CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Oudestraat, Morgenstraat en Antoniusstraat te Keldonk

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'herziening Keldonk, Oudestraat 6, Morgenstraat 29, Antoniusstraat 21'33.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

28

4.1.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.

4.2

Geluid

4.2.1

Toetsingskader

Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: •

de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;

•

de aanleg van een nieuwe weg;

•

de reconstructie van een bestaande weg.

Geluidzones spelen een rol bij het bepalen van welke wegen moeten worden betrokken bij het vaststellen van de geluidbelasting op de beoogde bebouwing. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid (artikel 74 Wgh). In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt in beginsel buiten beschouwing worden gelaten, tenzij het meenemen van deze wegen noodzakelijk wordt geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tabel 2: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

5 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In artikel 76 van de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden (artikel 82 lid 1 Wgh). Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld (artikel 83 Wgh). De hoogst toelaatbare geluidbelasting per situatie is weergegeven in onderstaande tabel.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

29

Tabel 3: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffingswaarde

Artikel

Stedelijk gebied •

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied •

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

•

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

•

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2

Onderzoek

Woningen Bij de ontwikkeling van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming, zoals wonen, binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Omdat het plan niet gelegen is binnen de geluidszone van een zoneplichtige weg, is een akoestisch onderzoek niet verplicht. In het kader van goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege het wegverkeerslawaai voor de Morgenstraat 29 en de Antoniusstraat 21 te Keldonk. Oudestraat 6: De beoogde ontwikkeling ter plaatse van Oudestraat 6 betreft geen nieuwbouw, maar de transformatie van het bestaande bedrijfspand naar wonen. Het pand staat redelijk ver van de weg af, veel verder van de weg af dan omliggende woningen. De Oudestraat betreft een rustige weg met enkel bestemmingsverkeer voor deze straat. Het aantal verkeersbewegingen is derhalve zeer laag. De bestrating betreft asfalt. Hiermee is met zekerheid te stellen dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21: Het bouwplan ligt in de bebouwde kom van Keldonk in een 30 km/h zone. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen eisen gesteld aan de optredende gevelbelasting. In het kader van het Bouwbesluit 2012 worden met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten geen eisen gesteld.

De vereiste geluidwering is gelijk aan de minimumeis van 20 dB. In het kader van een goede ruimtelijke afweging is door De Roever een onderzoek uitgevoerd naar de optredende gevelbelasting. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. Wanneer wordt gekeken naar het woon- en leefklimaat, blijkt uit het onderzoek dat ter plaatse van de zuidgevel van de te realiseren woningen aan de Morgenstraat de geluidbelasting ten hoogste 58 dB bedraagt, volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 58 – 33 = 25 dB. Ter plaatse van de voorgevel is het nodig zodanige voorzieningen te treffen dat de geluidwering ten minste 25 dB bedraagt. Verder worden de nieuwe woningen iets verder van de Morgenstraat af gesitueerd dan de huidige woning aan de Morgenstraat 29. Dit betreft dus een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De Antoniusstraat is het verlengde van de Morgenstraat en het aantal verkeersbewegingen zal daarom vergelijkbaar zijn met het uitgevoerde onderzoek voor Antoniusstraat 21a. De afstand van de nieuwe bebouwing ter plaatse van de Morgenstraat 29 tot de weg is vergelijkbaar met de afstand tot de weg bij Antoniusstraat 21a. Bij Antoniusstraat 21a bestaat een gedeelte van de bestrating uit asfalt en een gedeelte van de

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

30

bestrating bestaat uit een elementenverharding (klinkers in keperverband). Ter plaatse van de Morgenstraat 29 bestaat de bestrating enkel uit asfalt. De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 58 dB ter plaatse van de zuidgevel op van de te realiseren (bedrijfs)woning aan de Antoniusstraat. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt ten hoogste 58 – 33 = 25 dB. Op basis van het akoestisch onderzoek kan worden gesteld dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. De milieukwaliteit wordt bij de gebouwen geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gebouwen wordt als ‘acceptabel’ aangemerkt. Ter borging van een goed woon- en leefklimaat is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij aanvraag omgevingsvergunning aangetoond dient te worden dat voldoende gevelwering (isolatie) gerealiseerd wordt om tot een aanvaardbaar binnenniveau (33dB) te komen. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

•

Het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

•

Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: •

Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

•

Het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m³).

4.3.2

Onderzoek

NIBM Gelet op de anticumulatiebepaling uit artikel 5 van het Besluit NIBM dient voor het project als geheel te worden bekeken in hoeverre sprake is van (niet) in betekenende mate bijdragen aan luchtvervuiling. In onderhavig geval bestaat het project uit twee verschillende typen functies, namelijk woningen en een bedrijfspand. Aangezien niet op voorhand kan worden gesteld dat sprake is van niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) aan luchtvervuiling, dient middels een berekening met de NIBM-tool in beeld te worden gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn. De resultaten die volgen uit deze berekening zijn als volgt:

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

31

Tabel 4: NIBM-tool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

102

Aandeel vrachtverkeer

4,0%

NO2 in μg/m

3

0,08

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat geen sprake is van in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die konden tot voorkort worden bepaald aan de hand van de NSL-monitoringstool. Vanaf 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) echter het te gebruiken instrument voor de monitoring van luchtkwaliteit2. Voor vier van de meest nabijgelegen toetspunten is bekeken wat de achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 zijn en wat het aantal PM10-overschrijdingsdagen is. In onderstaande figuur is aangegeven waar betreffende toetspunten zijn gesitueerd. Tabel 5: Achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5

Coördinaten toetspunten X: 168915.78 Y: 399939.85 X: 168491.14 Y: 399867.29 X: 168984 Y: 399934.6 X: 168517.9 Y: 399904.91 Norm

NO2 μg/m³

PM10 μg/m³

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m³

11,5881

14,0884

6

7,6269

12,326

14,1235

6

7,6401

11,5555

14,0865

6

7,6263

12,3302

14,1304

6

7,6422

40

40

35

25

Bovenstaande rekenpunten bevinden zich in de omgeving van het plangebied. Op onderstaande kaart zijn de locaties van de coördinaten toetspunten te zien.

2

https://www.cimlk.nl/kaart

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

32

Figuur 12: Coördinaten toetspunten (bron: CIMLK kaart)

Gelet op de uitkomsten uit de NIBM-tool is het geheel onwaarschijnlijk dat de verkeersgeneratie die samenhangt met de functies binnen het plangebied leidt tot een overschrijding van de gestelde grenswaarden. 4.3.3

Conclusie

Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Toetsingskader

Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiege-

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

33

bieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2

Onderzoek

Effecten plangebied op omgeving Onderhavig plan betreft het mogelijk maken van 4 woningen, de ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand inclusief showroom en magazijn alsmede een nieuwe bedrijfswoning ter plaatse van Antoniusstraat 21. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Het te ontwikkelen bedrijf valt onder milieucategorie 2. Indien milieuhinder optreedt zal dit, gelet op de aard van het bedrijf, enkel zijn in de vorm van geluid. Het geldt voor bedrijven van milieucategorie in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Kragten een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidbelasting vanwege de beoogde bedrijfsontwikkeling op het perceel en het beantwoorden van de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. De rekenresultaten tonen aan dat voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus wordt voldaan aan de streefwaarden uit stap 2 van VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, uitgaande van de omgevingstypering ‘gemengd gebied’.

De geluideisen uit het Activiteitenbesluit worden eveneens gerespecteerd. Het maximaal geluidniveau voldoet aan de geluidnormering uit het Activiteitenbesluit. Getoetst aan de VNGpublicatie blijkt dat in de dagperiode niet aan de streefwaarden wordt voldaan (avond- en nachtperiode wel). De overschrijding in de dagperiode is toe te schrijven aan laden en lossen en aanverwante activiteiten die in de praktijk echter niet tot hinder leiden. Daarbij zal, uitgaande van een gevelgeluidwering van minimaal 20 dB, het binnenniveau ten hoogste 55 dB(A) bedragen, waarmee wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidnormen voor binnenniveaus. Het aspect verkeersaantrekkende werking vormt geen belemmering voor planwijziging. Geconcludeerd wordt dat, wat de geluidimmissie vanwege de loods (showroom) en magazijn van Bouwe vloer en raamdecor betreft, ter plaatse van de omliggende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten aanzien van het akoestisch onderzoek industrielawaai wordt opgemerkt dat in het akoestisch model geen middelzware en zware vrachtverkeersbewegingen zijn meegenomen gedurende de nachtperiode (23.00 uur – 7.00 uur), om zo een overschrijding van de geluidsnormering voor het maximale geluidsniveau uit het Activiteitenbesluit gedurende de nachtperiode te voorkomen.

Om juridisch-planologisch te borgen dat er gedurende de nachtperiode geen bestel- of vrachtwagens aan- en afrijden op en van het terrein is in de planregels van onderhavig bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Onder voorwaar-

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

34

den kan hiervan worden afgeweken. Hierbij dienen dan maatregelen te worden getroffen en in stand te worden gehouden ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat en er dient te worden voldaan aan de maximale geluidsbelastingen als opgenomen in de handreiking ‘Handreiking Bedrijven en milieuzonering’. Effecten omgeving op plangebied In de omgeving van de locaties Oudestraat 6 en Morgenstraat 29 liggen een aantal milieubelastende bestemmingen die in meer of mindere mate milieubelastend zijn. Hierbij gaat het om de volgende functies, de vermelde afstand is hemelsbreeds van de locatie aan de Oudestraat en Morgenstraat: •

Timmerbedrijf op 65 meter, milieucategorie 3.2 (Oudestraat 5A);

•

Veehouderij op 90 meter, milieucategorie 3.2 (Oudestraat 5);

•

Melkveehouderij op 180 meter, milieucategorie 3.2 (Oudestraat 3);

•

Cafetaria op 180 meter, (horeca)milieucategorie 2 (Morgenstraat 51-53);

•

Paardenhouderij op 400 meter, milieucategorie 3.1 (Morgenstraat 7).

Ook in de omgeving van de Antoniusstraat 21 zijn enkele milieubelastende bestemming die in meer of mindere mate milieubelastend zijn gelegen. Dit betreffen de volgende functies: •

Basisschool op 45 meter, milieucategorie 2 (Antoniusstraat 10);

•

Buurt- en/of clubhuis (sport en ontmoetingscentrum) op 105 meter, milieucategorie 2 (Kampweg 2);

•

Kerk op 180 meter, milieucategorie 2 (Morgenstraat 55);

•

Transportbedrijf Beks (goederenwegvervoerbedrijf) op circa 35 meter, milieucategorie 3.1, planologisch bestemd als ‘Bedrijf’, met milieucategorie 1 of 2 (Antoniusstraat 17A) 3.

Voor het gebruik van de richtafstanden van de VNG-publicatie dient er te worden uitgegaan van een ‘gemengd gebied’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden aan per milieucategorie. Tabel 6: Richtafstanden milieucategorieën

Enkele omliggende functies in het plangebied betreffen een bedrijf met milieucategorie 3.1 of 3.2. Voor deze bedrijven dient in een gemengd gebied te worden uitgegaan van een richtafstand van 30 en 50 meter. Alle betreffende functies omliggend het plangebied met milieucategorie 3.1 of 3.2 bevinden zich op een afstand van meer dan 30 meter. Ook het transportbedrijf Antoniusstraat 17A bevindt zich op voldoende afstand ten opzichte van de bedrijfswoning aan de Antoniusstraat 21. Echter, planologisch gezien is op de locatie van het transportbedrijf een bedrijf in enkel categorie 1 of 2 toegestaan. Aan de richtafstanden behorend bij een dergelijk bedrijf wordt wel voldaan. Daarbij is een groot gedeelte van het bedrijf inmiddels herbestemd naar

3

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

35

Wonen (Bestemmingsplan ‘Antoniusstraat 15, Keldonk’, vastgesteld op 29 september 2022). Er resten anno 2024 slechts twee kleine loodsen met omliggend achterterrein/erf, waarop redelijkerwijs het transportbedrijf niet meer volledig kan plaatsvinden. Om die reden kan worden aangenomen dat de aanwezigheid van de omliggende milieubelastende functies niet voor onaanvaardbare milieueffecten op de binnen het plangebied te realiseren woningen leidt. Voor het aspect geur wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 4.4.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot bedrijven en milieuzonering.

4.5

Geur agrarisch

4.5.1

Toetsingskader

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond: •

Er is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten.

•

Veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen geschaad.

Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Meierijstad heeft echter geen eigen geurverordening. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv. 4.5.2

Onderzoek

Onderzocht is of er sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de te ontwikkelen functies. Dit wordt gedaan door het raadplegen van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit deze kaart volgt dat er ter plaatse van het plangebied geen negatieve hinder ervaren wordt door omliggende (intensieve) veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op 140 meter afstand van het plangebied waar de woningen beoogd zijn. Op basis van de gegevens uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’, is er te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving als ‘goed’ beoordeeld is. Hierdoor is er geen sprake van te verwachten geurhinder. Op de onderstaande kaart, is het plangebied waar de woningen beoogd zijn, voorzien van een zwarte stip.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

36

Figuur 13: Kaart Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB)

In aanvulling op het voorgaande dient te worden aangetoond dat veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In onderhavig geval worden de veehouderijen in de omgeving van het plangebied niet onevenredig in hun belangen geschaad, omdat tussen deze veehouderijen en het plangebied al andere geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Deze reeds aanwezige geurgevoelige objecten zijn daarom in dit geval maatgevend. 4.5.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.

4.6

Kabels en leidingen

4.6.1

Onderzoek

Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Uit deze kaart volgt dat ter plaatse van het besluitgebied geen planologisch gezien relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Op een afstand van circa 4,3 kilometer van de plangebieden gelegen bevindt zich de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn. Gelet op de ruime afstand tussen deze hoogspanningslijn en de plangebieden zorgt de aanwezigheid van de betreffende hoogspanningslijn geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. In de omgeving van het plangebied liggen verder geen planologisch relevante kabels en leidingen. 4.6.2

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

37

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: •

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

•

transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

•

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2

Onderzoek

Een woning is een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het nieuw te ontwikkelen bedrijf met showroom is in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een beperkt kwetsbaar object. Hierdoor is het van noodzaak om te achterhalen in hoeverre er sprake is van externe veiligheidsrisico’s. De locaties van de risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn achterhaald door middel van de kaarten met betrekking tot de externe veiligheid die zijn opgenomen in de ‘Atlas Leefomgeving’. De kaart met betrekking tot de externe veiligheid wordt hieronder weergegeven.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

38

Figuur 14: Kaart externe veiligheid, de blauwe stippen zijn de projectlocaties (bron: atlasleefomgeving.nl)

Ten noordwesten van het plangebied, op een afstand van circa 1400 meter, bevinden zich twee aardgasleidingen. Dit betreft een ‘Aardgasleiding NEN 3650-leiding’, deze aardgasleidingen hebben een maximaal invloedsgebied van 580 meter. Hierdoor kunnen deze aardgasleidingen buiten beschouwing worden gelaten. Het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van betreffende transportleidingen is hiermee ook niet aan de orde. Op circa 5 kilometer afstand van de planlocaties, bevindt zich de Rijksweg A50 (wegvak B132: A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van de categorieën: LF1, LF2, LT2 en GF3. Hiervoor is een maximaal invloedsgebied van toepassing van 730 meter. Aangezien het plangebied op circa 5 kilometer afstand van deze weg gelegen is, is de afstand dusdanig groot dan er

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

39

ten aanzien hiervan geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te volgen. Verder ligt op circa 500 meter afstand van de planlocaties de Bosscheweg (N279) (NCB laan/Rijksweg (Veghel) - N272 / N279 (Beek en Donk/ Boerdonk). Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3. Hiervoor is een maximaal invloedsgebied van 880 meter van toepassing. Echter, tussen de planlocaties en de N279 liggen diverse maatgevende gevoelige functies, zoals woonbestemmingen. Tevens volgt hieronder een verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein.

De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.

Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: •

goed te alarmeren is;

•

goed te schuilen is;

•

goed te ontvluchten is.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

40

Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.

4.7.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.8

Ecologie

4.8.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

41

habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Wanneer deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

•

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

•

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

42

4.8.2

Onderzoek

Wettelijke gebiedsbescherming De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn de ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ op circa 18,6 km afstand, de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ op circa 19,4 km afstand, de ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ op circa 19,8 km afstand en ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ op circa 20,6 km. De effecten die eventueel in Natura 2000-gebieden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gezien de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en de projectlocatie in Keldonk kunnen externe effecten worden uitgesloten. Er is door BRO een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase van de ontwikkeling, voor dit volledige rapport wordt er verwezen naar de bijlagen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstof-depositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, wijzen de gedeputeerde staten van de provincie in hun provincie gebieden aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten va de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNB-gebieden niet alleen in acht genomen moeten worden bij ontwikkelingen in NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kernmerken van NNB-gebied. In de onderstaande figuur is de ligging van het plangebied te zien uit de kaart ‘Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’.

Figuur 15: Omliggende Natuurnetwerken (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Uit de bovenstaande kaart volgt dat de plangebieden niet gelegen zijn binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De afstand tot de dichtstbijzijnde locatie van het NNB tot de locatie Antoniusstraat bedraagt circa 65 meter. De huidige bedrijfsloods is het dichtst bij het natuurgebied gelegen. Echter zullen, gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen, aan de Antoniusstraat de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven,

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

43

waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De locatie Oudestraat/Morgenstraat is circa 280 meter gelegen van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant. Tussen het NNB-gebied en de locatie Oudestraat/Morgenstraat zijn een aantal woningen gelegen. Tevens wordt er op de locatie Oudestraat 6 geen nieuwe bebouwing gebouwd, het betreft enkel de transformatie van het bestaande pand. Op basis van de afstand en omliggende omgeving kan worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een verslechtering van omgevingscondities. Soortenbescherming In het kader van de bestemmingsplanwijziging ten behoeve van (bouw)werkzaamheden aan de Oudestraat/Morgenstraat en Antoniusstraat 21 te Keldonk, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen, de belangrijkste conclusies zijn hieronder omschreven. Op basis van de quickscan kan het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels aan de Oudestraat en Antoniusstraat worden uitgesloten. Dit betreft vaste rustplaatsen en verblijfsplaatsen. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt ook uitgesloten.

Met betrekking tot de sloop van Morgenstraat 29 zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet op voorhand uit te sluiten. Daarom wordt op dit moment verkend op welke wijze een vervolgtraject ten aanzien van soortgericht ecologisch onderzoek kan worden vormgegeven. Het moment van sloop en de staat van het pand op dat moment zijn hierbij bepalend. Aangezien het de bedoeling is het pand Morgenstraat 29 pas in een later stadium (2 tot 5 jaar) te slopen, is het uitvoeren van nader onderzoek op dit moment niet doelmatig. 4.8.3

Conclusie

Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect ecologie.

4.9

Bodem

4.9.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2

Onderzoek

Bij planologische functiewijzigingen dient te worden onderzocht of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Oudestraat/Morgenstraat Door de initiatiefnemer is een historische toets voor de locaties Oudestraat/Morgenstraat opgesteld. Er zijn in 2008 en 2012 bodemonderzoeken uitgevoerd op deze locatie. Voor de voorgenomen herontwikkeling van de

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

44

locatie is een actualiserend vooronderzoek uitgevoerd. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het actualiserend vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Gebaseerd op de verzamelde gegevens dient de onderzoekslocatie als heterogeen verdacht beschouwd te worden op het voorkomen van bodemverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet uitgesloten worden (verdacht). Op de locaties Oudestraat 6 en Morgenstraat 29 dient een verkennend bodemonderzoek (strategie VED-HE_NL conform de NEN 5740) uitgevoerd te worden. Verder is het benodigd om de milieuhygiënische kwaliteit van het menggranulaat onder de verharding indicatief te bepalen, inclusief onderzoek naar asbest in puin volgens de NEN 5707/5897. Gezien ter plaatse van locatie Oudestraat/Morgenstraat bebouwing aanwezig is, zal het onderzoek na sloop van de aanwezige bebouwing plaatsvinden. Gelet op de omstandigheden zal het onderzoek dus in een later stadium worden uitgevoerd en is dit voorwaardelijk verplichtend opgenomen in de planregels. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS van toepassing Antoniusstraat Zorgvuldigheidshalve is er door de initiatiefnemer een formulier ‘Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek’ ingevuld. Hieruit volgt dat de locatie momenteel in gebruik is als magazijn. Tevens is er in het verleden (2011 en 2016) bodemonderzoek uitgevoerd voor de Antoniusstraat 21-21a te Keldonk. Voor de beoogde nieuwbouw en gebruik als bedrijf met showroom is een actualiserend vooronderzoek uitgevoerd. Uit dit actualiserend vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het plaatselijk voorkomen van bodemverontreiniging. Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie in de periode 2016 – heden geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De locatie is vanaf 2016 onbebouwd geweest. Wel is bekend dat er op het zuidelijk deel van de locatie in de bodem in 2016 een sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig in de ondergrond (dieptetraject 1,4-2,0 m -mv). De omvang van deze verontreiniging werd destijds geraamd op circa 10 m3. Tijdens het vooronderzoek is in de verontreinigingskern een profileringsboring geplaatst waarbij de olieverontreiniging nog is aangetroffen.

Voor de gewenste herontwikkeling van de onderzoekslocatie wordt geadviseerd om de omvang en ernst van de verontreiniging met minerale olie opnieuw vast te stellen en middels een actualiserend bodemonderzoek conform de NTA 5755:2022. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem ter plaatse van de klinkerverharding kan op basis van de gekende gegevens niet uitgesloten worden (verdacht). Om de aanwezigheid van asbest in de menggranulaat (ter plaatse van de klinker-verharding) uit te sluiten, is geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707/5897 uit te voeren, inclusief onderzoek naar asbest in puin conform de NEN 5897+C2:2017. Dit verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek is als bijlage opgenomen bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Hierna volgt de conclusie. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Het funderingsmateriaal onder de klinkerverharding is als niet-vormgegeven bouwstof vrij toepasbaar. Tevens is in het funderingsmateriaal niet asbesthoudend.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

45

Ter plaatse van het onverdacht terreindeel zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde aangetoond. In de bovengrond geen verhoogde concentraties aangetroffen en voldoet de grond indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. In de ondergrond zijn licht verhoogde concentraties aan PCB en PAK aangetroffen. Op basis van de analyseresultaten voldoet de ondergrond indicatief aan bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’. In het grondwater is een licht verhoogde gehalte aan molybdeen aangetroffen. Voor deze deellocatie is er geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek en zijn er geen belemmeringen voor de geplande realisatie van een showroom met bedrijfsruimte. Ter plaatse van de bekende minerale olieverontreiniging zijn in de grond geen overschrijdingen van de interventiewaarde meer aangetroffen. Wel is er een matige verontreiniging aangetoond in de boring 16 (dieptetraject 1,5 – 2,0 m -mv) en boring 17 (dieptetraject 1,0 – 1,4 m -mv). Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovenliggende en onderliggende lagen van de betreffende boringen geen verontreinigingen met minerale olie zijn aangetoond. Ter plaatse van boring 15 is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen in het dieptetraject 2,0 – 2,5 m -mv. In de overige boringen zijn geen verhoogde gehaltes aan minerale olie aangetroffen.

De omvang van de matig verontreinigde grond wordt geraamd op circa 25 m3 en bevindt zich over het traject van 1,0 – 2,0 m -mv. Naar aanleiding van deze resultaten is nader grondwateronderzoek uitgevoerd. Ook is een PFAS-onderzoek uitgevoerd vanwege de beoogde sanering van de hiervoor beschreven vastgestelde verontreiniging met minerale olie in de vaste bodem. Nader grondwateronderzoek (incl. PFAS-onderzoek en aanvullend bodemonderzoek) In het grondwater is een overschrijding van de signaleringswaarde aangetoond. Aanvullend onderzoek naar de omvang van deze grondwaterverontreiniging is aanbevolen. Er is dan ook een nader grondwateronderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage opgenomen. Uit het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat in de ondergrond van meetpunt 105 in het traject 3,00-3,20 een gehalte aan minerale olie is gemeten. Het gehalte aan minerale olie is gerelateerd aan de waargenomen matige olie-waterreactie. De aangetoonde concentratie vormt geen aanleiding voor aanvullend nader onderzoek. De verontreiniging aan minerale olie in vaste bodem is voldoende afgeperkt in horizontale richting. Uit het nader grondwateronderzoek volgt dat in het grondwater ter plaatse van peilbuizen 102 en 103, geplaatst in het kader van horizontale afperking, gehaltes aan minerale olie zijn aangetoond boven de voorkeurswaarde.

De aangetoonde gehaltes aan olie vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. De verontreiniging is voldoende afgeperkt. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 105, geplaatst in het kader van de verticale afperking, is een gehalte aan minerale olie aangetoond boven de voorkeurswaarde. Het aangetoonde gehalte aan olie vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. De verontreiniging is voldoende afgeperkt. Kortom, de verontreiniging aan minerale olie in het grondwater is voldoende afgeperkt in horizontale en verticale richting. Er is geen sprake van een ernstig geval van grondwaterverontreiniging met minerale olie. Verder zijn er in de ondergrond van meetpunt 105 in het traject 1,50 tot 1,70 geen gehaltes aan PFAS gemeten. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend nader onderzoek. Het aangetoonde gehalte aan PFAS vormt geen belemmering voor de afvoer van de met minerale olie verontreinigde grond.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

46

4.9.3

Conclusie

Vooralsnog is er geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect bodem. Ter borging van een goed woon- en leefklimaat is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de omgevingsvergunningaanvraag aangetoond dient te worden dat er geen belemmeringen uit het verkennend bodemonderzoek (strategie VED-HE_NL conform de NEN 5740) en het onderzoek naar asbest in puin volgens de NEN 5707/5897 naar voren komen. Indien nader onderzoek of sanering noodzakelijk zal hier vervolg aan worden gegeven. Hiermee is rekening gehouden in de planexploitatie door de initiatiefnemer, waarmee de haalbaarheid van het plan wordt geborgd.

4.10

Water

4.10.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Provincie De provincie Noord-Brabant heeft het ‘Regionaal Water- en Bodem programma (RWP), Provincie NoordBrabant 2022 – 2027’ opgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid.

Het RWP staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere provinciale opgaven op het gebied van leefbaarheid, cultuur en vrije tijd, wonen en werken, leefbaarheid, energie, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, archeologie en cultuurhistorie, en duurzame circulaire economie. Op deze manier draagt het bij aan een integrale benadering van de duurzame (fysieke) leefomgeving. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen. Waterschap Sinds maart 2015 is bestaat er een gezamenlijke Keur die opgesteld is door de Brabantse Waterschappen. Voor waterschap AA en Maas, waaronder Keldonk valt, zijn de regels uit deze gezamenlijke keur formeel ondergebracht in de ‘Keur Waterschap Aa en Maas 2015’ (Keur). Op grond van de Keur zijn algemene regels (‘Algemene regels Waterschap Aa en Maas’; Algemene Regels) en een aantal beleidsdocumenten opgesteld. Relevant voor woningbouw is de kwestie van het afvoeren van hemelwater. In artikel 3.6 van de Keur is een verbod opgenomen om zonder vergunning over te gaan tot het tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen van regenwater.

In artikel 15 van de Algemene Regels is vervolgens een bepaling opgenomen aan de hand waarvan in bepaalde gevallen vrijstelling kan worden verleend van het in artikel 3.6 van de Keur vastgelegde verbod. Een voorbeeld van wanneer vrijstelling kan worden verleend is wanneer de toegevoegde verharde oppervlakte maximaal 500 m² is. Naast bovengenoemde is voor ruimtelijke ontwikkelingen relevant dat het uitgangspunt is dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Dit is als zodanig vastgelegd in de ‘Tweede partiele herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’ van Waterschap Aa en Maas.

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

47

Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. In dit kader wordt door waterschappen in zijn algemeenheid de volgende voorkeursvolgorde aangehouden met betrekking tot hemelwater dat op verharde oppervlakten, waarbij de eerste optie het meest en de vijfde optie het minst wenselijk wordt bevonden: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen en afvoeren; 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. afvoeren naar de riolering. Waterschap Aa en Maas heeft tevens een Waterbeheerplan (WBP) voor de periode 2022-2027 opgesteld. Waterveiligheid, klimaatbestendig en gezond watersysteem, en schoon water zijn de drie belangrijkste aspecten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap verschillende principes. Een van deze principes is de toepassing van een gebiedsgerichte aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke context en behoeften van de diverse gebieden waar het waterschap actief is. Een ander belangrijk principe is het streven naar duurzame bouw, waarbij het waterschap maatregelen neemt om het waterverbruik te minimaliseren en de verontreiniging van regenwater en oppervlaktewater te voorkomen.

Ook wordt gericht op het realiseren van een klimaatbestendig en gezond watersysteem, waarbij het waterschap flexibel inspeelt op veranderingen in omstandigheden zoals het klimaat en natuurlijke processen. Gemeente Meierijstad Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 20172022 (‘VGRP+’) vastgesteld. Dit is een strategische beleidsnota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Ingevolge artikel 4.22 van de Wet milieubeheer (Wm) dient iedere gemeente een dergelijk gemeentelijk rioleringsplan vast te stellen. In het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap Aa en Maas. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt in beginsel niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Perceeleigenaren moeten in nieuw en herbouwsituaties – wat zoveel inhoud als bij uit en inbreidingen – hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken.

Bij een toename in afstromend verhard oppervlak van 0 m² tot en met 10.000 m² geldt een bergingseis van 60 mm/m²/24 uur Op 30 juni 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) vastgesteld. In hoofdstuk 6 van de VFL heeft de gemeenteregels omtrent de afvoer van hemelwater en omtrent grondwater. In artikel 6.4 van de VFL is een verbod opgenomen om vanaf een nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of op openbaar terrein: Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt:

Bestemmingsplan Oudestraat/Morgenstraat 29 en Antoniusstraat 21 te Keldonk

48

a. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m² verhard oppervlak) te kunnen verwerken. b. Voor het oppervlak aan groen dak (in m²) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. c.

De benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden.

d. Bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende: a. Burgemeester en wethouders houden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen. b. De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt en bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=907ac048-47e0-481d-a28d-e72ab1eac53a