CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. BP Hofstad 2a-Schootsedijk ong. - toelichting

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hofstad 2a / Schootsedijk ongenummerd'13.363 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Toelichting Hofstad 2a / Schootsedijk ong.

Herontwikkeling Vinkelsestraat 135, 139 en 139a

NL.IMRO.1948.BGO000BP0042020P-VA01

Gemeente ‘s-Hertogenbosch

1

Colofon Rapport: Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hofstad 2a / Schootsedijk ong. Rapportnummer: 2023.2830 Status: Vastgesteld Datum: 5 februari 2025 Projectlocatie Hofstad 2A / Schootsedijk ong. 5491 VE Olland - Sint-Oedenrode Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Adviseurs BV 085-0431949 info@reland.nl © februari 2025 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................ 1 1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 1

1.2

Begrenzing plangebied ........................................................................................ 1

1.3

Leeswijzer ............................................................................................................ 2

Hoofdstuk 2 Huidige situatie omgeving .................................................................................... 3 2.1

Inleiding ................................................................................................................ 3

2.2

Ligging in de gemeente Meierijstad ..................................................................... 3

2.3

Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 4

2.4

Functionele structuur ........................................................................................... 4

2.5

Geldend bestemmingsplan .................................................................................. 5

2.6

Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied ....................................... 6

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ................................................................................................... 8 3.1

Ontwikkeling ......................................................................................................... 8

3.2

Mogelijkheden bestemmingsplan ........................................................................ 8

3.3

Landschappelijke inpassing ................................................................................. 8

3.3.1 Stedenbouwkundige structuur ............................................................................ 8 3.3.2 Inpassingsplan ................................................................................................... 9 HOOFDSTUK 4 Beleidskader ................................................................................................ 11 4.1

Rijksbeleid .......................................................................................................... 11

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie ................................................................................ 11 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................. 11 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 12 4.2

Provinciaal beleid ............................................................................................... 12

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant ....................................... 12 4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................... 14 4.2.3 Kwaliteit van Brabant........................................................................................ 17 4.3

Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 18

4.3.1 Beleidsnota ‘Herziening bebouwingsconcentraties en VAB-beleid’ ................. 18 4.3.2 Woonvisie van Meierijstad ............................................................................... 19 4.3.3 Omgevingsdialoog............................................................................................ 19 HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .................................................................................... 21

3

5.1

Milieu .................................................................................................................. 21

5.1.1 M.e.r. plicht ....................................................................................................... 21 5.1.2 Bodem .............................................................................................................. 21 5.1.3 Lucht ................................................................................................................. 21 5.1.4 Geur ................................................................................................................. 23 5.1.5 Geluid ............................................................................................................... 27 5.1.6 Externe veiligheid ............................................................................................. 28 5.1.7 Kabels en leidingen .......................................................................................... 31 5.1.8 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 31 5.1.9 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 32 5.1.10 Hoogspanningslijnen ...................................................................................... 35 5.1.11 Spuitzones gewasbescherming ..................................................................... 35 5.2

Water.................................................................................................................. 35

5.2.1 Nieuwe ontwikkelingen ..................................................................................... 36 5.2.2 Beleidskader ..................................................................................................... 36 5.2.3 Kenmerken huidige watersysteem ................................................................... 37 5.3

Natuur ................................................................................................................ 40

5.3.1 Gebiedsbescherming ....................................................................................... 40 5.3.2 Soortenbescherming ........................................................................................ 40 5.4

Archeologie ........................................................................................................ 41

5.5

Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 41

5.6

Verkeer............................................................................................................... 41

5.6.1 Mobiliteit ........................................................................................................... 42 5.6.2 Parkeren ........................................................................................................... 42 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................ 43 6.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 43

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 43

4

Bijlagen: Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII Bijlage IX Bijlage X Bijlage XI

Landschappelijke inpassing Geurhinderonderzoek Akoestisch onderzoek optredende voorgrondbelastingen Omgevingsdialoog Advies GGD Ondertekende verklaring GGD Advies veiligheidsregio Brabant-Noord Rapport verkennend bodemonderzoek Memo actualisatie geuronderzoek AERIUS-berekening Bouwtitel

5

Hoofdstuk 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemer heeft ter plaatse van Hofstad 2A te Olland - Sint-Oedenrode een perceel met daarop een woonbestemming liggen. Op het perceel staat momenteel een chalet uit 1967 welke verhuurd wordt. De verhuur van dit chalet is vastgelegd in het bestemmingsplan middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht 42’. Inmiddels wordt het chalet aan een andere persoon verhuurd, waardoor de voorwaarden bij de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht 42’ niet meer worden nageleefd. Het chalet wordt dan ook illegaal verhuurd en bewoond, waardoor de gemeente Meierijstad over is gegaan tot handhaving. De gemeente Meierijstad heeft aangegeven dat bewoning van het chalet niet langer is toegestaan, tenzij hiervoor het bestemmingsplan wordt gewijzigd middels een bestemmingsplanprocedure. De gemeente Meierijstad heeft op een principeverzoek uit 2016 gereageerd dat een woning ter plaatse van Hofstad 2A voorstelbaar is, waarna de initiatiefnemer met dit plan aan de slag is gegaan. Het is dan ook de wens van de initiatiefnemer om ter plaatse van Hofstad 2A het chalet te saneren om een woning te realiseren. Na vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant is besloten om de locatie van de woning te verplaatsen ten noordoosten van de bestaande woning. De nieuwe locatie is gelegen aan de Schootsedijk.

Het realiseren van een woning ter plaatse van Schootsedijk ongenummerd te Olland Sint-Oedenrode is alleen mogelijk via een nieuw bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient dan ook een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Onderliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing, die als toelichting aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. In dit document wordt het plan toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.

1.2

Begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad, op circa 3 kilometer ten noordwesten van de kern van Sint-Oedenrode en zo’n 500 meter ten oosten van het dorp Olland. Het plangebied is in figuur 1 op de volgende pagina weergegeven. Het plangebied omvat het perceel aan Hofstad 2A / Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie P, nummer 647. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 3.806 m2.

1

Figuur 1. Begrenzing plangebied (plangebied blauw omkaderd).

1.3

Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot voorziet hoofdstuk 6 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

2

Hoofdstuk 2.1

2 Huidige situatie omgeving

Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.

2.2

Ligging in de gemeente Meierijstad Het plangebied is, zoals eerder aangegeven, gelegen aan Hofstad 2A / Schootsedijk ongenummerd te Olland - Sint-Oedenrode in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het plangebied ligt in het westen van de gemeente Meierijstad. Het plangebied ligt tussen de kern van Sint Oedenrode en het dorp Olland. In figuur 2 is de ligging van het plangebied in de gemeente Meierijstad weergegeven.

Plangebied

Figuur 2. Ligging plangebied binnen de gemeente Meierijstad (plangebied rood aangestipt).

3

2.3

Ruimtelijke structuur Het plangebied is gesitueerd op circa 500 meter ten oosten van het dorp Olland, in het buitengebied van de gemeente Meierijstad (zie figuur 3). Het plangebied wordt aan de westzijde van het perceel direct ontsloten door de weg Hofstad. Deze weg leidt richting het noorden naar het dorp Achterste Hermalen en gaat richting het zuiden op in de Schootsedijk. De Schootsedijk ontsluit tevens het zuidoostelijke deel van het perceel en leidt richting het zuiden naar de Ollandseweg die op haar beurt de verbinding tussen Olland en Sint-Oedenrode vormt. Richting het oosten leidt de Schootsedijk naar de provinciale weg N637, welke Sint-Oedenrode en Schijndel met elkaar verbindt. Hofstad – Achterste Hermalen

Ollandseweg (Olland – St. Oedenrode) Schootsedijk -Ollandseweg

Figuur 3. Uitsnede topografische kaart (plangebied rood omkaderd).

De wegen Hofstad en Schootsedijk zijn beide landelijke wegen met aan weerszijden laanbomen. Aan de twee wegen zijn met name agrarische percelen gelegen, waar afwisselend grasland ten behoeve van begrazing van koeien en schapen of mais op wordt geteeld. Ook zijn er stukken bos te vinden. Door het bos en grasland ontstaat een afwisselend open en gesloten landschap. In de omgeving liggen richting het zuiden een aantal woningen, richting het noorden en oosten komt men af en toe een boerderij tegen.

2.4

Functionele structuur In de omgeving van het plangebied zijn met name burgerwoningen te vinden die zijn gelegen in een groen en agrarisch gebied met veel bos en grasland in de nabijheid van de kern Olland (zie figuur 4). Direct naast het plangebied is een burgerwoning gelegen aan Hofstad 2. Ten zuiden van deze burgerwoning ligt aan de Nieuwstraat 46 op een afstand van circa 40 meter van het plangebied een intensieve veehouderij, waar een vergunning aanwezig is voor de huisvesting van 240 vleeskalveren. Ten oosten van het plangebied is aan de Schootsedijk 30 op een afstand van circa 130 meter een melkveehouderij gelegen. Daarnaast is er op een afstand van 230 meter aan de Jenneakkers 8 een schapenhouderij gevestigd en op een afstand van 200 meter aan de Schootsedijk 47 een geitenhouderij gevestigd. Het dichtstbijzijnde niet agrarische bedrijf ligt ten zuidwesten van het plangebied op zo’n 190 meter afstand en betreft een duikschool met wat statische opslag en een hoveniersbedrijf. In figuur 4 is een luchtfoto opgenomen waarin de functionele situatie van de omgeving is aangegeven.

4

iv

iv Plangebied Burgerwoning Agrarisch bedrijf iv

iv

Intensieve veehouderij Bedrijf

Figuur 4. Functionele structuur in de omgeving (plangebied rood omkaderd).

2.5

Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied zijn vier onherroepelijke bestemmingsplannen vigerend, namelijk: ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (vastgesteld 15-03-2012), het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 1’ (vastgesteld 10-07-2014), ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ (vastgesteld 29-09-2016) en Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’ (vastgesteld 29-03-2018). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (15-03-2012) is ter plaatse van het perceel aan Hofstad 2A / Schootsedijk ongenummerd de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ van toepassing (zie figuur 5). De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waarbij de verschillende agrarische bedrijven apart zijn aangeduid. Daarnaast rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ op de gronden. Volgens het bestemmingsplan is het plangebied voor een gedeelte binnen een bebouwingsconcentratie gelegen (zie figuur 6).

Het gedeelte wat binnen deze bebouwingsconcentratie is gelegen heeft tevens de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht.’ Bij de eerste herziening van het bestemmingsplan (10-07-2014) heeft het gedeelte met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht 42’ tevens de enkelbestemming ‘Wonen’ gekregen (zie figuur 7).

5

De archeologische dubbelbestemming heeft tot doel om eventuele archeologische vondsten in de bodem te beschermen. Wanneer werkzaamheden worden verricht die mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze vondsten dient aangetoond te worden dat geen sprake is van deze negatieve effecten.

Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplan

Figuur 7. Uitsnede bestemmingsplan

'Buitengebied Sint-Oedenrode’ (15-03-

‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 1’

2012).

(10-07-2014).

Plangebied Enkelbestemming: Wonen Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschapswaarden Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie - 2 Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht 42.

Figuur 6. Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ – bebouwingsconcentratie uitgelicht.

2.6

Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied Het perceel aan Hofstad 2A / Schootsedijk te Olland - Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, betreft van oorsprong een agrarisch perceel. Een groot gedeelte (oostelijk) is dan ook in gebruik als grasland. Op de westelijke hoek van het perceel is in het verleden een chalet gebouwd welke de initiatiefnemer is gaan verhuren. Dit chalet staat er nog steeds, maar wordt illegaal bewoond. Het chalet wordt volledig omringd door dikke rijen coniferen, waardoor het lijkt afgesloten van de omgeving eromheen. In figuur 8 is op een luchtfoto de huidige bebouwing weergegeven.

6

Chalet

Figuur 8. Huidige bebouwing plangebied (plangebied rood omkaderd).

7

Hoofdstuk 3.1

3 Planbeschrijving

Ontwikkeling De initiatiefnemer heeft het voornemen om het huidige oude chalet (1967) ter plaatse van Hofstad 2A te saneren. Het chalet wordt momenteel illegaal bewoond, waarop de gemeente tot handhaving is overgegaan. Hierdoor is de initiatiefnemer genoodzaakt om het chalet te saneren. In het kader van de maatwerkregeling met als doel omgevingskwaliteit wil de initiatiefnemer een nieuwe woning realiseren. In figuur 8 (zie vorig hoofdstuk) is het te saneren chalet weergegeven. Op deze locatie zal een nieuwe hoogstamfruitgaard worden gerealiseerd. Uiteindelijk zal een bestemmingsvlak ‘Wonen’ ter plaatse van de Schootsedijk worden geplaatst. De woning zal worden gesitueerd zoals te zien is in figuur 9.

3.2

Mogelijkheden bestemmingsplan In het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een woning toe te voegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Omdat de woning wordt gerealiseerd in het kader van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, wordt er een buitenplanse procedure doorlopen. Onderhavig document betreft de toelichting bij dit nieuwe bestemmingsplan.

3.3

Landschappelijke inpassing In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing van het initiatief in de omgeving beschreven. Allereerst komt de stedenbouwkundige structuur aan bod. Vervolgens zal het inpassingsplan besproken worden. Het gehele rapport is terug te vinden in bijlage I ‘Hofstad 2a/Schootseweg ongenummerd Olland – Stedenbouwkundig en landschappelijk voorstel’. 3.3.1 Stedenbouwkundige structuur Met het verwijderen van de chalet en de hoge coniferenhaag ontstaat de mogelijkheid om de nieuwe woning stedenbouwkundig landschappelijk in te passen in de omgeving. Bijgaand een beschrijving van de positie en het voorkomen van de woning en het bijgebouw in combinatie met de inrit (zie figuur 9). De nieuwe woning voegt zich naar de historische landschapsstructuren die het gebied kenmerken. De Schootsedijk is de hoofdoriëntatie van de lintbebouwing. Als afronding van dit lint wordt achter Hofstad 2 een nieuw kavel toegevoegd, in de geest van de bestaande bebouwingskarakteristiek. Dit betreft een nieuwe landelijke woning met een karakteristieke groeninrichting op het erf. Het bestaande zicht op het achterliggende landschap blijft behouden. Via een nieuwe inrit aan de Schootsedijk is het erf bereikbaar. Er is voldoende ruimte om auto’s te parkeren voor het nieuwe bijgebouw.

De woning staat op een gepaste afstand tot de weg, zodat de buurwoning (Hofstad 2) vanuit de achtertuin nog volgende zicht heeft op het achterland.

8

De woning staat minimaal 5m uit de kavelgrens (voorwaarde uit het bestemmingsplan). Het bijgebouw staat achter de woning in het verlengde van de inrit. Het bijgebouw krijgt de functie als garage/opslag klein materieel. De architectuur van de woning en het bijgebouw is geïnspireerd op de lokale boerderijstijl. Typerend voor de omgeving zijn de langgevelboerderijen. Deze stijl zal ook worden toegepast op de nieuwe woning. Hierbij hoort een traditioneel, landelijk en ingetogen materiaalgebruik. Denk hierbij aan aardse tinten en natuurlijke materialen.

Figuur 9. Stedenbouwkundige structuur

3.3.2 Inpassingsplan Het erf wordt aan de voorzijde afgeschermd door een haag van inheems bosplantsoen. Naast de inrit komt een markante landschapsboom van een streekeigen soort. De achtertuin wordt aan de achterzijde afgeschermd door een singel van inheems bosplantsoen. Deze groene wand vormt aan de noordzijde een geleiding voor het zicht vanaf de Schootsedijk richting het achterland. De bestaande watergang met knotwilgen blijft gehandhaafd en wordt versterkt met de aanplant van nieuwe knotwilgen. Hierdoor wordt de landschappelijke randbeplanting van de kavel versterkt. Ter plaatse van het huidige chalet wordt een nieuwe hoogstamfruitgaard aangeplant met streekeigen fruitsoorten. Deze gaard schermt de tuin af van Hofstad 2 en het nieuwe erf.

9

Figuur 10. Landschappelijke inpassing

10

HOOFDSTUK 4.1

4 Beleidskader

Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Conclusie Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing van het perceel en de sanering van het chalet bij aan een aantrekkelijke leefomgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen

11

of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van een nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking is niet relevant voor deze ontwikkeling.

4.2

Provinciaal beleid 4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten (PS) de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de

12

provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is

Gemengd landelijk gebied

Figuur 11. Uitsnede structurenkaart behorende bij de Structuurvisie 2010 (plangebied rood omkaderd).

13

onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 11). De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten.

Conclusie Het plangebied ligt binnen het ‘gemengd landelijk gebied’, waar de nadruk ligt op een menging van functies. Ontwikkelingen zoals in dit geval de realisatie van een woning passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. 4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019 en de laatste geconsolideerde versie op 01-10-2022. In deze verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving opgenomen en vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: • • • • •

Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.

14

Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er hoofdstructuren opgesteld: − − − −

Bestaand stedelijk gebied; Natuur Netwerk Brabant; Groenblauwe mantel; Gemengd landelijk gebied.

In dit geval ligt het plangebied binnen de hoofdstructuur ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 12). Naast de hoofdstructuren heeft de provincie nog enkele aanduidingen op de kaart weergegeven waarmee aanvullende regels gelden ter bescherming van waarden of ter uitvoering van bepaalde regelingen. Voor het plangebied (zie figuur 13) geldt de aanduiding ‘Stalderingsgebied’. De ontwikkeling betreft de sanering van een verouderd chalet en realisatie van een woning in het kader van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Er wordt ter plekke geen agrarisch bedrijf gesaneerd waardoor de aanduiding ‘stalderingsgebied’ niet van toepassing is. Naast de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ is het plangebied ook gelegen binnen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. Bij de ontwikkeling van de woning is het van belang om de cultuurhistorisch waardevolle elementen behorende bij dit landschap te blijven behouden en waar mogelijk te verbeteren. In hoofdstuk 5.4 wordt het aspect landschap en cultuurhistorie verder beschreven en in paragraaf 3.3 zal de landschappelijke inpassing verder worden uitgewerkt.

Figuur 12. Uitsnede ‘themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines’ (plangebied rood omkaderd).

Zoals hierboven te zien is in figuur 12, ligt het plangebied binnen de hoofdstructuur ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de

15

dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de landen tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, wonen, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Nieuwvestiging van woningen wordt onder bepaalde voorwaarden mogelijk gemaakt door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Middels de zogenaamde regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit kan een woonkavel tot ontwikkeling worden gebracht binnen het Landelijk gebied. In artikel 3.78 van de Interim omgevingsverordening zijn de voorwaarden voor deze regeling opgenomen. Onderstaand wordt getoetst of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Een van de voorwaarden is dat de ontwikkeling plaats vindt op een aanvaardbare locatie in het landelijk gebied.

Aangezien de woning wordt gerealiseerd binnen een bebouwingsconcentratie en uit hoofdstuk 5 blijkt dat de locatie ook planologisch aanvaardbaar is, kan worden gesteld dat de ontwikkeling plaatsvindt op een aanvaardbare locatie. De tweede voorwaarde waaraan moet worden voldaan betreft het leveren van een fysieke tegenprestatie. Aangezien deze ontwikkeling de realisatie van een woning betreft dient de fysieke tegenprestatie qua omvang gelijk te zijn aan de tegenprestatie van een ruimte-voor-ruimtekavel. In de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit 2023 Noord- Brabant is deze fysieke tegenprestatie nader uiteengezet. Voor een vrijstaande woning geldt een fysieke tegenprestatie van €125.000,-. Deze tegenprestatie kan worden geleverd door fysieke maatregelen (sloop of sanering van milieubelastende activiteiten). Als de tegenprestatie niet kan worden geleverd middels een fysieke activiteit kan conform de beleidsregel ook een ruimte-voor-ruimtetitel worden aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte. Aangezien er met onderhavig bestemmingsplan geen milieubelastende activiteiten worden gesaneerd dient een ruimte-voor-ruimtetitel te worden aangekocht. Aangezien op deze wijze een de fysieke tegenprestatie kan worden voldaan vindt er voldoende kwaliteitsverbetering plaats.

Tenslotte dient de ontwikkeling in overeenstemming te zijn met de beoogde ontwikkelrichting van het gebied. De bebouwingsconcentratie ‘Roest/ Jenneakkers/ Schootsedijk’ waarin het plangebied is gelegen kan het beste worden omschreven als een bebouwingscluster dat tegen de kern is gelegen. Dergelijke locaties zijn conform het gemeentelijk beleid geschikt voor (her)gebruiksmogelijkheden aangezien deze binnen de invloedsfeer van de kern liggen. Hierbij is het wel van belang dat de relatie met het achtergelegen open landschap veilig te stellen. Onderhavige ontwikkeling,

16

waarbij binnen de bebouwingsconcentratie een woning wordt gerealiseerd en waarbij in de landschappelijke inpassing rekening is gehouden met de openheid van het landschap, is derhalve passend in de ontwikkelrichting van het gebied. De ontwikkeling van de woning op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.78 van de Interim omgevingsverordening ruimte. De noodzakelijke bouwtitel is bijgevoegd in bijlage XI. 4.2.3 Kwaliteit van Brabant De kwaliteit van Brabant is een visie op de Brabantse leefomgeving van nu en van de toekomst. De naderende komst van de Omgevingswet gaat een grote invloed hebben op de omgevingsvisie van de Provincie Noord Brabant. De achterliggende doelen van de Omgevingswet staan centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Het uiteindelijke doel van deze visie is de kwaliteit van de leefomgeving van alle Brabanders te verbeteren. Om tot dit doel te komen is er een ambitie geformuleerd en zijn er programma’s opgesteld. Een van de speerpunten in de opgestelde ambitie is het creëren van meerwaarde en omgevingskwaliteit. De Provincie wil bijdragen aan het bieden van mogelijkheden zodat inwoners hun omgevingskwaliteit kunnen verbeteren. Duurzame initiatieven die meerwaarde creëren worden daarom toegejuicht.

De sanering van de illegale bebouwing en het herbestemmen naar een woonfunctie waarbij er rekening wordt gehouden met de omgevingskwaliteit en landschappelijke inpassing valt binnen de visie ‘Kwaliteit van Brabant’. In onderhavig plan is namelijk sprake van een duurzame ontwikkeling waar ter plaatse van de Hofstad 2a en de Schootsedijk ongenummerd een meerwaarde wordt gecreëerd. Conclusie Het plangebied is gelegen binnen het ‘gemengd landelijk gebied’ waar een mengeling van functies voorkomt en gestreefd wordt naar een gemengde plattelandseconomie. De functie wonen past binnen dit gemengde karakter. Nieuwvestiging van een woning is echter alleen mogelijk wanneer er wordt meegedaan aan de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit zoals opgenomen in artikel 3.78 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hier wordt de mogelijkheid geboden om een woning te realiseren op een planologisch aanvaardbare plek binnen een bebouwingsconcentratie, wanneer er sprake is van een fysieke tegenprestatie. De planlocatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, in het gemengd landelijk gebied. Uit onderzoeken blijkt dat het tevens een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woning zal uiteindelijk landschappelijk worden ingepast zoals beschreven in hoofdstuk 3.

Vanuit het provinciaal beleid is het realiseren van een woning in het kader van de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit op deze plek mogelijk en vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

17

4.3

Gemeentelijke beleid 4.3.1 Beleidsnota ‘Herziening bebouwingsconcentraties en VAB-beleid’ Vooruitlopend op het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ heeft de gemeente Sint-Oedenrode in november 2008 een gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties vastgesteld. Op 31 januari 2013 is deze gebiedsvisie herzien in de beleidsnota ‘Herziening bebouwingsconcentraties en VAB-beleid’. Deze gebiedsvisie vormt de gemeentelijke uitwerking van het provinciaal en landelijk beleid met betrekking tot de ontwikkeling van het buitengebied, onder meer de beleidsnota ‘Buitengebied in ontwikkeling’ van de provincie Noord-Brabant. Op basis van deze beleidsnota kunnen gemeenten bebouwingsconcentraties vaststellen, hetgeen is gebeurd in de gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties Sint-Oedenrode. De begrenzing van de verschillende bebouwingsconcentraties is in de beleidsnota herzien. Zoals te zien is op figuur 13 ligt het plangebied binnen de bebouwingsconcentratie ‘Roest/ Jenneakkers/ Schootsedijk’.

Plangebied

Figuur 13. Begrenzing bebouwingsconcentratie Roest/ Jenneakkers/ Schootsedijk.

Binnen bebouwingsconcentraties zijn op basis van het gemeentelijk beleid ruimere mogelijkheden tot de realisatie van nieuwe woningen in het kader van de Ruimte-voorRuimteregeling (tegenwoordig regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit). Dat geldt in het bijzonder voor bebouwingsconcentraties die nabij een dorpskern liggen, zoals hier het geval is. Deze bebouwingsconcentratie ligt in de nabijheid van, en sluit aan op de dorpskern van Olland. De realisatie van een woning is hier in beginsel mogelijk. De ontwikkeling past binnen het beleid voor bebouwingsconcentraties.

18

4.3.2 Woonvisie van Meierijstad Meijerstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Er wordt gestreefd naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Om dit te realiseren is de ‘Woonvisie van Meierijstad’ opgesteld waarin richting wordt gegeven wat er op het gebied van wonen in de toekomst gaat gebeuren waarbij er voldoende flexibiliteit wordt gehouden om in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. In de woonvisie zijn vier thema’s opgesteld: • • • •

De dynamiek van de woningmarkt Wonen, welzijn en zorg Duurzaamheid Leefbaarheid

Onderhavig plan valt binnen de opgestelde ‘Woonvisie van Meierijstad’. Met name binnen de thema’s dynamiek en leefbaarheid is het voorgenomen plan een ontwikkeling die bijdraagt aan de visie van de gemeente. De gemeente stelt in haar visie dat het belangrijk is dat er een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden. Een kleinschalige ontwikkeling als de realisatie van één woning sluit perfect aan op de vraag en behoeftes die de initiatiefnemer heeft. Deze ontwikkeling sluit dus aan op de passende afstemming op de woningbehoefte zoals is beoogd in de Woonvisie van de gemeente Meierijstad. Daarnaast wordt er in de visie gedoeld op een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De realisatie van een woning en de sanering van het chalet in het buitengebied draagt bij aan de leefbaarheid in het buitengebied. Enerzijds wordt de woonkwaliteit ter plekke van de Hofstad 2a en de Schootsedijk ongenummerd verbeterd en anderzijds zal er een diverser woningaanbod gecreëerd worden. Binnen Meierijstad geldt voor initiatieven met betrekking tot woningbouw dat er ter plaatse van de realisatie van het initiatief sprake moet zijn van: a.

ruimtelijke kwaliteitswinst (bijv. aanvullende sloop); b. milieuwinst (bijv. intrekken van milieurechten); c. aanvullende winst (bijv. versterking landschappelijke/cultuurhistorische/ecologische kwaliteit) d. oplossen van een ruimtelijk knelpunt (bijv. sanering van een risicobron/geurbelemmering). Zoals in paragraaf 3.3.2 is verwoord vindt er extra kwaliteitsverbetering plaats en versterking van het kleinschalig landschap. 4.3.3 Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn

19

dat omwonenden aan de Hofstad, Schootsedijk, Nieuwstraat en Jenneakkers. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage IV.

20

HOOFDSTUK 5.1

5 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. 5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r.. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Aangezien het planvoornemen de realisatie van één woning betreft wordt de ontwikkeling niet beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plicht waardoor een m.e.r.(beoordelings)-procedure niet noodzakelijk wordt geacht. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de voorgestane ontwikkeling langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming.

Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 1’ ligt er op een gedeelte van het plangebied, waar de woning gerealiseerd zal worden, de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Middels een verkennend bodemonderzoek is in beeld gebracht of de bodem verdacht of onverdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. Onderstaand is de conclusie van het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VIII. Conclusie Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn in de boven- en ondergrond geen (noemenswaardige) verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Deze lichte verhoging heeft een natuurlijke oorsprong. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden alsmede het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet

21

milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (het 3% criterium: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg). Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de kwaliteit van de lucht. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN).

In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2022 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 11,70 10,75 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 17.05 14.78 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 9,58 8,47 25

Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van één woning valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is.

22

5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.

Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de woning geurgevoelig is. Voor de nieuwe woning geldt dat niet alleen de afstand, maar ook de norm voor veehouderijen van belang kan zijn. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij (vleeskalveren) ligt op een afstand van circa 60 meter (Nieuwstraat 46). Daarnaast ligt er ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 120 meter een melkveehouderij (Schootsedijk 30). Naast de nieuwe woning en de veehouderij aan de Nieuwstraat 46 is de woning aan Hofstad 2 gelegen, waardoor de nieuwe woning niet voor een belemmering kan zorgen. In figuur 14 zijn de afstanden op een luchtfoto weergegeven.

[1]

Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010

23

Ca. 120 meter

Ca. 60 meter

Figuur 14. Afstand plangebied tot veehouderijen (plangebied rood omkaderd).

Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkkoeien, paarden en pelsdieren) gelden op grond van artikel 4, lid 1 en 2 van de Wgv en artikel 3.117, lid 1 van het Activiteitenbesluit minimaal aan te houden afstanden. Deze minimaal aan te houden afstanden zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Tabel 2: Overzicht minimaal aan te houden afstanden in het kader van de Wgv/activiteitenbesluit.

Buiten de bebouwde kom geldt dus een vaste minimale afstand tot melkveehouderijen van 50 meter. Zoals eerder weergegeven in figuur 15 bedraagt de afstand tot de dichtstbijzijnde melkveehouderij 130 meter. Dit levert dan ook geen beperkingen op voor de realisatie van de woning. Voorgrondbelasting De gemeente heeft het gebied dat aan de Schootsedijk ongenummerd te SintOedenrode ligt, niet aangewezen als gebied waarvoor een andere maximale waarde voor geurbelasting op geurgevoelige objecten van een veehouderij geldt, zijnde 14,0 ouE/m3. Om te bepalen wat de voorgrondbelasting op de hoekpunten van de beoogde bebouwing aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode is, is met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning vanuit het vergunde emissiepunt van de

24

veehouderij aan de Nieuwstraat 46 te Sint-Oedenrode berekend wat de voorgrondbelasting van het vergunde veebestand vanuit de veehouderij aan de Nieuwstraat 46 te Sint-Oedenrode is. Omdat er reeds een geurgevoelig object is gelegen naast de beoogde woning en de veehouderij is niet uitgegaan van de rand van het bouwvlak van de veehouderij aan de Nieuwstraat 46 omdat het reeds aanwezige geurgevoelig object eerder beperkend is voor de betreffende veehouderij. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage ll. Aangezien het plangebied ondertussen is gewijzigd is een memo bijgevoegd waarbij ook de nieuwe locatie van de woning wordt beschouwd met de meest recente gegevens uit de KRD Brabant. Voor deze memo wordt verwezen naar bijlage IX (ten opzichte van deze memo heeft wederom een wijziging van het plangebied plaatsgevonden. De woning is in noordoostelijke richting verplaatst en is verder van de veehouderij komen te liggen. Vanzelfsprekend vormt dit geen belemmering ten opzichte van de voorgrondbelasting). Onderstaand is de voorgrondbelasting weergegeven.

Figuur 15: Voorgrondbelasting

De beoogde bebouwing aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode voldoet, met een voorgrondbelasting die, op ten hoogste 11,9 ouE/m3 ligt, op alle toetspunten aan de gemeentelijke norm van 14,0 ouE/m3 . Achtergrondbelasting Naast de geurcontouren die de reikwijdte van de geurbelasting kunnen bepalen van één bedrijf is er ook een geurbelasting van alle bedrijven gezamenlijk, de zogenaamde achtergrondbelasting. Wanneer veel (intensieve) veebedrijven zich in de nabijheid van een projectlocatie bevinden kan de achtergrondbelasting zo hoog worden dat van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet meer gesproken kan worden. Met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied is berekend wat de huidige achtergrondbelasting op de hoekpunten van de beoogde bebouwing aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode is van het actuele vergunde veebestand van de gemeente Meierijstad op 12 juli 2019. Hiervoor zijn 36 veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de locatie Schootsedijk ongenummerd te SintOedenrode ingevoerd met de (default-) waarden afkomstig uit Web-BVB Noord-Brabant

25

(bijlage II). Ook met betrekking tot de achtergrondbelasting heeft een actualisatie plaatsgevonden. Voor deze actualisatie wordt verwezen naar bijlage IX. Onderstaand is de conclusie opgenomen.

Figuur 16: achtergrondwaarden geurbelasting

Op basis van de berekende achtergrondbelasting (maximaal 13,01 ouE/m3 ) op de hoekpunten van de beoogde bestemming aan de Schootsedijk ongenummerd te SintOedenrode kan, aangezien de geurbelasting ruimschoots onder de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 ligt, een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd. Conclusie Aan de hand van de berekende geurcontouren en geurbelasting op de beoogde bebouwing aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode zijn de volgende belangenafwegingen gemaakt: • Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Uit de beoordeling kunnen de volgende deelconclusies worden getrokken: 1. Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling aan de Schootsedijk ongenummerd te SintOedenrode voldoet de voorgrond geurbelasting die onder de 14,0 ouE/m3 ligt, aan de norm. De maatgevende veehouderij aan de Nieuwstraat 46 wordt door de beoogde ontwikkeling niet in zijn belangen geschaad. Tevens wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; 2. Het leefklimaat als gevolg van de achtergrondbelasting voldoet aan de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; 3.

Aan de vaste afstanden kan vanuit de beoogde ontwikkeling aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode tot aan de meest dichtbij gelegen veehouderij aan de gevel-gevel afstand worden voldaan.

26

Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de beoogde ontwikkeling aan de Schootsedijk ongenummerd te Sint-Oedenrode niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. 5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt er binnen de invloedssfeer van de wegen Hofstad, Schootsedijk, Jenakkers en Nieuwstraat een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd, namelijk een burgerwoning. Er is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage III. Conclusie Hofstad De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 38 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Schootsedijk De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 48 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Jenneakkers De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 33 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Nieuwstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 26 dB, incl.

aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde

27

ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d23f13ba-6f57-49ce-93b7-d7bf2224618e