CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BP toelichting

Commissie Ruimte, Economie en Bedrijfsvoering 12 september 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan 'Landelijk gebied, herziening Vlagheide ongenummerd te Schijndel'26.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

34/88

Figuur 3.9 Ruimtelijke beleidskaart Duin-Vlagheide (Bron: Gemeente Schijndel) De volgende uitgangspunten vormen de kern van het planconcept en hebben als basis gediend voor de inrichtingsschets (figuur 3.10) van het nieuwe bedrijventerrein. De te verplaatsen bedrijven uit het buitengebied vormen het belangrijkste programmaonderdeel (uitvoeringsprogramma Masterplan Vlagheide). De Landingsweg ter hoogte van Duin inrichten als groene, recreatieve route naar het Duitse lijntje (geen ontsluitende functie voor bedrijven). Vanuit de ligging van Duin II en de positie van houthandel Van Swaay vormen de Koeveringsedijk en de Vlagheide de definitieve begrenzing voor de ontwikkeling van bedrijvenlocaties aan de zuidzijde van Schijndel. Ontsluiting van binnenuit waardoor aangrenzende wegen, Koeveringsedijk en Vlagheide, onderdeel blijven van het landschap en het stelsel van recreatieve routes. Een doorgaande, interne lusontsluiting met als hoofdontsluiting de verbinding met de Eerdsebaan (N622) en nevenontsluiting de koppeling met de ontsluiting van Duin II (Newtonweg). Als overgang naar het omliggende landschap direct beginnen met een groene omlijsting vanaf Duin II tot en met het Duitse Lijntje. Inpassen voormalige MOB complex als groene hart in het bedrijventerrein en verbinden met de groene omlijsting.

Het wateroppervlak dat nodig is als retentie zichtbaar maken ter verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein. Vanuit alle aspecten ligt een sterk accent op duurzaamheid: landschappelijke inpassing, waterhuishouding, beeldkwaliteit en inrichting, parkmanagement, bedrijfsprocessen, energie- en afvalstromen, e.d. Ontsluiting De interne ontsluitingsstructuur kenmerkt zich doordat het verkeer zich eerst op een ontsluitingsweg bundelt en

35/88

vervolgens door middel van een aantal aantakkingen op het hogere verkeersnet aansluit. De basis hiervoor vormen de Landingsweg, Dakotaweg en de Vlagheide. De Koeveringsdijk zal zijn huidige functie behouden, het verkeer vanaf Duin-Vlagheide zal niet via deze weg ontsloten worden. Wel zal de Koeveringsedijk in de toekomst gebruikt kunnen worden als (recreatieve) ontsluitingsweg voor niet- industrieel verkeer. De ontsluiting van Duin-Vlagheide aan de zuidzijde zal bestaan uit een aansluiting via de weg Vlagheide naar de N622. Dit is een directe aansluiting op de doorgaande weg en wordt daarom de voornaamste ontsluiting van Duin-Vlagheide. Aan de noordwestzijde heeft het gebied een tweede ontsluiting in de vorm van de bestaande aansluiting van Duin III op de infrastructuur van Duin II. Deze tweede route zal minder intensief worden gebruikt. Wel biedt dit een uitweg in het geval de ontsluiting aan de zuidzijde is afgesloten. De interne verkeersstructuur bestaat uit een weg rondom het voormalig MOB complex. De ligging van de weg zal later bepaald worden. Als basis zullen de wegen binnen het bedrijvenpark erftoegangswegen binnen de bebouwde kom worden. Als extra kenmerk geldt dat het een weg op een bedrijventerrein betreft. De wegen dienen over voldoende capaciteit te beschikken voor het gebruik door grote landbouwvoertuigen.

Op het bedrijventerrein zal een maximumsnelheid van 30 km/u gaan gelden. De op de stedenbouwkundige schets gegeven ontsluiting geeft een beeld van de mogelijke structuur. De exacte ligging en profielen van de wegen moeten nader bepaald worden bij de uitwerking van deze visie. Hierbij dient te worden aangesloten op de technische eisen die gelden voor (interne) ontsluitingswegen op een bedrijventerrein. Binnen de kamers zal de interne ontsluitingsstructuur nader dienen te worden bepaald. Toetsing Op de ruimtelijke beleidskaart is het plangebied aangewezen als beoogde uitbreidingslocatie van het bestaand bedrijventerrein. Ambitie die hierbij aanvullend gesteld wordt is het creëren van een groene buffer. De wens is om aansluitend aan deze locatie, waar nu voornamelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden Open landschap' conform het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' van toepassing is, ruimte te bieden aan een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein met een duurzaam en groen karakter waar bedrijven t/m milieucategorie 4 zich kunnen vestigen. Initiatiefnemer Den Ouden Groep is nu voornemens om binnen de kaders van de Structuurvisie Duin-Vlagheide een concrete herontwikkeling van het terrein aan de Vlagheide mogelijk te maken.

Bij voorliggend initiatief liggen aanvullend mogelijkheden voor een goede landschappelijke inpassing en vindt versterking van de landschappelijke kwaliteiten plaats. Wat betreft ontsluiting worden de uitgangspunten als beschreven in acht genomen. In paragraaf 4.3 van voorliggend bestemmingsplan wordt het aspect ontsluiting nader uitgewerkt en toegespitst op het beoogde initiatief. 3.4.3 Beeldkwaliteitsplan Duin-Vlagheide De gemeenteraad heeft op 24 januari 2013 het beeldkwaliteitsplan Duin-Vlagheide vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is een vervolg op de structuurvisie Duin-Vlagheide en biedt hanteerbare criteria voor voorliggend bestemmingsplan en de vergunningverlening.

36/88

In het beeldkwaliteitsplan wordt een verkavelingsstructuur met groene kamers voorgesteld. Dit zijn grote open ruimten omzoomd door met een duurzame afronding in de vorm van forse houtsingels om de overgang tussen het bedrijventerrein en het buitengebied te markeren. Toetsing De structuurvisie (2010) en het beeldkwaliteitplan (2013) zijn op onderdelen gedateerd. Zowel in de structuurvisie als het beeldkwaliteitplan wordt uitgegaan van verplaatsing van het bestaande composteerbedrijf van Den Ouden aan de Vlagheide 6c te Schijndel. Verplaatsing van dit bedrijf is niet meer aan de orde. Daarnaast zijn er plannen om de recreatie in het gebied Vlagheide te versterken en de infrastructuur aan te passen. Toch is de ruimte voor het uitbreiden van bedrijventerreinen schaars en is het noodzakelijk de beschikbare ruimte intensiever te gebruiken zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit. Volgens de richtlijnen van het beelkwaliteitplan uit 2013, zou een deel van het MOB-noord-complex worden ontwikkeld tot groene kamer. Het plan was dat het composteringsbedrijf van Den Ouden zou verplaatsen naar een andere locatie (aan de Duin-Vlagheide). Dit is nu niet meer het geval. Het bestaande bedrijventerrein Duin-Vlagheide wordt uitgebreid. De uitbreiding wordt zo ontwikkeld dat het MOB-complex geheel kan worden behouden.

Dit om zijn natuurlijke waarde en het Natuurwaarde en Natuur Netwerk Brabant in stand te houden. Om het zicht op de uitbreiding van het bedrijventerrein af te schermen, wordt de uitbreiding ingepast binnen een groene kamer. Door het aanplanten van de randen ontstaat er een orthogonale structuur die van buitenaf als één geheel wordt ervaren. Dit sluit aan bij het beeldkwaliteitplan van Duin-Vlagheide. Figuren 3.10 en 3.11 tonen de specifieke uitwerking van het beeldkwaliteitsplan 2013, gericht op het plangebied.

Figuur 3.10 Uitwerking van het beeldkwaliteitsplan (Bron: Bureau Lubbers)

37/88

Figuur 3.11 Uitwerking van het beeldkwaliteitsplan (Bron: Bureau Lubbers) In afstemming tussen gemeente en initiatiefnemer is een inrichtingsplan opgesteld. Daarbij zijn afspraken gemaakt over de landschappelijke inpassing van het uit te breiden bestaande bedrijventerrein Duin-Vlagheide. Daarbij is rekening gehouden met de hierboven omschreven gewijzigde omstandigheden. In het inrichtingsplan (bijlage 5 van de regels van dit bestemmingsplan) wordt een voorstel gedaan voor de landschappelijke inpassing van het plangebied. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor realisatie en instandhouding van het inrichtingsplan. Ook zijn er afspraken gemaakt over bebouwingspercentage en bouwhoogte. De regels in dit bestemmingsplan geven hiervoor de kaders. Deze regels en het inrichtingsplan vormen voor het plangebied een verfijning en nadere uitwerking van het beeldkwaliteitsplan Duin-Vlagheide. 3.4.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling is afgestemd en daarmee in lijn met het gemeentelijk beleid.

38/88

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer'. De oppervlakte van het plangebied is 36.345 m2. Hiermee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve

39/88

milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan, zie bijlage 1. Voor deze ontwikkeling is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de herziening van het bestemmingsplan waarvan dit planvoornemen onderdeel uitmaakt, een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.-beoordeling.

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Normstelling en beleid Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Uitgangspunt voor het plangebied is een ligging in het buitengebied. De stedelijkheidsgraad van Schijndel conform CBS 2020 is 'matig stedelijk'. In deze paragraaf wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. 4.3.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd naar de verkeerskundige effecten van deze ontwikkeling.

In de als bijlage 2 opgenomen memo zijn de effecten beschreven en indien sprake is van knelpunten zijn oplossingen voorgesteld. Hierna volgt een toetsing aan het brede aspect verkeer en parkeren, voortgevloeid uit het verrichte onderzoek. 4.3.2.1 Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer De beoogde ontwikkeling wordt conform de structuurvisie Duin-Vlagheide via de Vlagheide ontsloten naar het noorden en het zuiden. Naar het noorden wordt de ontwikkeling voornamelijk ontsloten via de route Vlagheide-Eerdsebaan (N622) en vanaf daar naar de A50 verder in noordelijke richting. Naar het zuiden wordt voornamelijk ontsloten via de route Vlagheide-Koeveringsedijk naar de A50 in de richting van Eindhoven. De Vlagheide heeft twee wegen die éénrichtingswegen zijn. De Vlagheide en de Koeveringsedijk hebben vooral een gebiedsontsluitende functie. In de bestaande situatie een 60 km/uur regime. Een gedetailleerd overzicht is weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Overzicht verkeersstructuur

40/88

Weg

Wegvak

Categori Max. e snelheid Vlagheide Koeveringsedij ETW 60 km/u k en Dakotaweg Vlagheide Dakotaweg en ETW 60 km/u Den Ouden Vlagheide Den Ouden en ETW 60 km/u Eerdsebaan Vlagheide Dakotaweg en ETW 60 km/u vuilnisbelt Vlagheide Ten noorden ETW 60 km/u vuilnisbeld Koeveringsedi Vlagheide en ETW 60 km/u jk Veghelseweg

Rijbaan breedte 4,20m

2-richt. Nee

Fiets Voorrang voorzieningen Geen Gelijkwaardig

5,60m

Ja

Geen

Gelijkwaardig

5,60m

Ja

Geen

Gelijkwaardig

5,20m

Nee

Geen

Gelijkwaardig

5,30m

Ja

Geen

Gelijkwaardig

5,30m

Ja

geen

Gelijkwaardig

Fietsers en voetgangers De wegen in het gebied hebben een gemengd profiel. Fietsers delen dus de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Hoewel de wegen in het gebied weinig worden gebruikt door fietsers, maakt de Koeveringsedijk wel onderdeel uit van het secundaire fietsnetwerk van de gemeente. Hierdoor kan de hoeveelheid fietsers op deze weg iets hoger liggen dan de andere wegen in het gebied. Openbaar Vervoer Er lopen momenteel geen buslijnen door het plangebied. Wel liggen er twee bushaltes langs de N622 en N637. Op circa 1,7km afstand ligt een bushalte langs de Eerdseweg (N622). Hier halteert buslijn 306 tussen busstation Uden en 'S-Hertogenbosch Centraal Station. Op circa 2,2km afstand ligt een bushalte langs de Scheidingsweg. Hier halteert buslijn 154 tussen 'S-Hertogenbosch Centraal Station en Eindhoven Centraal Station en buslijn 156 tussen 'S-Hertogenbosch Centraal Station en Sint Oedenrode. 4.3.2.2 Planontwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling is uitgegaan van de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Duin-Vlagheide. Daarbij wordt een bedrijventerrein mogelijk gemaakt in de milieucategorieën 2 tot en 3.2. Dit is als uitgangspunt genomen voor de berekeningen in deze paragraaf. 4.3.2.3 Andere ontwikkelingen De gemeente heeft ideeën om de directe omgeving van de Vlagheide anders in te richten.

Aanleiding hiervoor is de ontwikkeling van de Vlagheide als recreatief gebied. De mogelijke toekomstige inrichting voorziet in een afsluiting voor verkeer op de Vlagheide in de richting van de Koeveringsedijk. Dat betekent dat de ontsluiting van de planontwikkeling straks nog uitsluitend in noordoostelijke richting over de Vlagheide zal gaan in de richting van de Eerdsebaan. Verder zijn er ideeën voor een herinrichting van het wegprofiel van de Vlagheide ter hoogte van de ontwikkellocatie. Daarbij wordt rekening gehouden met de aanleg van vrijliggende fietspaden aan beiden zijden van de rijbaan van de Vlagheide tussen de Koeveringsedijk en de Eerdsebaan.

41/88

De plannen van de gemeente zijn op dit moment nog onvoldoende concreet, echter in de planvorming (en het inrichtingsplan) is rekening gehouden met het benodigde ruimtebeslag. Daarmee conflicteert deze ontwikkeling niet met de toekomstplannen van de gemeente. 4.3.2.4 Verkeersintensiteiten Bestaande situatie In de bestaande situatie is op de locatie landbouwgrond aanwezig. Dit genereert geen verkeersomvang die van belang is. Toekomstige situatie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Duin-Vlagheide voor de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de kencijfers van CROW publicatie 381 voor type werkmilieu (tabel A8 en A9). Daarin zijn kencijfers gegeven voor de verkeersgeneratie per netto hectare bedrijventerrein. De beoogde functies en activiteiten sluiten daarbij het beste aan bij het type 'Gemengd terrein'. Deze categorie genereert in totaal 158 verkeersbewegingen per weekdagetmaal per netto hectare. Daarvan worden 128 verkeersbewegingen gegenereerd door personenauto's en het overige deel door vrachtverkeer. Volgens tabel A9 is het aandeel zwaar vrachtverkeer daarvan 59% en het aandeel middelzwaar vrachtverkeer 41%. In totaal gaat het om 25.166 m2 (2,52 ha) netto bedrijventerrein.

Tabel 4.3 Verkeersgeneratie uitbreiding bedrijventerrein Duin-Vlagheide beoogde ontwikkeing netto Verkeersgeneratie gemiddelde (mvt/etmaal) hectare licht middelzwaar zwaar Totaal weekdag Totaal werkdag Totaal 2,52 ha 323 31 45 399 530 Hiermee komt de totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling op 530 mvt/etmaal (gemiddelde werkdag). 4.3.2.5 Verkeerstoedeling Zoals bij het toetsingskader aangegeven is de bestaande verkeerskundige situatie als uitgangspunt genomen in de beoordeling. Figuur 4.1 geeft een verdeling van de verkeerstromen afkomstig van de planontwikkeling. Daarbij is aangenomen dat 80% van het verkeer via de Eerdsebaan rijdt en 20% via de Koeveringsedijk.

42/88

Figuur 4.1 Verkeerstoedeling plangebied Te zien is dat het verkeer dat via de Koeveringsedijk rijdt direct ten westen van het plangebied ter hoogte van het eerste kruispunt linksaf slaat (rode stippellijn) om vervolgens op de Koeveringsedijk uit te komen. Dit heeft te maken met het ingestelde éénrichtingsverkeer regime. Verkeer dat naar het plan gebied toe rijdt maakt in eerste instantie ook gebruik van de Koeveringsedijk, maar zal ter hoogte van het eerste kruispunt met de Vlagheide rechtdoor rijden om vervolgens ter hoogte van het tweede kruispunt met de Vlagheide rechtsaf te slaan. Ook dit komt door het éénrichtingsverkeer regime. Het verkeer dat via de Eerdsebaan rijdt, doet dat op zowel de heen als terugweg via dezelfde route. 4.3.2.6 Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Gezien het feit dat de verkeersomvang niet wezenlijk wijzigt als gevolg van de ontwikkeling, kan worden gesteld dat de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het fietsverkeer na realisatie van de ontwikkeling voldoende is gewaarborgd. In de bestaande en toekomstige situatie zonder plan (beoogde ontwikkeling) rijden er op de verschillende wegen tussen de 500 en 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersintensiteit zal in de toekomstige situatie conform de verkeerstoedeling (figuur 4.1) als gevolg van de planontwikkeling toenemen.

Hieronder een overzicht van de verkeersintensiteiten op de verschillende wegvakken vóór en na planontwikkeling. Tabel 4.4 Verkeersintensiteiten bestaande en toekomstige situatie Weg Wegvak Verkeersintensiteit in mvt/etmaal (werkdag)

43/88

Weg

Wegvak

Bestaand

Vlagheide

Koeveringsedijk en Dakotaweg Dakotaweg en Den Ouden Den Ouden en Eerdsebaan Dakotaweg en vuilnisbelt Ten noorden vuilnisbelt Vlagheide en Veghelseweg

Vlagheide Vlagheide Vlagheide Vlagheide Koeveringsedijk

Toevoeging plan 53

2030 met plan

500-1.000

2030 zonder plan 500-1.000

500-1.000 1.500-2.000 500-1.000 500-1.000 500-1.000

500-1.000 1.500-2.000 500-1.000 500-1.000 500-1.000

106 424 53 53 106

max. 1.106 max. 2.424 max. 1.053 max. 1.053 max. 1.106

max. 1.053

Te zien is dat de intensiteit op alle wegvakken ruim onder de streefintensiteit van 6.000 mvt/etmaal zit in de toekomstige situatie na planontwikkeling. Aangenomen wordt dat de wegen en kruispunten deze toekomstige verkeersintensiteiten zonder knelpunten kunnen verwerken. Voor wat betreft de verkeersveiligheid geldt dat er wel een merkbare toename is, maar de verschillende verkeersdeelnemers (gemotoriseerd verkeer en fietsers) ondervinden hier geen hinder van laat staan dat de verkeersveiligheid voor hen in het geding is. De verkeersintensiteit ligt immers ruim onder de grenswaarde van 6.000 mvt/etmaal. En ook de inrichting van de weg is geen aanleiding om aan te nemen dat dit tot knelpunten leidt. 4.3.2.7 Parkeren Met de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte op eigen terrein voorzien. Hiervoor is voldoende ruimte. 4.3.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en planuitwerking.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Onderscheid wordt gemaakt in afstandstappen van 0, 10, 30, 50, 100, 200, etc. meter. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de

44/88

aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.4.2 Toetsing De beoogde situatie betreft uitbreiding van een bedrijventerrein. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. De omgeving van het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat er in de omgeving van het plangebied zich verschillende bedrijventerreinen bevinden. De activiteiten met de hoogste milieubelasting vallen in milieucategorie 3.2 waardoor het bedrijf hierin gecategoriseerd wordt. Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde woning (Spitfireweg 10) bedraagt circa 83 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Er wordt geen milieuhinder verwacht vanuit de aspecten geur, stof, geluid of gevaar. 4.4.3 Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Archeologie

4.5.1 Normstelling en beleid De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. 4.5.2 Toetsing Om een goede bestemmingsregeling op te nemen dient bepaald te worden waar archeologische waarden in de bodem worden verwacht. Dit gebeurt op basis van een archeologische verwachtingswaardenkaart. De gemeente Schijndel heeft door de milieudienst van het SRE (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) in januari 2013 een archeologische verwachtingswaardenkaart (AWK) laten opstellen. Figuur 4.2 toont deze AWK opgenomen met daarbij de aanduiding van het onderzoeksgebied.

45/88

Figuur 4.2 Archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied (Bron: SRE) Conform de archeologische waardenkaart is aan het onderzoeksgebied voor het grootste gedeelte geen verwachtingszone van toepassing. Voor perceel SDL00-P-67 geldt voor het noordoostelijk deel een lage archeologische verwachting en is conform het geldend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 6' van kracht. Voor deze zone geldt dat het hierbij gaat om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die rede is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m2 en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld of 0,5 meter onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd. Het deel waar de lage archeologische verwachtingswaarde en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' van kracht is, beslaat circa 6.000 m2. Vanwege deze omvang is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Een m.e.r. plicht is niet aan de orde. De geldende dubbelbestemming zal bij de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan worden overgenomen. 4.5.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

46/88

4.6

Cultuurhistorie

4.6.1 Normstelling en beleid In artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat rekening moet worden gehouden met het aspect cultuurhistorie. In het bestemmingsplan moet zijn beschreven hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk naar de archeologische, historisch stedenbouwkundige en historisch-geografische waarden in een gebied. De provincie Noord-Brabant ziet cultuurhistorie als een belangrijk element van de identiteit van Noord-Brabant. De provincie neemt als uitgangspunt ‘Behoud door ontwikkeling’. Het plangebied ligt in de cultuurhistorische regio ‘De Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden.

De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ligt het plangebied in cultuurhistorisch waardevol gebied. Naast het provinciale beleid heeft de voormalige gemeente Schijndel in 2015 de cultuurhistorische waarden in het buitengebied van de gemeente in kaart gebracht en op 26 juni 2015 de ontwerpbeleidsnota ‘Tussen Aa-dal en Rooise Heide’ vastgesteld. In dit kader is een cultuurhistorische inventarisatie en bijbehorende waarderingskaart opgesteld. In het ontwerpbestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ is de bescherming van deze cultuurhistorische waarden middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ gewaarborgd. 4.6.2 Toetsing Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart (figuur 4.3) van de voormalige gemeente Schijndel heeft de gemeente Meierijstad aan de percelen de dubbelbestemmingen 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden' en 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen' toegekend. Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend als de werkzaamheden geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden.

47/88

Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: RAAP) Uit het uitgevoerde onderzoek (opgenomen als bijlage 3 bij voorliggend bestemmingsplan) is naar voren gekomen dat er een nadere differentiatie kan worden aangebracht in de als 'hoog' gewaardeerde Vlagheide. Voor het plangebied geldt dat er sprake is van enige waardevolle onderdelen, maar vooral door de verstoorde context heeft het geheel niet meer dan een middenwaarde. Op basis van die conclusie zijn enkele adviezen geformuleerd ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van de nieuwe bedrijfslocatie. Daarbij is vooral gekeken naar de zichtbaarheid en uitstraling van de nieuwe bebouwing vanuit de nog landelijke, relatief wat waardevollere landschappen in westelijke richting. Hierna volgen de adviezen zoals deze zijn geformuleerd op basis van het uitgevoerde onderzoek. In de plannen komt het al naar voren, maar belangrijk om te benadrukken: de hoofdstructuur van het gebied wordt gevormd door een orthogonale hoofdwegenstructuur met laanbomen. Deze structuur dient zoveel als mogelijk intact gehouden te worden, ook bij een eventuele opschaling van de vervoersbewegingen. Voor de beleefbaarheid is het belangrijk dat er in de hoofdwegenstructuur zo min mogelijk obstakels worden aangebracht ('doodlopende wegen') en/of openbare bypasses over percelen worden aangelegd die de wegenstructuur kan vertroebelen.

Houd bij de invulling van de percelen binnen de hoofdwegenstructuur de huidige berm en liefst daarnaast nog een groene strook achter de berm intact, om daarmee de groenstructuur van de bermen voldoende massa te geven en daarmee de infrastructurele hoofdstructuur van het gebied te benadrukken. Om visuele redenen (openheid) vanuit de waardevolle delen van het cultuurlandschap is een aarden wal, zoals op het aangrenzende terrein, niet gewenst. Datzelfde geldt voor hekwerken rond de percelen, indien de mogelijkheden dat toelaten. Indien een hekwerk toch noodzakelijk zou zijn, dan heeft het de voorkeur om te kiezen voor een hekwerk in een terughoudende kleurstelling met zo 'iel' mogelijke materialen, zodat het zo min mogelijk opvalt. Eventueel kan ook gekozen worden voor begroeiing met bijvoorbeeld klimop, om het groene beeld te versterken.

48/88

De ontwikkeling van de plannen vindt plaats in een verder vooral landelijke context. Om de contrasten te beperken en de zichtbaarheid van de bebouwing te verminderen is het wenselijk om de gevels van de bebouwing in een terughoudende kleurstelling uit te voeren. Daarmee wordt de zichtbaarheid vanuit het nog waardevollere gebied in het westen op de gevel langs de Dakotaweg beperkt. Ter vergelijking: de lange witte wand van een bedrijfspand verder noordwestelijk aan de Dakotaweg is van (zeer) grote afstand beleefbaar. Behoud van de zijweg, die naar het voormalig MOB-complex leidt, is vanuit cultuurhistorische redenen niet noodzakelijk. Als deze echter in de plannen ingepast kan worden als ontsluiting voor de nieuwe bedrijfspanden, dan is behoud ook niet problematisch. Maat en schaal in verhouding tot de openbare weg zijn dan wel een aandachtspunt: de weg moet in beeld niet met de hoofdweg gaan concurreren. Zoals overigens al in het plan is opgenomen is een doorlopende laanboombeplanting langs de zijweg niet wenselijk; het is zelfs beter om de ruimte langs de zijweg tussen de rand van het MOB-complex en de Vlagheide onbeplant te laten. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de laanbeplanting wordt behouden. Aan deze bomen en de berm wordt de bestemming 'Groen' toegekend.

De overige adviezen worden ter harte genomen bij het opstellen van een ontwerp in de fase omgevingsvergunning.

4.7

Geluid

4.7.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).

49/88

Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Toetsing In het plangebied worden met onderhavig planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. De Wet geluidhinder legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen.

4.7.3 Industrielawaai Beleid en normstelling Hoewel voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 4.4) is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De maximale planologische mogelijkheden voor de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 3.2 zijn getoetst. Deze activiteiten zijn getoetst ter plaatse van woningen in de omgeving. Het rapport is dus zowel geschikt voor toetsing aan de milieucategorie, het ruimtelijk spoor en het milieuspoor (Activiteitenbesluit). Beoordelingskader ruimtelijke ordening Bij de toetsing of de gewenste bestemming inpasbaar is in de omgeving wordt aangesloten bij de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG (2009). Het beoordelingskader bij een bestemmingsplanwijziging is opgenomen in bijlage B5.3 van die publicatie. Bij de toetsing wordt onderscheid gemaakt in de gebiedstypen rustige woonwijk en gebiedstype gemengd gebied. Voor de omgeving van het plangebied wordt uitgegaan van een gemengd gebied door de matige- tot sterke functiemenging in de omgeving. Stap 1 Als de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk.

Stap 2 Als stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op geluidgevoelige objecten in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: 50 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, ofwel;

50/88

50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode 70 dB(A) maximaal geluidniveau (piekgeluiden), ofwel; 70 dB(A) in de dagperiode 65 dB(A) in de avondperiode 60 dB(A) in de nachtperiode 50 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder, ofwel; 50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode Stap 3 Als stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op geluidgevoelige objecten in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: 55 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, ofwel; 55 dB(A) in de dagperiode 50 dB(A) in de avondperiode 45 dB(A) in de nachtperiode 70 dB(A) maximaal geluidniveau (piekgeluiden), exclusief piekgeluiden door aan en afrijdend verkeer, ofwel; 70 dB(A) in de dagperiode 65 dB(A) in de avondperiode 60 dB(A) in de nachtperiode 65 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder, ofwel; 65 dB(A) in de dagperiode 60 dB(A) in de avondperiode 55 dB(A) in de nachtperiode Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.

Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken

51/88

Beoordelingskader milieu De normstelling voor het aspect geluid bij het in werking hebben van het beoogde bedrijf volgt uit artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit: Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve an en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten Uitgangspunten onderzoek In het onderzoek wordt de representatieve bedrijfssituatie inclusief alle voor geluid relevante activiteiten nader toegelicht. De representatieve bedrijfssituatie is afgeleid uit een toelichting door de initiatiefnemer en de huidige activiteiten ter plaatse van de locatie Hermalen 7. De werktijden worden gesteld tussen 06.00 en 21.00. De bedrijfstijden en activiteiten zijn bepaald aan de hand van toetsing ter plaatse van de richtafstand (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) en de representatief te achten maximale geluidniveaus die bij de mogelijke activiteiten zich kunnen voordoen (toetsing ter plaatse van woningen in de omgeving). Voor dit onderzoek is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, te weten de bedrijfsactiviteiten die verplaatsen vanuit de locatie Hermalen 7 te Schijndel. Onder deze activiteiten vallen met name: Werkplaats (inclusief opslag oliën, vetten, enz.); Wasplaats; Stalling materieel; Op- en overslag materialen; Voorzieningen voor personeel: 1. Kantoor; 2. Sanitaire voorzieningen; 3. Kantine; 4. Parkeren. Daarnaast komt er in de nabije toekomst mogelijk een inpandige verwerkingslocatie voor biobasedproducten.

Het betreft een proces voor het verwerken (vezelen) van houtsnippers tot maximaal 10.000 ton per jaar waarbij

52/88

het gaat om een volledig elektrisch aangedreven productielijn. In de loods dient tevens voldoende ruimte aanwezig te zijn voor de opslag van houtsnippers en geproduceerde producten (houtvezels). In het onderzoek worden de volgende geluidsbronnen binnen de beoogde bedrijfssituatie beoordeeld: voertuigbewegingen mobiele machines en op- en overslag bedrijfsgebouwen installaties Voor de overige uitgangspunten wordt verwezen naar het uitgevoerde onderzoek (bijlage 15). Onderzoek In dit onderzoek (bijlage 15) zijn de geluidniveaus door de beoogde inrichting aan de Vlagheide (ong.) in Schijndel ter plaatse van woningen in de omgeving berekend. Daarbij is voor de activiteiten op het terrein uitgegaan van de maximale mogelijkheden ten opzichte van bestaande woningen in de omgeving. In de praktijk zullen de activiteiten waarschijnlijk lager uitvallen. Toetsing milieucategorie (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) Voor het beoordelen of de beoogde bedrijfsvoering passend is binnen een gemiddeld categorie 3.2 bedrijf moet worden aangesloten bij de beoordelingsmethodiek uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering, zie paragraaf 2.1. De richtwaarde bedraagt 45 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de richtafstand (100 meter). Ter plaatse alle beoordelingspunten wordt aan deze richtwaarde voldaan. De beoogde bedrijfsvoering is passend binnen een gemiddeld categorie 3.2 bedrijf.

Toetsing ter plaatse van woningen (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ) Toetsing Activiteitenbesluit Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit voldaan. Gesteld kan worden dat de boogde inrichting inpasbaar is in de omgeving. Toetsing RO Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt ruimschoots aan de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Toetsing maximale geluidniveaus Toetsing Activiteitenbesluit Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit voldaan. Gesteld kan worden dat de boogde inrichting inpasbaar is in de omgeving.

53/88

Toetsing RO Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt ruimschoots aan de richtwaarde(n) van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag, avond- en nachtperiode uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indirecte hinder Toetsing Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn geen grenswaarden voor de indirecte hinder opgenomen. Toetsing RO Ter plaatse van de woningen aan de Eerdsebaan 63 en Vlagheide 1a worden geluidbelastingen berekend tot afgerond 52 dB(A) etmaalwaarde vanwege de indirecte hinder. Daarmee wordt ter plaatse van deze woningen niet voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Ter plaatse van de overige woningen in de omgeving wordt wel voldaan aan deze richtwaarde. Ter plaatse van de woningen aan de Eerdsebaan 63 en Vlagheide 1a wordt wel ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Omdat niet overal aan de richtwaarden uit stap 2 kan worden voldaan worden maatregelen beschouwd.

Bronmaatregelen De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door (zware) voertuigen op de openbare weg (meest gangbare ontsluitingsroute volgens de verkeerstoedeling, namelijk 80% van de totale bewegingen). Bij maatregelen aan de bron kan gedacht worden aan het vervangen van het wagenpark door elektrische voertuigen. Dit is echter een ingreep die technisch en financieel niet haalbaar is. Daarbij geldt dat (deels) sprake is van voertuigen van derden. Maatregelen aan de bron worden niet doelmatig geacht. Maatregelen in de overdracht Overdrachtsmaatregelen tussen de openbare weg en woningen worden niet doelmatig geacht. Dergelijke geluidschermen zijn vanuit stedenbouwkundig en veiligheidsoogpunt niet mogelijk. Maatregelen in de overdracht worden niet doelmatig geacht. Maatregelen bij de ontvanger Bron- en overdrachtsmaatregelen worden niet mogelijk en/of niet doelmatig geacht. Maatregelen bij de ontvangers kunnen alsnog uitkomst bieden. Uit het Activiteitenbesluit volgt dat een etmaalwaarde van 35 dB(A) binnen in woningen vanwege het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aanvaardbaar wordt geacht. Bij deze waarde kan eveneens aangesloten worden vanwege de indirecte hinder. De overschrijdingen vanwege de indirecte hinder vinden enkel plaats ter hoogte van de woningen aan de Eerdsebaan 63 en Vlagheide 1a. De hoogst berekende waarde bedraagt afgerond 52 dB(A) etmaalwaarde.

Een gevelwering van 55 – 35 = 17 dB is nodig om een aanvaardbaar binnen niveau te kunnen garanderen. De

54/88

benodigde gevelwering is lager dan de standaard eis die volgt uit het Bouwbesluit 2012 (20 dB), in dit geval gaat het echter om bestaande woningen. Op basis van openbaar toegankelijke informatie (streetview) kan met voldoende zekerheid worden ingeschat dat de desbetreffende geveldelen een geluidwering van 17 dB of hoger zullen hebben (relatief groot oppervlakte met (dichte) spouwmuren met daarbij relatief kleine glasoppervlakten. Op basis van bovenstaande worden (aanvullende) maatregelen bij woningen in de omgeving niet noodzakelijk geacht. Zonder het treffen van aanvullende voorzieningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maatregelen In het algemeen geldt dat voor een inrichting ten minste de voor die inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast. Voor geluid geldt dat aan BBT wordt voldaan als voldaan wordt aan de te stellen geluidgrenswaarden. Voor de aan te vragen inrichting geldt verder onder meer: - de meest geluidproducerende werkzaamheden zullen voornamelijk in de dagperiode plaatsvinden. - er wordt gebruik gemaakt van materieel dat voldoet aan de recente eisen voor mobiele machines en daarmee aan de stand der techniek. - De roldeuren blijven bij werkzaamheden zoveel als mogelijk gesloten om geluidoverlast te voorkomen (dagperiode). In de avond- en nachtperiode zijn de roldeuren altijd gesloten.

- het geluid op woningen wordt niet bepaald door een enkele bron, waardoor aanpassingen aan een specifieke geluidbron beperkt effect heeft op de geluid emissie. Verder geldt dat voldaan wordt aan de richt- en grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus, zodat geen verdere geluidreducerende maatregelen hoeven te worden getroffen. Conclusie In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de beoogde inrichting aan de Vlagheide (ong.) in Schijndel ter plaatse van de richtafstand (100 meter) en woningen in de omgeving berekend. Daarbij is voor de activiteiten op het terrein uitgegaan van de maximale mogelijkheden ten opzichte van de beoogde milieucategorie (3.2). Inpasbaarheid binnen milieucategorie Ter plaatse van alle beoordelingspunten op de richtafstand (100 meter) wordt aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldaan. De beoogde bedrijfsvoering is passend binnen een gemiddeld categorie 3.2 bedrijf. Inpasbaarheid in de omgeving (toetsing Activiteitenbesluit) Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit voldaan. De indirecte hinder is niet getoetst aan het Activiteitenbesluit.

Gesteld kan worden dat de boogde inrichting inpasbaar is in de omgeving.

55/88

Woon- en leefklimaat (toetsing RO) Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving ruimschoots aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Ter plaatse van de woningen aan de Eerdsebaan 63 en Vlagheide 1a wordt in het kader van de indirecte hinder niet aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Ter plaatse van deze woningen wordt wel aan de grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. In hoofdstuk 4.3 is toegelicht dat maatregelen aan de bron- en in de overdracht niet mogelijk of niet doelmatig worden geacht. Daarnaast is toegelicht dat een gevelwering tot 17 dB voldoende is om een aanvaardbaar binnen niveau te kunnen garanderen. De verwachting is dat deze gevelweringen bij de desbetreffende woningen (ruimschoots) aanwezig zijn in de huidige situatie. Aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels wordt niet noodzakelijk geacht. Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting niet zorgt voor onaanvaardbare hinder ter plaatse van woningen in de omgeving Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor dit plan. 4.7.4

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.7.5 Uitstralingseffect Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). De verkeersgeneratie van het voorgenomen plan bedraagt minder dan 40% van de totale verkeersintensiteit. Tevens zijn er in directe omgeving van het plangebied geen woningen gelegen. De dichtstbijzijnde gevoelige object bevindt zich op circa 83 meter. Relevante negatieve uitstalingseffecten naar de omgeving zijn uitgesloten. 4.7.6 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de verdere uitwerking van het plan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

56/88

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te

57/88

worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.8.2 Toetsing Overeenkomstig de openbare risicokaart (figuur 4.4) waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet in de PR-contouren of invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.

Figuur 4.4 Uitsnede openbare risicokaart met aanduiding plangebied (Bron: Risicokaart) Ten westen van het plangebied bevindt zich de A50 welke onderdeel uitmaakt van het Basisnet. De weg heeft een invloedsgebied van 335 meter als gevolg van het vervoer van, onder andere, stofcategorie GF3. Het plangebied bevindt zich op circa 2 kilometer van deze weg. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor deze weg. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een hogedrukaardgasleiding A-521 met een invloedsgebied van 430 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding bedraagt circa 580 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding. 4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, vaarroutes, wegen, spoorwegen en buisleidingen. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

58/88

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

59/88

4.9.2 Toetsing en conclusie Het plan maakt de uitbreiding van het bedrijf Den Ouden mogelijk. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 445 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is een worst-case 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,74 µg/m³ en van fijnstof van 0,10 µg/m³ (tabel 4.6). De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.6 Resultaten NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Eerdsebaan, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 15,4 µg/m³ voor NO2, 16,3 µg/m³ voor PM10 en 9,3µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

60/88

4.10.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied zijn geen planologische hoogspanningsverbindingen, waterleidingen, gasleidingen of rioolleidingen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een hoogspanningsverbinding met een indicatieve zone van 100 meter. De afstand van het plangebied tot deze verbinding is groter dan 100 meter, namelijk 580 meter (figuur 4.5).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a0e89772-2e0a-4505-99fb-9d446cf9a55a