Bijlage 1 BP bijlagen toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Landelijk gebied, herziening Vlagheide ong. Meierijstad
DATUM IMRO IDN
17-06-2024 NL.IMRO.1948.bgs000bp0042022P-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
Landelijk gebied, herziening Vlagheide ong. ing. D. van Roij
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Den Ouden Groep 44002786.20200563
AUTEUR STATUS
ing. H. Maas vastgesteld
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
7
Bijlage 2
Verkeerskundig onderzoek
51
Bijlage 3
Cultuurhistorisch onderzoek
61
Bijlage 4
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek
101
Bijlage 5
Watertoets
217
Bijlage 6
Quickscan ecologie
247
Bijlage 7
Aanvullend ecologisch onderzoek
283
Bijlage 8
Detectierapportage explosieven
305
Bijlage 9
Stikstofmemo
323
Bijlage 10
Stikstofberekening realisatiefase 2023
335
Bijlage 11
Stikstofberekening realisatiefase 2024
345
Bijlage 12
Stikstofberekening gebruiksfase
355
Bijlage 13
Verslag omgevingsdialoog 14 februari 2022
365
Bijlage 14
Verslag omgevingsdialoog 23 juni 2022
369
Bijlage 15
Akoestisch onderzoek industrielawaai
375
3/503
4/503
Bijlagen toelichting
5/503
6/503
Bijlage 1
7/503
Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
22 december 2022
22-12-2022 20200563 Landelijk gebied, herziening Vlagheide ong. mr. S.P.A. van Bogget M. den Ouden Holding BV
M. Tajqurishi
Rho adviseurs voor leefruimte
20200563
Inhoud
Rho adviseurs voor leefruimte
20200563
Rho adviseurs voor leefruimte
20200563
Rho adviseurs voor leefruimte
20200563
Den Ouden Groep is een internationaal en servicegericht familiebedrijf met circa 300 medewerkers, waarbij duurzaamheid, biobased economy en cradle to cradle hoog in het vaandel staan. Den Ouden Groep en de gemeente Meierijstad (voorheen gemeente Schijndel) zijn al enkele jaren in gesprek over de ontwikkelingsmogelijkheden van Den Ouden binnen de gemeente. Uit het verloop van de besprekingen tot dusverre blijkt dat het niet eenvoudig is om voor een bedrijf met de omvang van Den Ouden een geschikte locatie te vinden. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de grenzen voor de bedrijfsontwikkeling op de huidige locaties Hermalen 7 en Vlagheide 6c zijn bereikt. Den Ouden heeft veel tijd en energie gestoken in de uitwerking en verkenning van het draagvlak voor diverse voorstellen voor een doordachte en haalbare bedrijfsontwikkeling. Hierbij zijn diverse opties onderzocht, waaronder verbouw en uitbreiding aan de Hermalen dan wel gedeeltelijke of volledige bedrijfsverplaatsing. Recentelijk is een nieuw bestemmingsplan voor de locatie aan Hermalen 7 vastgesteld. Op dit perceel zullen de bedrijfsactiviteiten gestaakt worden en zal de bestaande hal volledig worden getransformeerd naar een kantoorfunctie.
Den Ouden wenst de bedrijfsactiviteiten die op de locatie aan Hermalen 7 zijn beëindigd, voort te zetten op de locatie aan de Vlagheide op het uitbreidingsgedeelte van het bedrijventerrein Duin-Vlagheide. Daarnaast wenst Den Ouden hier aanvullend een aantal activiteiten binnen de circulaire economie mogelijk te maken. Den Ouden heeft hiertoe direct naast de huidige bedrijfslocatie twee percelen aangekocht. De beoogde uitbreiding is in strijd met het geldend bestemmingsplan 'Landelijk gebied'. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, zal een planologische procedure voor herziening van het bestemmingsplan doorlopen moeten worden. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling heeft een oppervlakte van circa 36.345 m2. Hiermee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarde. Er kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project;
6/42
● ●
de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria).
Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in de bijlagen.
7/42
Het plangebied heeft een oppervlakte van 36.345 m2 en is gelegen aan de Vlagheide, ten zuidoosten van de kern Schijndel. Het plangebied vormt een uitbreidingsgedeelte van het bedrijventerrein Duin-Vlagheide, zoals opgenomen in de Structuurvisie Duin-Vlagheide. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen SDL00 - P - 67, een gedeelte van SDL00 - P - 68 en een gedeelte van SDL00 - P - 314. SDL00 - P - 314 betreft een kleinschalig weggetje haaks op de Vlagheide. Dit weggetje is momenteel nog in eigendom van de gemeente Meierijstad, maar wordt op termijn overgedragen. In figuur 2.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1 Ligging plangebied (bron: Buro Lubbers)
Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het plangebied kent in het bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied’ (vastgesteld op 27 juni 2013) de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’. Wanneer de bodemingrepen een oppervlakte omvatten groter dan 25.000 m2 en dieper reiken dan 40 cm onder maaiveld of 50 cm onder maaiveld bij agrarische bestemde gronden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
8/42
Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ bevindt zich op circa 12,3 kilometer van het plangebied (figuur 2.2). Het plangebied grenst aan Natuurnetwerk Brabant (figuur 2.3). Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied en valt buiten de stiltegebieden (figuur 2.4).
Figuur 2.2 Ligging plangebied (zwart omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)
Figuur 2.3 Ligging plangebied (zwart) t.o.v. Natuurnetwerk Brabant (bron: Natuur overzichtskaart Noord-Brabant)
9/42
Figuur 2.4 Ligging plangebied (zwart) t.o.v. grondwaterbeschermings- en stiltegebieden (bron: Provincie Noord-Brabant)
Met de Structuurvisie Bedrijventerreinen Schijndel (vastgesteld d.d. 10 november 2011) legt de gemeente de kaders vast voor het ruimtelijk beleid voor de bedrijven(terreinen) in Schijndel. Elk bedrijventerrein heeft een eigen vraag, aanbod en karakteristiek. De visies per bedrijventerrein zijn tot stand gekomen door de principes van de hoofdlijnen van beleid toe te passen op de problematiek van de individuele locaties. De beleidsuitgangspunten die voor individuele bedrijventerreinen gemaakt worden hangen met elkaar samen en hebben ook effect op elkaar. Voor de ontwikkeling van het gebied Duin-Vlagheide is in 2010 de Structuurvisie Duin-Vlagheide vastgesteld (figuur 2.5). Voor het noordelijk deel is eerder in 2000 een bestemmingsplan vastgesteld (bestemmingsplan Duin III deelplan Zuid), waarbij het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid mogelijk is gemaakt. Het noordoostelijk deel van dit gebied is inmiddels grotendeels uitgegeven. Het zuidwestelijk deel heeft de bestemming ‘toekomstige bedrijfsdoeleinden’ en dient nog nader te worden uitgewerkt.
De wens is om aansluitend aan deze locatie, waar nu voornamelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden Open landschap' conform het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' van toepassing is, ruimte te bieden aan een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein met een duurzaam en groen karakter waar bedrijven t/m milieucategorie 3.2 zich kunnen vestigen.
Figuur 2.5 Structuurvisie Duin-Vlagheide met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Meierijstad)
10/42
Initiatiefnemer Den Ouden Groep is nu voornemens om binnen de kaders van de Structuurvisie Duin-Vlagheide een concrete herontwikkeling van het terrein aan de Vlagheide mogelijk te maken. Recentelijk is een nieuw bestemmingsplan voor de bedrijfslocatie van Den Ouden Groep aan Hermalen 7 te Schijndel vastgesteld. Op dit perceel zullen de bedrijfsactiviteiten gestaakt worden en zal de bestaande hal volledig worden getransformeerd naar een kantoorfunctie. Den Ouden wenst de bedrijfsactiviteiten die op de locatie aan Hermalen 7 zijn beëindigd, voort te zetten op de locatie aan de Vlagheide op het uitbreidingsgedeelte in het zuiden van het bedrijventerrein Duin-Vlagheide. Daarnaast wenst Den Ouden hier aanvullend een aantal toekomstige activiteiten binnen de circulaire economie mogelijk te maken. De inrichtingstekening van de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 2.6.
Figuur 2.6 Inrichtingstekening toekomstige situatie (Bron: Buro Lubbers)
De bestaande bedrijfsgronden aan Vlagheide 6c en de weg Vlagheide blijven volledig intact en maken geen onderdeel uit van het plangebied. Op het uitbreidingsgedeelte aan de overzijde van de weg zullen de volgende activiteiten gerealiseerd worden: Een volledige werkplaats voor onderhoud en reparaties van voornamelijk werktuigen (eigen machines). Dit is inclusief slijpen en lassen van metalen, compressor voor perslucht, opladers voor accu's, proefdraaien van de machines (met afzuiging van de gassen), klein onderhoud van de motoren en bewegende machineonderdelen (opslag, gebruik van oliën en vetten), afvoeren van afgewerkte olie, poetsdoeken etc., magazijn met machineonderdelen en hulpmiddelen; Wasplaats voor het uitwendig reinigen van vrachtwagens; Stalling van vrachtwagens en werktuigen, zowel binnen als buiten; Bijbehorende kantoren en voorzieningen voor het personeel (maximaal 10 personen), zoals sanitaire voorzieningen, een kantine en parkeermogelijkheden; Daarnaast komt er in de nabije toekomst een houtverwerking in de loods. Het betreft een proces voor het verwerken (vezelen) van houtsnippers tot maximaal 10.000 ton per jaar waarbij het gaat om een volledig elektrisch aangedreven productielijn. In de loods dient tevens voldoende ruimte aanwezig te zijn voor de opslag van houtsnippers en geproduceerde producten (houtvezels).
11/42
Het doel van deze vezellijn is om uiteindelijk een biologische vezel te produceren die binnen de (biologische) kringlopen volledig herbruikbaar/recyclebaar is. De technieken voor het vervezelen van (vers) hout zijn nog volop in ontwikkeling en er is behoefte aan test- en pilotinstallaties om de techniek en producten te ontwikkelen en produceren. Op de nieuwe locatie kan een volledig inpandige vezellijn (inclusief opslag van grondstof en eindproduct) gerealiseerd worden voor het ontwikkelen/produceren van houtvezels. In de inpandige vezellijn zouden met nieuwe technieken en grondstoffen diverse houtvezels voor hoogwaardige toepassingen in de maakindustrie gemaakt kunnen worden. Het bestaand terrein aan Vlagheide 6c heeft op technisch, organisatorisch en functioneel vlak geen binding met het nieuwe gedeelte, schematisch weergegeven in tabel 1.1 en in navolgende tekst. Tabel 1.1 Activiteiten bestaand en nieuw terrein Aspect/installatie Vlagheide 6c bestaand Vlagheide ong.
nieuw Verwerking afvalstromen Werkplaats onderhoud materieel Technische binding Op- en overslag afvalstromen Stalling materieel en opslag goederen Organisatorische binding Den Ouden Groenrecycling BV Den Ouden Materieel BV Produceren van biobased Beheer en stalling van materieel Functionele binding producten uit groene reststromen Transport en dienstverlening Technisch De twee locaties zijn onafhankelijk van elkaar aangesloten op de nutsvoorzieningen zoals riool, gas, water en elektriciteit. De afvalstromen die vrijkomen op de locaties worden op de locaties zelf apart van elkaar opgeslagen. De aard van het vrijkomende afval is totaal verschillend. Bij de verwerking van groene reststromen komen metalen, puin en (landbouw)plastic vrij. Bij de werkplaats en stalling betreft het afgewerkte oliën en vetten, poetsdoeken, lege verfblikken en kitspuiten, enz. Voor beide locaties zijn twee afzonderlijke toegangswegen en poorten. Er is geen technische binding tussen beide locaties. Organisatorisch De verschillende werkmaatschappijen functioneren onafhankelijk van elkaar en dat wordt door de verplaatsing van de activiteiten van één van de werkmaatschappijen niet anders. De activiteiten op de bestaande locatie vallen onder de dagelijkse leiding (zeggenschap) van de Productiemanager ORGANIC van Den Ouden Groenrecycling BV.
De nieuwe activiteiten vallen onder de dagelijkse leiding van de Technisch Manager en de Operationeel Manager Logistiek van Den Ouden Materieel B.V. Alle werkmaatschappijen vallen onder Den Ouden Groep B.V. Door de splitsing van de zeggenschap en dagelijkse leiding over de verschillende managers is geen sprake van een organisatorische binding tussen beide werkmaatschappijen. Functioneel De activiteiten op de beide locaties zijn dermate verschillend dat geen uitwisseling van personeel, goederen, diensten of materieel mogelijk is. In de werkplaats op de nieuwe locatie vindt onderhoud plaats van al het materieel vanuit alle werkorganisaties van Den Ouden. Op de bestaande locatie aan de Vlagheide 6c worden biobased producten uit groene reststromen geproduceerd. De bestaande en nieuwe locatie kunnen volledig onafhankelijk van elkaar functioneren. Ook als een van de twee locaties buiten bedrijf gesteld zou worden blijft de andere locatie volledig operationeel. Tussen beide locaties bestaat geen functionele binding. Parkeren Met de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte op eigen terrein voorzien. Hiervoor is voldoende ruimte.
12/42
Ontsluiting autoverkeer De beoogde ontwikkeling wordt via de Vlagheide ontsloten naar het noorden en het zuiden. Naar het noorden wordt de ontwikkeling voornamelijk ontsloten via de route Vlagheide-Eerdsebaan en vanaf daar naar de A50 verder in noordelijke richting. Naar het zuiden wordt voornamelijk ontsloten via de route Vlagheide-Koeveringsedijk naar de A50 in de richting van Eindhoven. De Vlagheide heeft twee wegen die éénrichtingswegen zijn. De Vlagheide en de Koeveringsedijk hebben vooral een gebiedsontsluitende functie. In de bestaande situatie is een 60 km/uur regime. Openbaar vervoer Er lopen momenteel geen buslijnen door het plangebied. Wel liggen er twee bushaltes langs de N622 en N637. Op circa 1,7km afstand ligt een bushalte langs de Eerdseweg (N622). Hier halteert buslijn 306 tussen busstation Uden en 'SHertogenbosch Centraal Station. Op circa 2,2km afstand ligt een bushalte langs de Scheidingsweg. Hier halteert buslijn 154 tussen 'S-Hertogenbosch Centraal Station en Eindhoven Centraal Station en buslijn 156 tussen 'S-Hertogenbosch Centraal Station en Sint Oedenrode. Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen slechts ontstaan tijdens de aanlegfase.
Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn in de buurt van het plangebied een andere ontwikkeling gelegen, namelijk Hermalen 7. De ontwikkelingen samen vallen onder de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage, waardoor een m.e.r. procedure niet hoeft te worden doorlopen.
13/42
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit het bestemmingsplan dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Duin-Vlagheide wordt gebruik gemaakt van de kencijfers van CROW publicatie 381 voor type werkmilieu (tabel A8 en A9). Daarin zijn kencijfers gegeven voor de verkeersgeneratie per netto hectare bedrijventerrein. De beoogde functies en activiteiten sluiten daarbij het beste aan bij het type 'Gemengd terrein'. Deze categorie genereert in totaal 158 verkeersbewegingen per weekdagetmaal per netto hectare. Daarvan worden 128 verkeersbewegingen gegenereerd door personenauto's en het overige deel door vrachtverkeer. Volgens tabel A9 is het aandeel zwaar vrachtverkeer daarvan 59% en het aandeel middelzwaar vrachtverkeer 41%. In totaal gaat het om 25.166 m2 (2,52 ha) netto bedrijventerrein. Tabel 3.1. Verkeersgeneratie uitbreiding bedrijventerrein Duin-Vlagheide
Hiermee komt de totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling op 530 mvt/etmaal (gemiddelde werkdag). Verkeerstoedeling
Zoals bij het toetsingskader aangegeven is de bestaande verkeerskundige situatie als uitgangspunt genomen in de beoordeling. Figuur 4.1 geeft een verdeling van de verkeerstromen afkomstig van de planontwikkeling. Daarbij is aangenomen dat 80% van het verkeer via de Eerdsebaan rijdt en 20% via de Koeveringsedijk.
14/42
Figuur 4.1 Verkeerstoedeling plangebied Te zien is dat het verkeer dat via de Koeveringsedijk rijdt direct ten westen van het plangebied ter hoogte van het eerste kruispunt linksaf slaat (rode stippellijn) om vervolgens op de Koeveringsedijk uit te komen. Dit heeft te maken met het ingestelde éénrichtingsverkeer regime. Verkeer dat naar het plan gebied toe rijdt maakt in eerste instantie ook gebruik van de Koeveringsedijk, maar zal ter hoogte van het eerste kruispunt met de Vlagheide rechtdoor rijden om vervolgens ter hoogte van het tweede kruispunt met de Vlagheide rechtsaf te slaan. Ook dit komt door het éénrichtingsverkeer regime. Het verkeer dat via de Eerdsebaan rijdt, doet dat op zowel de heen als terugweg via dezelfde route. Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid
Gezien het feit dat de verkeersomvang niet wezenlijk wijzigt als gevolg van de ontwikkeling, kan worden gesteld dat de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het fietsverkeer na realisatie van de ontwikkeling voldoende is gewaarborgd. In de bestaande en toekomstige situatie zonder plan rijden er op de verschillende wegen tussen de 500 en 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersintensiteit zal in de toekomstige situatie conform de verkeerstoedeling (figuur 4.1) als gevolg van de planontwikkeling toenemen. Hieronder een overzicht van de verkeersintensiteiten op de verschillende wegvakken vóór en na planontwikkeling.
15/42
Tabel 4.4 Verkeersintensiteiten bestaande en toekomstige situatie Weg
Wegvak
Verkeersintensiteit in mvt/etmaal (werkdag)
Weg
Wegvak
Bestaand
2030 Toevoegin 2030 met zonder plan g plan plan
Vlagheide
Koeveringsedijk en Dakotaweg
500-1.000
500-1.000
53
max. 1.053
Vlagheide
Dakotaweg en Den Ouden
500-1.000
500-1.000
106
max. 1.106
Vlagheide
Den Ouden en Eerdsebaan
1.500-2.000 1.500-2.000 424
max. 2.424
Vlagheide
Dakotaweg en vuilnisbelt 500-1.000
500-1.000
53
max. 1.053
Vlagheide
Ten noorden vuilnisbelt 500-1.000
500-1.000
53
max. 1.053
Koeveringsedijk
Vlagheide en Veghelseweg
500-1.000
106
max. 1.106
500-1.000
Te zien is dat de intensiteit op alle wegvakken ruim onder de streefintensiteit van 6.000 mvt/etmaal zit in de toekomstige situatie na planontwikkeling. Aangenomen wordt dat de wegen en kruispunten deze toekomstige verkeersintensiteiten zonder knelpunten kunnen verwerken. Voor wat betreft de verkeersveiligheid geldt dat er wel een merkbare toename is, maar de verschillende verkeersdeelnemers (gemotoriseerd verkeer en fietsers) ondervinden hier geen hinder van laat staan dat de verkeersveiligheid voor hen in het geding is. De verkeersintensiteit ligt immers ruim onder de grenswaarde van 6.000 mvt/etmaal. En ook de inrichting van de weg is geen aanleiding om aan te nemen dat dit tot knelpunten leidt. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de omliggende wegen. Ook kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein om in de parkeerbehoefte van het plan te voorzien. Vanuit de omgevingsaspecten parkeren en verkeer worden geen negatieve effecten verwacht.
Wegverkeerslawaai In het plangebied worden met onderhavig planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. De Wet geluidhinder legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen. Industrielawaai
In het akoestisch onderzoek zijn de geluidniveaus door de beoogde inrichting aan de Vlagheide (ong.) in Schijndel ter plaatse van woningen in de omgeving berekend. Daarbij is voor de activiteiten op het terrein uitgegaan van de maximale mogelijkheden ten opzichte van bestaande woningen in de omgeving. In de praktijk zullen de activiteiten waarschijnlijk lager uitvallen.
16/42
Inpasbaarheid in de omgeving (toetsing Activiteitenbesluit) Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt aan de grenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit voldaan. De indirecte hinder is niet getoetst aan het Activiteitenbesluit. Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting inpasbaar is in de omgeving. Woon- en leefklimaat (toetsing RO) Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Ter plaatse van de woningen aan de Eerdsebaan 63 en Vlagheide 1a wordt in het kader van de indirecte hinder niet aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Ter plaatse van deze woningen wordt wel aan de grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. Maatregelen aan de bron- en in de overdracht zijn niet mogelijk of worden niet doelmatig worden geacht. Daarnaast is toegelicht dat een gevelwering tot 20 dB voldoende is om een aanvaardbaar binnen niveau te kunnen garanderen. De verwachting is dat deze gevelweringen bij de desbetreffende woningen (ruimschoots) aanwezig zijn in de huidige situatie.
Aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels wordt niet noodzakelijk geacht. Gesteld kan worden dat de beoogde inrichting niet zorgt voor onaanvaardbare hinder ter plaatse van woningen in de omgeving. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Vanuit het aspect railverkeerslawaai worden geen negatieve effecten verwacht. Vanuit het milieuaspect geluid worden geen negatieve effecten verwacht. Uitstralingseffect Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). De verkeersgeneratie van het voorgenomen plan bedraagt minder dan 40% van de totale verkeersintensiteit. Relevante negatieve uitstalingseffecten naar de omgeving zijn uitgesloten.
Bodem
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5725 en NEN 5740), een verkennend asbestonderzoek (conform NEN 5707) en een asfaltonderzoek (conform CROW 210) uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 4. Hierna volgt een beknopte samenvatting. Weiland (verkennend bodemonderzoek) Door de aangetoonde licht verhoogde gehaltes en licht tot sterk verhoogde concentraties in de grond en het grondwater van dient de opgestelde hypothese onverdachte locatie verworpen te worden. De sterke verhogingen in het grondwater worden waarschijnlijk veroorzaakt door verhoogde achtergrondconcentraties. Een aanvullend onderzoek met een aangepaste hypothese is niet doelmatig.
17/42
Berm (verkennend bodemonderzoek) Door de aangetoonde licht tot matig verhoogde gehaltes in de grond kan de opgestelde hypothese verdachte locatie, heterogeen verontreinigd, gehandhaafd blijven. Gezien de relatief lage gehalten bestaat geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Berm (verkennend asbestonderzoek) Ter plaatse van de berm is in de grond geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen en geen asbest in de fijne fractie gemeten. De opgestelde hypothese ‘Diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld” kan worden verworpen, de berm is onverdacht op de aanwezigheid van asbest. Weg (asfaltonderzoek) De hypothese dat de weg teerhoudend is blijkt terecht. De aanwezige fundering bestaat uit slakken en is daarom niet asbestverdacht. MOB-complex Uit het advies van de omgevingsdienst blijkt dat op het voormalige MOB-complex sprake kan zijn van mogelijke bodemverontreiniging die effect kan hebben op het plangebied. Uit de koopovereenkomst tussen defensie en de gemeente blijkt dat er geen sprake is van ernstige verontreiniging en dat nader onderzoek niet nodig is. Dit blijkt ook uit de bodemrapporten die van Defensie zijn ontvangen.
Op basis van de onderzoeken die zijn gebruikt voor de transactie tussen Defensie (DGW&T) en de gemeente, is er geen enkele aanleiding om te vermoeden dat er op de locatie van MC Eerde sprake is van een bodemverontreiniging. Dat is dan dus zeker ook niet het geval op het naastgelegen te ontwikkelen terrein van Den Ouden. Hiermee zijn de effecten op het plangebied uitgesloten. Water De plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Het bosgebied ten noorden van de planlocatie is een beschermd gebied Keur. Voor de beschermde gebieden die in de Keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid (Provinciaal Milieu- en Waterplan). Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Voor de ontwikkeling is een watertoets opgesteld, zie bijlage 4.
Op een afstand van circa 200 meter ten noorden van de planlocatie is een A-watergang SDL07 gelegen. Op een afstand van circa 200 meter ten zuiden ligt een A-watergang met afwijkende afvoercapaciteit (DO87-AA_HO1). Ten noordwesten ligt een B-watergang (OWL33415_HO1). In figuur 3.2 is een uitsnede van de kaart legger waterstaatswerken 2021 weergegeven.
18/42
Figuur 3.2 Uitsnede legger waterstaatwerken 2021 (Bron: Waterschap de Dommel)
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan. Voor de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak in eerste instantie uitgegaan van het worstcase scenario, waarbij zowel dak- als terreinoppervlakken volledig worden verhard. Hierbij is aangenomen dat het volledige bebouwingspercentage (50% van bestemmingsvlak minus de 3m strook) zal worden bebouwd. Het resterende deel van het plan met bestemming bedrijventerrein wordt ingericht als buitenterrein en zal zeer waarschijnlijk geheel verhard worden. In tabel 4.7 staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Tabel 4.7 Gegevens toekomstig verhard oppervlak Type verharding
Toekomstig oppervlak (m2)
Dakoppervlak
ca. 11.245
Terrein
ca. 13.921
Totaal
ca. 25.166
Uitgaande van een worstcase scenario bedraagt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie circa 25.166 m2. Initiatiefnemer is voornemens om (een deel van) het dakoppervlak in te richten als groen dak. Op basis van de ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels’ mogen groene daken worden beschouwd als onverhard. Door toepassing van een groen dak zal het toekomstig verhard oppervlak ten opzichte van het berekende verhard oppervlak in het worstcase scenario afnemen. Waterbergingsopgave
19/42
Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave uitgaan van een worstcase scenario in totaal circa 1.510 m3 (25.166 m2 x 0,06 m). Wanneer het dakoppervlak voor 100% zal worden aangelegd als groen dak, bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied nog circa 835 m3 (13.921 m2 x 0,06 m). Afhankelijk van het oppervlak van het dak dat zal worden ingericht als groen dak, zal de waterbergingsopgave voor de planlocatie variëren tussen ca. 835 m3 en ca. 1.510 m3. Uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). • De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. • Toekomstig verhard oppervlak: 1. Maximaal 25.166 m2. 2. Minimaal 13.921 m2. • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2. • Wateropgave: 1. Maximaal 1.675 m3. 2. Minimaal 575 m3. • De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur. • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. • GHG ingeschat op 9,1 m +NAP (0,8 -,1,0 m -mv).
• Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. • In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanuit het aspect water.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied bedraagt circa 12,3 kilometer. De wijzigingen in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de realisatie- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de realisatie- en gebruiksfases geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat ervoor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verreist.
20/42
Soortenbescherming Het plan zou kunnen samengaan met effecten op beschermde planten- en dieren. In dat kader is dit verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde flora en fauna. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 4.8. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.8 Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties van roofvogels en ransuil, en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter, bunzing, boommarter, hermelijn, wezel, levendbarende hagedis en hazelworm. Dit aanvullend onderzoek is reeds uitgevoerd en als bijlage 7 opgenomen bij voorliggend document.
21/42
Tijdens het aanvullend ecologisch onderzoek zijn geen beschermde functies binnen de invloedsfeer van de plannen aangetroffen ten aanzien van roofvogels, boom/steenmarter, levendbarende hagedis en hazelworm. Effecten op deze soorten kunnen worden uitgesloten. Wel is tijdens het nader onderzoek een wissel van de das aangetroffen op de noordoostzijde van de onderzoekslocatie, welke actief in gebruik is zoals het mestputje en camerabeelden aantonen. De das beweegt zich via de onderzoekslocatie tussen de twee natuurterreinen aan de noord- en noordoostzijde van het plangebied. Als gevolg van de plannen kan een essentiële looproute van de das verdwijnen. In het kader van deze resultaten dienen er maatregelen getroffen te worden om de huidige looproute te behouden en te versterken. Dit kan gerealiseerd worden door de aanleg van een groene inrichting tussen de bedrijvigheid en de looproute. Deze groene inrichting is opgenomen in het inrichtingsplan (bijlage 5). Om het leefgebied van de das verder te verbeteren, wordt in afstemming tussen gemeente en initiatiefnemer verharding op het voormalige MOB-complex verwijderd en vergroend. Ook wordt ter hoogte van het MOB-complex een kleiwindtunnel onder de Vlagheide (bij de Spitfireweg) gerealiseerd.
Daarnaast dient uitstraling van verlichting naar de dassenlooproute, het noordelijke natuurterrein en het noordoostelijke bosschage voorkomen te worden. De maatregelen, welke gedurende de aanlegfase en toekomstige situatie noodzakelijk zijn, zullen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is te vermijden als de bomenrijen rondom de onderzoekslocatie bij de herinrichting functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met verstorende verlichting tijdens de bouwfase en eindfase. Tevens dient er geen verlichtingstoename plaats te vinden richting de twee berkenbomen met holtes aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie welke mogelijk geschikt zijn als potentiële verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Ten aanzien van de bosuil kunnen overtredingen worden voorkomen door op voorhand twee vervangende nestkasten op te hangen om voldoende alternatieve nestlocaties te garanderen voor een mogelijk broedgeval van een bosuil in de nestkast. Op deze manier zijn er geen zwaarwegende ecologische belangen dat een nest van de bosuil in de nestkast jaarrond beschermd zou zijn. Er kan ook eerst een aanvullende inspectie worden uitgevoerd om te kijken of de nestkast in gebruik is door een bosuil.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren door een ter zake kundige. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval pas te verwijderen buiten het broedseizoen van broedvogels. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is te vermijden als de bomenrijen rondom de onderzoekslocatie bij de herinrichting functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met verstorende verlichting tijdens de bouwfase en eindfase. Tevens dient er geen verlichtingstoename plaats te vinden richting de twee berkenbomen met holtes aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie welke mogelijk geschikt zijn als potentiële verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten.
22/42
Conclusie Met in acht name van bovenstaande randvoorwaarden en aandachtspunten vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de nadere planuitwerking.
Het plan maakt de uitbreiding van het bedrijf Den Ouden mogelijk. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 445 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is een worst-case 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,74 µg/m³ en van fijnstof van 0,10 µg/m³ (tabel 4.6). De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Eerdsebaan, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 15,4 µg/m³ voor NO2, 16,3 µg/m³ voor PM10 en 9,3µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
23/42
Externe veiligheid
Figuur 3.3 Uitsnede openbare risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Risicokaart)
Overeenkomstig de openbare risicokaart (figuur 3.3) waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet in de PR-contouren of invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. Ten westen van het plangebied bevindt zich de A50 welke onderdeel uitmaakt van het Basisnet. De weg heeft een invloedsgebied van 335 meter als gevolg van het vervoer van, onder andere, stofcategorie GF3. Het plangebied bevindt zich op circa 2 kilometer van deze weg. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor deze weg. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een hogedrukaardgasleiding A-521 met een invloedsgebied van 430 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding bedraagt circa 580 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen risicovolle bron mogelijk gemaakt. Omdat het plangebied zich buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, vaarroutes, wegen, spoorwegen en buisleidingen bevindt worden er geen negatieve effecten verwacht vanuit het aspect externe veiligheid. Risico’s op rampen door klimaatverandering Met voorgenoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden doordat het verhard oppervlak verminderd en er meer groen wordt ingericht.
Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatadaptatie hiermee niet toe.
24/42
Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart (figuur 3.5) van de voormalige gemeente Schijndel heeft de gemeente Meierijstad aan de percelen de dubbelbestemmingen 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden' en 'Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen' toegekend. Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend als de werkzaamheden geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden. Uit het cultuurhistorisch onderzoek (bijlage 2) is naar voren gekomen dat er een nadere differentiatie kan worden aangebracht in de als 'hoog' gewaardeerde Vlagheide. Voor het plangebied geldt dat er sprake is van enige waardevolle onderdelen, maar vooral door de verstoorde context heeft het geheel niet meer dan een middenwaarde. Op basis van die conclusie zijn enkele adviezen geformuleerd ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van de nieuwe bedrijfslocatie. Daarbij is vooral gekeken naar de zichtbaarheid en uitstraling van de nieuwe bebouwing vanuit de nog landelijke, relatief wat waardevollere landschappen in westelijke richting. Hierna volgen de adviezen zoals deze zijn geformuleerd op basis van het uitgevoerde onderzoek. In de plannen komt het al naar voren, maar belangrijk om te benadrukken: de hoofdstructuur van het gebied wordt gevormd door een orthogonale hoofdwegenstructuur met laanbomen.
Deze structuur dient zoveel als mogelijk intact gehouden te worden, ook bij een eventuele opschaling van de vervoersbewegingen. Voor de beleefbaarheid is het belangrijk dat er in de hoofdwegenstructuur zo min mogelijk obstakels worden aangebracht ('doodlopende wegen') en/of openbare bypasses over percelen worden aangelegd die de wegenstructuur kan vertroebelen. Houd bij de invulling van de percelen binnen de hoofdwegenstructuur de huidige berm en liefst daarnaast nog een groene strook achter de berm intact, om daarmee de groenstructuur van de bermen voldoende massa te geven en daarmee de infrastructurele hoofdstructuur van het gebied te benadrukken. Om visuele redenen (openheid) vanuit de waardevolle delen van het cultuurlandschap is een aarden wal, zoals op het aangrenzende terrein, niet gewenst. Datzelfde geldt voor hekwerken rond de percelen, indien de mogelijkheden dat toelaten. Indien een hekwerk toch noodzakelijk zou zijn, dan heeft het de voorkeur om te kiezen voor een hekwerk in een terughoudende kleurstelling met zo 'iel' mogelijke materialen, zodat het zo min mogelijk opvalt. Eventueel kan ook gekozen worden voor begroeiing met bijvoorbeeld klimop, om het groene beeld te versterken. De ontwikkeling van de plannen vindt plaats in een verder vooral landelijke context.
Om de contrasten te beperken en de zichtbaarheid van de bebouwing te verminderen is het wenselijk om de gevels van de bebouwing in een terughoudende kleurstelling uit te voeren. Daarmee wordt de zichtbaarheid vanuit het nog waardevollere gebied in het westen op de gevel langs de Dakotaweg beperkt. Ter vergelijking: de lange witte wand van een bedrijfspand verder noordwestelijk aan de Dakotaweg is van (zeer) grote afstand beleefbaar. Behoud van de zijweg, die naar het voormalig MOB-complex leidt, is vanuit cultuurhistorische redenen niet noodzakelijk. Als deze echter in de plannen ingepast kan worden als ontsluiting voor de nieuwe bedrijfspanden, dan is behoud ook niet problematisch. Maat en schaal in verhouding tot de openbare weg zijn dan wel een aandachtspunt: de weg moet in beeld niet met de hoofdweg gaan concurreren. Zoals overigens al in het plan is opgenomen is een doorlopende laanboombeplanting langs de zijweg niet wenselijk; het is zelfs beter om de ruimte langs de zijweg tussen de rand van het MOB-complex en de Vlagheide onbeplant te laten.
25/42
Figuur 3.5 Cultuurhistorische waardenkaarten (bron: RAAP)
Geconcludeerd kan worden dat de laanbeplanting wordt behouden. Aan deze bomen en de berm wordt de bestemming ‘Groen’ toegekend. De overige adviezen worden ter harte genomen bij het opstellen van een ontwerp in de fase omgevingsvergunning. Het plan zal geen significant negatieve effecten hebben op de cultuurhistorie als er rekening wordt gehouden met de adviezen. Archeologie Om een goede bestemmingsregeling op te nemen dient bepaald te worden waar archeologische waarden in de bodem worden verwacht. Dit gebeurt op basis van een archeologische verwachtingswaardenkaart. De gemeente Schijndel heeft door de milieudienst van het SRE (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) in januari 2013 een archeologische verwachtingswaardenkaart (AWK) laten opstellen. Figuur 3.6 toont deze AWK opgenomen met daarbij de aanduiding van het onderzoeksgebied.
Figuur 3.6 Archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied (bron: SRE)
26/42
Conform de archeologische waardenkaart is aan het onderzoeksgebied voor het grootste gedeelte geen verwachtingszone van toepassing. Voor perceel SDL00-P-67 geldt voor het noordoostelijke deel een lage archeologische verwachting en is conform het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' van kracht. Voor deze zone geldt dat het hierbij gaat om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die rede is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m2 en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld of 0,5 meter onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Het deel waar de lage archeologische verwachtingswaarde en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' van kracht is, beslaat circa 6.000 m2. Vanwege deze omvang is archeologisch niet noodzakelijk. Vanuit het aspect archeologie worden geen negatieve effecten verwacht.
De handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit GGD wenselijk is. De stappen worden in deze paragraaf doorlopen om te kijken of er knelpunten zijn. • Endotoxine: Blootstelling aan endotoxine heeft een directe relatie met de in het VGO-onderzoek aangetoonde negatieve effecten op de luchtwegen en de verlaagde longfunctie rond veehouderijbedrijven. Hiervoor geldt een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij tot een milieugevoelige functie. Voor een varkenshouderij geldt een afstand van 200 meter tot een milieugevoelige functie. Op een afstand kleiner dan 500 meter van het plangebied bevinden zich geen pluimveehouderijen en op een afstand kleiner dan 200 meter bevinden zich geen varkenshouderijen. • Emissies: Er wordt een bedrijventerrein gerealiseerd. Bedrijven mogen volgens het Activiteitenbesluit niet te hoge emissies hebben. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. • Aanvaardbaar woon-/leefklimaat: De afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde intensieve veehouderij is circa 424 meter. Daarnaast wordt volgens de achtergrondbelasting geurkaart 2022 de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied als zeer goed (0-3 OU/m3 ) beoordeeld.
Er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Er wordt aan de geurnormen voldaan, zie ook paragraaf 4.14. • Er bevindt zich geen geitenhouderij op 2 kilometer afstand van het plangebied. • Binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied bevindt zich geen pluimveehouderij. De dichtstbijzijnde pluimveehouder is gelegen aan de Willibrordushoek 4A. De afstand is minimaal 2 kilometer. • Overige veehouderijen bevinden zich niet binnen een afstand van 424 meter. • Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. • Het plangebied ligt buiten de risicoafstanden die aangehouden moeten worden rondom intensieve veehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. Uit de geurkaart 2022 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) blijkt dat de achtergrondbelasting binnen het plangebied wordt gekwalificeerd als 'zeer goed'.
27/42
Figuur 4.8 Achtergrondbelasting plangebied (Bron: ODZOB) Naast de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) speelt ook de voorgrondebelasting een rol. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van díe veehouderij (de dominante veehouderij) die de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. De veehouderij die de voorgrondbelasting veroorzaakt, wordt ook meegenomen bij het berekenen van de achtergrondbelasting. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij gelden geurnomen voor binnen en buiten de bebouwde kom. Het plangebied is buiten de bebouwde kom gelegen. De dichtbijzijnde veehouderij gelegen aan de Koeveringsedijk 41 betreft echter een melkrundveehouderij. Voor deze categorie geldt geen geuremissie per dier maar geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Voor buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. De afstand van het plangebied tot deze veehouderij is circa 424 meter. Er wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij die dieren houdt met geuremissies bevindt zich aan de Damianenweg 14. Het betreft vleesvee op een afstand van ruim 1 kilometer.
Omdat het plangebied zich buiten de bebouwde kom bevindt, geldt er een norm van 14 OuE/m3. Wij beschikken niet over specifieke informatie over de voorgrondbelasting door de intensieve veehouderijen in de buurt van het plangebied. Op basis van de informatie over de achtergrondbelasting is het aannemelijk dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied niet hoger is dat 13 OuE/m3. Omdat deze waarde onder de norm ligt, kan vanuit worden gegaan dat de veehouderijen in de omgeving van het plangebied niet tot ruimtelijke beperkingen leiden. Op korte afstand zijn tevens momenteel al geurgevoelige objecten gelegen (aan de Damianenweg en De Rijt) waardoor deze maatgevend zijn voor de veehouderijen. Het aspect geur staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ter plaatse van het plangebied is een aanvaardbaar verblijfsklimaat.
28/42
Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
Voor dit plan zijn de volgende mitigerende maatregelen bekend: - Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren door een ter zake kundige. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval pas te verwijderen buiten het broedseizoen van broedvogels. - Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is te vermijden als de bomenrijen rondom de onderzoekslocatie bij de herinrichting functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met verstorende verlichting tijdens de bouwfase en eindfase. Tevens dient er geen verlichtingstoename plaats te vinden richting de twee berkenbomen met holtes aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie welke mogelijk geschikt zijn als potentiële verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. - Er is een zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonde zoogdieren en amfibieën. - Er wordt maximaal 25.166 m2 toegevoegd, er zal 835 tot 1.510 m3 waterberging gecompenseerd worden (afhankelijk van de invulling van het bouwplan). - Er dient rekening te worden gehouden met de uitgangspunten ten aanzien van het plan en hemelwater. - De adviezen van gemeente Meierijstad n.a.v.
cultuurhistorie (paragraaf 3.7) dienen opgevolgd te worden.
29/42
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij is het wel van belang dat de maatregelen worden getroffen zoals beschreven in paragraaf 3.11 van deze notitie. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
30/42
31/42
32/42
33/42
34/42
35/42
36/42
37/42
38/42
39/42
40/42
41/42
42/42
50/503
Bijlage 2
51/503
Verkeerskundig onderzoek
- NOTITIE Notitie
DATUM KENMERK VAN
8 juni 2023 20200563 ing. Job Punt
PROJECT OPDRACHTGEVER
Herstructurering Hermalen 7 en Vlagheide 6c Schijndel Gemeente Meijerijstad
VERKEERSKUNDIG ONDERZOEK ONTWIKKELING VLAGHEIDE 6C AANLEIDING
In het kader van de herstructurering van Hermalen 7 in Schijndel zal een deel van de activiteiten van Den Ouden verplaatst worden van de locatie Hermalen naar de locatie Vlagheide. Voor deze ontwikkeling aan de Vlagheide zal een bestemmingsplan worden opgesteld. In dat kader is verkeerskundig onderzoek uitgevoerd naar de verkeerskundige effecten van deze ontwikkeling. In voorliggende memo zijn deze effecten beschreven en indien sprake is van knelpunten zijn oplossingen voorgesteld.
BEOORDELINGSKADER
Bij de beoordeling van de verkeerskundige effecten is gekeken of de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling over de omliggende wegen kan worden afgewikkeld. Specifiek is gekeken naar de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. Onder verkeersafwikkeling wordt verstaan de mate waarin het verkeer zonder opstoppingen of vertraging over de omliggende wegen kan rijden na planontwikkkeling. Onder verkeersveiligheid wordt verstaan de mate waarin alle verkeersdeelnemers (in dit geval gemotoriseerd verkeer en fietsers) op een verkeersveilige manier zich over de wegen rondom het plangebied kunnen bewegen na planontwikkeling. Daarbij zal gekeken worden of de situatie voldoet aan de richtlijnen van Duurzaam Veilig. In de beoordeling van de verkeerskundige effecten is de bestaande situatie op de omliggende wegen als uitgangspunt genomen. Er zijn echter ook ideeën voor het nemen van enkele verkeerskundige maatregelen. Of deze maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd is op dit moment nog onduidelijk, daarom worden deze maatregelen niet betrokken in de feitelijke beoordeling. Wel zal een kleine doorkijk worden gegeven naar de verkeerskundige effecten wanneer deze matregelen wel zouden worden doorgevoerd.
BESTAANDE SITUATIE
In de omgeving van het plangebied liggen een aantal wegen die een relatie hebben met het plangebied en straks ook gebruikt zullen worden voor de ontsluiting van het verkeer. Hierna volgt een nadere beschrijving van de wegkenmerken van deze wegen.
Figuur 1 Wegenstructuur bestaande situatie
Hieronder een overzicht van de wegkenmerken van deze wegen Weg
Wegvak
Categorie Maximum Rijbaanbreedte 2Fietsvoorzieningen Voorrang snelheid richting
Vlagheide
Koeveringsedijk en Dakotaweg
ETW 1
60 km/u
4,20m
Nee
Geen
Gelijkwaardig
Vlagheide
Dakotaweg Den Ouden
en ETW
60 km/u
5,60m
Ja
Geen
Gelijkwaardig
Vlagheide
Den Ouden en ETW Eerdsebaan
60 km/u
5,60m
Ja
Geen
Gelijkwaardig
Vlagheide
Dakotaweg vuilnisbelt
en ETW
60 km/u
5,20m
Nee
Geen
Gelijkwaardig
Vlagheide
Ten noorden ETW vuilnisbeld
60 km/u
5,30m
Ja
Geen
Gelijkwaardig
Koeveringsedijk Vlagheide en ETW Veghelseweg
60 km/u
5,30m
Ja
geen
Gelijkwaardig
Tabel 1 Wegkenmerken
1 ETW = erftoegangsweg
2/8
In de Duurzame Mobiliteitsvisie van de gemeente Meijerijstad is aangegeven dat erftoegangswegen buiten de bebouwde kom, waar bovengenoemde wegen toe behoren, een streefintensiteit hebben van maximaal 6.000 mvt/etmaal. Fietsroutes De wegen in het gebied worden weinig gebruikt door fietsers. Wel maakt de Koeveringsedijk onderdeel uit van het secundaire fietsnetwerk van de gemeente. Hier wordt mogelijk iets meer gefietst dan op de andere wegen rondom het plangebied. Verkeersintensiteiten bestaande situatie
Voor de beoordeling van de verkeerskundige aspecten is het van belang te weten hoeveel verkeer er op dit moment en in de toekomst over de omliggende wegen rijdt. Om hier een beeld van te krijgen is gebruik gemaakt van een verkeerstelling uit 2018 op de Vlagheide ter hoogte van de Dakotaweg. Er zijn toen 413 mvt/etmaal 2 gemeten op een gemiddelde werkdag. Aangezien er sindsdien geen ontwikkelingen in de (directe) omgeving hebben plaatsgevonden die invloed zouden kunnen hebben op de verkeersintensiteiten, is aangenomen dat de telling uit 2018 nog steeds een representatief beeld geeft voor de bestaande situatie. Van de andere wegen uit de tabel 1 zijn geen telgegevens beschikbaar. Wegen als de Koeveringseweg en het gedeelte van de Vlagheide tussen Den Ouden en de Eerdsebaan hebben een lichte verzamelfunctie waardoor op deze wegvakken de intensiteit ten opzichte van de intensiteit ter hoogte van het telpunt wat hoger zal liggen. Vanuit een worst-case gedacht kan aangenomen worden dat de intensiteit op alle wegen ligt tussen de 500 en 1.000 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Specifiek voor het wegvak Vlagheide tussen Den Ouden en de Eerdsebaan geldt dat houthandel Van Swaay hierop ontsluit. Aangenomen wordt dat bovenop de 500 tot 1.000 mvt/etmaal hier nog eens extra 1.000 mvt/etmaal bij komen.
Verkeersintensiteiten toekomstige situatie
Omdat in de bestaande situatie de verkeersintensiteit van 500 tot 1.000 mvt/etmaal al als worst-case kan worden bestempeld, en er verder weinig andere ontwikkelingen in gebied zullen plaatsvinden kan aangenomen worden dat de verkeersintensiviteit in de toekomstige situatie (2030) gelijk is aan die van de bestaande situatie, en daarmee eveneens 500 tot 1.000 mvt/etmaal bedraagt.
BEOOGDE ONTWIKKELING
Omdat de contouren van het bedrijventerrein met deze ontwikkeling worden verlegd en het bestaande bedrijf van Den Ouden binnen deze contouren komt te liggen, zal de bestaande bedrijvigheid aan de Vlagheide 6c in deze effectenbeoordeling worden betrokken. Verder is er een ontwikkeling van twee percelen op het bedrijventerrein Duin – Vlagheide, direct ten noordwesten van de locatie Vlagheide 6c, voorzien.
2 Mvt/etmaal = motorvoertuigen per etmaal
3/8
Figuur 2 Ontwikkeling Vlagheide 6c en Duin-Vlagheide (Bron: Gemeente Meierijstad)
Bestaande bedrijvigheid Vlagheide 6c Het bestaande bedrijf op Vlagheide 6c betreft een groencompostering. Uitbreiding bedrijventerrein Duin-Vlagheide Verder zullen op de percelen ten noorden van de locatie Vlagheide 6c een aantal functies afkomstig van de locatie Hermalen worden verplaatst. Het gaat om de volgende functies: -
4/8
Werkplaats (inclusief opslag oliën, vetten, enz.); Wasplaats; Stalling materieel; Op- en overslag materialen; Voorzieningen voor personeel: o Kantoor; o Sanitaire voorzieningen; o Kantine; o Parkeren.
Daarnaast wordt op de locatie Duin-Vlagheide de mogelijkheid tot het realiseren van een inpandige verwerkingslocatie voor biobased-producten ingevuld. Het is nog niet duidelijk hoe de verschillende technieken zich gaan ontwikkelen, maar gedacht kan worden aan: Opwerken van houtsnippers tot vezel(producten); Opwerken van (natuur)gras tot vulmateriaal/vezels;
VERKEERSGENERATIE
Bestaande bedrijvigheid Vlagheide 6c Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het bestaande bedrijf is gebruik gemaakt van informatie over het aantal verkeersbewegingen afkomstig uit het akoestisch onderzoek behorende bij de vergunningaanvraag uit 2004. Aangezien uit deze gegevens geen verdere verdeling in middelzwaar en zwaar vrachtverkeer is te herleiden is, op basis van CROW 381 aangesloten op de verdeling van ‘distributieterrein’ (26% middelzwaar en 74% zwaar vrachtverkeer). Dit type komt het best overeen met de bedrijvigheid die op Vlagheide 6c plaatsvindt. Voor het bepalen van de werkdagintensiteit is een omrekenfactor van 1,33 3 gebruikt. Voertuigtype