Bijlage 1.1: PlanMER windenergie Meierijstad incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
7.4
Conclusie Uit de wetenschap volgt dat er geen rechtstreeks verband is aangetoond tussen windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden, zoals hoge bloedruk, ongunstige zwangerschap uitkomsten, slaapoverlast en ziektes. Er is ook geen direct wetenschappelijk bewijs gevonden voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten. Wel kan blootstelling aan windturbinegeluid hinder veroorzaken. Die hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen wat vervolgens kan leiden tot gezondheidsklachten. In zoverre is dus wel sprake van een gezondheidseffect van geluid. Daarom worden er normen vastgesteld gericht op het beperken van deze hinder. De mate van ervaren hinder is een combinatie van de feitelijke (geluid)belasting, zichtbaarheid van de windturbine(s), persoonlijke omstandigheden en opvattingen en of er sprake is van economisch voordeel of nadeel. Voor de overige windturbine effecten, zoals elektromagnetische velden of vrijkomen van gevaarlijke stoffen als gevolg van erosie, bestaan er geen redenen om aan te nemen dat er negatieve gezondheidseffecten optreden.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 70
8 Natuur 8.1
Beleid, wetgeving en beoordelingscriteria
8.1.1
Regelgeving in Nederland Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. De Wet natuurbescherming bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Kader 8.1 In werking treden Omgevingswet i.r.t. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet (Ow) in werking. De Wnb komt dan formeel te vervallen. De Wnb gaat middels een aanvullingswet natuur en aanvullingsbesluit op in de Omgevingswet. Deze overgang vindt beleidsneutraal plaats, waarbij de systematiek en het karakter van de Ow leidend zijn. De inhoud van de Wnb blijft grotendeels in stand, maar op een aantal punten vinden wijzigingen plaats. De precieze uitwerking en duiding van deze nieuwe wet is nog niet helemaal gereed. Derhalve wordt in dit PlanMER getoetst aan de Wnb. Doordat de overgang van de Wnb naar de Ow beleidsneutraal plaatsvindt zal dit naar verwachting geen gevolgen hebben voor de conclusies van dit rapport.
Gebiedsbescherming In de nieuwe wet vervalt de status van de Beschermde Natuurmonumenten. Deze vallen vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en houden dus via deze wegen indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.58 Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (zie ook hierna). Criterium voor de beoordeling zijn significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende gebieden en het functioneren van het gebied. Van significante effecten is sprake indien het behalen van een instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Hierbij wordt ook gekeken naar externe werking en cumulatie (in samenhang met de effecten van andere plannen en projecten, zie ook onderstaand kader).
58
De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn richtlijnen die door de Europese Unie zijn opgesteld. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit (veelheid en variatie soorten) te behouden. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 71
Kader 8.2 Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied kunnen van invloed zijn op de instandhoudingsdoelen van het rne Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effect ontstaat door ruimtelijke overlap tussen het invloedsgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedsgebied van de activiteit (in dit geval een windpark) buiten het Natura 2000-gebied waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Een voorbeeld van externe werking zijn vogels, die broeden in een verder weg gelegen beschermd natuurgebied en die foerageren in / nabij het gebied van de activiteit. Als het een voor de vogelkolonie essentieel foerageergebied betreft, kan verstoring hiervan leiden tot negatieve effecten in het Natura 2000-gebied. Naast foerageergebieden, kunnen hier ook vliegroutes onder vallen.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, dan ge doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de schade zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door de initiatiefnemer worden gecompenseerd. Dit beschermingsregime is verankerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit Algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Voor Natuurnetwerk Nederland wordt in Noord-Brabant de benaming Natuurnetwerk Brabant (NNB) gebruikt (zie 8.1.2). De begrenzing en het beschermingsregime van het NNB is vastgelegd in de provinciale (interim) omgevingsverordening.
Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wet (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant (afdeling 2.6). De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: Strikt beschermde soorten: Soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5). Overige beschermde soorten: Nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 72
8.1.2
Regelgeving in Noord-Brabant In Noord-Brabant zijn de NNB-gebieden in de Interim Omgevingsverordening (Provincie Noord-Brabant, 2022) vastgelegd. Het beschermingsregime van het NNB werkt via de provinciale verordening door in gemeentelijke bestemmingsplannen. In principe zijn windturbines binnen de begrenzing uitgesloten, echter er zijn enkele uitzonderingen mogelijk: Indien het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt, en; uit de alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel mogelijk worden beperkt, en; er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan compensatieverplichtingen. Dit geldt eveneens in het geval wiekoverslag plaatsvindt over het NNB. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Vervolgens vindt dan een kleinschalige herbegrenzing van het NNB plaats op basis van artikel 3.21 van de interim Omgevingsverordening. Het NNB kent eveneens externe werking, maar er bestaat geen grens tot waar deze externe werking moet worden getoetst. Dit betekent dat effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van de ingreep op het NNB gebied getoetst moeten worden.
Indien blijkt dat sprake is van verstoring of aantasting van deze waarden moet op basis van artikel 3.22 van de interim Omgevingsverordening compensatie plaatsvinden. Dit kan zowel fysieke compensatie als financiële compensatie betreffen. Overige provinciaal beschermde gebieden Naast NNB gebieden kent de provincie Noord-Brabant ook nog overige beschermde
via het provinciaal natuurbeleid
gebieden. Dit zijn weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden. De realisatie van
windturbines kan een negatief effect hebben op de natuurdoelstellingen voor deze gebieden. Kader 8.3 Gemeentelijke en vrijwillige akker- en weidevogelgebieden In de gemeente Meierijstad zijn meerdere IVN werkgroepen actief die in samenwerking met grondeigenaren vrijwillig weidevogelbeheer uitvoeren. De locaties waar dit wordt uitgevoerd zijn soms gemarkeerd met bebording. Deze gebieden zijn echter niet beleidsmatig of juridisch beschermd, in tegenstelling tot NNB gebieden of Natura 2000 gebieden. De voorkomende soorten binnen deze (vrijwillige) weidevogelbeheer gebieden worden via de Wet natuurbescherming en Vogelrichtlijn beschermd. Op sommige plaatsen zijn deze weidevogelgebieden echter ook in bestemmingsplannen vastgelegd. Daarmee hebben ze wel een gemeentelijke status. Voor deze gebieden is wel een effectbeoordeling gemaakt.
8.1.3
Beoordelingskader Natura 2000-gebieden Er wordt in de effectbeoordeling gekeken naar kans op verstoring, kans op barrièrewerking en kans op sterfte door een aanvaring. In dit planMER is per onderzoeksgebied op hoofdlijnen een inschatting gemaakt van de kans op effecten op basis van: De soorten waarvoor nabijgelegen Natura-2000-gebieden zijn aangewezen; De ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura-2000-gebieden;
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 73
De betekenis van het onderzoeksgebied voor voornoemde soorten; De staat van instandhouding van deze soorten. Kans op verstoring In de gebruiksfase is het mogelijk dat verstoring optreedt op kwalificerende soorten. Verstoring kan het gevolg zijn van een toename van geluid, beweging van rotoren, verlichting en menselijke activiteit. Verstoring kan ertoe leiden dat het gebied minder geschikt wordt voor soorten met als gevolg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud of herstel) van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden in gevaar komen. Kans op barrièrewerking Bij nadering van een windpark passen veel vogels hun vliegroutes aan door het gehele park of individuele windturbines te mijden. Dit kan tot barrièrewerking leiden in het geval rust- of foerageergebieden onbereikbaar worden. Verder treedt een verhoogd energieverbruik en tijdverlies op door uitwijkgedrag. Kans op sterfte Het exploiteren van windturbines leidt in potentie tot additionele sterfte onder vogels en vleermuizen; dit is de extra sterfte op de natuurlijke jaarlijkse sterfte. Dit effect kan zo groot zijn dat de overleving van soorten verandert (lager wordt) wat kan uitmonden in een afname van de populatieomvang, waarmee ook het bereiken van de instandhoudingdoelstellingen voor de betrokken soort in de relevante Natura 2000gebieden in gevaar kan komen.
Natuurnetwerk Brabant Voor de NNB gebieden zijn de mogelijke effecten (inclusief externe werking) op hoofdlijnen en kwalitatief beschouwd en beoordeeld per zoekgebied. Waar mogelijk wordt in de beoordeling onderscheidt gemaakt tussen de aanleg- en de exploitatiefase van de windturbines. Hierbij wordt gekeken naar twee aspecten: Areaalverlies Overlapt het zoekgebied (geheel of gedeeltelijk) het aangewezen NNB gebied waardoor sprake is van areaalverlies. Hoe groter het areaalverlies, hoe negatiever de effecten kunnen zijn. Effecten op kwalificerende natuurwaarden Vervolgens is van belang welke kwalificerende natuurwaarden van toepassing zijn binnen het betreffende NNB gebied. Niet alle waarden hebben even grote effecten als gevolg van de realisatie van windturbines.
Beschermde soorten Op grond van de Wet natuurbescherming zijn specifieke soorten planten en dieren en hun leefgebied beschermd. De gunstige staat van instandhouding (GSI) is een belangrijk criterium voor de beoordeling van de omvang van eventuele effecten. Er wordt in de effectbeoordeling gekeken naar de kans op effecten door onder andere ruimtebeslag, verstoring en sterfte. In dit planMER wordt per onderzoeksgebied op hoofdlijnen een inschatting gemaakt van de kans op effecten op basis van: Afstanden tot Natura 2000-gebieden, NNN en overige provinciale beschermde natuurgebieden. Een grotere afstand leidt tot een lagere kans op effecten op beschermde soorten die vooral in dit soort gebieden te vinden zijn;
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 74
Voor effecten op vleermuizen wordt de afstand tot bebouwingskernen, opgaande begroeiing, water, bos en bomenrijen en natuurgebieden gehanteerd. Hoe meer van deze kenmerken in de directe omgeving aanwezig zijn, hoe slechter de score; Expert judgement van de beschikbare telgegevens, beschikbare voorverkenningen en habitatkenmerken per gebied; Expert judgement van de effecten per soort voor relevante soorten op basis van beschikbare telgegevens, beschikbare voorverkenningen en habitatkenmerken. Als gevolg van het plaatsen van windturbines kunnen in de aanlegfase groeiplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde planten en/of dieren verloren gaan, daarnaast kan de kwaliteit van het leefgebied achteruit gaan. Negatieve effecten in de aanlegfase van windturbines, bijvoorbeeld als gevolg van grondwerkzaamheden, zijn in het algemeen goed te mitigeren (bijvoorbeeld verplaatsen beschermde plantensoorten). Bovendien kan hier tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase middels een ecologisch werkprotocol, waar nodig, rekening mee worden gehouden. Bij de effectbeoordeling ligt de nadruk op de meer strikt beschermde soorten (zie hierna), waarbij voornoemde kanttekening veelal resulteert in een lichtere beoordeling dan effecten in de gebruiksfase. Een groot aantal veelal schaarse plantensoorten zijn zwaar beschermd.
Vrijwel alle in het wild voorkomende gewervelde diersoorten zijn beschermd, waarbij drie beschermingsregimes worden gehanteerd. Vooral de diersoorten uit de zwaardere beschermingsregimes (strikt beschermde soorten) zijn schaars. In de gebruiksfase wordt de omgeving tot een bepaalde afstand verstoord en wordt het habitat voor vogels en zoogdieren mogelijk van minder kwaliteit; de afstand tot, en de mate waarin verschilt van soort tot soort. Daarnaast kunnen onder vogels en vleermuizen slachtoffers vallen. Deze sterfte is additioneel boven op de natuurlijke sterfte. Wanneer de sterfte omvangrijk is in relatie tot de omvang van de betrokken populatie, kan een lagere overleving zich vertalen in een kleinere populatie. Op basis van beschikbare kennis is op hoofdlijnen nagegaan of in een onderzoeksgebied of in de omgeving van dit gebied een groot aantal bewegingen van vogels en/of vleermuizen plaatsvinden waardoor er een kans is op verstoring, sterfte en/of barrièrewerking. In dit planMER wordt geen berekening van de omvang van te verwachten effecten gegeven. In een vervolgfase zullen voor de vervolgprocedures de aard en omvang van bijvoorbeeld deze bewegingen en het gebiedsgebruik in beeld gebracht moeten worden, om tot een gedetailleerde schatting van het aantal slachtoffers te komen en de mogelijke gevolgen hiervan voor de relevante populatie(s).
Cumulatie Voor ieder onderzoeksgebied is nagegaan of de ontwikkeling van andere windenergieprojecten (specifiek Veghel Win(d)t) aanwezig zijn en of een onderzoeksgebied naast zijn eigen effect nog een additioneel effect teweeg brengt als gevolg van de gezamenlijkheid met een of meerdere onderzoeksgebieden (bijvoorbeeld barrièrewerking of effecten op de gunstige staat van instandhouding als gevolg van deze gezamenlijkheid).
Beoordelingscriteria en score ecologie De verschillende zoekgebieden zijn beoordeeld aan de hand van een vierpuntsschaal (er is geen positieve score op dit aspect). Onderstaand is de toekenning van de effectscores weergegeven in Tabel 8.1. Er is op vier aspecten een score toegekend: Effect op beschermde gebieden Wnb (Natura 2000) PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 75
Effect op beschermde soorten Wnb Effect op NNB gebieden Effecten overig provinciaal beleid (weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden) Effecten op gemeentelijke weidevogelgebieden Tabel 8.1 Toekenning effectscores natuur (-)
8.2
Score
Toelichting
--
effecten groot tot zeer groot; zeer waarschijnlijk overtredingen van verbodsbepalingen en effecten op gunstige staat van instandhouding. Mitigatie of planaanpassing noodzakelijk om ontheffing te krijgen. Significante effecten op doelen van beschermde gebieden niet op voorhand uit te sluiten, waarvoor een vergunningprocedure doorlopen moet worden. Nader onderzoek is nodig om meer grip te krijgen op de omvang van de effecten en de mate van noodzakelijke planaanpassing of mitigatie.
-
effecten redelijk tot groot; waarschijnlijk overtreding van verbodsbepalingen die gemitigeerd moeten worden om ontheffing te krijgen en/of wezenlijke effecten op doelen van beschermde gebieden waarvoor een vergunningprocedure doorlopen moet worden. Het is mogelijk dat nader onderzoek nodig is om meer grip te krijgen op de omvang van de effecten en de mate van noodzakelijke planaanpassing of mitigatie.
0/-
effecten beperkt; wellicht overtredingen van verbodsbepalingen die waarschijnlijk mitigeerbaar zijn en/of kleine effecten op doelen van beschermde gebieden waarvoor een vergunningprocedure doorlopen kan worden.
0
effecten klein of afwezig; geen overtredingen van verbodsbepalingen of effecten op doelen van beschermde gebieden.
Referentiesituatie Natura 2000 gebieden Binnen de gemeente Meierijstad zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. In de ruime omgeving van de zoekgebieden is dat wel het geval. Twee Natura 2000-gebieden zijn gelegen binnen 10 km van het dichtstbijzijnde zoekgebied (zie Figuur 8.1). Het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen is op ca. 7,5 km gelegen ten westen zoekgebied 2. Het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is gelegen op ca. 9,5 km gelegen ten noordwesten van zoekgebied 1.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 76
Figuur 8.1 Natura 2000 gebieden in omgeving zoekgebieden Meierijstad
Bron: Bureau Waardenburg
NNB gebieden Binnen alle zoekgebieden zijn onderdelen van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gelegen. (zie Figuur 8.2). Binnen zoekgebieden 2 t/m 4 zijn voldoende mogelijkheden om Windturbines zodanig te positioneren dat ze niet direct binnen het NNB areaal komen te staan. Zoekgebied 1 daarentegen is nagenoeg geheel binnen het NNB gelegen. De betreffende NNB gebieden kennen verschillende kwalificerende soorten. Hieronder wordt nader ingegaan op de situatie per gebied.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 77
Figuur 8.2 Ligging van de 4 zoekgebieden ten opzichte van NNB gebieden
Bron: Bureau Waardenburg
Zoekgebied 1 - Wijboschbroek Het Wijboschbroek is een relatief nat bosgebied, tussen Schijndel en de Zuid-Willemsvaart en is ontstaan door ontginning van het broeklandschap. Het bestaat uit verschillende beheertypen NNB gebied, maar voornamelijk uit N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, N14.03 Haagbeuken- en essenbos, N16.04 Vochtig bos met productie en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Zoekgebied 2
Rooische en Schijndelse heide
Zoekgebied 2 bestaat voornamelijk uit agrarische percelen met her en der bosschages, waterlichamen en lijnbeplanting. NNB gebieden bevinden zich aan de rand van het zoekgebied, met name aan de westzijde en op het talud van de voormalige spoorlijn aan de noordzijde. Voor dit laatste is het beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland aangewezen. De kwalificerende soorten voor dit beheertype zijn diverse planten- en dagvlindersoorten. Zoekgebied 3 Schijndelse heide Dit bestaat voornamelijk uit agrarische percelen en wordt aan de noordoostzijde gekenmerkt door de voormalige afvalberg. Er liggen enkele bospercelen die aangewezen zijn als NNB gebied (met het beheertype N16.03 Droog bos met Productie en N.16.04 Vochtig bos met Productie) in dit gebied. De kwalificerende soorten voor het beheertype N16.03 zijn diverse broedvogelsoorten. Tot slot bevindt zich in het zuidwestelijke deel van het gebied nog een NNB gebied met beheertype N03.01 Beek en bron. De kwalificerende soorten voor dit beheertype zijn diverse planten-, vissen- en libellensoorten.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 78
Zoekgebied 4A en 4B
Het Lijnt
Dit gebied bestaat aan de westzijde voornamelijk uit agrarische percelen en wordt aan de oostzijde en zuidzijde gekenmerkt door enkele bosgebieden. Deze bosgebieden zijn onderdeel van het NNB en zijn aangewezen als beheertype N16.03 Droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie. De kwalificerende soorten voor het beheertype N16.03 en N16.04 zijn diverse broedvogelsoorten. Direct ten zuiden van het zoekgebied is nog een landschapselement L01.01 Poel en klein historisch water aangewezen. Dit beheertype kent geen kwalificerende soorten. In Bijlage 5 Ecologisch onderzoek Bureau Waardenburg zijn detailkaarten met de betreffende beheertypes per zoekgebied opgenomen.
8.3
Beschrijving effecten
8.3.1
Natura 2000 Aanlegfase De zoekgebieden liggen volledig buiten de begrenzing van deze Natura 2000-gebieden en op ruime afstand, waardoor met zekerheid geen sprake is van een verstorend effect tijdens de aanlegfase. De gebieden zijn hierin niet onderscheidend.
Gebruiksfase Tijdens de exploitatiefase kan een effect optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000 gebieden als gevolg van externe werking. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Habitattypen en habitatrichtlijnsoorten De Natura 2000-gebieden Kampina en Oisterwijkse Vennen en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn aangewezen voor respectievelijk vijftien en zeven soorten habitattypen. De zoekgebieden liggen volledig buiten de begrenzing van deze Natura 2000-gebieden, waardoor met zekerheid geen sprake is van verlies van areaal van beschermde habitattypen door ruimtebeslag. De zoekgebieden zijn hierin niet onderscheidend. De Natura 2000-gebieden Kampina en Oisterwijkse Vennen en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn aangewezen voor respectievelijk zes en zeven Habitatrichtlijnsoorten. De zoekgebieden liggen volledig buiten de begrenzing van deze Natura 2000-gebieden en de meeste aangewezen Habitatrichtlijnsoorten zijn sterk gebonden aan specifieke habitattypen binnen de begrenzing van de betreffende Natura 2000-gebieden. De aangewezen soorten die niet gebonden zijn aan de betreffende Natura 2000-gebieden zijn echter wel gebonden aan een aquatisch habitat en ondervinden derhalve eveneens geen negatieve effecten door de bouw en exploitatie van windturbines binnen de zoekgebieden; dit geldt ook voor eventuele verstorende effecten.
De zoekgebieden zijn hierin niet onderscheidend. Broedvogels Het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen is aangewezen voor twee broedvogelsoorten, namelijk dodaars en roodborsttapuit. Beide broedvogelsoorten zijn sterk gebonden aan het betreffende Natura 2000-gebied, waardoor deze soorten niet tot in de zoekgebieden voorkomen. Een binding van voornoemde soorten tussen het betreffende Natura 2000-gebied en de zoekgebieden is afwezig, waardoor significant verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van voornoemde soorten op voorhand zijn uit te sluiten. De zoekgebieden zijn hierin niet onderscheidend.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 79
Niet-broedvogels Het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen is aangewezen voor één niet-broedvogelsoort, namelijk taigarietgans. Het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen heeft een instandhoudingdoelstelling als slaap- en rustplaats voor 100 taigarietganzen. Deze soort heeft een maximale foerageerafstand die groter is dan de afstand tot de zoekgebieden in de gemeente Meierijstad (30 km). Het dichtstbijgelegen zoekgebied 2 ligt op circa 7,5 kilometer tot het Natura 2000 gebied. Vanwege deze relatief grote afstand en de aanwezigheid van geschikte(re) foerageergebieden op kortere afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied is het onwaarschijnlijk dat een van de zoekgebieden een wezenlijk functie heeft voor deze soort. Vanaf het jaar 2000 is sprake van een significante afname in aantallen van de taigarietgans. Sinds 2009 wordt het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen niet of nauwelijks meer gebruikt als slaapplaats door taigarietgans. In de afgelopen vijf jaar zijn sporadische waarnemingen van de taigarietgans uit de ruime omgeving van de zoekgebieden bekend. Deze waarnemingen zijn afkomstig uit de gemeente Meierijstad en omliggende gebieden en betreft voornamelijk overvliegende groepen. Binnen de zoekgebieden zijn geen waarnemingen bekend van de taigarietgans in de afgelopen vijf jaar.
Dit beeld komt overeen met de drastische afname van de soort in de afgelopen 30 jaar, waardoor de taigarietgans nu tot de zeldzame wintergasten behoord. Vliegbewegingen van taigarietgans over een van de zoekgebieden (tijdens slaaptrek van en naar het Natura 2000-gebied) zijn om dezelfde reden als (uiterst) incidenteel te beschouwen. Significant verstorende effecten of aanvaringsslachtoffers als gevolg van het realiseren van windturbines in één van de zoekgebieden worden daarom niet verwacht. Effecten op het behalen van de Instandhoudingsdoelstellingen van de niet-broedvogelsoort taigarietgans in Kampina en Oisterwijkse Vennen zijn daarom niet te verwachten. Ook op dit aspect zijn de zoekgebieden niet onderscheidend. Tabel 8.2 Effectbeoordeling Natura 2000 (-) Zoekgebied
Effectbeoordeling Natura 2000 Aanlegfase
Exploitatiefase
1
0
0
2
0
0
3
0
0
4A
0
0
4B
0
0
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 80
8.3.2
NNB Binnen alle zoekgebieden zijn onderdelen van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gelegen. Binnen zoekgebieden 2 t/m 4A/B zijn voldoende mogelijkheden om windenergie buiten het aangewezen NNB areaal te realiseren. Zoekgebied 1 daarentegen is nagenoeg geheel binnen het NNB gelegen. Zoekgebied 1 Bij de realisatie van één of meerdere windturbines binnen dit zoekgebied is sprake van ruimtebeslag binnen het NNB. Hiervoor geldt een compensatieverplichting conform de provinciale verordening (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant). Naast de
soms tijdelijke - vernietiging van het NNB als gevolg
van de bouw van de windturbines en bijbehorende infrastructuur kunnen windturbines een verstorend effect hebben op de kwalificerende natuurwaarden. Binnen zoekgebied 1 staan de meeste windturbines in de voorbeeldopstelling binnen of in de directe nabijheid van beheertypen: N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos, N14.03 Haagbeuken- en essenbos en/of N16.04 Vochtig bos met productie. Deze beheertypen kennen als kwalificerende soorten broedvogels, waaronder wielewaal, blauwborst en appelvink. Realisatie van windturbines binnen of nabij deze beheertypen heeft mogelijk een negatief effect op de kwalificerende soorten. Tot slot zijn een aantal windturbineposities binnen of in de nabijheid van het beheertype N12.02 Kruidenen faunarijk grasland gesitueerd. De kwalificerende soorten voor dit beheertype zijn diverse planten- en dagvlindersoorten. Deze soorten zijn (buiten het eerder genoemde ruimtebeslag) niet gevoelig voor windturbines en effecten hiervan. Tijdens de gebruiksfase van de windturbines is derhalve geen sprake van ernstige aantasting of een negatieve invloed op het beheertype. Zoekgebied 1 scoort negatief op het aspect NNB, gezien het areaalverlies en grote effect op kwalificerende soorten binnen het gebied (--).
Zoekgebied 2, 3 en 4A/ 4B Binnen deze drie zoekgebieden zijn telkens percelen of delen aangewezen als NNB, met verschillende beheertypen (voornamelijk N16.03 Droog bos met productie, N16.04 Vochtig bos met productie en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland). Voor N12.02 geldt dat de kwalificerende soorten voor dit beheertype diverse planten- en dagvlindersoorten zijn. Deze soorten zijn niet gevoelig voor windturbines en effecten hiervan. Tijdens de aanleg- en gebruiksfase van de windturbines is derhalve geen sprake van ernstige aantasting of een negatieve invloed op dit beheertype. De kwalificerende soorten voor het beheertype N16.03 en N16.04 zijn diverse broedvogelsoorten. De meeste kwalificerende broedvogelsoorten zijn niet of nauwelijks gevoelig voor verstoring door windturbines en vliegen in het broedseizoen niet of zelden op rotorhoogte. De verwachting is daarom dat de aanleg- en het gebruik van de windturbines niet zal leiden tot een ernstige aantasting of negatieve invloed op het functioneren van het NNB met betrekking tot beheertype N16.03 en N16.04. Wel is in het kader van een vervolgprocedure nader onderzoek nodig naar de kwalificerende vogelsoorten in gebied 3 en 4A, aangezien hier vooral sprake is van dit beheertype. Deze locaties scoren daarom slechter dan locatie 2 en 4B, waar deze effecten niet verwacht worden.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 81
Tabel 8.3 Effectbeoordeling NNB (-)
8.3.3
Zoekgebied
Effectbeoordeling NNB
1
--
2
0
3
0/-
4A
0/-
4B
0
Beschermde soorten De effecten op beschermde soorten worden hieronder per gebied beschreven, onderverdeeld in effecten op vogels, effecten op vleermuizen en effecten op overige soorten. Zoekgebied 1 Zoekgebied 1 bestaat voornamelijk uit bospercelen afgewisseld door enkele agrarische percelen. Binnen het zoekgebied en in de nabijheid van de windturbinelocaties broeden diverse (algemene) bosvogels, waaronder boomklever, wielewaal, diverse mezen- en spechtensoorten. Daarnaast zijn ook jaarrond beschermde nesten en/of territoria van vogels met een jaarrond beschermd nest binnen het zoekgebied vastgesteld. Het gaat daarbij om buizerd, havik en boomvalk. Omdat het aannemelijk is dat bomen gekapt moeten worden voor de realisatie van windturbines binnen zoekgebied 1 kunnen nesten van beschermde soorten worden aangetast. Uit de afgelopen vijf jaar zijn geen vastgestelde waarnemingen van vleermuizen binnen zoekgebied 1 bekend, maar gezien de landschapskenmerken van het zoekgebied is de aanwezigheid van vleermuizen wel te verwachten. De bosrijke omgeving afgewisseld met open stukken en poelen maakt het zoekgebied tot een zeer geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Ook is de lokale trek van vleermuizen, met name ruige dwergvleermuis, via de Zuid-Willemsvaart niet op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar het gebiedsgebruik van vleermuizen is derhalve noodzakelijk.
Langs de Zuid-Willemsvaart zijn meerdere waarnemingen van bever bekend uit de afgelopen vijf jaar. In verscheidene poelen binnen het zoekgebied zijn waarnemingen bekend van kamsalamander. In de bossen van het zoekgebied is daarnaast de das, eekhoorn, steenmarter, wezel, grote vos en grote weerschijnvlinder. In de bossen in de directe omgeving van zoekgebied 1 zijn daarnaast waarnemingen van de vermiljoenkever bekend. In de aanlegfase dient met voornoemde soorten rekening gehouden te worden, alsmede met het aspect verstoring van vaste voortplanting-of rustplaatsen (zowel in de aanlegals gebruiksfase). Dit zoekgebied kent daarmee de nodige aandachtspunten en belemmeringen op het gebied van soortenbescherming en scoort licht negatief (-). Zoekgebied 2 Zoekgebied 2 bestaat voornamelijk uit agrarische percelen met her en der bosschages, waterlichamen en lijnbeplanting. Binnen het zoekgebied zijn veel vogelsoorten de afgelopen vijf jaar vastgesteld, waaronder relatief veel roofvogelwaarnemingen zoals rode wouw, bruine kiekendief, wespendief en boomvalk. Verder zijn in het gebied diverse weidevogels vermeldt in de waarnemingsgegevens, waaronder kievit, grutto, scholekster en wulp. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 82
Uit de afgelopen vijf jaar zijn geen waarnemingen van vleermuizen binnen zoekgebied 2 bekend, maar gezien de landschapskenmerken van het zoekgebied is de aanwezigheid van vleermuizen echter wel te verwachten. De bosschages en bomenlanen afgewisseld met open stukken en poelen maakt het zoekgebied tot een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar het gebiedsgebruik van vleermuizen is derhalve noodzakelijk. Binnen het zoekgebied komen tot slot diverse overige beschermde soorten voor, waaronder eekhoorn, bunzing en das. De kamsalamander is waargenomen in poelen in het westen van het zoekgebied. De levendbarende hagedis is eveneens verspreid over het zoekgebied waargenomen, waarbij de meeste waarnemingen geconcentreerd zijn in het noordwesten van het zoekgebied, nabij het bos- en heidegebied. Tot slot is ook de iepenpage in het meest zuidelijkste punt van het zoekgebied waargenomen, in de boomgaarden. Indien de windturbines op de (intensief beheerde) agrarische percelen worden gesitueerd zoals in de voorbeeldopstelling
dan is de verwachting dat effecten op voornoemde soorten niet aan de
orde zijn. Dit vanwege de zeer geringe functie van intensief beheerde agrarische percelen voor voornoemde soorten. Met name vanuit de aanwezigheid van roofvogels en het geschikte habitat voor vleermuizen scoort dit gebied licht negatief (-). Nader onderzoek is nodig, maar effecten zijn wel goed te mitigeren door het nemen van maatregelen (zie 8.4). Zoekgebied 3 Zoekgebied 3 bestaat voornamelijk uit agrarische percelen met her en der bosschages, heide, waterlichamen en lijnbeplanting. Kenmerkend is de Veerse Heide in het midden van het zoekgebied. Dit oppervlaktewater is omgeven door extensief beheerde terreinen met moerasvegetatie. Dit zorgt ervoor dat binnen het zoekgebied veel verschillende soorten vogels in de afgelopen vijf jaar zijn vastgesteld, waaronder relatief veel roofvogelwaarnemingen zoals rode wouw, zwarte wouw, bruine kiekendief, wespendief, boomvalk en ook de visarend. Wat verder noemenswaardig is, is de aanwezigheid van diverse watervogels, waaronder kolgans, kokmeeuw, kievit, aalscholver en nog een aantal andere wintervogels in aantallen van maximaal enkele honderden exemplaren. Ook in de broedperiode zijn diverse vogelsoorten in het zoekgebied aanwezig. Uit de afgelopen vijf jaar zijn geen waarnemingen van vleermuizen binnen zoekgebied 3 bekend, maar gezien de landschapskenmerken van het zoekgebied is de aanwezigheid van vleermuizen echter wel te verwachten.
De bosschages en bomenlanen afgewisseld met open stukken en de aanwezigheid van oppervlaktewater maakt het zoekgebied tot een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar het gebiedsgebruik van vleermuizen is derhalve noodzakelijk. Binnen het zoekgebied komen diverse overige beschermde soorten voor. Zo zijn binnen het zoekgebied waarnemingen van das, eekhoorn en wezel bekend. Indien de windturbines op de (intensief beheerde) agrarische percelen worden gesitueerd zoals de drie westelijke windturbines in de voorbeeldopstelling dan is de verwachting dat effecten op voornoemde soorten niet aan de orde of te mitigeren zijn. Dit vanwege de zeer geringe of afwezige functie van intensief beheerde agrarische percelen voor voornoemde soorten. De windturbine op de voormalige stortplaats is wel een aandachtspunt, omdat er voor de realisatie daarvan veel infrastructuur aanpassingen nodig zijn, waarmee mogelijk leefgebied verloren gaat. Met name vanuit de aanwezigheid van roofvogels en het geschikte habitat voor vleermuizen scoort dit gebied licht negatief (-). Nader onderzoek is nodig, maar effecten zijn wel goed te mitigeren door het nemen van maatregelen (zie 8.4). PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 83
Zoekgebied 4A Zoekgebied 4A bestaat voornamelijk uit agrarische percelen met bosgebieden. Binnen het zoekgebied zijn veel vogelsoorten de afgelopen vijf jaar vastgesteld, waarvan de meeste waarnemingen bosvogels betreffen uit het bosgebied. De windturbineposities zijn echter buiten het bos gesitueerd, waardoor risicovolle vliegbewegingen beperkter zijn. De voorbeeldopstelling komt aan de zuidzijde in de buurt van oende afstand tot de bosrand zijn
Uit de afgelopen vijf jaar zijn waarnemingen van vleermuizen binnen zoekgebied 4A bekend. Het betrof hier in alle gevallen gewone dwergvleermuizen. In gebied 4B (zie hieronder) is ook een waarneming van de rosse vleermuis gedaan, echter is het erg waarschijnlijk dat de rosse vleermuis ook in zoekgebied 4A voorkomt. Gezien de landschapskenmerken van het zoekgebied is de aanwezigheid van andere vleermuissoorten eveneens te verwachten. De bosgebieden en bomenlanen afgewisseld met open stukken en poelen maakt het zoekgebied tot een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar het gebiedsgebruik van vleermuizen is derhalve noodzakelijk. Binnen het zoekgebied komen diverse overige beschermde soorten voor, waaronder eekhoorn en das. De eekhoorn en das zijn in de bosgebieden van zoekgebied 4A waargenomen. Tot slot is ook van de beekrombout één waarneming uit de afgelopen vijf jaar bekend. Deze soort is waargenomen ter hoogte van de meest noordelijke windturbinepositie van voorbeeldopstelling. Indien de windturbines op de (intensief beheerde) agrarische percelen worden gesitueerd zoals de huidige voorbeeldopstelling dan is de verwachting dat effecten op voornoemde soorten niet aan de orde zijn. Dit vanwege de zeer geringe functie van intensief beheerde agrarische percelen voor voornoemde soorten. Voor vogels levert dit gebied beperkt risico op.
Vanuit de aanwezigheid van geschikte habitat voor vleermuizen vormt dit wel een aandachtspunt en is nader onderzoek nodig, maar effecten zijn wel goed te mitigeren door het nemen van maatregelen (zie 8.4). Dit gebied scoort daarmee iets beter dan zoekgebied 1-3 (0/-). Zoekgebied 4B Zoekgebied 4B bestaat voornamelijk eveneens uit agrarische percelen met bosgebieden. Binnen het zoekgebied zijn veel vogelsoorten de afgelopen vijf jaar vastgesteld, waarvan de meeste waarnemingen bosvogels betreffen uit het bosgebied. De windturbineposities zijn echter buiten het bos gesitueerd, waardoor risicovolle vliegbewegingen beperkter zijn. Uit de afgelopen vijf jaar zijn waarnemingen van vleermuizen binnen zoekgebied 4B bekend. Het betrof hier zowel gewone dwergvleermuizen als rosse vleermuizen. De bosgebieden en bomenlanen afgewisseld met open stukken en poelen maakt het zoekgebied tot een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar het gebiedsgebruik van vleermuizen is derhalve noodzakelijk. Binnen het zoekgebied komen diverse overige beschermde soorten voor, waaronder eekhoorn, bunzing en das. De eekhoorn en das zijn in de bosgebieden van zoekgebied 4B waargenomen. Van de bunzing zijn alleen waarnemingen in het zuidelijk deel van het gebied bekend.
Indien de windturbines op de (intensief beheerde) agrarische percelen worden gesitueerd zoals de huidige voorbeeldopstelling dan is de verwachting dat effecten op voornoemde soorten niet aan de orde zijn. Dit vanwege de zeer geringe functie van intensief beheerde agrarische percelen voor voornoemde soorten.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 84
Voor vogels levert dit gebied beperkte risico op. Vanuit de aanwezigheid van geschikte habitat voor vleermuizen vormt dit wel een aandachtspunt en is nader onderzoek nodig, maar effecten zijn wel goed te mitigeren door het nemen van maatregelen (zie 8.4). Dit gebied scoort daarmee iets beter dan zoekgebied 1-3 (0/-). In onderstaande tabel is de effectbeoordeling van de zoekgebieden samengevat. Tabel 8.4 Effectbeoordeling soortenbescherming (-)
8.3.4
Zoekgebied
Effectbeoordeling soortenbescherming
1
-
2
-
3
-
4A
0/-
4B
0/-
Overige gebieden en provinciaal beleid De zoekgebieden liggen op grote afstand van provinciaal beleidsmatig aangewezen natuurgebieden, zoals weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden. De bouw en exploitatie van windturbines binnen de zoekgebieden leidt met zekerheid niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal beleidsmatig aangewezen gebieden. De zoekgebieden zijn hierin niet onderscheidend (0). Binnen de gemeente Meierijstad zijn wel enkele (vrijwillig) aangewezen weidevogelbeheergebieden aanwezig. Op de kaart in Figuur 8.3 zijn deze opgenomen. Het doel van de aanwijzing is het behouden en/of versterken van de weidevogelpopulaties binnen de gemeente. Hoewel deze gebieden geen wettelijke of provinciale bescherming kennen is binnen het gemeentelijke kader wel gekeken naar de mogelijke effecten op deze gebieden. Weidevogels kunnen in aanvaring komen met windturbines, met name de territoriale (balts)vluchten zijn risicovol. Daarnaast kan de aanwezigheid van windturbines een verstorend effect hebben. De uit de literatuur bekende vermijdingsafstanden van diverse weidevogelsoorten bedragen circa 100 tot 200 meter. Zowel zoekgebied 1 als zoekgebied 3 zijn op respectievelijk circa 4,5 km en 0,5 km afstand gelegen tot dichtstbijzijnde gemeentelijk aangewezen weidevogelgebieden.
Dit ligt (ruim) buiten de bekende vermijdings- en verstoringsafstanden van weidevogels. Ook zijn aanvaringen van weidevogels afkomstig uit aangewezen weidevogelgebied(en) tijdens territoriale (balts)vluchten niet aannemelijk. Voor zoekgebied 3 is het wel aannemelijk dat mogelijk pendelvluchten plaatsvinden van en naar het weidevogelgebied. Zoekgebied 1 scoort daarom neutraal (0) en zoekgebied 3 (0/-) op dit aspect. Binnen zoekgebied 2 zijn delen van een aangewezen weidevogelgebied gelegen. Ook is één van de windturbineposities binnen het weidevogelgebied gesitueerd. Uit de NDFF volgt het beeld van een verhoogde aanwezigheid van diverse soorten weidevogels. De realisatie van windturbines binnen zoekgebied 2 kan derhalve een negatief effect hebben op de omvang en kwaliteit van het aangewezen weidevogelgebieden. Zoekgebied 2 scoort daarom licht negatief (-) op dit aspect.
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 85
Figuur 8.3 Vrijwillige weide- en struweelvogelbeheergebieden (zonder beschermde status)
Zowel binnen zoekgebied 4A als zoekgebied 4B zijn delen van een gemeentelijk aangewezen weidevogelgebied gelegen. De realisatie van windturbines binnen zoekgebied 4a kan derhalve een negatief effect hebben op aangewezen weidevogelgebieden. In gebied 4b is de afstand tot het dichtstbijzijnde weidevogelgebied groter (circa 700 meter tot de voorbeeldopstelling). Dit ligt (ruim) buiten de bekende vermijdings- en verstoringsafstanden van weidevogels. Ook zijn aanvaringen van weidevogels afkomstig uit aangewezen weidevogelgebied(en) tijdens territoriale (balts)vluchten niet aannemelijk. Zoekgebied 4A scoort daarom iets negatiever (-) dan zoekgebied 4B (0/-) op dit aspect. Tabel 8.5 Effectbeoordeling gemeentelijk weidevogelbeleid
8.3.5
Zoekgebied
Effectbeoordeling
1
0
2
-
3
0/-
4A
-
4B
0/-
Cumulatieve effecten tussen locaties Bij de realisatie van windenergie op verschillende locaties kan sprake zijn van een cumulatief effect, bijvoorbeeld wanneer de windturbines op verschillende locaties effecten hebben op hetzelfde Natura 2000 gebied. In het geval van Meierijstad zijn er echter geen effecten op Natura 2000 gebieden te verwachten, waardoor ook cumulatieve effecten op voorhand niet aan de orde kunnen zijn. Voor effecten op het NNB PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 86
zijn cumulatieve effecten in zoverre ook uitgesloten, dat geen twee locaties effecten hebben op hetzelfde NNB gebied. Daarvoor zijn de onderlinge afstanden tussen de locaties en de NNB gebieden te groot. Alleen in het kader van soortenbescherming is een cumulatief effect mogelijk indien meerdere windparken aanvaringsslachtoffers veroorzaken onder dezelfde soorten en populaties. Tot slot is het wel mogelijk dat er op soortniveau cumulatieve effecten optreden (zowel vogels als vleermuizen). De kans dat echter zodanige effecten worden veroorzaakt dat deze leiden tot een overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm is, gezien de omvang van de projectlocaties, klein. Echter dit aspect zal in een vervolgonderzoek voor een individueel project nader beschouwd moeten worden.
8.4
Mitigerende maatregelen en optimalisatie Met mitigerende maatregelen kunnen (negatieve) effecten verminderd dan wel voorkomen worden. Hieronder is een aantal mogelijke generieke mitigerende maatregelen beschreven. Het toepassen van mitigerende maatregelen is afhankelijk van het uiteindelijk gekozen windturbinetype en de exacte locatie van de windturbines. Vleermuizen De vliegactiviteit van vleermuizen is het hoogst tijdens kalme en warme zomernachten, met weinig wind en temperaturen hoger dan ongeveer 12 °C. Vrijwel alle vliegactiviteit vindt plaats bij windsnelheden lager dan 5 6 m/s. De relatie tussen windsnelheid en vliegactiviteit biedt mogelijkheden voor mitigatie. De circa 3-4 m/s; indien de cut-in speed 's nachts (in de zomerperiode en bij temparturen boven 12 °C) wordt verhoogd naar 5-6 m/s betekent dit dat er vrijwel geen vleermuizen meer vliegen als de turbine operationeel wordt. Deze maatregel kan het aantal slachtoffers met circa 80 90% reduceren. Vogels Als maatregel om het aantal slachtoffers onder trekkende vogels te beperken, kan aan een vogelradar (systeem dat vogels detecteert en de windturbines kortstondig uitschakelt) of een camerasysteem worden gedacht. Dit kan leiden tot een reductie van het aantal aanvaringen. Eventueel en indien nodig kunnen effecten worden gereduceerd door middel van een stilstandvoorziening (evt.
in combinatie met een vogelradar of camera). Verstoring van broedende vogels kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren, dan wel op te starten voor het broedseizoen van vogels en door te laten lopen in het broedseizoen. Overig beschermde soorten Voor overig beschermde soorten, zoals amfibieën, reptielen en overige zoogdieren, is de exacte locatie van de windturbines en bijbehorende voorzieningen zoals wegen en opstelplaatsen van belang, alsmede de periode en wijze van uitvoering. Door rekening te houden met de aanwezige natuurwaarden, kunnen effecten worden beperkt. NNB Voor locaties 2, 3, 4A en 4B geldt dat er ruimte is in het gebied om de windturbines van de voorbeeldopstelling te plaatsen buiten NNB. Daarmee is deze locatie te optimaliseren om het effect op NNB te verminderen. Voor locatie 1 geldt deze mogelijkheid niet. PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 87
8.5
Vergelijking en samenvatting effectbeoordeling In de volgende tabel is de score van alle locatiealternatieven van hiervoor samengebracht ter vergelijking. Tabel 8.6 Vergelijking en samenvatting effectbeoordeling Gemeentelijk weidevogel gebied
Effectbeoordeling Natura 2000
Effectbeoordeling Soorten
Effectbeoordeling NNB
1
0
-
-
0
2
0
-
0
-
3
0
-
0/-
0/-
4A
0
0/-
0/-
-
4B
0
0/-
0
0/-
Zoekgebied
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 88
9 Landschap 9.1
Beleid, wetgeving en beoordelingskader
9.1.1
Beleid en wetgeving Nationaal Beleid Op dit moment wordt de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ontwikkeld en uitgewerkt. Deze NOVI geeft de komende jaren richting aan de inrichting van de (fysieke) leefomgeving van Nederland. Daarbij richt zij zich op vier prioriteiten. Het ruimte maken voor de energietransitie is daar één van. Daarbij gaat het onder meer om het inpassen van verschillende vormen van energieproductie zoals wind- en zonne-energie in het landschap. De uitgangspunten die bij het uitwerken van de vier prioriteiten gehanteerd worden zijn: Het maken van slimme combinaties waar mogelijk (meervoudig grondgebruik); Het centraal stellen van (bestaande) gebiedskenmerken; en Het niet afwentelen van ruimtelijke opgaven naar andere plekken of naar latere momenten. De inrichtingsalternatieven voldoen in verschillende mate aan deze uitgangspunten. Bij de beoordeling van hun effect op landschap wordt hier indien relevant op ingegaan.
Provinciaal beleid eleid met betrekking tot windenergie. In dat beleid gaat men er vanuit dat grote windturbines een tijdelijk fenomeen zullen zijn in het Brabantse landschap en dat zij rond 2050 vervangen zijn of zullen worden door innovatieve vormen van energie-opwek. Tot die tijd zet Noord-Brabant in op realisatie van breedgedragen, veelal coöperatieve vormen van energieproductie, die in participatietrajecten tot stand komen. Vervlochten met andere functies en voldoende om zelfvoorzienend te zijn. De (Interim) Omgevingsverordening geeft richtlijnen voor het ruimtelijk ontwerp van windopstellingen. Die zijn landschappelijk gezien mogelijk als ze inpasbaar zijn in de omgeving, als er sprake is van geclusterde opstellingen van minimaal drie turbines en als de betreffende ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten. Verder wordt ook aangegeven dat windopstellingen voor maximaal 25 jaar mogen worden vergund en dat daarna de bestaande (landschappelijke) toestand van vóór de vergunningverlening wordt hersteld. In principe zijn binnen de richtlijnen nieuwe windopstellingen zowel in het landelijk als het stedelijk gebied mogelijk. Een groot deel van het grondgebied van de gemeente Meierijstad is bestempeld als groenblauwe mantel.
Daarvoor geldt dat wordt ingezet op het behoud, herstel of duurzaam ontwikkelen van het watersysteem met de daarmee samenhangende landschappelijke waarden, het beschermen van landschappelijke waarden en het borgen van het leveren van een positieve bijdrage aan die waarden door nieuwe ontwikkelingen.
Gemeentelijk beleid De landschapsontwikkelingsplannen van de voormalige gemeenten Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode hadden vooral betrekking op het behouden van de belangrijkste kenmerken en kwaliteiten van de verschillende landschapstypen binnen de gemeenten. Zij deden echter nog geen specifieke uitspraken over de inpassing van moderne windturbines in het landschap. In de Omgevingsvisie wordt met betrekking tot windenergie gesteld dat windturbines niet op esthetische of principiële gronden worden uitgesloten,
PlanMER windenergie 720180 | Afwegingskader duurzame energie | V2.0 | 2-9-2022 Pagina 89