CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Bestemmingsplan Toelichting

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ongenr. Sint-Oedenrode16.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

12 oktober 2021) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Gevolg wordt gegeven aan het advies. De toplaag rondom de bebouwing zal worden gesaneerd tot een meter uit de muur. Na sanering is de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt voor wonen met tuin.

4.2 Water 4.2.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.2.2 4.2.2.1

Beleid Waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘Waardevol Water’

Het Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ is actueel vanaf 1 januari 2016. In dit Waterbeheerplan van Waterschap De Dommel is aangegeven wat de doelen van het waterschap zijn voor de periode 2016 2021 en hoe het waterschap dit wil gaan bereiken. Het waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016 – 2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: 1. De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. 2. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. 3. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. 4.

Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen beiden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn. Het Ontwerp Waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft thans ter inzage gelegen. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: - van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; - van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied; - van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 4.2.2.2

Keur Waterschap De Dommel 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd gebied of attentiegebied.

4.2.2.3

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² - 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zal het oppervlak aan verharding niet toenemen. Voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Een gedeelte van de bebouwing wordt gesloopt. De oppervlakte verharding zal afnemen. 4.2.2.4

vGRP+ 2017-2022

De gemeente Meierijstad heeft op 21 september 2017 het verbreed gemeentelijk rioleringsplan, het vGRP+ 2017-2022 vastgesteld. In het plan is de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water.  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater.  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie.  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor.  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt.  De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

In het vGRP+ is opgenomen dat er bij een toename van het afstromend verhard oppervlak met een omvang van 0 tot 10.000 m² sprake dient te zijn van een berging van 60 mm waarbij de voorkeursvolgorde infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering is. Indien een retentieopgave binnen een gebied van toepassing is wordt met de ontwikkelde partij(en) bekeken of er kansen zijn om gelijktijdig de waterkwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te verhogen, bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding, etc. Het uitgangspunt is dat de retentievoorziening binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Daar waar mogelijk wordt beoogd om retentievoorzieningen te combineren.

4.2.3

Waterparagraaf

De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit zandgronden en is voedselarm en vochtig tot droog. Het plangebied ligt op circa 14,5 meter boven NAP. De oppervlakte verharding zal als gevolg van de beoogde herontwikkeling afnemen. Een compensatie voor waterberging wordt dan ook niet vereist.

4.2.3.1

Huishoudelijk afvalwater in nieuwe situatie

Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de beoogde woning zal worden geloosd in het bestaande rioolstelsel ter plaatse. De nieuwe woning zal worden voorzien van een eigen aansluiting op dit stelsel. Hemelwater wordt hierop niet geloosd.

4.2.3.2

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

4.3 Cultuurhistorie 4.3.1

Inleiding

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een aanvraag aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt.

4.3.2

Erfgoedvisie gemeente Meierijstad 2020-2030

De gemeente Meierijstad heeft op 27 januari 2021 de Erfgoedvisie ‘Verbindend erfgoed’ vastgesteld. De gemeente Meierijstad is rijk aan cultureel erfgoed. Er is breed maatschappelijk draagvlak in Meierijstad om met dit erfgoed zorgvuldig om te gaan. Het erfgoed van Meierijstad vormt de basis van

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

de identiteit van Meierijstad. Het doel is dit erfgoed in goede staat door te geven aan volgende generaties door de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen. De Erfgoedvisie bestaat uit een visie een uitvoeringsprogramma. De visie en bijbehorende ambities zijn vertaald naar de volgende zes thematische beleidsspeerpunten:  De basis op orde brengen en houden.  Ontwikkelen: erfgoed en ruimte.  Toegankelijk en beleefbaar maken van erfgoed.  Inspiratie en richting bieden aan maatschappelijke opgaven.  Kennisontwikkeling en kennisoverdracht.  Samenwerken: erfgoed verankeren in de samenleving.

4.3.3

Cultuurhistorische waarden in omgeving

De provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart geeft informatie over de belangrijke cultuurhistorische objecten en structuren binnen de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is gelegen binnen de regio Meierij. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Belangrijke strategieën binnen de regio zijn het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio, de cultuurhistorische waarden van de Meierij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten en het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief. In de regio Meierij liggen verschillende cultuurhistorische landschappen, waaronder het ‘Groene Woud’, waarbinnen het plangebied is gelegen. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap.

Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Het behoud van de kleinschalige karakteristieken is een belangrijke strategie binnen het Groene Woud. Het plangebied is tevens gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak ‘Vresselsbos’. Het Vresselsbos is een naaldbos uit het begin van de twintigste eeuw met enkele vennen en aangrenzende heiderestanten. Het bos ligt direct aan de oostelijke zijde van het beekdal van de Dommel op de voormalige Vresselsche Heide. De heide is ontgonnen en bebost in de periode 1920-1940, ter fixatie van de zandverstuivingen. Het productiebos is door een rastervormige structuur van zandwegen in vierkante of rechthoekige bospercelen verdeeld. In de vennen Hazenputten en Oude Putten, die vroeger geheel dichtgegroeid waren, is kleinschalig turf gestoken. De voormalige heidevelden hebben een markante overgang naar het beekdal van de Dommel. De relatie tussen de voormalige heidevelden en de beemden in het Dommeldal is waardevol. De vennen Hazenputten en Oude

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Putten, de rasterstructuur van de zandwegen, de heiderestanten en het (micro)reliëf zijn belangrijke waarden en kenmerken van dit cultuurhistorisch vlak. Het plangebied is tevens gelegen binnen het archeologisch landschap ‘Dommeldal Nuenen-Gestel’. Dit landschap omvat het rivierdal van de Dommel tussen Sint-Michielsgestel en Nuenen, almede de hierin uitwaterende beken de Groote Beek bij Son, de Grote Waterloop bij Liempde en de Kleine Aa/Smalwater onder Boxtel. Langs beide zijden van de rivier- en beekdalen, op de overgang naar het hoger gelegen dekzandlandschap, ligt een aaneenschakeling van oude bouwland-complexen. Deze zijn ook tot landschap 22 gerekend, evenals de met oude bouwlanden bedekte dekzandrug tussen Best en Nijnsel en een vergelijkbare rug ten noorden van Sint-Oedenrode. Het plangebied is tevens gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak ‘Dommeldal bij Breugel’. Het Dommeldal tussen Sint-Oedenrode en Breugel is een karakteristiek beekdallandschap met graslanden, broekbosjes, afgesneden meanders en mooie overgangen naar de oude akkercomplexen op de hogere gronden langs het dal. Zowel de Vresselseweg als de Oude Vresselseweg betreffen een Lijn van redelijk hoge waarde.

4.3.4

Waarden binnen plangebied

Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschapselementen. De beoogde herontwikkeling heeft dan ook geen sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of groenelementen tot gevolg. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

4.4 Archeologie 4.4.1

Erfgoedwet

Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden.

4.4.2

Gemeentelijke archeologiebeleid

De voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft met de Notitie archeologiebeleid gemeente SintOedenrode d.d. november 2011, geactualiseerd archeologiebeleid en een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart vastgesteld. De gemeente heeft deze verwachtingen tevens geïmplementeerd in het vigerende bestemmingsplan. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart waarop het plangebied is aangeduid met een zwarte cirkel.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Figuur 21: Ligging plangebied op archeologische verwachtingenkaart

Aan de locatie Vresselseweg 79 is categorie 6 toegekend: Middelhoge verwachting. Ter plaatse geldt een ondergrens voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen over een oppervlakte van 500 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld. Ter plaatse worden geen bodemingrepen voorzien, anders dan sloop van een gedeelte van de stal. Ter plaatse is de bodem reeds geroerd. Ter plaatse wordt geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Niettemin wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ behouden, waarmee ook in de toekomst eventuele waarden gewaarborgd blijven. Aan de locatie Oude Vresselseweg ong. is categorie 7 toegekend: Lage verwachting. In het vigerende bestemmingsplan is hier dan ook geen dubbelbestemming toegekend. Geen archeologisch onderzoek wordt vereist voor bodemingrepen.

4.5 Natuur en ecologie 4.5.1

Inleiding

Bij ruimtelijke ingrepen zoals nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.5.2 4.5.2.1

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen:  bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;  gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;  landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;  ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;  alle Natura 2000-gebieden. Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, op een afstand van circa 17 kilometer ten westen van het plangebied. Aan de overzijde van de Oude Vresselseweg is het bos aangewezen als NNB. Navolgende figuur betreft een uitsnede van het natuurbeheerplan, waarop het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

Figuur 22: Ligging natuurgebieden ten opzichte van het plangebied

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie herbestemd naar wonen. De vergunning voor het houden van dieren wordt ingetrokken en het agrarisch bouwvlak komt te vervallen. De beoogde herontwikkeling zal geen negatief effect hebben op het NNB.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.5.2.2

Stikstof

Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling worden berekend. Door de Rijksoverheid is de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ opgesteld. Uit deze handreiking blijkt samengevat dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een voormalige agrarische bedrijfsbestemming herbestemd naar reguliere woonbestemming en tevens een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd. De vigerende vergunning wordt ingetrokken. De beoogde herontwikkeling vindt plaats op ruim 17 kilometer van voor stikstof gevoelige richtlijngebieden. Hiermee kan uitgesloten worden dat de ontwikkeling een effect heeft op stikstof van meer dan 0,00 mol/hectare/per jaar. Een AERIUS-berekening wordt niet noodzakelijk geacht.

4.5.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw plan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een gedeelte van de oude stal gesloopt. In (oudere) stallen kunnen vleermuizen voorkomen. Alle soorten vleermuizen zijn zwaar beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, achter betimmering, daklijsten of onder dakpannen. Door de optredende tocht en het ontbreken van spouwmuren en dakbeschotten, betreft de bebouwing binnen het plangebied geen aantrekkelijke omgeving voor vleermuizen. Navolgend is een tweetal foto’s weergegeven van de bebouwing aan de binnenzijde.

Figuur 23: Binnenzijde bestaande bebouwing

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Als gevolg van de sloop gaat geen verblijfplaats voor vleermuizen verloren. Met de beoogde herontwikkeling worden nieuwe landschapselementen aangeplant, wat enkel ten goede komt van de flora- en fauna in de omgeving en binnen het plangebied. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woning aan Oude Vresselseweg ong. is door M-tech een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “De locatie is thans bebouwd en was in gebruik als veehouderij. Deze activiteiten zijn inmiddels gestaakt. Op de locatie zal de bestaande bedrijfswoning worden omgezet naar reguliere burgerwoning. Daarbij wordt aan de achterzijde van het perceel, georiënteerd aan de Oude Vresselseweg een ruimte voor ruimte woning gerealiseerd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de bestaande stal. De projectlocatie ligt in buitenstedelijk gebied binnen de geluidzones van de Oude Vresselseweg, Vresselseweg en de Planetenlaan.

De hoogst berekende geluidbelastingen (Lden) vanwege de Oude Vresselseweg is 47 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt voor de betreffende wegen gerespecteerd. Het aanvragen van hogere grenswaarden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, is derhalve niet nodig. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen dient het binnenniveau maximaal 33 dB te bedragen vanwege wegverkeer. De minimaal vereiste gevelgeluidwering van 20 dB volgens het Bouwbesluit 2012 biedt daarmee voldoende geluidwering. De Gecumuleerde geluidbelasting blijft eveneens onder de 53 dB (20 + 33 dB). Nader onderzoek is derhalve niet nodig.” Het uitgevoerde onderzoek (M-tech Nederland BV, rapportnummer Oud.StO.21.AO BO-01, d.d. 13 september 2021) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.7 Geurhinder 4.7.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: - Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); - Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd.

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie.

4.7.2

Artikel 3 Wet geurhinder en veehouderij

Binnen het plangebied is thans sprake van een voormalige agrarische bedrijfswoning, welke zal worden omgezet naar reguliere burgerwoning. Op deze woning is artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Dit artikel luidt: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.” Daarnaast is in artikel tweede lid Wet geurhinder en veehouderij opgenomen dat een vaste afstand van 50 meter tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. Dit geldt dan ook voor de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning aan de Oude Vresselseweg.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.7.3

Gemeentelijk beleidskader

De Wet geurhinder en veehouderij biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen door het vaststellen een gemeentelijke verordening. De gemeente heeft het ontwerp van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad vastgesteld. Dit plan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving voor de gemeente Meierijstad. In de (overgangs) Verordening fysieke leefomgeving zijn alle regels uit de huidige verordeningen van de gemeente Meierijstad gebundeld. De normen voor geur zijn er ook in opgenomen. In afwijking van artikel 3, eerste lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 7.3 eerste lid van deze verordening: I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII.

Landelijk gebied, hoofdfunctie natuur 8 ouE/m³. Landelijk gebied, agrarisch 12 ouE/m³. Landelijk gebied, verweving van functies 8 ouE/m³. Centrumdorps gebied 2 ouE/m³. Centrumstedelijk gebied 2 ouE/m³. Verstedelijkt (woon)gebied 2 ouE/m³. Lichte bedrijvigheid 8 ouE/m³. Zware bedrijvigheid 12 ouE/m³.

Het plangebied is gelegen binnen het ‘Landelijk gebied, verweving van functies’. Ter plaatse geldt een geurnorm van 8 ouE/m³ bij vergunningverlening bij veehouderijbedrijven.

4.7.4

Veehouderijen in de omgeving

In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijen gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van deze veehouderijbedrijven weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel. Ter plaatse is reeds nog een veehouderij inzichtelijk.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Zwijnsbergen 4

Zwijnsbergen 3

Vresselseweg 77a

Vresselseweg 54a

Figuur 24: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 25: Vergunde dieraantallen Vresselseweg 54a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 26: Vergunde dieraantallen Vresselseweg 77a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Sanering van de intensieve veehouderij aan Vresselseweg 77a is in gang gezet. Deze veehouderij wordt dan ook vooruitlopend op de definitieve intrekking van de vergunning in onderhavige ontwikkeling buiten beschouwing gelaten.

Figuur 27: Vergunde dieraantallen Zwijnsbergen 3 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 28: Vergunde dieraantallen Zwijnsbergen 4 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

4.7.5

Vaste afstand

Ten aanzien van zowel de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning als de Ruimte voor Ruimte woning dient een vaste afstand te worden aangehouden van ten minste 50 meter tot een veehouderij. De stoppende veehouderij aan Vresselseweg 77a buiten beschouwing gelaten, is de meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij gelegen op een afstand van ruim 200 meter en vormt daarmee voor de beoogde twee woonbestemmingen geen belemmering.

4.7.6 4.7.6.1

Woon- en leefklimaat Inleiding

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

4.7.6.2

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. Gezien de geuremissie afkomstig van de omliggende veehouderijen, kan worden gesteld dat

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

de veehouderij aan Zwijnsbergen 4 de dominante veehouderij betreft. Navolgend is de voorgrondbelasting berekend vanuit de veehouderij aan Zwijnsbergen 4. De XY-coördinaten van de geurgevoelige objecten betreffen hierbij de uiterste hoekpunten van de woonbestemmingen van het plangebied. Het XY-coördinaat van de veehouderij betreft hierbij de meest dicht bij het plangebied gelegen hoekpunt van het bouwvlak. Daarmee is de worst-case-scenario berekend.

Tabel 1: Voorgrondbelasting op plangebied, afkomstig van Zwijnsbergen 4

De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij aan Zwijnsbergen 4 op het plangebied is verwaarloosbaar. 4.7.6.3

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied zijn alle veehouderijen binnen de gemeenten Meierijstad en Son en Breugel ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoer 12 oktober 2021). Vooruitlopend op de definitieve intrekking van de vergunningen aan zowel Vresselseweg 77a als 79 zijn deze emissies op 0 gezet. Navolgend zijn de invoergegevens en is de uitkomst van de achtergrondbelasting weergegeven. Berekende ruwheid: 0,41 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 162 852 m Rasterpunt linksonder y: 391 801 m Gebied lengte (x): 2000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 2000 m , Aantal gridpunten: 50

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 163658 392878 2,61 1002 163582 392801 2,27 1003 163677 392856 2,54 1004 163597 392784 2,20 Tabel 2: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied

De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt maximaal 2,61 oue/m³. Op grond van de achtergrondbelasting is ter plaatse van de locatie Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.7.6.4

Conclusie woon- en leefklimaat

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

4.7.7

Belangen veehouderijen

Als gevolg van deze ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De bescherming van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning Vresselseweg 79 wijzigt als gevolg van deze herbestemming niet. Omliggende veehouderijen worden dan ook als gevolg hiervan niet verder belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. De tweede woning binnen het huidige agrarische bouwvlak geniet eveneens de zelfde bescherming als de bestaande woning. Daarbij is in de directe omgeving reeds sprake van reguliere burgerwoningen, waardoor omliggende veehouderijen dan ook als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet verder worden belemmerd dan in de huidige situatie.

4.8 Gezondheid 4.8.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Met de rekentool uitgebracht door de Omgevingsdienst is een berekening gemaakt van de aan te houden vaste afstand vanuit de omliggende veehouderijbedrijven ten opzichte van het plangebied: - Vanuit de veehouderij Vresselseweg 54a is sprake van een fijnstofemissie van 3 kg/jr. Deze fijnstofemissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar; - Vanuit de veehouderij Zwijnsbergen 3 is sprake van een fijnstofemissie van 16 kg/jr. Deze fijnstofemissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar; - Vanuit de veehouderij Zwijnsbergen 4 is sprake van een fijnstofemissie van 10 kg/jr. Deze fijnstofemissie is in het kader van endotoxine verwaarloosbaar; Het aspect endotoxinen is voor onderhavige ontwikkeling geen bezwaar.

4.8.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen een straal van 2 kilometer vanuit het plangebied zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

4.8.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gronden gelegen waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.9.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het plangebied kan op grond van de beschrijving uit de VNG-brochure worden aangemerkt als gelegen binnen een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.9.2

Bedrijven in de omgeving van het plangebied

De agrarische bedrijven in de omgeving zijn reeds nader toegelicht in paragraaf 4.7 van deze toelichting. In de omgeving is tevens een aantal niet-agrarische bedrijven gevestigd. Deze worden navolgend nader toegelicht.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Vresselseweg 58 Aan Vresselseweg 58 is een taxibedrijf gevestigd. Het taxibedrijf valt binnen de milieucategorie 2, waarvoor in een gemengd gebied een afstand aangehouden dient te worden van ten minste 10 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van circa 50 meter tot het plangebied wordt aan deze afstand ruim voldaan. Dit bedrijf vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde herontwikkeling. Vresselseweg 62 Vresselseweg 62 kent een bedrijfsbestemming ten behoeve van statische opslag. Statische opslag valt binnen de milieucategorie 1, waarvoor in een gemengd gebied geen vaste afstand aangehouden behoeft te worden tot een gevoelig object. Dit bedrijf vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde herontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

4.10.2 Regeling Niet in betekenende mate In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. De beoogde ontwikkeling ziet op de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfsbestemming naar woonbestemming, met tevens de toevoeging van een Ruimte voor Ruimte woning. Het plan valt onder het criterium NIBM.

4.10.3 Blootstelling aan verontreiniging Andersom dient ook te worden gekeken naar het woon- en leefklimaat en daarmee de blootstelling aan verontreiniging. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof en stikstof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuren geven een overzicht van de luchtkwaliteit ter plaatse.

Figuur 29: Fijnstof 2019 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)

Figuur 30: Fijnstof 2019 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

Figuur 31: Stikstofoxide 2019 (NO2) (bron: Atlas leefomgeving)

Ter plaatse van het plangebied Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan ter plaatse van het plangebied in het kader van luchtkwaliteit sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

4.11.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.

4.11.3 Vervoer gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt één op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status.

Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.

4.11.4 Beoordeling van het plangebied Er vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In de risicoatlas van Noord-Brabant zijn transportleidingen voor gevaarlijke stoffen en risicobronnen opgenomen. De rijksweg A50 waarover wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt bevindt zich op circa 2.400 meter ten westen van het plangebied. Bij dergelijke afstanden kan worden gesteld dat beïnvloeding niet zal plaatsvinden. Het plangebied is niet gelegen binnen zonering van een waterweg waarover gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd. Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied tot een spoorlijn. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen buisleidingen gelegen. De meest dichtbij gelegen buisleiding is gelegen op een afstand van bijna 1 kilometer ten noorden van het plangebied. Het plangebied is buiten aan te houden risicocontouren gelegen. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Dit aspect is niet van toepassing.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.12 Mer-beoordeling 4.12.1 Inleiding De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets of een activiteit zodanige gevolgen voor het milieu heeft dat de procedure van een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een lijst van mogelijke ontwikkelingen (kolom 1) opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, indien er wordt voldaan aan de voorwaarden (drempelwaarden) zoals opgenomen in kolom 2 van onderdeel D. Wanneer een ontwikkeling uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. wordt beoogd, maar de activiteit niet aan de in kolom 2 opgenomen voorwaarden voldoet, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.12.2 Toets aan drempelwaarden De beoogde herontwikkeling komt niet voor op de C-lijst. De beoogde activiteit is wel aan te merken als activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r.. Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. Een m.e.r.beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

4.12.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Omdat de activiteit is aan te merken als activiteit D 11.2 maar omdat de activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In hoofdstuk 3 en 4 van deze toelichting zijn alle ruimtelijk en milieukundig relevante aspecten aan bod gekomen, waaruit kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen aanzienlijke milieugevolgen heeft op de omgeving of andersom de omgeving op het plangebied. Hoofdstuk 3 en 4 vormen in dit geval de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Geconcludeerd kan worden dat geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

5. UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor herontwikkeling van het plangebied sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Hiermee is kostenverhaal zeker gesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ontwikkeling is door de initiatiefnemer toegelicht aan de omgeving. Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van publicatie van het bestemmingsplan kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Vresselseweg 79 en Oude Vresselseweg ong. Sint-Oedenrode’ - Toelichting

6. PROCEDURE 6.1 Wettelijk vooroverleg Volgens artikel 3.1.1 Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling daarover overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen, en diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel zijn in het kader van deze procedure betrokken in het vooroverleg.

6.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 december 2022 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen voor de zienswijzentermijn. Gedurende deze termijn kon eenieder een zienswijze indienen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Hiervan is door één partij gebruik gemaakt. Voor de inhoud en beantwoording van de ingediende zienswijze wordt verwezen naar de notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=16a65f01-c5b9-4e82-9da4-d4a435258bd7