CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Haalbaarheidsstudie monomestvergisting Meierijstad - DEF - DLV Advies

Raadsinformatiebrieven 5 juli 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Uitwerking deelonderzoeken lokale energieopwek, d.d. 31-03-202616.089 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

HAALBAARHEIDSSTUDIE MONOMESTVERGISTING GEMEENTE MEIERIJSTAD

Gemeente Meierijstad Postbus 10001 5460 DA VEGHEL

H.A. Wientjes / J.J.A.A. van den Heuvel 06 20 39 82 71 / 06 26 54 23 98

Datum 16-04-2025

DLV Rundvee Advies BV - KvK 09108587

Oostwijk 5 5406 XT Uden

Postbus 511 5400 AM Uden

0413 33 68 00 info@dlvadvies.nl

www.dlvadvies.nl

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 5 2. BESCHIKBAARHEID VAN BIOMASSA IN DE GEMEENTE .......................................................... 7 3. WAT IS MONOMESTVERGISTING ................................................................................................. 9 3.1. Biogasproductie door middel van monomestvergisting ........................................................... 9 3.2. Financiele haalbaarheid......................................................................................................... 12 3.3. Beschrijving type concepten monomestvergisting ................................................................ 13 3.3.1.

Type 1: Individuele vergister op bedrijfsniveau ....................................................... 13

3.3.2.

Type 2: Buurtvergister ............................................................................................. 16

3.3.3.

Type 3: Biogascluster .............................................................................................. 20

3.3.4.

Type 4: Grootschalige centrale vergister ................................................................ 24

3.3.5.

Samenvattend overzicht Concepten monomestvergisting ...................................... 31

3.4. Maatschappelijke criteria ....................................................................................................... 32 3.4.1.

Maatschappelijk impact Individuele monomestvergister ......................................... 34

3.4.2.

Maatschappelijke impact vergisten in samenwerkingsverband .............................. 35

3.4.3.

Samenvattend overzicht Maatschappelijke criteria ................................................. 36

4. TECHNISCHE CRITERIA LOKAAL NETBEHEER ....................................................................... 37 4.1. Netsituatie invoeding groen gas ............................................................................................ 37 4.2. Netsituatie stroomnet ............................................................................................................. 38 5. VERGUNNINGSCRITERIA MONOMESTVERGISTING ................................................................ 40 5.1. Vergunningsprocedure en tijdspad type 2 ............................................................................. 41 5.2. Vergunningsprocedure en tijdspad type 4 ............................................................................. 41 5.3. Impact stikstofuitspraak 18-12-2024 - intern salderen .......................................................... 42 6. ENERGIEPRODUCTIEPOTENTIEEL IRT BESCHIKBARE MEST EN HAALBAARHEID .......... 43 7. CONCLUSIES EN AFWEGINGEN ................................................................................................. 45

2

SAMENVATTING De energietransitie stelt gemeenten voor de uitdaging om duurzame energiebronnen te vinden en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen terwijl de totale energievraag volledig wordt ingevuld met een zo hoog mogelijk aandeel hernieuwbare energie. Overstijgend aan de Regionale Energiestrategiedoelstellingen heeft Meierijstad zich als doel gesteld om in 2050 volledig energieneutraal te zijn. Monomestvergisting, waarbij enkel mest als grondstof voor vergisting wordt gebruikt, kan aan deze doelstelling bijdragen. Afgaande op de verwachte ontwikkeling van de veestapel in de gemeente zou de totale mestproductie in 2030 op circa 550.000 ton mest uitkomen, met een bruto geschat groengaspotentieel van ongeveer 8 miljoen Nm3. Om dit groen gas te produceren worden vier typen monomestvergisters geschikt beschouwd voor de gemeente Meierijstad, namelijk de individuele vergister (type 1), buurtvergister (type 2), biogascluster (type 3) en grootschalige centrale vergister (type 4). Een individuele vergister op bedrijfsniveau (type 1) wordt gekoppeld en geplaatst op een primair veehouderijbedrijf om hiermee de eigen geproduceerde mest te vergisten. Een buurtvergister (type 2) is in basis vergelijkbaar met een vergister op bedrijfsniveau. Naast bedrijfseigen mest wordt er in een buurtvergister echter ook mest van omliggende bedrijven vergist.

Hier vindt dus een vorm van samenwerking plaats tussen meerdere veehouderijbedrijven. In een biogascluster (type 3) wordt monomestvergisting in een samenwerkingsvorm tussen meerdere veehouders in een gebied toegepast. Kenmerkend aan een cluster is dat elke deelnemende veehouder een eigen monomestvergistingsinstallatie op het eigen bedrijf realiseert waar normaliter enkel de eigen mest in vergist wordt. Het opgewekte ruwe biogas wordt via een aan te leggen biogasleiding naar één centraal punt getransporteerd. Een biogascluster kan het mogelijk maken om ook voor kleinere en middelgrote bedrijven een monomestvergistingsinstallatie te realiseren op het eigen bedrijf. Bij de grootschalige centrale vergister (type 4) wordt uitsluitend mest van meerdere bedrijven aangevoerd en vergist in een collectieve vergister. De omvang van de installatie geeft mogelijkheden te investeren in installaties om de vergiste mest (digestaat) verder te bewerken. Bij voldoende omvang kan dit ook mogelijk zijn bij type 1 en 2. Dit geeft een extra besparingsmodel op de mestafzetkosten van veehouders, tegelijkertijd kan hiermee extra milieuwinst worden behaald. De financiële haalbaarheid van monomestvergisting varieert zeer sterk, afhankelijk van verschillende factoren. Het opzetten van een monomestvergistingsinstallatie vereist een aanzienlijke initiële investering.

De hoogte van deze investering kan sterk variëren, afhankelijk van de grootte van de installatie en de technologie die wordt toegepast. De operationele kosten bestaan uit personeel, onderhoud van de apparatuur, kosten voor mestverwerking, energieverbruik (voor de opwarming van de vergister, het draaien van pompen en gasopwaardeerstation) en transportkosten van de mest. Deze kosten kunnen een aanzienlijke impact hebben op de financiële haalbaarheid. De belangrijkste inkomstenbron voor monomestvergisting is de verkoop van biogas / groen gas of de omzet die wordt gegenereerd door het biogas te gebruiken voor de productie van elektriciteit en warmte. De prijs van de gegenereerde duurzame energie kan variëren, afhankelijk van de marktomstandigheden en de gebruikte technologie. Daarnaast kunnen subsidies en stimulansen voor hernieuwbare energie de inkomsten verhogen, afhankelijk van het beleid van de overheid. Rekening houdend met het type veehouderijbedrijven in de gemeente, de omvang, locatie, vergunningsvoorwaarden en de financiële basisvoorwaarden per type, wordt ingeschat dat er binnen de gemeente Meierijstad ruimte is voor vier tot zes vergisters / samenwerkingsverbanden op primaire veehouderijbedrijven (type 1 t/m type 3) met een omvang tussen de 10.000 en 25.000 ton mest per project.

3

Voor grootschalige centrale vergisters (type 4) wordt ingeschat dat maximaal 1 installatie voor varkensmest en 2 voor rundveemest haalbaar zijn. Dit is inclusief de reeds aanwezig vergister van Groenewoud Gas In totaal kan met deze vergisters ongeveer 290.000 ton mest vergist worden met een potentie van 44,5 GWh aan herbruikbare energie. Dit komt overeen met ongeveer 22% van de verwachte warmtebehoefte en 2,5% van de totale energiebehoefte in 2050. Naast het bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie leveren monomestvergisters ook significante reducties wat betreft de emissies van broeikasgassen en ammoniak. Dit potentieel kan oplopen tot een reductie van 83% van de gevormde methaan en 46% tot 62% van de gevormde ammoniak uit mest i.r.t. gangbare veehouderijsystemen. Tegelijkertijd zijn er maatschappelijke uitdagingen, vooral op financieel gebied en met betrekking tot regelgeving en vergunningen. Om de voordelen van monomestvergisting te benutten, dienen deze verder ondersteund te worden door passende subsidies en duidelijke richtlijnen waardoor de nadelen worden geminimaliseerd en bredere maatschappelijke acceptatie bevorderd. Ook voor de benodigde infrastructuur zijn nog ontwikkelingen nodig, zo zijn de gasafname en stroomvoorzieningen essentieel om tot realisatie te kunnen komen.

Een belangrijke voorwaarde is dat de gemeente en overige bevoegde overheden samenwerken om de juiste omstandigheden te creëren.

4

1.

INLEIDING

De energietransitie stelt gemeenten voor de uitdaging om duurzame energiebronnen te vinden en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen terwijl de totale energievraag wordt ingevuld, met een zo hoog mogelijk aandeel hernieuwbare energie. Voor de gemeente Meierijstad wordt de totale energievraag voor 2050 ingeschat op 6.544 TJ (1,82 TWh), waarvan 1.272 TJ brandstof voor verkeer en vervoer (nietelektrisch), 715 TJ warmte (niet-elektrisch) en 4.557 TJ elektriciteit, oftewel 1,27 TWh (1.266 GWh) elektriciteit.1 De gemeente Meierijstad maakt deel uit van de Regionale Energiestrategie (RES) NoordoostBrabant. Overstijgend aan de Regionale Energiestrategie-doelstellingen heeft Meierijstad zich als doel gesteld om in 2050 volledige energieneutraal te zijn. Monomestvergisting, waarbij enkel mest als grondstof voor vergisting wordt gebruikt, kan aan deze doelstelling bijdragen. In 2024 is een quickscan uitgevoerd door ZLTO om de potentie van groengasproductie uit monomestvergisting onder melkveehouders in de gemeente Meierijstad te bepalen, alsook op mogelijke synergiën met de omgeving.

2 Voorliggende verdiepende haalbaarheidsstudie onderzoekt de kansen van monomestvergisting als potentiële oplossing binnen de gemeentelijke beleidskaders voor energie en klimaat van de gemeente Meierijstad en geeft daarbij een antwoord op de volgende vragen: ▪ Hoeveel potentie aan herbruikbare energie is er uit dierlijke mest te halen? ▪ Wat voor type vergisting zou daarbij passen? ▪ Wat is de technische haalbaarheid van de verschillende types? ▪ Wat is de financiële haalbaarheid van de verschillende types? ▪ Wat zijn de maatschappelijk voor- en nadelen? In deze studie worden de mogelijkheden van vier typen monomestvergistingsconcepten uitgediept (zie Figuur 1): ▪ Individuele vergister op bedrijfsniveau ▪ Buurtvergister (samenwerking) ▪ Biogascluster (samenwerking) ▪ Grootschalige centrale vergister (samenwerking).

Figuur 1: Schetsmatige weergave van vier typen monomestvergistingsconcepten

1 Document Meierijstad - Bijlage 1.5 Actualisatie energiemix achtergronddocument.pdf - iBabs Publieksportaal 2 https://www.zlto.nl/actueel/groen-gas-heeft-veel-potentie/

5

In het kader van de energietransitie kan monomestvergisting mest omzetten in biogas. Dit gas kan als groene energie worden ingezet in de vorm van groen gas, stroom of warmte, wat een aanvulling is op andere energiebronnen zoals wind- en zonne-energie. Naast energieopbrengsten is ook de klimaatimpact een belangrijke overweging om te investeren in monomestvergisting. Monomestvergisting kan zowel de uitstoot van methaan (CH4) als ammoniak (NH3) vanuit stallen en mestopslagen verminderen en daarmee de totale stikstof- en broeikasgasuitstoot van de veehouderij verkleinen. Omdat ook de milieueffecten van een vergistingsinstallatie op bijvoorbeeld de luchtkwaliteit of bodem zorgvuldig moeten worden afgewogen, wordt hierbij ook in deze haalbaarheidsstudie stil gestaan. Tot slot brengt monomestvergisting maatschappelijke invloeden met zich mee, zoals mogelijke veranderingen in het landschap, de economische gevolgen voor lokale bedrijven en eventuele weerstand bij omwonenden. De balans tussen maatschappelijk draagvlak en technologische ontwikkeling is essentieel voor het slagen van monomestvergisting in de gemeente.

De studie richt zich op de hoofdthema’s die van belang zijn bij realisatie van monomestvergistingsinstallaties zoals: ▪ zekerheid van biomassa; ▪ maatschappelijke impact op omwonenden en omgeving; ▪ technische haalbaarheid; ▪ locatie- en vergunningsvoorwaarden; ▪ financieel en organisatiemodel. Deze haalbaarheidsstudie dient als basis voor het gemeentelijk beleid rondom monomestvergisting en biedt inzicht in de kansen, knelpunten en voorwaarden voor implementatie.

6

2.

BESCHIKBAARHEID VAN BIOMASSA IN DE GEMEENTE

De potentie van monomestvergisting om bij te dragen aan doelstellingen op het gebied van de energietransitie is mede afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare biomassa. In dit hoofdstuk wordt de beschikbaarheid van biomassa in de vorm van mest afkomstig van de huidige en toekomstige veehouderij binnen de gemeente Meierijstad berekend. In de gemeente Meierijstad waren in 2023 volgens CBS meer dan 12.000 melkkoeien, 2.000 geiten, 23.000 zeugen, 160.000 vleesvarkens en ruim 500.000 kippen aanwezig3. Tezamen goed voor een totale mestproductie van 700.000 ton mest per jaar en een geschat groengaspotentieel van ruim 10 miljoen Nm3. De trend geeft een verwachte krimp van de veestapel in de gemeente Meierijstad tot het jaar 2030, gebaseerd op de trends die momenteel worden waargenomen in de provincie Noord-Brabant. De daling van het aantal dieren is grotendeels het gevolg van overheidsbeleid gericht op stikstofreductie, milieu- en biodiversiteitsdoelen en vrijwillige beëindigingsregelingen voor veehouders. De provincie Noord-Brabant heeft strenger milieubeleid geïntroduceerd wat al een effect heeft gehad op de omvang van de veestapel in Noord-Brabant en in de gemeente Meierijstad. Sinds 2017 is de Brabantse veestapel zodoende met 17% gekrompen. Dit geldt vooral voor de varkens- en pluimveesector blijkt uit cijfers van het CBS.

Voor de varkenshouderij wordt een verdere krimp verwacht ondanks de reeds sterke daling in aantallen dieren in de gemeente. Voortzetting van strengere milieuregels in combinatie met de opkoopregeling zijn daar de belangrijkste oorzaken van. De melkveestapel in Nederland wordt verwacht met 30% af te nemen tot 2030, door strengere emissieregels en een afbouw van derogatie binnen het mestbeleid. De geitenhouderij laat enige groei zien, maar regelgeving en slechte vooruitzichten wat betreft marktperspectieven maken ontwikkelingen in deze sector hoogst onzeker. Op basis van de verwachte krimp in de veestapel in de provincie Noord-Brabant kunnen de volgende schattingen worden gemaakt voor de dieraantallen in 2030 in de gemeente Meierijstad. Pas op: dit zijn ruwe schattingen die enkel bedoeld zijn om de totale mestproductie voor 2030 te kunnen inschatten. Diersoort

Aantal 2023

Extrapolatie (%) Verwachte daling* (%) Aantal 2030 in berekening

Vleesvarkens

166.000

70-85%

- 20-25%

125.000

Zeugen

23.000

30-80%

- 20-25%

17.000

Melkvee

12.000

90-100%

- 25-30%

9.000

Pluimvee (kuikens)

210.000

60-85%

- 15-20%

150.000

Pluimvee (hennen)

350.000

60-85%

- 15-20%

250.000

2.000

105%

0-5%

1.500

Geiten

Toelichting4 ▪ Varkens: De varkenshouderij in Meierijstad zal naar verwachting fors krimpen door opkoopregelingen en verouderde stalsystemen die niet voldoen aan nieuwe emissie-eisen. ▪ Melkvee: Strengere stikstof- en mestnormen dwingen melkveehouders tot investeringen, wat in combinatie met een gebrek aan opvolgers leidt tot een verwachte afname van 25-30% melkkoeien. ▪ Pluimvee: De pluimveehouderij krimpt in een gematigder tempo, maar blijft krimpen onder druk van ammoniakreductie-eisen. _____________________________ 3 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80781NED/table?fromstatweb 4 https://www.rabobank.nl/kennis/veehouderij

7

▪

Geiten: In tegenstelling tot andere sectoren vertoont deze categorie een beperkte groei tot 2030, tenzij verdere uitbreidingen aan banden worden gelegd, de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (LVVP) een grote impact heeft of de markt zodanig verstoort raakt dat het houden van geiten economisch nog onvoldoende rendabel is.

Afgaande op de verwachte ontwikkeling van de veestapel in de gemeente zou de totale mestproductie in 2030 op circa 550.000 ton mest uitkomen, met een geschat groengaspotentieel van ongeveer 8 miljoen Nm3. Voor monomestvergisting wordt in eerste instantie gefocust op drijfmest van rundvee en vleesvarkens, omdat deze mest het meest beschikbaar is. Daarnaast zijn deze mestsoorten relatief makkelijk te vergisten is i.c.m. voldoende biogaspotentie. In onderstaande tabel is de geschatte mestproductie voor 2030 weergegeven.

Tabel 1: Geschatte mestproductie in 2030 voor rundvee en vleesvarkensmest

Richting 2050 is de verwachting dat de veehouderij verder zal krimpen. Percentages zijn lastig te benaderen vanwege onvoorspelbare marktontwikkelingen en politieke keuzes. Om deze redenen zijn deze niet nader uitgewerkt.

8

3.

WAT IS MONOMESTVERGISTING

Alvorens dieper op de verschillende toepassingsconcepten van monomestvergisting in te gaan, volgt een omschrijving wat monomestvergisting is. Daarnaast wordt aangegeven wat op hoofdlijnen de toepassingsmogelijkheden van ruw biogas zijn. 3.1.

BIOGASPRODUCTIE DOOR MIDDEL VAN MONOMESTVERGISTING

Monomestvergisting is een proces waarbij alleen mest wordt vergist waarbij biogas vrijkomt. Er is vaak verwarring met covergisting, waarbij minimaal 50% van de invoer van de vergister uit mest moet bestaan en voor het overige gedeelte de invoer uit andere co-producten bestaat. Alleen afval- of reststoffen waartegen geen milieukundige en landbouwkundige bezwaren zijn, mogen als meststoffen worden verhandeld en gebruikt. Deze stoffen staan in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.3 Denk hierbij aan afgekeurde voedingsmiddelen, plantaardige vetten of mais en granen. Dit levert veel meer energie op per ingevoerde m3 biomassa, maar het grootste nadeel is dat het eindproduct (digestaat) volledig als mest wordt beoordeeld en er daardoor méér mest ontstaat. Andere vormen van vergisting zijn bijvoorbeeld de plantaardige vergisters waarvan het eindproduct als kunstmestvervanger mag worden ingezet, of de zuiveringsinstallaties die vaak ook gebruik maken van vergisting als onderdeel van het proces. Zo wordt er ook vaak bij rioolwaterzuiveringsinstallaties een vergistingstap gebruikt. De RWZI in Den Bosch heeft bijvoorbeeld een vergistingscapaciteit van 8.000 m3 en produceert jaarlijks 6 miljoen kuub biogas. Een monomestvergister daarentegen heeft dus alleen de mest van landbouwhuisdieren als invoer waaruit biogas gewonnen wordt.

Er is op deze manier geen extra productie van mest omdat er geen producten aan het vergistingsproces worden toegevoegd. Afhankelijk van de invoer van een vergister wordt bepaald wat de status van het eindproduct van een vergister is. Wanneer het enige invoerproduct mest is dan is het eindproduct na vergisting ook mest. Daar focussen we ons op in dit haalbaarheidsonderzoek. Voor een schematische weergave van type vergisting en invoerstromen volgt hier Figuur 2. Daarbij is het goed om aan te geven dat monomestvergisting niet zorgt voor afname van het mestoverschot. Het volume mest blijft na vergisting nagenoeg gelijk en ook de mineralen blijven gelijk. In basis verandert enkel de hoeveelheid en vorm organische stof.

3 https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/covergisten-mest/bijlage-aa/

9

Figuur 2: Schematische weergave van de verschillende invoer- en eindproducten van vergisting

Uit de mest wordt methaan gewonnen welke een sterk broeikasgas is. Voor een deel is dat het methaan dat anders vrij komt tijdens de winteropslag van mest en voor een deel is het de snel afbreekbare organische stof die door bacteriën wordt omgezet in hetzelfde methaan. Het biogas dat ontstaat bestaat voor ca. 60% uit methaan en voor 39% uit koolstofdioxide (CO2), de overige 1% zijn andere gassen zoals ammoniak en zwaveldioxide. Dit biogas kan op meerdere manieren worden omgezet in nuttig toepasbare energie. Om dit proces efficiënt en milieuvriendelijk te laten verlopen, is specifieke technologie nodig. In dit hoofdstuk wordt het proces van monomestvergisting nader omschreven. Vooropslag en mixen De (bij voorkeur) verse mest wordt verzameld in een vooropslag, vaak een kelder of bassin. Hier kan het eventueel worden gemengd om een gelijkmatige consistentie te bereiken. In Figuur 2 is dit de mesttank. Anaërobe vergister De mest wordt in een afgesloten, geïsoleerde, zuurstofvrije tank (vergistingsreactor) gepompt, in Figuur 2 is dit de vergister, deze is ook te zien op de foto van Figuur 3, rechter silo. De vergistingssilo kenmerkt zich door een bolvormig membraamdak, waar het biogas wordt opgevangen. De silo is het hart van het proces. Hierin breken bacteriën het organisch materiaal in de mest af.

De vergister werkt meestal op een constante temperatuur, afhankelijk van het type vergisting.

Figuur 3: Na-opslag (links) met vergister (rechts)

10

Bij monomestvergisting wordt normaliter mesofiele vergisting toegepast, wat betekent dat de biomassa op een temperatuur van 35-40°C gebracht wordt. De opwarming van installaties kan plaatsvinden via een warmtepomp, directe verbranding van afgevangen biogas of restwarmte van een aanwezige Warmtekrachtkoppeling (WKK). Om te zorgen dat de bacteriën optimaal werken, wordt de inhoud van de vergister continu of periodiek gemengd. Dit voorkomt ophoping van vaste deeltjes en zorgt voor een gelijkmatige biogasproductie. De gemiddelde verblijftijd van mest in de vergister ligt normaliter tussen de 3040 dagen, afhankelijk van het drogestofpercentage. De uitgewerkte mest die vrijkomt uit de (hoofd)vergister wordt digestaat genoemd en valt volgens de wet onder de noemer mest. Digestaat uit de hoofdvergister dient volgens de wet minimaal 28 dagen in een gasdichte na-opslag of na-vergister opgeslagen te worden om tot ‘rust’ te komen en het laatst vrijkomende biogas af te vangen, in Figuur 3 staat deze na-opslag links naast de vergister. Biogasopvang en verwerking Het geproduceerde biogas, een mengsel van voornamelijk methaan en koolstofdioxide, wordt verzameld in een gasopslag of direct afgevoerd voor gebruik. Vaak zit er een flexibele gaszak met dubbel membraam boven de vergister ter opvang. Het biogas kan worden gereinigd om zwavelwaterstof (H₂S) en vocht te verwijderen.

Dit verhoogt de kwaliteit van het gas en voorkomt corrosie in apparaten. Verschillende toepassingen en gebruik van biogas Ruw verkregen biogas kan op verschillende doeleinden ingezet worden. Onderstaand worden de belangrijkste toepassingsmogelijkheden omschreven. Zie ook Figuur 4. ▪ Directe verbranding via een ketel of generatoren die speciaal ontworpen zijn voor biogas als brandstof ten behoeve van de productie van directe (hoge temperatuur) warmte. ▪ Directe verbranding in een WKK voor de opwekking van elektriciteit en warmte. Hierbij wordt van de calorische waarde van biogas gemiddeld ca. 35-45% omgezet in stroom en het restant in warmte. Bij de inzet van een WKK wordt de restwarmte veelal gebruikt om de vergister op temperatuur te brengen. Daarbij blijft er normaliter nog restwarmte over dat voor andere doeleinden kan worden benut. ▪ Opwerking tot groen gas (hoogwaardig methaan) voor het gasnet of als voertuigbrandstof. Hierbij wordt het biogas grotendeels gezuiverd van onder andere CO2, H2S en waterdamp, waarbij het methaangehalte naar 89% gebracht wordt (= kwaliteit Gronings aardgas). ▪ Biogas of groen gas kan omgezet worden naar vloeibaar gas, oftewel bio-LNG, door het gas af te koelen en te comprimeren. Zodoende kan het gas worden opgeslagen, getransporteerd en gebruikt als directe energiebron.

11

Figuur 4: Schema: energie uit biomassavergisting

3.2.

FINANCIELE HAALBAARHEID

De financiële haalbaarheid van monomestvergisting varieert zeer sterk, afhankelijk van verschillende factoren. In deze paragraaf volgt een algemene omschrijving van de belangrijkste aspecten die de financiële haalbaarheid beïnvloeden. In paragraaf 3.3 wordt dit per type monomestvergister vervolgens verdiepend toegelicht. Investering in de infrastructuur Het opzetten van een monomestvergistingsinstallatie vereist een aanzienlijke initiële investering (oftewel Capital Expenditure (CAPEX). Dit omvat de kosten voor de bouw van de vergistingsinstallatie, het aanschaffen van de benodigde apparatuur en de aanleg van leidingen en netwerken voor de aanvoer van mest en afvoer van biogas. De hoogte van deze investering kan sterk variëren, afhankelijk van de grootte van de installatie en de technologie die wordt toegepast. Operationele kosten De operationele kosten (oftewel Operational Expentiture (OPEX)) van een monomestvergistingsinstallatie bestaan uit personeel, onderhoud van de apparatuur, kosten voor mestverwerking, energieverbruik (voor de opwarming van de vergister, het draaien van pompen en gasopwaarderstation), en transportkosten van de mest. Deze kosten kunnen een aanzienlijke impact hebben op de financiële haalbaarheid. Daarnaast dienen de kosten voor het beheer van het digestaat ook in overweging te worden genomen.

12

Inkomsten uit biogasproductie De belangrijkste inkomstenbron voor monomestvergisting is de verkoop van biogas / groen gas of de omzet die wordt gegenereerd uit het gebruik van biogas voor de productie van elektriciteit en warmte middels een WKK. De prijs van de gegenereerde duurzame energie kan variëren, afhankelijk van de marktomstandigheden en de gebruikte technologie. Daarnaast kunnen subsidies en stimulansen voor hernieuwbare energie de inkomsten verhogen, afhankelijk van het beleid van de overheid. 3.3.

BESCHRIJVING TYPE CONCEPTEN MONOMESTVERGISTING

Monomestvergisting kan in verschillende typen concepten en omvang gerealiseerd worden. In deze haalbaarheidsstudie worden vier verschillende concepttypen nader onderzocht die reeds in de markt gerealiseerd zijn, dan wel in ontwikkeling zijn, namelijk: 1. Individuele vergister op bedrijfsniveau 2. Buurtvergister (samenwerking) 3. Vergisters in een biogascluster (samenwerking) 4. Grootschalige centrale vergister (samenwerking) Enerzijds komt per type monomestvergisting het organisatiemodel aan bod, anderzijds wordt ook het financieel rendement besproken. 3.3.1.

TYPE 1: INDIVIDUELE VERGISTER OP BEDRIJFSNIVEAU

Een individuele vergister op bedrijfsniveau wordt gekoppeld en geplaatst op het erf van een primair veehouderijbedrijf om hiermee de eigen geproduceerde mest te vergisten, dit is doorgaans een groter bedrijf met > 10.000 ton mest, wat overeenkomst met 350 melkkoeien of 10.000 vleesvarkens. Dit gaat in hoofdzaak over drijfmest, soms gemengd met vaste mest. De installatie bestaat uit één vergistingssilo met een inhoud tussen de 300 en 1500 m3, afhankelijk van bedrijfsomvang, veelal in combinatie met een container ten behoeve van de aansturing en installaties. Naast de vergistingssilo wordt er veelal een na-opslag / na-vergister gerealiseerd die een vergelijkbare omvang en aanzicht heeft. In sommige gevallen kan dit ook een bestaande kelder zijn. Een vergister op bedrijfsniveau kenmerkt zich door een automatisch proces, waarbij de vergister middels pompen meermaals per dag gevoed wordt met (verse) mest en het digestaat wordt afgevoerd naar de naopslag. Om de vergister automatisch te voeden, zijn Figuur 5: Schetsmatige weergave van een individuele veelal stalaanpassingen nodig en extra infrastructuur vergister op bedrijfsniveau tussen de stallen en vergister om de geproduceerde mest in de vergister te krijgen. Dit vraagt maatwerk per bedrijf.

Het is lonend om de mest zo vers mogelijk, bij voorkeur dagvers of uurvers, in de vergister te krijgen ter verhoging van de biogasopbrengst per ton mest en verlaging van emissies (CH4 en NH3). Een individuele vergister op bedrijfsniveau maakt het dagvers dan wel uurvers vergisten van mest mogelijk. Daarnaast zijn er in dit vergistingsconcept geen transportbewegingen vereist t.b.v. het proces en maakt dit type vergister het mogelijk om alle geproduceerde bedrijfsmest te vergisten.

13

Bij dit type vergisting wordt het ruwe biogas over het algemeen via een WKK omgezet naar stroom en warmte of wordt het biogas via een opwaardeerstation omgezet tot groen gas van aardgaskwaliteit. In specifieke gevallen kan het biogas ook direct omgezet worden naar warmte via een verbrandingsketel. Het voordeel van een WKK is dat er 24/7 stroom geproduceerd wordt die veelal het eigen verbruik van het bedrijf overschrijdt, zodoende kan een resterend gedeelte op het stroomnet worden gezet. De WKK produceert daarnaast normaliter voldoende restwarmte om de vergister jaarrond op temperatuur te brengen (ca. 40 graden). De overige restwarmte kan voor andere activiteiten benut worden (bijvoorbeeld voor de verwarming van een stal). De benutting van de overige restwarmte is mede bepalend voor het verdienmodel van deze optie. Omzetten van het biogas naar groen gas met aardgaskwaliteit is enkel rendabel voor de grotere bedrijven met ca. > 10.000 ton (verse) mest, omdat de plaatsing van een opwaardeerstation een relatief hoge investering vraagt van > € 500.000. Het rendement en de terugverdientijd zijn mede afhankelijk van de overige investeringen die gedaan moeten worden om de vergister (optimaal) te kunnen laten draaien, zoals stalaanpassingen en netwerkaansluiting. Dit vraag maatwerk per bedrijf. Een voorbeeldberekening is weergegeven in paragraaf 3.3.1.2. 3.3.1.1

ORGANISATIEMODEL TYPE 1 INDIVIDUELE VERGISTER OP BEDRIJFSNIVEAU

Bij de toepassing van een monomestvergistingsinstallatie op een individueel agrarisch bedrijf, waarbij alleen de eigen mest van het bedrijf wordt vergist, is het organisatiemodel over het algemeen kleinschalig en gericht op interne procesoptimalisatie en energieopwekking voor eigen gebruik dan wel levering op het openbaar netwerk. Het organisatiemodel van dit scenario is relatief simpel. De veehouder investeert en exploiteert de vergister zelf en deze komt op het eigen erf te staan. Het proces van voeden van de installatie en het vergisten is een automatisch proces. In basis heeft de veehouder dagelijks een controlerende taak. Daarbij is het van belang dat de infrastructuur tussen de stal(len) en de vergister degelijk is ingericht. Dit bestaat onder andere uit mestschuiven / mestrobots, opvangput en pompen ten behoeve van het verzamelen en meermaals per dag voeden van de vergister. Hier zijn veelal stalaanpassingen voor nodig. Eigenaarschap en beheer ▪ Eigen beheer De installatie wordt volledig eigendom van de agrarische ondernemer, die tevens verantwoordelijk is voor het beheer, onderhoud en exploitatie van de vergistingsinstallatie. Dit betekent dat de ondernemer zelf de opbrengsten uit de installatie genereert, maar ook de risico’s en kosten draagt. ▪

Technisch beheer De ondernemer kan het dagelijkse, technische beheer zelf uitvoeren of dit (gedeeltelijk) uitbesteden aan een gespecialiseerd technisch onderhoudsbedrijf, dan wel de leverancier van de vergister, afhankelijk van de beschikbare kennis en vaardigheden op het bedrijf.

Financiering ▪ Eigen investering De financiering komt soms deels uit eigen middelen van de ondernemer, maar hoofdzakelijk via leningen van bijvoorbeeld een bank. Financiering is normaliter afhankelijk van zekerheden uit subsidies die gericht zijn op verduurzaming en broeikasgasreductie, zoals de SDE++ regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie).

14

▪

Subsidies en fiscale voordelen De ondernemer kan mogelijk gebruikmaken van landelijke of provinciale subsidies voor duurzame energieproductie of stikstofreductie. Fiscale regelingen, zoals de MIA (Milieu-investeringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investeringen), kunnen extra financiële steun bieden. Daarnaast wordt er normaliter gebruik gemaakt van de SDE++ regeling welke een exploitatiesubsidie is, gerelateerd aan de productie van duurzame energie.

Monitoring en rapportage ▪ Prestatiemonitoring De ondernemer is verantwoordelijk voor het monitoren van de prestaties van de vergistingsinstallatie. Dit houdt in dat er continu gegevens worden bijgehouden over de gasproductie, mestinput en eventuele emissies. Deze data zijn cruciaal voor rapportages aan subsidiegevers en voor het optimaliseren van de bedrijfsvoering. ▪

Jaarlijkse rapportages Als onderdeel van de vergunnings- en subsidieverplichtingen moet de ondernemer jaarlijks rapporteren over de productie, het gebruik van biogas en de toepassing van digestaat. Daarnaast kunnen milieuaudits onderdeel zijn van de verplichtingen.

3.3.1.2

FINANCIELE HAALBAARHEID TYPE 1 INDIVIDUELE VERGISTER OP BEDRIJFSNIVEAU

Het opzetten van een monomestvergistingsinstallatie vraag een relatief grote initiële investering, waarbij de omzet afhankelijk is van het te verwerken volume. In de huidige marktomstandigheden betekent dit dat een individuele exploitatie enkel rendabel is voor de grotere bedrijven met minimaal > 10.000 ton (verse) mest op jaarbasis. In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van de belangrijkste investeringsposten voor een voorbeeldbedrijf met 400 melkkoeien (≈ 12.000 ton mest). Afhankelijk van definitieve keuzes in type vergisting en benodigde stalaanpassingen, komt een dergelijke investering tussen de 1,4 en 1,8 miljoen euro uit. Investering Vergistingsinstallatie inclusief opwaardeerstation Civiele en installatiekosten Stalaanpassing (dichtleggen vloer / afstortput) Na-opslag Aanleg nutsvoorzieningen (gas en stroom) Ontwikkelkosten

Bedrag € 1.200.000 € 50.000 € 200.000 € 75.000 € 75.000 € 50.000

Totaal investering

€ 1.650.000

Tabel 2: Voorbeeld CAPEX individuele vergister

In Tabel staan de belangrijkste uitgavenposten (OPEX) weergegeven van een individuele vergister in relatie tot het voorbeeld uit Tabel . Bovenop onderstaande OPEX-posten komen nog de bankkosten voor de initiatiefnemer in de vorm van rente en aflossing. De hoogte hiervan is afhankelijk van hoe de investering gefinancierd wordt. Bij een totale financiering van de investering, met aflossing gedurende 10 jaar en een rente van 5%, zijn de jaarlijkse gemiddelde bankkosten ca. € 205.000.

15

Operationele uitgave Verzekering Onderhoudscontract Kosten energieverbruik Meet- en regeldiensten en carbongebruik Arbeid

Bedrag € 5.000 € 40.000 € 70.000 € 10.000 € 35.000

Totaal uitgave

€ 160.000

Tabel 3: Voorbeeld OPEX individuele vergister

De inkomsten van een vergister bestaan hoofdzakelijk uit 3 onderdelen. In de huidige marktomstandigheden wordt doorgaans gebruik gemaakt van de SDE++ regeling. Dit is een exploitatiesubsidie welke een extra vergoeding garandeert boven de marktinkomsten tot een maximum bruto bedrag. Dit bruto SDE-bedrag ligt rond de € 1,55/m3 groen gas, uitgaande van de huidige regelingsvoorwaarden, bij de bedrijfsomvang uit het voorbeeld. Naast markt en SDE-inkomsten zijn er nog mogelijkheden om certificaten in de vorm van GVO’s (Garantie Van Oorsprong) te verhandelen. Dit zijn echter geen gegarandeerde inkomsten.

Inkomsten Marktinkomsten groen gas Subsidie inkomsten (SDE) Inkomsten certificaten (GVO’s)

Bedrag € 96.000 € 276.000 € 48.000

Totaal inkomsten

€ 420.000

Tabel 4: Voorbeeld inkomsten individuele vergister

Voor bedrijven met de omvang / beschikbare mest uit het rekenvoorbeeld is een terugverdientijd tussen de 5 en 7 jaar realistisch. Dit is echter zeer bedrijfsspecifiek. Zowel de investeringen zijn bedrijfsspecifiek, als ook de haalbare biogasopbrengsten per m3 mest. 3.3.2.

TYPE 2: BUURTVERGISTER

Een buurtvergister is in basis vergelijkbaar met een vergister op bedrijfsniveau en wordt doorgaans geplaatst op / bij een veehouderijbedrijf om de bedrijfseigen mest te vergisten. Naast bedrijfseigen mest wordt er in een buurtvergister echter ook mest van omliggende bedrijven vergist die, normaliter per vrachtauto, aangevoerd wordt. Hier vindt dus een vorm van samenwerking plaats tussen meerdere veehouderijbedrijven. Het werkingsprincipe van een buurtvergister is gelijk aan type 1. Over het algemeen kenmerkt deze vergister zich door een grotere capaciteit met inhoud van tussen de 1.200 en 1.800 m3. De maximale vergistingscapaciteit van deze vergister is 25.000 ton mest per jaar. Dit is gebaseerd op het huidige vergunningenbeleid van de gemeente, waarbij max. 25.000 ton mest per jaar op een primair bedrijf vergist mag worden. Door mest van omliggende buren aan te voeren en te vergisten, kan een grotere capaciteit vergister, en hiermee een lagere investering en kostprijs/ton ingaande mest gerealiseerd worden.

16

Nadeel is dat mest van omliggende bedrijven over het algemeen aangevoerd dient te worden per vrachtauto, wat extra transportbewegingen en vergunningsvoorwaarden met zich meebrengt. Daarnaast is het lastiger om de mest van collegabedrijven vers de vergister in te krijgen omdat er normaliter niet dagelijks een volle vracht mest geproduceerd wordt en het transport ook afhankelijk is van planning en arbeid. De biogasopbrengst van de aangevoerde mest zal over het algemeen iets lager liggen.

Figuur 6: Schetsmatige weergave van een buurtvergister

Bij dit type vergisters wordt over het algemeen het biogas via een opwaardeerstation omgezet tot groen gas van aardgaskwaliteit. Een opwaardeerstation vraagt over het algemeen een hoge investering (> € 500.000), welke normaliter pas rendeert bij een omvang van > 12.000 ton mest. Bij aanvoer van mest van collega-bedrijven dient de mest gewogen en bemonsterd te worden in relatie tot de mestwetgeving. Het bedrijf waar de vergister gerealiseerd wordt, voert op papier dus mest aan. De omvang van de vergister geeft mogelijkheden om uitvergiste mest verder te bewerken en bewerkte meststromen (deels) terug te leveren aan de collega-bedrijven. Technische haalbaarheid Dit type vergisters produceert gemiddeld tussen de 40 en 60 m3 groen gas per uur, waarbij aansluiting op het hogedruknetwerk (8 bar) wenselijk en vaak een vereiste is. De afstand van de buurtvergister tot een hogedruknetwerk kan mede bepalend zijn in de financiële haalbaarheid van dit type vergister. Daarnaast is er een aanzienlijke energievraag om de vergister op temperatuur te brengen. Veelal wordt dit middels een warmtepomp gedaan, waarbij meestal de bestaande stroomaansluiting verzwaard dient te worden. Dit kan technisch ook impact hebben op de businesscase.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat de biogasopbrengst uit de mest een veel hogere energieopbrengst geeft (factor 8 tot 10) dan de gevraagde energie voor opwarming van de vergister. 3.3.2.1

ORGANISATIEMODEL TYPE 2 BUURTVERGISTER

Bij de toepassing van een monomestvergistingsinstallatie als buurtvergister, waarbij hoofdzakelijk bedrijfseigen mest vergist wordt, maar ook mest van omliggende veehouders in de buurt wordt aangevoerd, ontstaat een gedeeld organisatiemodel. Veelal is dit een samenwerking tussen twee tot vier veehouders. Dit model biedt de mogelijkheid om op lokaal niveau samen te werken, kosten te delen en duurzame energieoplossingen te realiseren. Hierna worden de belangrijkste aspecten van dit organisatiemodel uitgewerkt. Eigenaarschap en samenwerking ▪ Individueel De buurtvergister is veelal eigendom van één centrale veehouder / ondernemer die de installatie beheert en exploiteert. In de meeste praktijkvoorbeelden zie je dat dit qua omvang de grotere veehouder is. In dat geval betekent dit dat deze ondernemer zelf de opbrengsten uit de installatie genereert, maar ook de risico’s en kosten draagt.

17

Bij een buurtvergister waarin één veehouder investeert en die door deze veehouder wordt geëxploiteerd, hoeven de leverende partijen in basis geen investeringen te doen. Wel kan het lonen om stalaanpassingen te doen om versere mest te kunnen leveren tegen een lagere afzetprijs. ▪

Coöperatief model Als tweede alternatief kan gekozen worden voor een coöperatief model waarbij meerdere omliggende veehouders samen investeren en eigenaar zijn. Dit zorgt voor een gedeelde verantwoordelijkheid en gelijkmatige verdeling van kosten en baten. Als derde alternatief kan een buurtvergister op een centrale locatie gerealiseerd worden, niet bij een veehouder maar bijvoorbeeld bij een loonwerker. Qua organisatiemodel zijn er in basis dan twee opties. De (in dit geval) loonwerker investeert en exploiteert de vergister en maakt (prijs)afspraken met omliggende veehouders voor aanvoer van mest. De loonwerker zal in deze dan ook het transport verzorgen. Een tweede optie in deze is dat de veehouders een samenwerkingsverband / coöperatie vormen en dat van hieruit gezamenlijk geïnvesteerd wordt in een vergister die op locatie van de loonwerker komt te staan. De loonwerker verzorgt de exploitatie / het management en transport van de mest tegen een afgesproken vergoeding. De verdiensten uit de exploitatie vloeien naar de coöperatie en indirect naar de veehouders. Dit vraagt goede contracten / afspraken tussen zowel de coöperatiedeelnemers als tussen de coöperatie en de loonwerker.

▪

Contracten en afspraken De deelnemers van de buurtvergister sluiten contracten waarin afspraken staan over de aanlevering van mest, de verdeling van kosten en opbrengsten en ieders verantwoordelijkheden voor de bedrijfsvoering. Heldere afspraken zijn essentieel om een stabiele en duurzame samenwerking te waarborgen.

Financieringsvorm ▪ Eigen investering door centrale veehouder De financiering komt soms deels uit eigen middelen van de ondernemer, maar hoofdzakelijk via leningen van bijvoorbeeld een bank. Financiering is normaliter afhankelijk van zekerheden uit subsidies die gericht zijn op verduurzaming en broeikasgasreductie zoals de SDE++ regeling. ▪

Collectieve investering in geval van opgerichte coöperatie De benodigde investering wordt gedeeld door alle deelnemende veehouders, afhankelijk van hun aandeel in het aangeleverde mestvolume en het gebruik van de installatie. Dit verlaagt de individuele financiële last en verhoogt de haalbaarheid voor kleinere bedrijven.

▪

Subsidies en ondersteuningsmogelijkheden De ondernemers komen in aanmerking voor landelijke of provinciale subsidies voor duurzame energieproductie of stikstofreductie. Fiscale regelingen, zoals de MIA en Vamil, kunnen extra financiële steun bieden. Daarnaast wordt er normaliter gebruik gemaakt van de SDE++ regeling welke een exploitatiesubsidie is, gerelateerd aan de productie van duurzame energie.

Operationele processen ▪ Aansturing Qua aansturing van de installatie is deze in basis vergelijkbaar met type 1.

18

▪

Mestinput en logistiek In dit model wordt niet alleen de mest van de centrale ondernemer gebruikt, maar ook die van omliggende veehouders. Hiervoor is een efficiënte logistieke aanpak noodzakelijk, waarbij mest op vaste momenten wordt verzameld en vervoerd naar de vergister. Daarnaast dienen er plannings- en prijsafspraken gemaakt te worden over de te leveren mest, de transport- en bemonsteringskosten en mogelijke afname van digestaat, dan wel bewerkte meststromen. Versheid van de mest kan bepalend zijn in de hoogte van de prijsafspraken.

▪

Vergistingsproces en capaciteit De capaciteit van de vergister wordt afgestemd op de hoeveelheid mest die collectief wordt aangeleverd. De eigenaar en exploitant houdt toezicht op het vergistingsproces, waarbij het doel is om een maximale biogasopbrengst te realiseren.

3.3.2.2

FINANCIELE HAALBAARHEID TYPE 2 BUURTVERGISTER

Zoals in paragraaf 3.3.1.2 beschreven, is een individuele monomestvergister enkel bij een bepaalde omvang financieel rendabel. Dit is dan ook de hoofdreden om een buurtvergister te realiseren. Bij een buurtvergister wordt mest van één of enkele omliggende bedrijven aangevoerd ter vergisting. In de huidige marktomstandigheden betekent het dat een buurtvergister enkel rendabel is bij een minimaal volume (verse) mest van > 12.000 ton op jaarbasis. In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van de belangrijkste investeringsposten voor een voorbeeldbedrijf met 350 melkkoeien (≈ 10.500 ton mest), waarbij nog 4.500 ton mest wordt aangevoerd van buurtbedrijven. Afhankelijk van definitieve keuzes in type vergisting en benodigde stalaanpassingen komt een dergelijke investering tussen de 1,5 en 2 miljoen euro uit. Investering Vergistingsinstallatie incl opwaardeerstation Civiele en installatiekosten Stalaanpassing (dichtleggen vloer / afstortput) Na-opslag Aanleg nutsvoorzieningen (gas en stroom) Ontwikkelkosten

Bedrag € 1.350.000 € 50.000 € 200.000 € 75.000 € 75.000 € 50.000

Totaal investering

€ 1.800.000

Tabel 5: Voorbeeld CAPEX buurtvergister

In Tabel staan de belangrijkste uitgavenposten weergegeven van een buurtvergister. In vergelijking tot een individuele vergister (type 1) worden er extra kosten gemaakt voor transport en bemonstering van aangevoerde mest. Bovenop de OPEX-posten komen nog de bankkosten voor de initiatiefnemer in de vorm van rente en aflossing. De hoogte hiervan is afhankelijk van hoe de investering gefinancierd wordt. Bij een totale financiering van de investering, met aflossing gedurende 10 jaar en een rente van 5%, zijn de jaarlijkse gemiddelde bankkosten ca. € 220.000.

19

Operationele uitgave Verzekering Onderhoudscontract Kosten energieverbruik Meet- en regeldiensten en carbongebruik Arbeid Transport en bemonstering

Bedrag € 5.000 € 40.000 € 80.000 € 10.000 € 45.000 € 45.000

Totaal uitgave

€ 225.000

Tabel 6: Voorbeeld OPEX buurtvergister

De inkomsten van een buurtvergister zijn vergelijkbaar met een individuele vergister, deze inkomsten worden begroot in Tabel . Naast markt- en SDE-inkomsten zijn er nog mogelijkheden om certificaten in de vorm van GVO’s te verhandelen. Dit zijn echter geen gegarandeerde inkomsten. Inkomsten Marktinkomsten groen gas Subsidie inkomsten (SDE) Inkomsten certificaten (GVO’s)

Bedrag € 120.000 € 345.000 € 60.000

Totaal inkomsten

€ 525.000

Tabel 7: Voorbeeld inkomsten buurtvergister

Voor buurtvergisters met de omvang / beschikbare mest uit het rekenvoorbeeld is een terugverdientijd tussen de 5 en 7 jaar realistisch. Dit is echter zeer bedrijfsspecifiek. Zowel de investeringen zijn bedrijfsspecifiek, als ook de haalbare biogasopbrengsten/m3. Daarnaast speelt de beschikbaarheid en versheid van de mest van veehouders in nabije buurt een rol, als ook de bijbehorende transport- en bemonsteringskosten. 3.3.3.

TYPE 3: BIOGASCLUSTER

In een biogascluster wordt monomestvergisting in een samenwerkingsvorm tussen meerdere veehouders in een gebied toegepast. Een cluster kan theoretisch gevormd worden met 2 veehouders tot > 20 veehouders. Kenmerkend aan een cluster is dat elke deelnemende veehouder een eigen monomestvergistingsinstallatie op het eigen bedrijf realiseert waar normaliter enkel de eigen mest in vergist wordt. Het opgewekte ruwe biogas per deelnemer wordt via een aan te leggen biogasleiding naar één centraal punt getransporteerd welke centraal in het gebied ligt. De afstand tussen de veehouders mag niet te groot zijn, om biogasleiding rendabel te krijgen. Figuur 7: Schetsmatige weergave van een biogascluster

20

Een rendabele afstand is een verhouding tussen de afstand en het volume biogas dat geproduceerd wordt door een deelnemer. Bij een grote veehouder is een langere afstand acceptabeler. Het minimale aantal m3 biogas/jaar/strekkende meter is niet aan te geven, omdat ook andere factoren hier van invloed op zijn. Voor een gezonde business-case lijkt deze minimaal > 500 m3 biogas/jaar/strekkende meter te liggen. Een biogascluster kan het mogelijk maken om ook op kleinere en middelgrote bedrijven een monomestvergistingsinstallatie te realiseren op het eigen bedrijf. Denk hierbij aan melkveebedrijven met tussen de 100 en 300 melkkoeien, oftewel bedrijven met < 10.000 ton mest. In een biogascluster wordt normaliter het ruwe biogas opgewaardeerd tot groen gas. Daarnaast geeft het mogelijkheden om het ruwe biogas rechtstreeks te leveren aan een afnemer met een grote warmtevraag. Denk bijvoorbeeld aan een steen- of voerfabriek welke een hoge temperatuur warmtevraag hebben. Een biogascluster heeft als doel de kostprijs voor transport en het opwaarderen van ruw biogas tot groen gas te verlagen, door te investeren in een gezamenlijk opwaardeerstation en deze investering te verdelen over alle deelnemers tezamen met de aan te leggen biogasleiding. Het voordeel van een biogascluster is dat er geen extra transportbewegingen noodzakelijk zijn.

Daarnaast kan mest relatief vers vergist worden omdat het direct uit de stal in de bedrijfseigen vergister gevoed kan worden, hetgeen de biogasopbrengst verhoogt. Met een gezamenlijke omvang kunnen er ook schaalvoordelen behaald worden op inkoop van materialen, onderhoud en verkoop van het geproduceerde gas. Een belangrijke voorwaarde voor de opzet van een biogascluster is een voldoende hoog aantal veehouderijbedrijven binnen een beperkte straal. Een aantal bedrijven met bovengemiddelde omvang is wenselijk binnen een cluster om een goede basis qua omvang te hebben. De opzet van een cluster is erg locatiegebonden en het kan complex zijn om deelnemers later aan te laten haken vanwege het aangelegde tracé en de dikte van biogasleiding. Daarnaast kan het afhaken van deelnemers binnen de looptijd risico’s geven, hetgeen goede afspraken vraagt. 3.3.3.1

ORGANISATIEMODEL TYPE 3 BIOGASCLUSTER

Het organisatiemodel voor een biogascluster vereist een zeer zorgvuldig gecoördineerde en samenhangende structuur. Het vraagt een samenwerking tussen veehouders waarbij op voorhand goede afspraken gemaakt dienen te worden over de investerings- en exploitatieperiode. Dit model biedt meerdere kansen door schaalvoordelen te benutten, gemeenschappelijk investeringen te doen en gezamenlijk de logistiek van zowel biogastransport als -opwerking te organiseren. Hierna worden de belangrijkste elementen van dit organisatiemodel beschreven. Eigenaarschap en samenwerking ▪ Individueel eigenaarschap van de vergisters Elke veehouder is eigenaar van zijn eigen monomestvergistingsinstallatie en draagt de verantwoordelijkheid voor vereiste stalaanpassingen en het beheer, onderhoud en operationele kosten van de eigen installatie. Dit betekent dat de vergisting op elke deelnemende boerderij individueel plaatsvindt en de ondernemer zelfstandig instaat voor de productie van biogas. ▪

Gezamenlijk eigenaarschap van het biogasleidingnet en opwaardeerstation Voor het transport van het biogas en de opwerking tot aardgaskwaliteit werken de veehouders samen in een coöperatie of andere juridische entiteit zoals een Besloten Vennootschap (BV). 21

Dit samenwerkingsverband is normaliter de eigenaar en beheerder van het centrale leidingnetwerk en het opwaardeerstation. De gezamenlijke verantwoordelijkheid bevordert efficiëntie en stimuleert collectieve besluitvorming. Financieringsvorm ▪ Eigen investeringen en gezamenlijke bijdragen De investeringen in de individuele vergistingsinstallaties worden normaliter gedragen door de afzonderlijke veehouders. Als alternatief kunnen hier leningen verstrekt worden vanuit de coöperatie / het samenwerkingsverband aan de deelnemende bedrijven. De aanleg van het biogasleidingnetwerk en de investering in de opwaardeerinstallatie worden gezamenlijk gefinancierd, waarbij of iedere deelnemer bijdraagt op basis van zijn aandeel in het cluster, dan wel via losstaande projectfinanciering. Als alternatief op het gezamenlijke investeringsdeel kunnen ook belanghebbende partijen zoals gemeentes, netwerkbeheerders, energieleveranciers, leveranciers van vergisters en/of een lokale energiecoöperatie mee investeren. Dit maakt het veelal makkelijker om een bankfinanciering te krijgen voor het resterende deel van de investering. ▪

Subsidies en fiscale voordelen Vergelijkbaar met type 1 en 2 kunnen de ondernemers in aanmerking komen voor landelijke of provinciale subsidies voor duurzame energieproductie of stikstofreductie. Fiscale regelingen, zoals de MIA en Vamil, kunnen extra financiële steun bieden. Daarnaast wordt er normaliter gebruik gemaakt van de SDE++ regeling welke een exploitatiesubsidie is, gerelateerd aan de productie van duurzame energie.

Operationele processen ▪ Vergisting op eigen bedrijf Iedere veehouder vergist zijn eigen mest op het eigen erf, waarbij uitsluitend bedrijfseigen mest wordt gebruikt. Dit vereenvoudigt de logistiek en houdt het proces en de regelgeving overzichtelijk per veehouder. ▪

Biogasverzameling en transport Het ruwe biogas dat bij elk bedrijf wordt geproduceerd, wordt via een ondergronds leidingnetwerk naar het opwaardeerstation getransporteerd. De aanleg en het onderhoud van deze infrastructuur worden door de gezamenlijke entiteit gecoördineerd. Het leidingnet moet voldoen aan veiligheids- en milieuvoorschriften.

▪

Opwerking naar aardgaskwaliteit Bij het opwaardeerstation wordt het biogas opgewerkt tot de kwaliteit van aardgas (door o.a. CO₂verwijdering en zuivering) en vervolgens op het openbare gasnetwerk ingevoed. De opwerking is een centraal proces dat efficiëntievoordelen biedt doordat de kosten per eenheid gas lager zijn bij grotere volumes.

Verdeling van inkomsten ▪ Gedeelde inkomsten uit gasverkoop De inkomsten uit de verkoop van het opgewerkte biogas worden verdeeld onder de deelnemers op basis van hun aandeel in de biogasproductie. Deze opbrengsten worden vaak verrekend met de kosten voor het opwerken en transporteren van het biogas, zodat de netto-inkomsten rechtvaardig worden verdeeld.

22

Vanwege de omvang kunnen exploitanten van een biogascluster hogere opbrengsten bedingen bij afnemers van groen gas en groencertificaten dan exploitanten van buurtvergisters of individuele vergisters op bedrijfsniveau. ▪

Inkomstenverdeling via de coöperatie De coöperatie of rechtspersoon ontvangt de totale inkomsten van de gasverkoop en verdeelt deze vervolgens onder de aangesloten veehouders. Dit kan op basis van het door hen geleverde gasvolume en de overeengekomen voorwaarden in het samenwerkingscontract.

3.3.3.2

FINANCIELE HAALBAARHEID TYPE 3 BIOGASCLUSTER

De financiële intentie van de exploitanten van een biogascluster is het mogelijk maken van de realisatie van een monomestvergistingsinstallatie op het eigen bedrijf op kleinere en middelgrote bedrijven. Denk hierbij aan melkveebedrijven met 100 tot 300 melkkoeien, oftewel bedrijven met < 10.000 ton mest. De gedachte hierachter is om met name de investering in een (relatief duur) opwaardeerstation gezamenlijk te dragen en hiermee opwaardering van biogas naar groen gas gezamenlijk rendabel te maken. Biogasclusters kunnen theoretisch bestaan uit 2 tot > 20 veehouders. Vanwege de haalbaarheid van een cluster is het wenselijk dat enkele grotere veehouders (met minimaal 7.500 ton te vergisten mest) onderdeel zijn van het cluster. De kritieke massa is zeer afhankelijk van het aantal deelnemers in relatie tot de afstand tussen de deelnemers. Zo heeft bijvoorbeeld een minicluster van twee veehouders met gezamenlijk 18.000 ton mest en geringe afstand tot elkaar (< 1 km) ook de nodige potentie. De vereiste investeringen en het financiële rendement van een biogascluster zijn zeer project afhankelijk. In Tabel is een indicatie gegeven van de vereiste investeringen van een voorbeeld cluster van acht veehouders met gemiddeld 200 melkkoeien.

Voor dit scenario zijn geen voorbeeld OPEX en inkomsten beschreven omdat deze zeer projectspecifiek zijn en deze voor voorliggende haalbaarheidsstudie geen meerwaarde hebben. Afhankelijk van de omvang van de deelnemende bedrijven kan de ene veehouder bijvoorbeeld hogere SDE-inkomsten per m3 gas hebben dan een andere deelnemer. Uit onderstaand voorbeeld blijkt dat de noodzakelijke gemiddelde investering per veehouder bij een biogascluster lager ligt dan bij een individuele vergister, maar dat deze alsnog fors blijft. Zeker ook gezien het feit dat de omvang per veehouder kleiner is. Dit maakt de realisatie van een biogascluster (behalve technisch) ook financieel uitdagend.

23

Investeringen op erf Vergistingsinstallaties Civiele en installatiekosten Na-opslag Stalaanpassing (dichtleggen vloer / afstortput) Meetapparatuur en invoedskids Aanleg nutsvoorzieningen (stroom) / overige

Bedrag € 2.000.000 € 240.000 € 240.000 € 1.600.000 € 320.000 € 50.000

Totaal investeringen op erf

€ 4.450.000

Investering collectief Centraal opwaardeerstation Biogasleidingnetwerk (9 km) Aanleg nutsvoorzieningen (gas en stroom) Ontwikkelkosten

€ 1.200.000 € 1.000.000 € 200.000 € 200.000

Totaal collectieve investeringen

€ 2.600.000 € 7.050.000 = € 881.250/deelnemer

Totaal Tabel 8: Voorbeeld CAPEX biogascluster van acht veehouders

3.3.4.

TYPE 4: GROOTSCHALIGE CENTRALE VERGISTER

Bij de grootschalige centrale vergister (type 4) wordt uitsluitend mest van meerdere bedrijven aangevoerd en vergist in een centrale vergister. In deze haalbaarheidsstudie kenmerkt een grootschalige vergister zich door een omvang van minimaal 25.000 ton mest per jaar, welke kan oplopen tot > 100.000 ton. Vanwege de omvang in relatie tot de transportbewegingen en vergunningsvoorwaarden passen dit soort installaties veelal niet meer op de locatie van een primair veehouderijbedrijf (uitzonderingen daargelaten). In paragraaf 3.3.4.3 wordt nader ingegaan op de specifieke kenmerken van een locatie voor dit concept. Om transportkosten te beperken en een rendabele businesscase te bewerkstelligen, is het wenselijk om zoveel mogelijk mest binnen een korte straal gecontracteerd te krijgen, denk hierbij aan max. 10-15 kilometer afstand. Bij grotere vergisters met > 100.000 ton capaciteit zal deze afstand langer worden. Grootschalige centrale vergisting maakt het mogelijk om mest van zowel grote als kleine bedrijven te vergisten. Ieder bedrijf / iedere deelnemer aan Figuur 8: Schetsmatige weergave van een grootschalige centrale een collectieve vergister kan zelf vergister bepalen hoeveel mest geleverd wordt aan de vergister. Dit maakt deelname laagdrempelig.

24

Door de omvang kan een relatief lage kostprijs per ton te vergisten mest behaald worden. Daartegenover staan wel extra kosten voor transport en bemonstering. Verder geeft de omvang van de installatie extra mogelijkheden om te investeren in installaties om de vergiste mest (digestaat) verder te bewerken. Dit geeft een extra besparingsmodel op de mestafzetkosten van veehouders. Daarnaast kan hiermee extra milieuwinst worden behaald, doordat deze bewerkte meststromen efficiënter ingezet kunnen worden, met lagere lucht- en bodememissies als resultaat. In de huidige praktijk zijn in Nederland meerdere grootschalige centrale monomestvergistingsinstallaties aanwezig. Veelal zijn deze gespecialiseerd in één mesttype (rundvee- of varkensmest) waarbij ook verdere mestbewerkingsstappen toegepast worden. In de gemeente Meierijstad is momenteel al reeds één grootschalige centrale vergister actief, te weten GroeneWoudGAS te Sint-Oedenrode.4 Hier wordt momenteel ca. 40.000 ton mest vergist en bewerkt, waarbij een ontwikkeling is ingezet om 80.000 ton mest te gaan verwerken. Deze centrale vergister kenmerkt zich door verschillende verwerkingsopties wat betreft het eindproduct, bijvoorbeeld tot mestkorrels of organische meststof. 3.3.4.1

ORGANISATIEMODEL TYPE 4 GROOTSCHALIGE CENTRALE VERGISTER

Een collectieve vergister, waarbij mest van meerdere landbouwbedrijven wordt aangevoerd, vraagt een specifiek organisatiemodel dat is gericht op samenwerking, gedeelde verantwoordelijkheid en gemeenschappelijk profijt. Het eigenaarschap en de exploitatie kunnen in basis twee vormen hebben. Dit kan een coöperatie van de deelnemende boeren zijn, maar een grootschalige centrale vergister kan ook worden uitgebaat door een commerciële partij die verantwoordelijk is voor de investering en exploitatie van de vergister. Coöperatieve structuur Veel grootschalige centrale vergisters worden georganiseerd binnen een coöperatie, waarbij meerdere boeren en soms andere stakeholders, zoals investeerders of energieleveranciers, samenwerken. Elke deelnemer heeft een stem in de besluitvorming en deelt mee in de voordelen. Dit zorgt voor een gezamenlijk belang en een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid. ▪

Boeren als leden De boeren die mest aanleveren, zijn meestal lid van de coöperatie. Dit kan betekenen dat zij een aandeel hebben in de vergister, zowel financieel als qua zeggenschap.

▪

Gemeenschappelijke investering Leden dragen bij aan de investering in de infrastructuur, zoals de installatie van de vergister, opslagfaciliteiten, transportmiddelen en onderhoud.

Publiek-private samenwerking (PPS) Een ander model is een samenwerking tussen veehouders en een (semi)publieke of private partij die gespecialiseerd is in vergisting en energieproductie. Hierin kan de private partij investeren in en zorgdragen voor de technische realisatie en exploitatie, terwijl de veehouders mest leveren en mogelijk inkomsten genereren via deelname. Deze organisatiestructuur is gericht op het optimaliseren van de samenwerking tussen boeren, het efficiënt managen van de vergisting en het maximaliseren van de winstgevendheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=91016992-aa79-47d7-88ef-ca7050616a04