de opbrengsten dan wanneer ze een eigen vergister zouden hebben. Er moet rekening worden gehouden met de belangen en behoeften van andere boeren in het collectief, wat tot conflicten kan leiden.
35
3. Lokale overlast en weerstand Grootschalige vergisters kunnen meer lokaal transport, geur en visuele overlast veroorzaken dan kleinschalige installaties. Dit kan leiden tot weerstand van lokale gemeenschappen en zorgen over de milieueffecten van een grootschalige installatie. 4. Risico op ongelijke verdeling van voordelen In sommige gevallen kunnen de grotere of meer kapitaalkrachtige boeren binnen een collectief meer profiteren dan kleinere boeren. Dit kan leiden tot ongelijkheid binnen het samenwerkingsverband, vooral als de verdeling van opbrengsten of kosten als oneerlijk wordt ervaren. 3.4.3.
SAMENVATTEND OVERZICHT MAATSCHAPPELIJKE CRITERIA
In onderstaande tabel worden de belangrijkste maatschappelijke criteria samenvattend weergegeven per vergistingstype. Met + en – wordt de positieve dan wel negatieve invloed gewaardeerd per criteria. 1: Individuele vergister
2: Buurtvergister
3: Biogascluster
Reductie methaan / veehouder Reductie ammoniak / veehouder Lokale werkgelegenheid
+++
++
+++
++
+++
++
+++
++
+/-
+
+/-
++
Verminderen geurhinder Opwek bruto energieproductie Transportbewegingen lokaal Totale transport kilometers t.b.v. mestafzet Risico op extra emissie bij aanwending digestaat Administratieve impact Sociale cohesie en samenwerking tussen boeren Kans op lokale weerstand
+ +
+ +
+ ++
+ +++
+/+/-
+/-
+/+/-
-++
-
+/-
+/-
++
-
-+
--+++
--++
+/-
-
+/-
--
Type: Criteria:
4: Regionale vergister
Tabel 12: Samenvattingstabel invloed maatschappelijke criteria
36
4.
TECHNISCHE CRITERIA LOKAAL NETBEHEER
Zowel voor stroom als gas is Enexis de netbeheerder in de gemeente Meierijstad. Ten aanzien van monomestvergisting is nagenoeg elk type installatie gekoppeld aan het stroomnet en/of het gasnet. Bij toepassing van een WKK wordt er zowel stroom teruggeleverd alsook veelal op bepaalde momenten stroom afgenomen. In geval van omzetting naar groen gas is er een stroomvraag voor zowel opwarming van de vergister als voor de pompen en het opwaardeerstation. Dit vraagt in nagenoeg alle 4 type-concepten om een grootzakelijke aansluiting. Daarnaast is er voor levering van het groen gas een invoedaansluiting nodig op het gasnet. Onderstaand wordt voor zowel stroom als gas de actuele situatie in de gemeente nader toegelicht, hetgeen mede bepalend is voor de ontwikkeling van monomestvergistingsinstallaties. 4.1.
NETSITUATIE INVOEDING GROEN GAS
Voor de invoeding van groen gas op het aardgasnetwerk is contact geweest met Enexis om de actuele situatie (najaar 2024) in beeld te krijgen. Hierbij is er vanuit Enexis gekeken naar de verschillende aardgasnetten in de gemeente, enerzijds vanuit het oogpunt van Enexis vanwege de maatschappelijke kosten (facilitering van de invoeding van groen gas door een investering in het hoofdnet). Anderzijds is ook vanuit de mogelijke groen gas invoeder naar de aardgasnetten gekeken, omdat de afstand tot een bestaand geschikt net de kosten (meerlengte) bepaalt. Voor de invoeder zelf is het verstandig zich te vestigen nabij een geschikt 8 bar net (in Figuur 9 in paars weergegeven). In een enkel geval, beperkt tot monomestvergistingsconcepten type 1 en 2, wil Enexis een invoeder op het lage druk gasnet 100 mbar aansluiten als er in feite geen andere realistische mogelijkheid is. Deze optie is echter technisch lastiger, niet overal mogelijk én met name voor de invoeder minder toekomstbestendig. Daarom dient bij voorkeur de focus van een nieuwe vergistingsinstallatie op een 8 bar net te liggen. De verschillende kernen binnen Meierijstad worden niet allemaal gevoed door hetzelfde gasnet, zie Figuur 8.
Figuur 9: Hoge druk netwerk gas Meierijstad
37
De huidige status per net verschilt per kern: ▪ Veghel (m.u.v. industriegebied) maakt deel uit van een groot 8 bar gasnet aan de noordzijde van Meierijstad. Momenteel is er nog gedurende 8.600 uur ruimte voor invoeding in dit net. Uiteraard is dit afhankelijk van het gewenste invoedvolume. ▪ Veghel (industriegebied): Hier is momenteel een afname van 100 – 500 m3/uur. De exacte invoedmogelijkheden vragen een nadere inventarisatie. ▪ Erp maakt deel uit van een ander wat groter 8 bar gasnet aan de oostzijde van Meierijstad. Hier is/ komt al veel invoeding op het net. Momenteel kan slechts 5.000 uur op jaarbasis worden ingevoed. Vanaf 2026 zal, na plaatsing van een gasbooster in dit net, de ruimte stijgen naar 8.600 uur. Uiteraard is dit ook weer afhankelijk van het invoedvolume. ▪ St Oedenrode is een klein eilandnet. Hierin is al een invoeder (waarschijnlijk GroeneWoudGAS) actief die in de daluren alle gasvraag in het net nodig heeft. Zonder netinvesteringen is de mogelijkheid tot invoeding beperkt. ▪ Schijndel is ook een klein eilandnet. De gasvraag in dit net zal in de nabije toekomst nodig zijn om bovengenoemde invoeder te faciliteren, waardoor op dit net in feite geen ruimte is. Enexis heeft geen voorkeur voor Schijndel als net om op in te voeden. Disclaimer Enexis: Bovengenoemde gegevens zijn ter indicatie waaraan geen rechten kunnen worden ontleend.
De situatie is van najaar 2024 en kan voortdurend wijzigen. Als er plannen zijn voor invoeding dient er tijdig contact opgenomen te worden met Enexis voor het in kaart brengen van de actuele status via een haalbaarheidsscan. Als de hoeveelheid groengasinvoeding in verhouding staat tot de investering in het hoofdnet (die nodig is om invoeding mogelijk te maken) dan kan Enexis besluiten om het net aan te passen om groengasinvoeding te faciliteren tot > 8.000 uur invoedmogelijkheid.
4.2.
NETSITUATIE STROOMNET
Monomestvergisting vraagt bij nagenoeg alle types een stroomvraag ten behoeve van het opwarmen van de biomassa, het laten draaien van pompen en mixers, het opwaarderen van biogas en overige apparatuur. Bij toepassing van een WKK ten behoeve van omzetting van het ruwe biogas naar stroom en warmte is de stroomvraag zeer beperkt. In de meeste andere toepassingen is er een dusdanige stroomvraag dat, afhankelijk van de omvang van de installatie, een vergroting van de stroomaansluiting vereist is. De gevraagde aansluitcapaciteit is per situatie afhankelijk. Bij monomestvergisting type 1, 3 en 4 kan er vanuit gegaan worden dat er een grootzakelijke aansluiting vereist is (> 3 x 80 A). In Figuur 1: Schetsmatige weergave van vier typen monomestvergistingsconceptenzijn voor Meierijstad de huidige afname- en teruglevercapaciteit van stroom weergegeven voor grootzakelijke aansluitingen. Deze laten zien dat het stroomnet momenteel overbelast is en dat er geen ruimte is voor extra afname-of terugleververmogen. Dit is een beperkende factor bij de technische ontwikkeling van monomestvergistingsinstallaties die afhankelijk zijn van het grootzakelijk netwerk.
38
Figuur 10: Capaciteitskaart stroomnet afname grootzakelijk Meierijstad 10-01-2025
Figuur 11: Capaciteitskaart stroomnet teruglevering grootzakelijk Meierijstad 10-01-2025
39
5.
VERGUNNINGSCRITERIA MONOMESTVERGISTING
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste vergunningsvoorwaarden en processtappen beschreven per type vergister. In de huidige regelgeving rondom vergunningen is het verkrijgen hiervan geen formaliteit, maar vraagt dit bovengemiddelde aandacht. Een monomestvergistingsinstallatie is altijd een meldings-, dan wel een vergunningsplichtige activiteit. Dit vergt van de initiatiefnemer een ontwikkeltraject ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde toestemmingen. Sinds de komst van de omgevingswet per 01-01-2024 is het toetsingskader van aanvragen veranderd. In 2024 heeft RVO een handreiking opgesteld ten behoeve van de vergunningverlening van monomesvergistingsinstallaties op bedrijfsniveau (type 1 t/m 3).7 De handreiking is gericht op vergunningverleners bij gemeenten en omgevingsdiensten die aanvragen en meldingen van mestvergistingsinstallaties behandelen. Ook kan de handreiking adviseurs helpen bij het indienen van aanvragen en meldingen voor mestvergistingsinstallaties. Ten behoeve van de bepaling van de haalbaarheid en uitrol van de verschillende concepten monomestvergisting (type 1 t/m 4) binnen de gemeente Meierijstad is op hoofdlijnen onderzocht wat de belangrijkste vergunningscriteria zijn per type. 1.
Op het perceel / bouwblok van een veehouderij in landelijk gebied is mestvergisting ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest toegestaan (type 1 en 3).
2.
Op het perceel van een veehouderij in landelijk gebied mag mest die elders wordt geproduceerd, ten behoeve van bijvoorbeeld een buurtvergister (type 2) worden vergist onder de volgende voorwaarden: ▪ Maximale capaciteit = 25.000 m3/jaar (hier telt de eigen mest ook bij mee, dit wordt dus anders meegenomen dan in de milieuregelgeving). ▪ Mest is afkomstig van samenwerkende melkrundveehouderijen. ▪ De locatie is goed ontsloten. ▪ Opslag, overslag en verwerking vinden niet in de open lucht plaats. ▪ Bij verdere bewerking na vergisting wordt 50% omgezet naar loosbaar water.
3.
Verdere mestvergisting die niet aan bovenstaande regels kan voldoen (grootschalige centrale vergister (type 4)) krijgt te maken met de volgende regels: ▪ Bij voorkeur plaatsen op een (middel)zwaar industrieterrein. Er is een kaart waarop de provincie aangeeft wat stedelijk gebied is. Er gelden geen specifieke regels voor mestvergisting in dat gebied, maar de algemene ruimtelijke regels zijn uiteraard wel van toepassing. ▪ Indien een mestvergister niet op industrieterrein gelegen is, maar wél een uitbreiding van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking (ten opzichte van 13-06-2017) wenst, dán gelden strenge regels, met onder andere: ▪ Mest wordt met een pijpleiding aangevoerd vanaf de productielocatie ▪ 50% verwerken tot loosbaar water ▪ De installatie(s) zijn ruimtelijk goed inpasbaar, met bovengemiddelde aandacht voor de landschappelijke inpassing.
Voor type 2 (buurtvergister) en type 4 (grootschalige centrale vergister) worden hierna per bevoegd gezag de vergunningseisen en procedure op hoofdlijnen geschetst, omdat deze 2 types de meest complexe en uitdagende procedure vragen. Ook wordt een inschatting van het tijdspad gegeven. 7 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2024-10/Handreiking-vergunningverlening-monomestvergisting.pdf .
40
5.1.
VERGUNNINGSPROCEDURE EN TIJDSPAD TYPE 2
Voor monomestvergisting type 2 (buurtvergister) zijn de volgende vergunningseisen en procedure van toepassing per bevoegd gezag. Provinciaal ▪ Verbod uitbreiden oppervlak mestverwerking 2017 Omgevingsverordening ▪ Pijpleiding voor mestaanvoer. Van deze voorwaarden kan in Noord-Brabant afgeweken worden indien de vergister een resultaat is van samenwerkende melkveebedrijven, onder de voorwaarden dat: ▪ de mest afkomstig is van samenwerkende melkrundveehouderijen; ▪ de locatie goed ontsloten is; ▪ de opslag, overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt. ▪ 50% verwerken tot loosbaar water ▪ Tenzij een buurtvergister met een capaciteit van max. 25.000 op een industrieterrein gerealiseerd wordt, gelden de vergunningsvoorwaarden zoals omschreven bij type 4. Zie paragraaf 5.2 Gemeente ▪ Omgevingsplan (Agrarische bestemming + aanvoer mogelijk of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)) ▪ Omgevingsvergunning (2 jaar tot aan ontwerp) ▪ Milieubelastende activiteit ▪ Natuurbescherming (Stikstof) ▪ Bouwtechnisch en bouwverordering ▪ Geluid ▪ Geur ▪ Transport ▪ Etc. ▪ MER beoordeling Bij bezwaar volgt een procedure via de Raad van State, dit neemt circa 3 jaar in beslag. Het totale tijdspad wordt zodoende ingeschat op 5 jaar. 5.2.
VERGUNNINGSPROCEDURE EN TIJDSPAD TYPE 4
Voor monomestvergisting type 4 (grootschalige centrale vergister) zijn de volgende vergunningseisen en procedure van toepassing per bevoegd gezag. Provinciaal ▪ Verbod uitbreiden oppervlak mestverwerking 2017 Omgevingsverordening ▪ Pijpleiding voor mestaanvoer ▪ 50% verwerken tot loosbaar water ▪ Tenzij op industrieterrein ▪ Omgevingsvergunning (5 jaar tot aan ontwerp) ▪ Milieubelastende activiteit ▪ Natuurbescherming (Stikstof) ▪ Bouwtechnisch en bouwverordering ▪ Geluid ▪ Geur
41
▪
▪ Transport ▪ Etc. MER plichtig boven 100 ton per dag ▪ Circa 2 jaar
Gemeente ▪ Omgevingsplan (Milieucategorie 5) Bij bezwaar volgt een procedure via de Raad van State, dit neemt circa 3 jaar in beslag. Het totale tijdspad wordt zodoende ingeschat op 8 jaar. 5.3.
IMPACT STIKSTOFUITSPRAAK 18-12-2024 - INTERN SALDEREN
Op 18 december 2024 is er een uitspraak geweest van de Raad van State die invloed heeft op het verkrijgen van een stikstofvergunning. De uitspraak heeft aanzienlijke gevolgen voor de ontwikkeling van monomestvergistingsinstallaties in Nederland, met name door de gewijzigde interpretatie van intern salderen en de bijbehorende vergunningseisen. Intern salderen houdt in dat de stikstofemissie van een nieuwe activiteit binnen hetzelfde bedrijf wordt gecompenseerd door vermindering van uitstoot elders binnen dat bedrijf, zodat de totale stikstofuitstoot niet toeneemt. Met name bij type 1 t/m 3 werd in de praktijk vaak intern salderen toegepast om het stikstofonderdeel, lees natuurbeschermingswet vergunning, te regelen. Bij type 4 wordt intern salderen over het algemeen lastiger, afhankelijk van de bestaande activiteit op een betreffende locatie. Gevolgen uitspraak: ▪ Verplichte vergunningaanvraag: Voorheen konden ondernemers intern salderen toepassen om zonder natuurvergunning te opereren. Nu is een natuurvergunning vrijwel altijd vereist, zelfs bij intern salderen. ▪ Striktere beoordelingseisen: In de passende beoordeling wordt intern salderen nu als mitigerende maatregel beschouwd, waarvoor strengere eisen gelden. Dit betekent dat bedrijven gedetailleerd moeten aantonen dat hun stikstofemissies geen significante effecten hebben op Natura 2000gebieden.
▪ Financiële en operationele gevolgen: De noodzaak voor aanvullende vergunningen en beoordelingen kan leiden tot hogere kosten en langere doorlooptijden voor projecten, wat de financiële haalbaarheid van monomestvergistingsinstallaties kan beïnvloeden. ▪ Terugwerkende kracht en overgangsregeling: Activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 zijn gestart met intern salderen zonder natuurvergunning, moeten mogelijk alsnog een vergunning aanvragen. Er geldt een overgangsperiode tot 1 januari 2030 waarin niet wordt gehandhaafd, zodat bedrijven de tijd hebben om aan de nieuwe eisen te voldoen.
42
6.
ENERGIEPRODUCTIEPOTENTIEEL IRT BESCHIKBARE MEST EN HAALBAARHEID
In Hoofdstuk 2 is de beschikbaarheid van biomassa in de vorm van mest afkomstig van de huidige en toekomstige veehouderij binnen de gemeente Meierijstad berekend. Het totaal aantal dieren en bijbehorende mestproductie komt overeen met een totale groengaspotentie uit mest in Meierijstad van 8 miljoen Nm3 in 2030. 8 miljoen Nm3 groen gas is omgerekend ca. 78 GWh aan duurzame energie. Het is echter niet realistisch dat alle beschikbare mest ook werkelijk vergist kan gaan worden. Circa een kwart van de mest is niet geschikt om te vergisten, komt rechtstreeks op het land of is al vergeven aan andere afnemers. Kijkend naar het type veehouderijbedrijven in de gemeente, de omvang, locatie, vergunningsvoorwaarden en de financiële basisvoorwaarden per type, wordt ingeschat dat er binnen de gemeente ruimte is voor de volgende initiatieven met bijbehorende omvang en energieproductiepotentieel. ▪
Maximaal 4-6 initiatieven binnen vergistingsconcepten type 1 t/m 3 met: ▪ een gemiddelde omvang van 15.000 ton mest; ▪ een gemiddelde biogaspotentie van 375.000 m3; ▪ een gemiddelde groen gaspotentie van 243.750 m3; ▪ een gemiddelde productie van 2.381 MWh duurzame energie.
Vanwege een beperkt aantal bedrijven met de benodigde bedrijfsomvang voor type 1, zullen slechts enkele bedrijven de stap naar een individuele vergister (kunnen) maken. Deze bedrijven kunnen daarbij ook onderdeel worden van vergistingsconcept type 2 of 3, wat de haalbaarheid van deze 2 types vergroot. Bij type 2 en 3 zijn mede de omvang en aantal van dicht bij elkaar liggende bedrijven van belang. Kijkend naar de lokalisering i.c.m. van de omvang van de veehouderijbedrijven in de gemeente is de inschatting dat ‘slechts’ enkele initiatieven van type 2 en 3 realistisch zijn. Naast de financiële en technische voorwaarden is hierbij het animo en enthousiasme van de veehouders mede bepalend in het succes. Uitgaande van 4 initiatieven van type 1 t/m 3 van 15.000 ton mest (of een combinatie van deze concepten) zou hiermee 60.000 ton mest vergist worden met een totaal verwachte energieopbrengst van ca 10 GWh. ▪
Maximaal 1 grootschalige centrale vergister voor (vlees)varkensmest met: ▪ een maximale omvang van 100.000 ton mest; ▪ een gemiddelde biogaspotentie van 2.000.000 m3; ▪ een gemiddelde groen gaspotentie van 1.300.000 m3; ▪ een gemiddelde productie van 12.701 MWh = 12,7 GWh duurzame energie.
▪
Maximaal 1 extra grootschalige centrale vergister voor rundveemest met, dan wel uitbreiding van GroeneWoudGAS met: ▪ een maximale omvang van 50.000 ton mest; ▪ een gemiddelde biogaspotentie van 1.250.000 m3; ▪ een gemiddelde groen gaspotentie van 812.500 m3; ▪ een gemiddelde productie van 7.938 MWh = 7,9 GWh duurzame energie.
Voor een centrale vergister is rekening gehouden met de geschatte mestproductie van rundvee en vleesvarkensmest in / vanaf 2030. I.r.t. de verwachte omvang is voor varkensmest 2/3 van de beschikbare mest en voor rundvee mest ca. ½ van de nog beschikbare mest aangehouden. Het feit dat van varkensmest al een hoger percentage afgezet wordt en een kleiner percentage op eigen land benut kan worden, speelt hier in mee. Voor mest die toch afgezet dient te worden is de stap namelijk kleiner om deze te laten vergisten, in vergelijking tot mest die op eigen land geplaatst kan worden.
43
Het energiepotentieel van bovenstaande initiatieven opgeteld is 30,5 GWh. Daar bovenop komt nog de productie van GroeneWoudGAS. Na uitbreiding naar 80.000 ton mest wordt deze geschat op 14 GWh. Het totaal energieproductiepotentieel op basis van vergisting van mest in de gemeente Meierijstad wordt zodoende ingeschat op 44,5 GWh in 2030. De totale energievraag van de gemeente Meierijstad wordt voor 2050 ingeschat op 6.544 TJ oftewel 1.818 GWh, deze vraag zal in 2030 echter nog lager liggen.8 Daarentegen dient de kanttekening geplaatst te worden, dat de kans klein is dat in 2030 bovenstaande projecten gerealiseerd zijn. De complexe en trage vergunningsprocedures, als ook technische uitdaging i.r.t. benodigde nutsvoorzieningen (zie hoofdstuk 4) zijn hier mede oorzaak van. Kijkend naar 20250 komt de productie van bovenstaande potentiële initiatieven overeen met ongeveer 22% van de verwachte warmte behoefte en 2,5% van de totale energiebehoefte in 2050.
8 Document Meierijstad - Bijlage 1.5 Actualisatie energiemix achtergronddocument.pdf - iBabs
Publieksportaal 44
7.
CONCLUSIES EN AFWEGINGEN
De energietransitie stelt gemeenten voor de uitdaging om duurzame energiebronnen te vinden en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen terwijl de totale energievraag wordt ingevuld. Voor de gemeente Meierijstad wordt deze totale energievraag voor 2050 ingeschat op 6.544 TJ (1.818 GWh). Door middel van monomestvergisting, waarbij enkel mest als grondstof voor vergisting wordt gebruikt, wordt biogas geproduceerd. Dit gas kan als groene energie worden ingezet in de vorm van groen gas, stroom of warmte en zodoende een bijdrage leveren aan het invullen van de totale energievraag van de gemeente Meierijstad met lokale, duurzame energieproductie. Voor het vergisten van mest kunnen vier types van monomestvergisting worden onderscheiden, namelijk de individuele vergister (type 1), buurtvergister (type 2), biogascluster (type 3) en grootschalige centrale vergister (type 4). Individuele monomestvergisters (type 1) bieden boeren meer autonomie en flexibiliteit, maar brengen vaak hoge investeringen en beperkte maatschappelijke impact met zich mee, tenzij veel landbouwbedrijven zouden investeren in een individuele vergister. In buurtvergisters (type 2) en biogascluster (type 3) werken veehouders lokaal samen aan een duurzame toekomst, waarbij ze de kosten en opbrengsten van de vergister delen en gezamenlijk bijdragen aan opwek van duurzame energie en de reductie van broeikasgassen.
Door de samenwerking kunnen kleinere bedrijven toegang krijgen tot een vergister die anders financieel onhaalbaar zou zijn, wat zowel het milieu als de agrarische gemeenschap ten goede komt. Grootschalige centrale vergisters (type 4) bieden schaalvoordelen, grotere maatschappelijke bijdragen en een betere toegang tot financiering, maar vereisen meer samenwerking, afspraken, coördinatie en kunnen lokale weerstand oproepen. Conclusies Op basis van het aanwezige type veehouderijbedrijven in de gemeente, de omvang, locatie, vergunningsvoorwaarden en de financiële basisvoorwaarden per type, wordt ingeschat dat er binnen de gemeente ruimte is voor de volgende initiatieven met bijbehorende omvang en energieproductiepotentieel. ▪
Potentie van 4 initiatieven voor type 1-3 ▪ Totale vergistingsvolume van ca 60.000 ton mest. ▪ Totaal verwachte energieopbrengst van ca. 10 GWh. ▪ De huidige vergunningsprocedures en technisch ontwikkelingen vragen voor monomestvergisers type 2 (buurtvergister) en type 3 (biogascluster) een tijdspad van naar verwachting 3-5 jaar.
▪
Potentie voor 2 initiatieven voor type 4 (grootschalige centrale vergister) ▪ Maximaal 1 collectieve vergister voor (vlees)varkensmest met: ▪ een maximale omvang van 100.000 ton mest ▪ totaal verwachte energieopbrengst van ca. = 12,7 GWh duurzame energie. ▪ Maximaal 1 extra collectieve vergister voor rundmest, dan wel uitbreiding van GroeneWoudGAS met: ▪ een maximale omvang van 50.000 ton mest; ▪ totaal verwachte energieopbrengst van ca. = 7,9 GWh duurzame energie. De vergunningverlening en technische ontwikkeling vraagt waarschijnlijk een langjarig traject (5-8 jaar), dit maakt de realisatie van de installatie risicovol en onzeker en daarmee ook de bijdrage aan de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030.
▪
45
Overstijgend aan de Regionale Energiestrategie-doelstellingen heeft Meierijstad zich als doel gesteld om in 2050 volledige energieneutraal te zijn. De totale energievraag van de gemeente Meierijstad wordt voor 2050 ingeschat op 6.544 TJ oftewel 1.818 GWh, deze vraag zal in 2030 echter nog lager liggen. Het totaal energieproductiepotentieel op basis van vergisting van mest in de gemeente Meierijstad wordt ingeschat op 44,5 GWh in 2030, dit is een combinatie van aanwezige biogasproductie, geplande biogasproductie en het potentieel zoals berekend. De 44,5 GWh is ongeveer 22% van de verwachte warmtebehoefte en 2,5% van de totale energiebehoefte in 2050. Hiermee biedt monomestvergisting de mogelijkheid om een noemenswaardig aandeel te kunnen vormen in de toekomstige duurzame energiemix binnen de gemeente. Met name op de warmtetransitie, waar minder makkelijk alternatieven te vinden zijn, kan monomestmestvergisting een forse bijdrage leveren. Aanbevelingen Monomestvergisting geeft behalve op het gebied van duurzame energieproductie ook duidelijke voordelen wat betreft de reductie van de emissies methaan en ammoniak en kan zo bijdragen aan bijkomende milieudoelstellingen en een toekomstig bestendige veehouderijsector. Tegelijkertijd zijn er maatschappelijke uitdagingen, vooral op financieel gebied en met betrekking tot regelgeving, vergunningen en andere mogelijke milieueffecten.
Het is belangrijk dat de voordelen van monomestvergisting verder worden ondersteund door passende subsidies en duidelijke richtlijnen en ruim(er) beleid t.a.v. de vergunningverlening. Om de nadelen te minimaliseren en bredere maatschappelijke acceptatie te bevorderen dient de omgeving bij de ontwikkeling betrokken te worden en een transparante en neutrale berichtgeving voorop te staan. Ook voor de benodigde infrastructuur zijn nog ontwikkelingen nodig, zo zijn de gasafname en stroomvoorzieningen essentieel om tot realisatie te kunnen komen. Een belangrijke voorwaarde is dat de gemeente en overige bevoegde overheden samenwerken om de juiste omstandigheden te creëren. Daarbij is vooruit zien t.a.v. de technische en juridische randvoorwaarden een vereiste om monomestvergisting substantieel bij te kunnen laten dragen een de energie- en klimaatdoelstellingen.
46