CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Morschehoef 1 Erp (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 15 december 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Morschehoef 1 te Erp'34.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hydrologisch neutraal bouwen In het vGRP+ is opgenomen dat er bij een toename van het afstromend verhard oppervlak met een omvang van 0 tot 10.000 m² sprake dient te zijn van een berging van 60 mm waarbij de voorkeursvolgorde infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering is. Indien een retentieopgave binnen een gebied van toepassing is wordt met de ontwikkelde partij(en) bekeken of er kansen zijn om gelijktijdig de waterkwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te verhogen, bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding, etc. Het uitgangspunt is dat de retentievoorziening binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Daar waar mogelijk wordt beoogd om retentievoorzieningen te combineren.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

30

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.2.3

Toets

4.2.3.1

Keur

Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd gebied waterhuishouding of in een attentiegebied. Deze herbestemming ziet niet toe op negatieve aspecten op het vlak van grondwateronttrekking of waterhuishouding. In de directe nabijheid zijn eveneens geen a-watergangen met beschermingszones gelegen. Er volgen geen regels uit de keur met betrekking tot deze herbestemming. 4.2.3.2

vGRP+

Binnen het plangebied is geen sprake van uitbreiding van het verhard oppervlak. Deze herbestemming is hydrologisch neutraal. Er volgen geen kaders voor deze omgevingsvergunning uit het verbreed Gemeenlijk Rioleringsplan. 4.2.3.3

Wateraspecten binnen het plangebied

Binnen het plangebied wordt bestaande bebouwing herbestemd De herbestemming is hydrologisch neutraal. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. De bodem bestaat aan de voorzijde, direct parallel aan de Morschehoef uit een laarpodzolgrond bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21) waarna dit richting het oosten overgaat in een hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Navolgende figuur geeft een uitsneden uit de kaart met bodemkundige hoofdeenheden, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 14: Uitsnede kaart met bodemkundige hoofdeenheden waarop het plangebied is aangeduid

De GHG bedraagt 80 tot 100 cm-mv en. Navolgende figuur geeft een kaart met de GHG binnen het plangebied.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

31

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

Plangebied Figuur 15: Uitsnede kaart met GHG binnen het plangebied

4.2.3.4

Conclusie

Voor wat betreft de omgang met hemelwater en afvalwater vinden er binnen het plangebied geen veranderingen plaats. Het hemelwater dat valt op daken en verharding vloeit af op omliggende gronden. De ontwikkeling is hydrologisch neutraal en de bodem is geschikt voor infiltratie van hemelwater.

4.3 Cultuurhistorie 4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1

Inleiding

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een aanvraag aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. 4.3.1.2

Erfgoedvisie gemeente Meierijstad 2020-2030

De gemeente Meierijstad heeft op 27 januari 2021 de Erfgoedvisie ‘Verbindend erfgoed’ vastgesteld. De gemeente Meierijstad is rijk aan cultureel erfgoed. Er is breed maatschappelijk draagvlak in Meierijstad om met dit erfgoed zorgvuldig om te gaan. Het erfgoed van Meierijstad vormt de basis van de identiteit van Meierijstad. Het doel is dit erfgoed in goede staat door te geven aan volgende generaties door de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen. De Erfgoedvisie bestaat uit een visie een uitvoeringsprogramma. De visie en bijbehorende ambities zijn vertaald naar de volgende zes thematische beleidsspeerpunten: 

De basis op orde brengen en houden.

Ontwikkelen: erfgoed en ruimte.

Toegankelijk en beleefbaar maken van erfgoed.

Inspiratie en richting bieden aan maatschappelijke opgaven.

Kennisontwikkeling en kennisoverdracht.

Samenwerken: erfgoed verankeren in de samenleving.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.3.2

Toets

4.3.2.1

Omgeving

Het plangebied is gelegen aan de Morschehoef 1 te Erp. De Morschehoef overgaand in de Kraanmeer betreft de belangrijkste ontsluitingsweg vanaf Erp naar Uden aan de noordzijde van het dorp. Erp is een dorp met een lange geschiedenis. Erp is ontstaan wegens de nabije ligging van de Aa. Het dorp is ontstaan op de hoger gelegen oeverwallen langs de Aa nabij een doorwaardbare plaats. Op de rand van de hoger gelegen dekzandrug ontstond een krans van gehuchten. Grote delen van het gebied waren tot ongeveer 1900 niet ontgonnen, maar met heide begroeid. Op de hoger gelegen gronden rond Erp werd eeuwenlang een mengsel opgebracht van heideplaggen en mest. Daardoor zijn deze gronden nog hoger in het landschap komen te liggen en is op deze oude akkers een dikke humeuze eerdlaag ontstaan, de enkeerdgronden. Aan de rand van de oude akkers ontstaan de bebouwingsconcentraties. De gronden langs de Aa zijn al eeuwenlang in gebruik zijn als bouwland. De eerste bewonerssporen stammen al uit de derde eeuw voor Christus. In de huidige verschijningsvorm van het dorp Erp heeft het Rooms-Katholieke geloof een belangrijke rol gespeeld. Rond de 10e eeuw werd Erp een heerlijkheid, waardoor in de loop der eeuwen enkele heren eigenaren werden van veel land en boeren horigen werden. Al heel vroeg was er sprake van gemeenschappelijke gronden rond de akkers die in particulier eigendom bij de boeren waren.

Deze gemeenschappelijke gronden bestonden uit bossen, weilanden, heidevelden, vennen en moerassen, die werden gebruikt voor het steken van plaggen, het kappen van hout en het weiden van het vee. De oude kerk van Erp stamt waarschijnlijk uit het einde van de 15e eeuw (en delen wellicht al uit de 13e eeuw). De oude kerk is in 1842 afgebroken. Het dorp Erp bestond aanvankelijk bestond uit twee zwaartepunten, één rond de kerk en één bij de brug over de Aa. Vanaf 1830 ontstaat een nieuwe krans van gehuchten in samenhang met een ontginning van heidegronden. In de eeuw daarna groeien de losse kerntjes aaneen tot een dorp. De bebouwing bestaat dan nog steeds uit min of meer ongeplande lintbebouwing. Pas na 1950 worden planmatig woongebieden en het bedrijventerrein ontwikkeld. Rond 1950 is er in de dorpsstructuur van Erp weinig veranderd ten opzichte van 1900. Dit betreft met name de normalisatie van de Aa. In het dorp zijn in 1975 de eerste woonwijken gebouwd, windmolens vervangen door silo’s, er is een begin gemaakt met het bedrijventerrein, Het plangebied is gelegen in de historische krans van oude gehuchten ten noorden van Erp. Deze gehuchten zijn uitgegroeid tot bebouwingsconcentraties in het buitengebied. De structuur van de bebouwingsconcentratie Morschehoef is ongewijzigd gebleven.

Navolgende figuur geeft een beeld van cultuurhistorische waarden rondom Erp, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

Plangebied

Figuur 13: Beeld van ontginningsstructuur in de omgeving rond Erp, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

4.3.2.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Morschehoef en is hiermee gelegen in een oude ontginning. De gronden zijn ontgonnen voor de landbouw. Binnen het plangebied of in de nabije omgeving hiervan zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Deze ontwikkeling betreft een functiewijziging van de gebouwen. Er vindt geen afbraak of nieuwbouw plaats. De functiewijziging leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied of cultuurhistorische waarden in de omgeving.

4.4 Archeologie 4.4.1

Beleidskader

4.4.1.1

Erfgoedwet

Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het college van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.4.1.2

Gemeentelijke archeologiebeleid

Erfgoedvisie De gemeente Meierijstad heeft op 27 januari 2021 de Erfgoedvisie ‘Verbindend erfgoed’ vastgesteld ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden. In deze visie is omschreven hoe de gemeente Meierijstad streeft naar behoud van deze waarden. Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart De (voormalige) gemeente Veghel heeft de archeologische verwachtingswaarden binnen dit grondgebied geïnventariseerd en weergegeven op de archeologische verwachtingskaart. Navolgende figuur geeft een kaart van deze inventarisatie, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 24: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Het plangebied kent een middelhoge archeologische verwachting en er geldt een verstoringsgrens van 250 m². De archeologische verwachtingswaarden zijn door de (voormalige) gemeente Veghel in het bestemmingsplan Buitengebied vertaald in archeologische dubbelbestemmingen.

4.4.2

Toets

Deze herbestemming heeft betrekking op herbestemming van bestaande bebouwing en leidt niet tot een bodemverstoring. Alle gebouwen blijven ongewijzigd gehandhaafd. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.5 Natuur en ecologie 4.5.1

Beleidskader

4.5.1.1

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: 

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

alle Natura 2000-gebieden.

Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met het Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 23: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied

4.5.1.2

Stikstofdepositie

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000 gebied. Dit kan met Aerius Calculator worden berekend. 4.5.1.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw plan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.

4.5.2

Toets

4.5.2.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Nederland. In de omgeving van het plangebied zijn geen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden gelegen. Het dichtstbijzijnd gelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft het gebied ‘Deurnesche Peel & Mariapeel’. Dit gebied is gelegen op

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

een afstand van meer dan 19 kilometer tot het plangebied. Het plangebied is gelegen op een dermate grote afstand van het meest dichtbijgelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied, dat deze herbestemming geen effect kan hebben op natuurwaarden binnen dit gebied. 4.5.2.2

Stikstofdepositie

Met deze herbestemming wordt een agrarische bedrijfsbestemming herbestemd naar een woonbestemming. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het (maximale) grondgebruik binnen het plangebied. Het plangebied wordt in gebruik genomen voor woondoeleinden. Hiervoor worden de bestaande woning en bestaande bijgebouwen gebruikt. Deze herbestemming heeft geen bouwwerkzaamheden tot gevolg noch wijzigingen in verkeer van en naar het plangebied. Deze herbestemming heeft geen effect van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar op een gevoelig gebied tot gevolg. Dit is nader uiteengezet in het onderzoek hiervoor, opgesteld door NOX Advies met datum 21 september 2021. 4.5.2.3

Soortenbescherming

Met deze herbestemming wordt een agrarische bedrijfsbestemming herbestemd naar een woonbestemming, waarbij de bestaande bebouwing herbestemd wordt. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het (maximale) gebruik binnen het plangebied. Het plangebied wordt in gebruik genomen voor woondoeleinden. Hiervoor worden de bestaande woning en bestaande bijgebouwen herbenut. Deze herbestemming heeft geen bouw- of sloopwerkzaamheden tot gevolg. In samenhang met deze herbestemming wordt het plangebied landschappelijk ingepast in de omgeving. Dit heeft slechts een positief effecten voor wat betreft soortenbescherming.

4.6 Geluid 4.6.1

Beleidskader

4.6.1.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 4.6.1.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.6.2

Toets

4.6.2.1

Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied wordt geen geluidgevoelig object toegevoegd. De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied wordt herbestemd naar een reguliere woning. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. 4.6.2.2

Industrielawaai

Er is geen sprake van vestiging van een activiteit waar sprake is van industrielawaai. Deze bestemming heeft geen gevolgen voor geluid in het kader van industrielawaai. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk.

4.7 Geurhinder 4.7.1

Beleidskader

4.7.1.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.7.1.2

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 4.7.1.3

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie. 4.7.1.4

Gemeentelijk beleidskader

Geldend beleid De Wet geurhinder en veehouderij biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen door het vaststellen een gemeentelijke verordening. De voormalige gemeente Veghel had een geurverordening. Echter heeft de gemeente Meierijstad niet binnen twee jaar na haar oprichting

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

een geurverordening vastgesteld. Daarom moet worden teruggevallen op de standaardnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Ontwerp Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad De gemeente heeft het ontwerp van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad vastgesteld. Dit plan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving voor de gemeente Meierijstad. In de (overgangs)Verordening fysieke leefomgeving zijn alle regels uit de huidige verordeningen van de gemeente Meierijstad gebundeld. De normen voor geur zijn er ook in opgenomen. In afwijking van artikel 3, eerste lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 7.3 eerste lid van deze verordening: I.

Landelijk gebied, hoofdfunctie natuur 8 ouE/m³.

II.

Landelijk gebied, agrarisch 12 ouE/m³.

III.

Landelijk gebied, verweving van functies 8 ouE/m³.

IV.

Centrumdorps gebied 2 ouE/m³.

V.

Centrumstedelijk gebied 2 ouE/m³.

VI.

Verstedelijkt (woon)gebied 2 ouE/m³.

VII.

Lichte bedrijvigheid 8 ouE/m³.

VIII.

Zware bedrijvigheid 12 ouE/m³.

Het plangebied is aangeduid als gelegen binnen het landelijk gebied, hoofdfunctie Landelijk gebied, verweving van functies. Navolgende figuur geeft een uitsneden van de normenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Plangebied

Figuur 16: Uitsnede normenkaart ontwerp Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

4.7.1.5

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.7.1.6

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De achtergrondbelasting is maatgevend voor het woon- en leefklimaat, tenzij de voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. Alsdan is de voorgrondbelasting bepalend. 4.7.1.7

Belangen veehouderij en derden

Als gevolg van deze ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen.

4.7.2

Toets

4.7.2.1

Achtergrondbelasting

Binnen het plangebied wordt een agrarische bedrijfswoning, niet zijnde bij een veehouderij herbestemd naar een woonbestemming. Dit wijzigt niets aan de geurgevoeligheid van deze woning. Navolgen figuur geeft de berekening van het woon- en leefklimaat na sanering van de veehouderij weer. De invoergegevens van de berekening behoren als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Berekende ruwheid: 0,19 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 168506 m Rasterpunt linksonder y: 400768 m Gebied lengte (x): 4000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 4000 m , Aantal gridpunten: 50

X-coördinaat

Y-coördinaat

Geurbelasting

Hoek plangebied

170506

402768

18,128

NW

170517

402769

19,047

NO

170509

402744

20,334

ZW

170506

402769

18,137

NW

Figuur 17: Achtergrondbelastingberekening voor het plangebied

De achtergrondbelasting bedraagt binnen het plangebied 18 tot 20,3. Hiermee is binnen het plangebied een matig woon en leefklimaat aanwezig. Er is geen sprake van de toevoeging van een gevoelig object. De woning is reeds gevoelig voor geur. Het woon- en leefklimaat binnen het plangebied is acceptabel. 4.7.2.2

Voorgrondbelasting

De voorgrondbelasting is niet van toepassing bij deze herbestemming. De naar een woonbestemming her te bestemmen woning bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij is reeds een

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

voor geurgevoelig object. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet bij deze herbestemming. Het plangebied is niet gelegen binnen een aan te houden afstand van 50 meter tot een veehouderij waar geen sprake is van een geuremissie maar van een aan te houden vaste afstand van 50 meter.

4.7.2.3 Belangen veehouderij en derden De naar woonbestemming her te bestemmen woning bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij is reeds een voor geurgevoelig object. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet bij deze herbestemming. Met deze herbestemming worden belangen van derden niet onevenredig geschaad.

4.8 Gezondheid 4.8.1

Beleidskader

4.8.1.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.8.1.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.

4.8.2

Toets

4.8.2.1

Endotoxinen

Binnen het plangebied is geen sprake van de toevoeging van een gevoelig object in het kader van endotoxinen. Een agrarische bedrijfswoning, niet zijnde een veehouderij wordt herbestemd naar een reguliere woonbestemming. Hiermee is geen sprake wijziging van gevoeligheid van deze woning. Overigens is het plangebied ook niet gelegen binnen een endotoxine-contour. Navolgende tabel geeft een beeld met ligging van agrarische bedrijven de omgeving waar varkens of pluimvee wordt gehouden en de aan te houden richtlijnafstand tot deze bedrijven. Veehouderij

Fijn stof emissie

Aan te houden afstand

Feitelijke afstand

Schuurhoek 5

338 kg/jaar varkens

118 meter

140 meter

Morschehoef 8

347 kg/jaar varkens

120 meter

190 meter

Looieind 20

679 kg/jaar pluimvee

160 meter

> 680 meter

Tabel 2: Toets aan de aan te houden afstanden in het kader van endotoxinen

Er is in de omgeving geen sprake van de aanwezigheid van bedrijven met een combinatie van varkens en pluimvee. In het stappenplan van de GGD is een te hanteren achtergrondbelasting van maximaal 10 ouE/m³ opgenomen. De achtergrondbelasting binnen de planlocatie voldoet niet aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 ouE/m. Dit plan voorziet echter in de wijziging van een reeds bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen naar een burgerwoning met bijgebouwen voor privégebruik. In beide gevallen is er sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het stappenplan van de GGD hoeft daarom voor dit plan niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. 4.8.2.2

Geitenhouderij

Binnen het plangebied is sprake van een bedrijfswoning die wordt herbestemd naar een woonbestemming. Er is geen sprake van toevoeging of wijziging van gevoelige objecten. Het plangebied is overigens ook niet gelegen binnen een afstand van twee kilometer tot een geitenbedrijf.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.8.2.3

Gewasbeschermingsmiddelen

Binnen het plangebied is sprake van herbestemming van een voormalig agrarisch bedrijf. De voormalige bedrijfswoning krijgt hiermee een woonbestemming. Er is geen sprake van toevoeging of wijziging van gevoelige objecten. Deze wijziging leidt niet tot een onacceptabel woon- en leefklimaat in het kader van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Er zijn in de omgeving van het plangebied zijn geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Op een afstand van 30 meter tot het plangebied vindt tuinbouwteelt op containervelden plaats. Indien op containervelden gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt wordt dit niet toegediend middels opwaarts spuiten, maar neerwaarts via maatwerk per plant. Niet aannemelijk is dat er geen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat in relatie tot driftzonering.

4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.9.1

Beleidskader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De (indicatieve) lijst Bedrijven en Milieuzonering geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

4.9.2

Toets

4.9.2.1

Inleiding

In het kader van de richtlijn Bedrijven en milieuzonering is het plangebied dat gelegen is binnen een bebouwingsconcentratie te beschouwen als gelegen in een gemend gebied. In de omgeving zijn agrarische bedrijven, woningen, een detailhandel en een agrarisch-technisch hulpbedrijf gelegen. 4.9.2.2

Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Navolgende tabel geeft een beeld van de ligging van bedrijven in de omgeving tot het plangebied en de aan te houden richtafstanden binnen een gemengd gebied. Adres

Bedrijf

Richtlijnafstand in meters binnen

Werkelijke afstand

een gemengd gebied

tot het plangebied

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Schuurhoek 5

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Varkenshouderij

100

10

30

0

140 meter

43

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

Morschehoef 8

Varkenshouderij met veehan-

100

10

30

0

180 meter

del als nevenactiviteit Morschehoef 12

Detailhandel

0

0

0

0

300 meter

Morschehoef 13

Agrarisch technisch hulpbe-

10

0

30

30

320 meter

drijf Tabel 3: Beeld van bedrijven in de omgeving van het plangebied met bijbehorende aan te houden richtafstanden binnen gemengd gebied

Op basis van de richtlijn bedrijven en milieuzonering wordt voldaan aan de aan te houden richtlijnafstanden. 4.9.2.3

Toets aan bedrijvigheid binnen het plangebied

Het plangebied wordt herbestemd van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij naar een woonbestemming. Er is met deze herbestemming geen sprake meer van agrarische bedrijfsbestemming binnen het plangebied.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1

Beleidskader

4.10.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1.

beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en;

2.

voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 4.10.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg geldt een ondergrens van 1.500 woningen. 4.10.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

4.10.1.4 Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

4.10.2

Toets

4.10.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Binnen het plangebied vindt geen toename van bebouwing of intensivering van gebruik plaats. De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt herbestemd naar een reguliere woning. Dit plan draagt In Niet Betekenende Mate bij aan de luchtkwaliteit. 4.10.2.2 Fijnstof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 18: Kaart met fijnstof-uitstoot 2019 PM10 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

Plangebied

Figuur 19 Kaart met fijnstof-uitstoot 2019 PM2,5 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11 µg/m³. Er worden geen gevoelige bestemmingen toegevoegd. Er is er in het kader van fijnstof uitstoot echter sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.10.2.3 Stikstofdioxide Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied

Figuur 20 Kaart met uitstoot stikstofdioxide 2019, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16 µg/m³. Er is er in het kader van stikstofuitstoot sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.10.2.4 Besluit gevoelige bestemmingen Er worden geen gevoelige bestemmingen toegevoegd. Hiermee is het besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.11 Externe veiligheid 4.11.1

Beleidskader

4.11.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: 

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

Structuurvisie buisleidingen;

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.11.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

4.11.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.11.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

4.11.2

Toets

4.11.2.1 Inrichtingen Het plangebied betreft geen inrichting in het kader van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen een zonering van een inrichting die relevant is in het kader van gevaarlijke stoffen. 4.11.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Er vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In de risicoatlas van Noord-Brabant zijn transportleidingen voor gevaarlijke stoffen en risicobronnen opgenomen. De rijksweg A50 waarover wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt bevindt zich op een afstand van meer dan vier kilometer tot het plangebied. Bij dergelijke afstanden kan worden gesteld dat beïnvloeding niet zal plaatsvinden. 4.11.2.3 Transport van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied is niet gelegen binnen zonering van een waterweg waarover gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd. Dit aspect is niet van toepassing. 4.11.2.4 Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied tot een spoorlijn. Dit aspect is niet van toepassing. 4.11.2.5 Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Het plangebied is buiten aan te houden risicocontouren gelegen.

4.11.2.6 Transport via hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Dit aspect is niet van toepassing.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

48

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

4.12 M.e.r.-Beoordeling 4.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.

In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

4.12.2

Toets

Deze herbestemming betreft de wijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een woonbestemming. Als zodanig valt de voorgenomen ontwikkeling niet onder een van de categorieën zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. Het Besluit m.e.r. is daardoor niet van toepassing en de voorgenomen ontwikkeling is niet mer-beoordelingsplichtig.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

49

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

5.

UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor deze herbestemming sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Hiermee is kostenverhaal zeker gesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze herbestemming is middels een omgevingsdialoog toegelicht aan de omgeving. Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden over vaststelling van dit bestemmingsplan.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

50

Morschehoef 1 Erp - Toelichting

6.

PROCEDURE

6.1 Wettelijke procedure De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

-

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

-

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

6.2 Overleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Dit plan is voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. Zij hebben middels een vooroverlegreactie met dit plan ingestemd. Waterschap Aa en Maas is na een tekstuele wijziging akkoord met het plan.

6.3 Zienswijzen PM

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

51

BESTEMMINGSPLAN MORSCHEHOEF 1 ERP ONTWERP REGELS NL.IMRO.1948.BGV000BP0032021P-ON01

Crijns Rentmeesters bv 21 juni 2022

Morschehoef 1 Erp - Regels

INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1

INLEIDENDE REGELS ........................................................................... 4

Artikel 1

Begrippen ....................................................................................................................... 4

Artikel 2

Wijze van meten .......................................................................................................... 13

HOOFDSTUK 2

BESTEMMINGSREGELS ..................................................................... 14

Artikel 3

Agrarisch met waarden .............................................................................................. 14

3.1

Bestemmingsomschrijving ................................................................................................ 14

3.2

Bouwregels........................................................................................................................ 14

3.3

Afwijken van de bouwregels .............................................................................................. 14

3.4

Specifieke gebruiksregels ................................................................................................. 15

Artikel 4

Groen - Landschapselement ...................................................................................... 16

4.1

Bestemmingsomschrijving ................................................................................................ 16

4.2

Bouwregels........................................................................................................................ 16

4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ................................................................................................................ 16

Artikel 5

Wonen .......................................................................................................................... 18

5.1

Bestemmingsomschrijving ................................................................................................ 18

5.2

Bouwregels........................................................................................................................ 18

5.3

Afwijken van de bouwregels .............................................................................................. 20

5.4

Specifieke gebruiksregels ................................................................................................. 21

5.4.2

Landschappelijke inpassing .............................................................................................. 21

5.5

Afwijken van de gebruiksregels ......................................................................................... 22

Artikel 6

Waarde - Archeologie 3 .............................................................................................. 25

6.1

Bestemmingsomschrijving ................................................................................................ 25

6.2

Bouwregels........................................................................................................................ 25

6.3

Afwijken van de bouwregels .............................................................................................. 25

6.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ................................................................................................................ 25

6.5

Wijzigingsbevoegdheid ..................................................................................................... 26

HOOFDSTUK 3

ALGEMENE REGELS .......................................................................... 27

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel...................................................................................................... 27

Artikel 8

Algemene bouwregels ................................................................................................ 28

8.1

Bestaande maten .............................................................................................................. 28

8.2

Ondergeschikte bouwdelen ............................................................................................... 28

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Morschehoef 1 Erp - Regels

Artikel 9

Algemene gebruiksregels .......................................................................................... 29

9.1

Strijdig gebruik................................................................................................................... 29

9.2

Voorwaardelijke verplichting parkeren .............................................................................. 29

9.3

Manoeuvreerruimte en ruimte voor laden en lossen bij parkeren..................................... 29

9.4

Afwijkingsbevoegdheid parkeernorm ................................................................................ 30

Artikel 10

Algemene aanduidingsregels ................................................................................ 31

10.1

Groenblauwe mantel ......................................................................................................... 31

10.2

Vrijwaringszone - radar ..................................................................................................... 31

Artikel 11 11.1

Algemene afwijkingsregels .................................................................................... 32

Algemeen .......................................................................................................................... 32

HOOFDSTUK 4 Artikel 12

OVERGANGS- EN SLOTREGELS ....................................................... 33

Overgangsrecht ....................................................................................................... 33

12.1

Overgangsrecht bouwwerken ........................................................................................... 33

12.2

Overgangsrecht gebruik .................................................................................................... 33

12.3

Hardheidsclausule ............................................................................................................. 33

Artikel 13

Slotregel ................................................................................................................... 34

BIJLAGE 1. Landschappelijk inpassingsplan

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Morschehoef 1 Erp - Regels

HOOFDSTUK 1 Artikel 1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

1.1

plan

het

bestemmingsplan

'Morschehoef

1

Erp'

met

identificatienummer

NL.IMRO.1948.BGV000BP0032021P-ON01 van de gemeente Meierijstad; 1.2

bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge de regelsregels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aansluitend terrein

aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied; 1.6

achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.7

achtergevel

een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel; 1.8

afhaalpunt

een locatie waar de consument uitsluitend - voorafgaande aan het bezoek - via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten; 1.9

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren; 1.10

agrarisch grondgebruik

gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of door middel van het houden van dieren;

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Morschehoef 1 Erp - Regels

1.11

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden; 1.12

archeologisch onderzoek

onderzoek, verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; 1.13

bed & breakfast

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.14

bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven

de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke; 1.15

bedrijfswoning/dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor de huisvesting van een huishouden dat daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.16

beleidsregel parkeren

een beleidsregel die voor de uitoefening van de in het plan opgenomen regels uitleg geeft met betrekking tot het aspect parkeren, als bedoeld in artikel 3.1.2, lid 2 onder 'a.' van het Besluit ruimtelijke ordening; 1.17

begane grondvloer

de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.18

beroep of bedrijf aan huis

het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend; 1.19

bestaande aantal woningen

woningen die legaal aanwezig zijn op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt, woningen die gebouwd mogen worden op grond van een geldend bestemmingsplan en woningen waarvoor een omgevingsvergunning verleend is; 1.20

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Morschehoef 1 Erp - Regels

1.21

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.22

bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.23

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 

aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw,

dat door

zijn verschijningsvorm

in bouwkundig, (constructie),

architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; 

aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;

vrijstaand

bijgebouw:

een vrijstaand

gebouw

dat

zowel in bouwkundig (constructie),

architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 

uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt.

1.24

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.25

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een dakterras, onderbouw en zolder; 1.26

bouwperceel

aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

Morschehoef 1 Erp - Regels

1.27

bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel; 1.28

bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de aarde; 1.29

carport

een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; 1.30

dagrecreatie

recreatief gebruik van gronden voor een periode niet langer dan een dag; 1.31

dak

elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.32

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6943bce8-52a6-46cc-987b-cdcc73a6fc5c