Bijlage 1. BP Hofstad 2a-Schootsedijk ong. - toelichting
Tekst van het document
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze
28
verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Risicovolle inrichtingen Uit de provinciale risicokaart (zie figuur 17) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op 210 meter van het plangebied en betreft een bovengrondse tank (zwarte contour). Deze bovengrondse tank heeft een risicocontour van 12 meter en ligt daarmee ver genoeg van het plangebied af. Onderhavig plan ondervindt dus geen belemmering door nabijgelegen risicovolle inrichtingen of activiteiten. Risicovol transport
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
29
In de directe omgeving zijn geen wegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 17: Uitsnede risicokaart met plangebied in blauw aangegeven
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Conform art. 8 lid 2 Bevt moet het groepsrisico beperkt verantwoord worden. In dit geval volstaat een beperkte verantwoording omdat het groepsrisico van de transportroute door het geringe aantal transportbewegingen niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In dit geval wordt het aantal mensen niet vergroot (woning vervangt een bewoond chalet), waardoor het groepsrisico niet groter wordt. Ook bevindt het plangebied zich niet binnen de directe effectafstand van een risicovolle activiteit. Daarnaast is conform art. 9 Bevt de veiligheidsregio om advies gevraagd. De
veiligheidsregio Brabant-Noord adviseert om maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. De initiatiefnemer is verplicht om potentiële kopers/huurders te informeren over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Zij kunnen deze informatie meewegen in het besluit om zich hier te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn
30
van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Het volledige adviesrapport van de veiligheidsregio Brabant-Noord is te vinden in bijlage VII. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op circa 240 meter en betreft een bovengrondse tank. In de directe omgeving bevinden zich verder geen risicovolle inrichtingen. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief. 5.1.7 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling. 5.1.8 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën.
Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie gelegen in een gemengd lint van (agrarische) bedrijvigheid en woonbestemmingen en is er geen sprake van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen.
De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan Schootsedijk ongenummerd en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen.
31
Adres
Soort bedrijf
Hofstad 2
Handel/reparatie moterfietsen Rundveehouderij Schapenhouderij Geitenhouderij Hoveniersbedrijf Melkveebedrijf
Nieuwstraat 46 Jenneakkers 8 Schootsedijk 47 Schootsedijk 44 Schootsedijk 30
Milieucat. 2
Minimumafstand 15 meter
Werkelijke afstand 30 meter
Voldaan
3.2 3.1 3.1 3.1 3.2
50 meter 25 meter 25 meter 25 meter 25 meter
50 meter 230 meter 210 meter 230 meter 120 meter
Ja Ja Ja Ja Ja
Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van alle bedrijven die in de omgeving aanwezig zijn kan worden voldaan aan de minimum richtafstanden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling. 5.1.9 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönosen. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies).
Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen. In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke
32
oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken. Op 22 oktober 2018 kwam het eerste deelrapport van VGO III uit: 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen'. Pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader La' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Totdat vervolgonderzoek is afgerond hanteert de gemeente de werkwijze dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn twee geitenhouderijen aanwezig: Pastoor Smitsstraat 55 (2615 geiten) Schootsedijk 47 (480 geiten).
Aangezien er zich twee geitenhouderijen binnen een straal 2 kilometer van het plangebied bevinden is er een advies van de GGD met betrekking tot het planvoornemen opgevraagd. De GGD adviseert de gemeente om met betrekking tot woningbouw binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij terughoudend te zijn. In elk geval wordt geadviseerd geen woningen naar een geitenhouderij toe te bouwen. Dit is in de huidige casus niet het geval; aangegeven wordt immers dat ertussen planlocatie en geitenhouderij nog enkele woonbestemmingen zijn gelegen. Bovendien neemt het aantal blootgestelden in de aangevraagde situatie niet toe; er is op dit moment sprake van (illegale) woningbouw die vervangen wordt door gelegaliseerde woningbouw. Er is geen sprake van verdichting van de bestaande bebouwingsstructuur. Belangrijk is wel dat - wanneer de gemeente besluit medewerking te verlenen aan de aanvraag -toekomstige bewoners worden gewezen op het risico van het verhoogd voorkomen van longontsteking. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Allereerst is geconstateerd dat er binnen een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen zich, vooralsnog, een extra risico voordoet.
Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet
33
tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Ook is vastgesteld dat aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied geïnformeerd worden over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Dat betekent dus dat het college op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk ruimte biedt om ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Fijnstof en endotoxinen Blootstelling aan fijnstof (PM2,5-PM10) kan leiden tot luchtwegklachten, acute klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen, verminderde longfunctie. De wettelijke norm voor PM10 ligt momenteel op 31,2 pg/m3 (maximaal 40 pg/m3, met maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 pg/m3 per jaar). Ook onder deze norm worden gezondheidseffecten gevonden. Vandaar dat de WHO deze norm heeft aangescherpt en de volgende strengere normen hanteert:
Jaarlijks gemiddelde Maximale 24-uursbelasting
PM2,5 10 µg/m3 25 µg/m3
PM10 20 µg/m3 50 µg/m3
Deze laatste waarden worden door de GGD als gezondheidskundige advieswaarden gehanteerd. De GGD is van mening dat endotoxinen een betere parameter is dan fijnstof afkomstig van veehouderijen. Endotoxinen kunnen via inademing acute luchtwegklachten en chronische effecten op de luchtwegen (niet allergische astma en COPD) veroorzaken. De gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine bedraagt 30 EU/m3. De afstand waarbinnen deze waarde waarschijnlijk wordt overschreden is te berekenen op basis van de handreiking endotoxine3, opgesteld door het Ondersteuningsteam. Wanneer er meerdere veehouderijen in elkaars nabijheid liggen, is er sprake van cumulatie, waardoor er door een opeenstapeling van endotoxine-uitstoot de 30 (EU)/m3 kan worden overschreden. Factoren welke de grootste mate van invloed hebben op endotoxine-concentraties in de lucht zijn afstand tot een veehouderij en het aantal dieren. Naast de diersoorten die een hoge stofemissiefactor hebben, dragen diersoorten met een lage stofemissiefactor ook bij aan de opeenstapeling van de endotoxine concentraties in de lucht. Vooralsnog is het niet mogelijk om de endotoxine cumulatie te berekenen en te toetsen.
Situatie Schootsedijk ongenummerd, Olland Op de veehouderij gelegen aan de Nieuwstraat 46 te Sint Oedenrode worden vleeskalveren gehouden. Voor dit diersoort is het niet mogelijk de endotoxine richtafstand te berekenen. Enkel voor varkens en pluimveebedrijven is het mogelijk de endotoxinerichtafstand te berekenen. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie op de locatie Hofstad 2A, Olland bedroeg in 2017 18-19 µg/m3 (bron atlas leefomgeving, PM10 2017). Daarmee lag de concentratie
34
PM10 onder de gezondheidskundige advieswaarde, hetgeen positief gewaardeerd wordt. De wegen gelegen in de directe nabijheid van deze woning zijn wegen met minder dan 10.000 mve. Wanneer er wegen in de buurt liggen met meer dan 10.000 mve, wordt geadviseerd een afstand van tenminste 50 meter aan te houden. Dit is in deze casus niet het geval. Er kan geconcludeerd worden dat er geen verhoogd gezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. Het volledige rapport van de GGD is te vinden bijlage V Het aspect volksgezondheid vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan. 5.1.10 Hoogspanningslijnen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Dit aspect heeft dan ook geen negatieve invloed op onderhavig planvoornemen. 5.1.11 Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten.
Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Gezien de beoogde woonbestemming op het perceel zullen er in de toekomstige situatie geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt op onderhavige locatie. Een aantal percelen binnen een afstand van 50 meter zijn in gebruik als landbouwgrond wat in de beoogde situatie onveranderd zal blijven. Echter is er in dit geval sprake van een bestaande woning waarvoor reeds is bepaald dat er sprake is van een acceptabele situatie. De bestaande woning zal in de huidige staat en omvang behouden blijven ten behoeve van een woonfunctie, waardoor er geen wijzigingen plaatsvinden. Daarnaast vindt er op de omliggende gronden geen fruitteelt plaats en zal, indien gewasbeschermingsmiddelen worden gespoten, dit neerwaarts gebeuren. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten en kan voor de beoogde situatie worden uitgegaan van een acceptabel woon- en leefklimaat op het gebied van spuitzones gewasbeschermingsmiddelen.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de
35
wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.2.1 Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de realisatie van één woning met bijgebouw. In de huidige situatie bevindt zich een chalet ter grootte van circa 135 m 2 en erfverharding ter grootte van 20 m2. De beoogde woning heeft een oppervlakte van circa 150 m2 en het bijgebouw heeft een oppervlakte van maximaal 150 m2. Daarnaast wordt er voorzien in de aanleg van verharding ten behoeve van parkeren en ontsluiting. De oppervlakteverharding zal circa 100 m2 bedragen. Het totaal aan verhard oppervlakte in de beoogde situatie bedraagt derhalve circa 400 m2. Dit betekent dat maximaal 400 m2 van het totale perceel (3.806 m2) verhard zal worden. In de huidige situatie is het perceel ook al bebouwd. Door de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning vindt er een toename van oppervlakteverharding plaats van maximaal 245 m2 binnen het nieuwe bestemmingsvlak ‘wonen’. Het hemelwater infiltreert momenteel direct of wordt op een natuurlijke wijze opgenomen in het hydrologische systeem.
5.2.2 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+), het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tenslotte is de Keur Waterschap De Dommel van belang.
36
5.2.3 Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. In de huidige situatie heeft het plangebied deels een woonbestemming met een omvang van 780 m2 en deels een agrarische-bestemming met een omvang van circa 3.026 m 2. In de huidige situatie is het agrarische gedeelte ingericht als grasland waar geen verharding aanwezig is. Op het gedeelte waar de woonbestemming ligt, is een chalet gesitueerd en een klein stuk erfverharding (totaal circa 155 m2). In de toekomstige situatie wordt maximaal 400 m2 aan verharding gerealiseerd. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit ‘hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand’ (zEZ21). De grond binnen het plangebied is matig voedselrijk en vochtig tot droog en heeft een doorlatendheid van 1 tot 5 meter per etmaal en is daarmee goed te noemen. Het plangebied ligt op een hoogte van 12.39 meter boven N.A.P. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van circa 4060 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte van 160-180 centimeter beneden maaiveld. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) VI.
Een groot deel van het plangebied is, gezien de grondslag en de lage grondwaterstand, een infiltratiegebied. Het plangebied is gelegen op een vochtig tot droge grond waarin het water makkelijk kan infiltreren. Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater in de vorm van watergangen aanwezig. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van het perceel zijn zogenaamde B-wateren (kavelsloten) gelegen (zie figuur 18). De ontwikkeling zal geen effect hebben op dit oppervlaktewatersysteem.
Figuur 18. Uitsnede Watertoetskaart Waterschap De Dommel (plangebied rood omkaderd).
37
Riolering In de huidige situatie is er in en nabij het plangebied drukriolering aanwezig. Vuilwater wordt afgevoerd via de drukriolering. Drukriolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater wordt derhalve niet afgevoerd via de riolering waardoor vuilwater en hemelwater van elkaar gescheiden zijn. Gezien het feit dat de ontwikkeling van slechts één woning kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel zijn uiteraard voor de initiatiefnemer. Hemelwater Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit kader geldt de waterkwantiteitsrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is: 1. hergebruiken; 2. vasthouden; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlakte water. Voor onderhavige plan wordt gekozen voor berging en vervolgens infiltratie van het hemelwater middels een greppel voor het huis (zie landschappelijke inpassing).
Het is hierbij van belang dat deze vertraagd wordt afgevoerd wordt op de bestaande watergangen en deze een noodoverloop heeft. Een bestaande watergang mag immers niet dienen als infiltratievoorziening. De toename van het dak- en terreinverharding bedraagt maximaal 245 m2. Omdat de totale toename minder dan 2.000 m2 bedraagt, geldt vanuit de Keur geen verplichting om hemelwater te bergen c.q. infiltreren (compensatieverplichting). Conform het gemeentelijk beleid dient het plan wel hydrologisch neutraal te worden gerealiseerd. Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en terreinverharding op het eigen perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. De oorspronkelijke landelijke afvoer mag niet overschreden worden bij een bui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10). De grondwaterstand in het plangebied is voldoende laag om water te kunnen bergen op eigen perceel middels voornoemde infiltratievoorzieningen. Hemelwater van het dak en de terreinverharding kan hier direct infiltreren. Het hemelwater afkomstig van het dak van onderhavige locatie kan bijvoorbeeld ook middels het plaatsen van een regenton onder de regenpijp worden geborgen.
Door bijvoorbeeld een regenton dusdanig te construeren dat deze vanaf een bepaald waterniveau via een noodoverloop vertraagd leegloopt op de erfverharding en het hemelwater vervolgens onder afschot richting het omliggend groen of beide beoogde infiltratievoorzieningen stroomt kan ter plaatse infiltratie van het hemelwater afkomstig van de daken plaatsvinden. Het water uit de regenton kan bovendien worden gebruikt voor het begieten of besproeien van de tuin in droge periodes (maar ook voor kamerplanten en bepaalde schoonmaakklussen).
38
Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van het nieuwe gebouw te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur c.q. maaiveld. Extreme neerslag zal derhalve dan niet meteen tot natte voeten leiden. Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. Daarnaast wordt er door het Waterschap De Dommel geadviseerd om bij de aanleg van de parkeerplaats een half verhardend materiaal te gebruiken. Conclusie De toename van het verhard oppervlak is veel kleiner dan 2.000 m2, waardoor vrijstelling verleend wordt van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen verhard oppervlak, naar een oppervlaktelichaam. Op het perceel is voldoende ruimte om het hemelwater vast te houden en te bergen. Middels het aanleggen van een greppel voor het huis wordt het water geborgen en geïnfiltreerd.
39
5.3
Natuur 5.3.1 Gebiedsbescherming Voor het aspect gebiedsbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen NNB en Natura-2000 gebieden. Voor beide gebieden geldt dat ook de externe werking van de voorziene ontwikkeling van belang is. Dat wil zeggen dat ook wanneer een ontwikkeling buiten de begrenzing van een natuurgebied plaatsvindt, deze kan leiden tot aantasting van de ecologische waarden. Binnen NNB-gebieden worden externe effecten die optreden door verspreiding via water of lucht niet meegenomen. Deze zijn wel relevant voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen gronden aanwezig die binnen NNB liggen. Door de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling wordt echter niet verwacht dat deze negatief effect heeft op de ecologische waarden binnen deze gebieden. Onderhavige ontwikkeling zorgt immers niet voor een significante toename van bijvoorbeeld geluid, licht of betreding van het gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen en is met circa 8,2 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water ook worden beschouwd. Om vast te stellen of onderhavige ontwikkeling een negatief effect heeft op een Natura 2000-gebied is een berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd.
Deze is opgenomen in bijlage X bij deze toelichting. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Overige effecten met betrekking tot gebiedsbescherming zijn, gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden, niet te verwachten. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect gebiedsbescherming geen belemmering vormt ten aanzien van het planvoornemen. 5.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het wijzigen van de bestemming brengt de voorkomende planten- en dierensoorten niet in gevaar. Ten tijde van de sloop- en bouwwerkzaamheden zal een nadere inventarisering plaatsvinden van de mogelijke aanwezigheid van beschermde
40
diersoorten. Het aspect flora- en fauna is daarom op dit moment geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
5.4
Archeologie Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 meter. Deze dubbelbestemming zal ongewijzigd worden opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Indien deze maten worden overschreden zal bij de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen een archeologisch onderzoek moeten worden aangeleverd waaruit blijkt dat de realisatie van de woning geen negatieve effecten heeft op de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft wel een erfgoedverordening vastgesteld, maar het plangebied is niet aangeduid als erfgoed. Daarnaast heeft de Provincie Noord-Brabant een cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld. Op deze kaart zijn de elementen aangegeven die op provinciaal niveau van cultuurhistorisch belang zijn. In de nabijheid van het plangebied is het gebied ‘Meierij’ op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Provincie Noord-Brabant gelegen. De cultuurhistorisch waardevolle elementen behorende bij dit landschap blijven behouden en waar mogelijk verbeterd, zie paragraaf 3.3 voor de verdere uitwerking hiervan. Verder zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig in de omgeving van het plangebied.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en draagt zelfs bij aan het behoud van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.3) is rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.
5.6
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
41
5.6.1 Mobiliteit Ter plaatse van de Schootsedijk ongenummerd wordt een woning gerealiseerd. Deze nieuwe vrijstaande woning heeft een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 8,6 motorvoertuigen per etmaal. Ter plaatse wordt een reeds bewoond chalet afgebroken, per saldo zal de verkeersaantrekkende werking dan ook niet stijgen. Het aspect verkeer levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan. 5.6.2 Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dienen er bij woningen in het buitengebied 2,4 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. Voor onderhavig plan betekent dit dat ter plaatse van de Schootsedijk ongenummerd drie parkeerplaatsen benodigd zijn. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
42
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan is ter vooroverleg aangeboden aan de provincie Noord-Brabant. Als reactie hierop heeft de provincie aangegeven dat er geen sprake is van een bebouwingsconcentratie. Dit in tegenstelling tot de gemeentelijke gebiedsvisie bebouwingsconcentraties uit 2008, waar de locatie is gesitueerd binnen een bebouwingsconcentratie. Na afstemming tussen gemeente en provincie is de ligging van de beoogde woning verplaatst richting het noord-oosten aan de Schootsedijk ong. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Hofstad 2A / Schootsedijk ong.‘ is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn twee zienswijzen bij de gemeente binnengekomen. Een van de zienswijzen is binnengekomen na het verstrijken van de inzageperiode en is later weer ingetrokken. Als gevolg van deze zienswijze heeft echter wel aanpassing van het plan plaatsgevonden. De tweede zienswijze is afkomstig van de provincie Noord-Brabant en heeft betrekking op het ontbreken van de noodzakelijke bouwtitel. Deze titel is inmiddels aangekocht en als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
43