Bestemmingsplan herziening tennispark de Krekel
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
29
Gezond en schoon water Doelstellingen op dit punt betreffen het verbeteren van (mogelijk) verontreinigde waterbodems en het afvalwater zo goed mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten te blijven zuiveren. Hiertoe zal de samenwerking met gemeenten in de waterketen verder worden verbeterd. Tot slot blijft het waterschap initiatieven, om diffuse verontreinigingen terug te dringen, stimuleren. Natuurlijk water De doelstelling is onder ander om 30 kilometer beek herstellen en 120 kilometer ecologische verbindingszones aan te leggen samen met gemeenten en terreinbeheerders. Samen met de gemeenten wil de belangrijkste knelpunten in stedelijk gebied aanpakken, zoals blauwalgen en waterstank.
Keur Waterschap Aa en Maas Op 3 maart 2015 is de nieuwe Keur Waterschap Aa en Maas goedgekeurd. De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op verschillende wateren die in het beheer zijn bij het waterschap. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samenhangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk. De waterschapskeuren vormen een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau. Gemeentelijk Waterplan De gemeenten Deurne, Gemert-Bakel en Veghel (deze laatste gemeente is per 1 januari 2017 gefuseerd en hernoemd tot gemeente Meierijstad) en Waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk het Waterplan opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau: Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water. Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.
Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem. Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater. Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie. Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt. De huidige en toekomstige inwoners van Veghel zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. Beleidsnota uitgangspunten Watertoets, Waterschap Aa en Maas: Gescheiden houden van het vuilwater en het schoon hemelwater. Het streefbeeld is het schone regenwater af te koppelen. Hierbij wordt het vuile water via de riolering afgevoerd en blijft het schone regenwater in het ideale geval binnen het plangebied. Voor de afweging van de wijze waarop met het afgekoppelde schone hemelwater dient worden omgegaan gelden de volgende afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’.
Hoofdstuk 4
30
Hydrologisch Neutraal bouwen: Bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. De GHG mag niet verlaagd worden en het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden. Water als kans. De belevingswaarde van water kan bijvoorbeeld voor meerwaarde zorgen. Meervoudig ruimtegebruik. Omdat de m² duur zijn, wordt aangeraden naar meervoudig grondgebruik te kijken. Op deze manier kan het ‘verlies’ van m² door de ruimtevraag van water beperkt worden. Voorkomen van vervuiling. Nieuwe bronnen van verontreiniging dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Rekening houden met waterschapsbelangen.
In de waterparagraaf wordt ingegaan op wateraspecten in en in de omgeving van het plangebied. 4.3.2 Waterhuishoudkundige situatie Bodem en water Het maaiveld ligt op ca. 10,2 m + NAP. Het plangebied is om ruim een kilometer afstand gelegen bij de wijstgronden, deze liggen op de rand van de Peelrandbreuk. De bodem wordt gekenmerkt door hoge zwarte enkeerdgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt circa 40-80 cm-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt circa > 120 cm-mv.
Figuur 4.4: Ligging plangebied grondwatertrappenkaart (Bron: maps.bodemdata.nl)
Beschermde zones Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Bij de planvorming behoeft derhalve geen rekening te worden gehouden met de beperkingen uit de Provinciale Milieu- en Waterplan.
Hoofdstuk 4
31
Keurbescherming en oppervlaktewater In het plangebied zijn geen keurbeschermingsgebieden gelegen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de nabije omgeving is een A-waterloop (in beheer zijnde bij het Waterschap Aa & Maas) aanwezig. De waterloop is op voldoende afstand gelegen, waardoor het initiatief geen directe invloed heeft op het beekje.
Figuur 4.5: Ligging plangebied in Keur 2015 (Bron: Waterschap Aa en Maas)
Rioleringsaspecten/Hemelwater Het bouwvlak neemt in totaal toe met circa 1.000 m². Daarnaast zijn er concrete plannen om de parkeerplaats uit te breiden en te verharden, hiervoor is 560 m² aan verhard oppervlakte aangehouden. In de Keur is opgenomen onder artikel 15, lid 1 dat compensatie voor de toename van verhard oppervlakte niet nodig is, wanneer het oppervlakte kleiner dan 2.000 m² is. Geconcludeerd kan worden dat er voldoende mogelijkheden in het plangebied zelf zijn om het hemelwater af te voeren. Het tennispark wordt omsloten door een groene singel, bosplantsoen en weilanden. De indoortennishal grenst aan een grasveld met zuilbeuken en de multifunctionele ruimte komt uit op een grasveldje dat gebruikt zal worden als speelveldje. In de huidige situatie is erin en nabij het plangebied drukriolering aanwezig. In de beoogde situatie is dit ook het geval. De accommodatie is aangesloten op de riolering. Vuilwater wordt afgevoerd via de drukriolering. Drukriolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater wordt derhalve niet afgevoerd via de riolering. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
Bij uitbreiding van de gebouwen wordt rekening gehouden met de aanwezige kabels en leidingen van Brabant Water en Enexis, alsmede de aanwezige rioolpersleiding van Waterschap Aa en Maas.
Hoofdstuk 4
32
4.4 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Relevantie voor het plangebied Voor tennispark De Krekel is een historische bodemtoets verricht (zie bijlage). Door het invullen van dit formulier is het bodemgebruik in het verleden, nu en in de toekomst duidelijk uiteengezet. Geconcludeerd kan worden dat voor de bodem geen belemmeringen ondervonden worden door de uitvoering van onderhavig initiatief.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.2 Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen De richtafstanden in de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Het plangebied bevindt zich aan de rand van een woonwijk, tegen het buitengebied aan, Er vindt dus menging plaats door burgerwoningen, het tennispark en het agrarische gebied met bijbehorende bedrijven. Er is sprake van een rustige woonwijk.
2
Bedrijven en milieuzonering handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk, uitgave VNG, 2009
Hoofdstuk 4
33
Relevantie voor het plangebied Effecten tennispark op omliggende gevoelige objecten Het tennispark bezit over 11 tennisbanen en 2 padelbanen waarvan verscheidene verlicht zijn. De activiteit is daarom in te delen onder de categorie ‘cultuur, sport en recreatie’, verder gespecificeerd als een ‘tennisbaan (met verlichting)’. Hiervoor wordt milieucategorie 3.1 aangehouden. Een afstand van maximaal 50 meter moet worden aangehouden voor geluid en daarnaast is lichthinder is een aandachtspunt. Ten opzichte van enkele woningen in de omgeving (aan de zuid- en zuidwestzijde) kan niet aan de aan te houden richtafstand van 50 meter voor het tennispark voldaan worden. De geprojecteerde Ruimte-voor-Ruimtewoningen ten noorden van het tennispark (aan de Pastoor van Haarenstraat) komen op een afstand van minimaal 50 meter vanuit de grens van de sportbestemming van het tennispark te liggen.3 Weliswaar ligt de woonbestemming van deze woningen binnen de 50-meter contour, maar omdat in de planregels is bepaald dat woningen op tenminste 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens moeten worden gebouwd, wordt deze afstand gerespecteerd en ontstaat er geen onevenredige hinder of belemmering De woonbestemming ligt weliswaar Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid is in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen een akoestisch onderzoek naar het effect van de inrichting op de omgeving uitgevoerd.
Dit onderzoek is opgenomen als bijlage. In paragraaf 4.8 ‘Akoestiek (industrielawaai)’ wordt verder ingegaan op de resultaten uit dit onderzoek. Voor licht geldt deze richtafstand van 50 meter in beginsel ook, maar vanuit zorgvuldigheid en ter voorkoming van extra lichthinder ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden, is ervoor gekozen om in het toe te voegen sportterrein aan de zuidzijde van het tennispark het plaatsen van lichtmasten, tennisbanen en/of een oefenmuur uit te sluiten.
3
de concretere plannen zoals weergegeven in de landschappelijke inpassing behorende bij het (ontwerp)bestemmingsplan “Buitengebied Veghel, herziening Pastoor van Haarenstraat - Nieuwe Veldenweg” gaan uit van een afstand van circa 56 meter tussen de woning en de grens van de sportbestemming van het tennispark.
Hoofdstuk 4
34
50
meter-con-
tour
Uitbreiding bebouwing: feesten en partijen uitgesloten Uitbreiding Tennispark: lichtmasten, tennisbanen, oefenmuur uitgesloten
Figuur 4.6 bedrijven en milieuzonering
Effecten van overige toegestane functies op gevoelige objecten In planologische zin zijn in het plangebied daarnaast sportactiviteiten en -functies in milieucategorie 1 en 2 toegestaan alsmede ondergeschikte detailhandel (milieucategorie 1), dienstverlening in de vorm van een fysiopraktijk (categorie 1) en horeca (feesten en partijen, categorie 1/2). Deze functies zijn ook betrokken bij de beoordeling, waarbij de richtastand voor detailhandel- en dienstverleningsfuncties (10 meter) niet reikt tot de omliggende woningen. De richtafstand voor de horecafunctie (10/30 meter) zou aan de zuidwestzijde wel tot aan de nabijgelegen woningen komen. Daarom is er voor gekozen om deze functie niet toe te staan in de uitbreiding van de bebouwing zodat er geen sprake is van extra hinder voor deze woningen. Bedrijven in de omgeving Het meest dichtbij gelegen ‘Bedrijf’ is Sportclub Mariaheide op 85 meter. De voetbalclub kan ook ingedeeld worden als categorie 3.1. Beide sportcomplexen belemmeren elkaar niet in de aan te houden afstandseisen. Op 175 meter is het bedrijf Maître Cuisine gelegen. Zij produceren koelverse basisproducten. Het bedrijf beschikt over twee locaties. In Mariaheide is het kantoor gelegen en in Uden worden daadwerkelijk de producten geproduceerd. Voor een kantoor wordt milieucategorie 1 aangehouden (afstandseis 10 meter voor geluid).
Op 165 meter is het gemeenschapshuis gesitueerd en op 170
Hoofdstuk 4
35
meter de basisschool. Voor deze maatschappelijke voorzieningen is milieucategorie 2 toegekend (afstandseis 30 meter). Ook deze functies worden niet belemmerd door het tennispark of andersom. Verder wordt het tennispark voornamelijk omringd door woningen aan het zuidwesten en ten zuidoosten door agrarische gronden. Conclusie Er bevinden zich geen bedrijven in de omgeving van het plangebied waarvan de milieucontouren over het plangebied liggen. Andersom vormt het plan geen extra belemmering voor de omliggende woningen zoals volgt uit het akoestisch onderzoek. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan (het aspect geur wordt in de volgende paragraaf behandeld).
4.6 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Het aspect geur bestaat uit twee delen, namelijk de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wgv is bedoeld om een goed woon- en leefklimaat te creëren op plekken waar gevoelige bestemmingen zijn gelegen. Met beleid kan sturing op de geuruitstoot bij veehouderijbedrijven worden gegeven. Dat betekent dat elke veehouderijbedrijf in het buitengebied een afstand van 50 meter aan dient te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Voor een aantal diersoorten geldt ook nog een geurnorm. Een gemeente wil een acceptabel woon- en leefklimaat realiseren (achtergrondconcentratie) en moet daardoor dus sturing geven op geurveroorzakende objecten (veehouderijbedrijven, voorgrondbelasting). De Wet geurhinder en veehouderij is bedoeld voor veehouderijbedrijven, maar omdat gesteld is dat geurgevoelige objecten veehouderijbedrijven niet mogen belemmeren moet bekeken worden of de ligging van de te realiseren objecten voor een belemmering zorgt. Door sturing te geven op geur veroorzakende objecten wordt een acceptabel woon- en leefklimaat bereikt.
Een veehouderijbedrijf zal pas gaan investeren in maatregelen die geurhinder reduceren wanneer zij een vergunning nodig hebben. Geurhindergevoelige objecten hebben geen geuruitstoot waardoor sturing via deze objecten geen zin heeft / het resultaat wordt nooit bereikt. Centraal in het ruimtelijk ordeningsrecht staat het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’. Zo is in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening bepaald de gemeenteraad voor het gehele grondgebied bestemmingsplannen vaststelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast bepaalt artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat een omgevingsvergunning voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan slechts mag worden verleend indien de activiteiten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Een acceptabel woon- en leefklimaat is hieruit afkomstig, niet uit de Wgv. Relevantie voor het plangebied Belemmering veehouderijbedrijven Voor veehouderijbedrijven geldt dat zij moeten voldoen aan de geurverordening. Dit houdt in dat voor een gedeelte van het plangebied de geurnorm van 3 OU/m3 (odeur units) en een gedeelte van het
Hoofdstuk 4
36
plangebied de geurnorm van 8 OU/m 3 niet mag worden overschreden. De geurnorm voor veehouderijbedrijven geldt voor geurgevoelige objecten. In dit geval is het veehouderijbedrijf aan de Pastoor van Haarenstraat 85-87 relevant.4 De uitbreiding welke het meest dichtbij Pastoor van Haarenstraat 85-87 is gelegen vindt plaats binnen de bestaande bestemming ‘Sport’. De uitbreiding vindt plaats naar de zijkant, waardoor een voorgrondbelastingberekening noodzakelijk is om eventuele belemmering van onderhavige ontwikkeling aan te tonen. De berekening (zie bijlage) is gedaan volgens de methodiek ‘omgekeerde werking’. Er is zowel getoetst aan 3 OU/m3 als 8 OU/m3, zodat juist getoetst wordt aan de geldende geurverordening. Er is in de berekening rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het bedrijf binnen het bouwvlak. Geconcludeerd wordt dat de geurnormen niet worden overschreden. Het bedrijf wordt niet onevenredig belemmerd door onderhavig initiatief. Er is sprake van een aanvaardbare voorgrondbelasting. Acceptabel woon- en leefklimaat In onderstaande geurkaart van mei 2015 (figuur 4.6) is de achtergrondbelasting rond het plangebied aangetoond.
Conform de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gelden de volgende normen voor bestaande woongebieden en zones grenzend aan woongebieden: De toetswaarde bedraagt 13 OU/m 3; De afwegingsruimte om gemotiveerd af te wijken bedraagt 16 OU/m3
Figuur 4.7: Achtergrondbelasting ter plaatse van Tennispark De Krekel (Bron: ODBN, mei 2015)
Uit figuur 4.7 blijkt dat de achtergrondbelasting in het gehele plangebied tussen de 6-10 OU/m3 bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de toetswaarde uit de beleidsregel en is aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting.
4
Dit bedrijf heeft vergevorderde plannen om de intensieve veehouderij te beëindigen. Er is een ontwerp-bestemmingsplan in procedure gebracht waarbij de veehouderij plaats maakt voor woningbouw. Dit betekent dat de berekende voor - en achtergrondbelastingen in de toekomstige situatie een gunstiger beeld laten zien.
Hoofdstuk 4
37
Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.7 Akoestiek (wegverkeer) In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Een tennispark is geen geluidgevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.
4.8 Akoestiek (industrielawaai) In opdracht van BRO heeft Windmill Milieu en Management een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluiduitstraling van Tennispark De Krekel dat gevestigd is aan de Pastoor van Haarenstraat 81 te Mariaheide in gemeente Meierijstad. In deze toelichting is de conclusie van het rapport opgenomen, voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidniveaus, die door het Tennispark ter hoogte van woningen van derden veroorzaakt worden. Het tennispark wordt uitgebreid in de vorm van het vergroten van de indoor-tennishal aan de voorzijde en het realiseren van een multifunctionele sportaccommodatie (fitness) aan de zijde van de Krekelshofstraat. Beide ontwikkelingen zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan, omdat het bouwen gedeeltelijk ook het bestemmingsvlak niet toereikend zijn. Voor deze ontwikkeling wordt een ruimtelijke procedure gevolgd. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de uitgevoerde berekeningen volgt dat de uitbreiding van het tennispark voor de meeste toetspunten een gunstig effect heeft. Ter plaatse van 5 toetspunten is er sprake van een zeer beperkte toename van de geluidbelasting. De maximale toename bedraagt hier 0,1 dB voor de dag- en avondperiode.
Opgemerkt wordt dat de normstelling van 45 dB(A)-etmaalwaarde uit de Nota industrielawaai reeds in de bestaande situatie overschreden wordt. De beoogde uitbreiding van het tennispark is hiervan niet de oorzaak. De maatgevende geluidbronnen zijn de bestaande tennisactiviteiten op de tennisbanen. Door de uitbreiding is voor woningen zelfs sprake van een overwegend positieve invloed doordat er meer gebouwafscherming gerealiseerd wordt. Gesteld wordt dat de nieuwe ontwikkeling geen verslechtering is maar voor de meeste omliggende woningen zal resulteren in een verbetering van het huidige woon-en leefklimaat in de omgeving van het tennispark. Wanneer getoetst wordt conform de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit, waarbij tevens de impulstoeslag is toegepast, wordt voldaan aan de standaardnormstelling van 50 dB(A)-etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit. De geluidbelasting bedraagt maximaal 48 dB(A)-etmaalwaarde.
Hoofdstuk 4
38
Maximale geluidniveaus De berekende maximale geluidniveaus voldoen in de huidige en de gewenste toekomstige situatie aan de normstelling van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode uit de gemeentelijke Nota industrielawaai. Door de uitbreiding van het tennispark neemt het maximale geluidniveau in de dagperiode met 1 dB toe ter plaatse van de Pastoor van Haarenstraat 72. Voor de overige toetspunten blijven de maximale geluidniveaus gelijk of is er zelfs sprake van een afname van de geluidbelasting (tot maximaal 20 dB in de nachtperiode) door gebouwafscherming. Geconcludeerd wordt dat het huidige woon-en leefklimaat niet nadelig beïnvloed wordt door de uitbreiding van het tennispark. Wanneer getoetst wordt conform de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit, wordt eveneens voldaan aan de normstelling van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Indirecte hinder Zowel in de bestaande als in de situatie met uitbreiding wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde uit de Schrikkelcirculaire. Geconcludeerd wordt dat het huidige woon-en leefklimaat niet nadelig beïnvloedt wordt door de uitbreiding van het tennispark. Goede ruimtelijke ordening Het bevoegd gezag, de gemeente Meierijstad, dient te motiveren waarom het deze geluidbelastingen acceptabel acht.
De gemeente acht het woon- en leefklimaat voor de omgeving aanvaardbaar, onder meer om de volgende redenen: Het betreft een bestaande inrichting; Het effect van de uitbreiding is zeer beperkt nadelig voor een klein aantal woningen, maar heeft voor een groter aantal woningen een overwegend positief effect doordat er meer afscherming gerealiseerd wordt; Er wordt voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit, dat uitgaat van een etmaalwaarde van maximaal 50 dB(A); De in hoofdstuk 5 van het akoestisch onderzoek gemaakte maatregelafweging. Organisatorische maatregelen worden doorgevoerd, overige maatregelen zijn vanuit financieel oogpunt niet doelmatig; Het gebruiken van de uitbreiding voor feesten en partijen is in beginsel uitgesloten; In de huidige bestaande situatie is geen sprake van klachten uit de omgeving. Activiteitenbesluit Bij een beoordeling conform het de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit, zoals weergegeven in paragraaf 2.3.2 wordt voldaan aan de daarin opgenomen normstelling. Conclusie Het akoestisch onderzoek laat zien dat onderhavig initiatief niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen. Geconcludeerd wordt dat het huidige woon- en leefklimaat niet nadelig beïnvloed wordt door de uitbreiding van het tennispark. De optredende geluidniveaus worden acceptabel geacht.
Hoofdstuk 4
39
4.9 Luchtkwaliteit Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2019
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer
180 0,0%
3
0,16
PM10 in μg/m3
0,03
NO2 in μg/m
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 4.8: Resultaat NIBM-Tool (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)
Relevantie voor het plangebied De verkeersbewegingen uit het akoestisch onderzoek zijn in de NIBM-Tool van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ingevuld. De in totaal (maximaal) 180 bewegingen dragen ‘niet in betekende mate’ bij op de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is niet nodig.
4.10 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s als gevolg van de opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een basis beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het invloedsgebied.
Hoofdstuk 4
40
De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de daarmee samenhangende Regeling basisnet. Daarnaast wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. Relevantie voor het plangebied Uit de risicokaart (zie figuur 4.9 op de volgende bladzijde) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden of groepsrisicocontour is gelegen. Op circa 550 meter afstand bevindt zich een varkensfokkerij. De varkensfokkerij beschikt over een propaantank. Hiervoor gelden veiligheidsafstanden conform het Activiteitenbesluit. Deze hebben echter geen invloed op het plangebied en worden derhalve niet verder beschouwd. Op circa 500 meter bevindt zich de A50. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De weg kent geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied reikt echter wel over het plangebied. Er dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Verantwoording groepsrisico 1.
Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand (> 200 meter) tot de risicobron (A50) zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Volgens het Bevt kan daarmee worden volstaan met een beperkte verantwoording. Een beperkte verantwoording gaat – conform artikel 7 van het Bevt – in op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Hoofdstuk 4
41
Figuur 4.9: Ligging van plangebied t.o.v. kwetsbare en risicovolle objecten (Bron: Risicokaart Nederland)
2. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid is (verplicht) advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord (zie bijlagen). Voor de bestrijdbaarheid is het van belang het (de) relevante scenario(’s) te onderscheiden. Gezien de afstand van het plangebied tot de A50 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Voor de Veiligheidsregio heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten. Extra maatregelen zijn daarom niet nodig. 3.
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen.
Hoofdstuk 4
42
Mogelijkheden zelfredzaamheid Voor het toxische scenario geldt schuilen als beste handelingsperspectief. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. In § 3.2 van de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Veghel (per 1 januari 2017 gemeente Meierijstad) staat het verantwoordingskader t.a.v. de A50 beschreven. Op basis van dit verantwoordingskader en het feit dat er bij nieuwbouw als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit deze goed geïsoleerd zijn, waardoor deze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van toxische stoffen, acht de Veiligheidsregio een nader advies voor dit plan niet noodzakelijk. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Meierijstad. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied, omdat de rekenkundige hoogte van het groepsrisico niet toeneemt en er geen negatieve gevolgen zijn voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Het college van B&W van de gemeente Meierijstad heeft kennisgenomen van de inhoud van deze EV-paragraaf en acht het groepsrisico en het restrisico aanvaardbaar.
4.11
Verkeer en parkeren
Binnen de gemeente Meierijstad dienen plannen getoetst te worden aan de in het “Paraplubestemmingsplan parkeren” opgenomen parkeernormen. Relevantie voor het plangebied In de huidige situatie is er voorzien in 33 verharde parkeerplaatsen. Conform het Paraplubestemmingsplan Parkeren van de gemeente Meierijstad moet in geval van uitbreiding van bebouwing en bij een functieverandering worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Door de uitbreiding zal de gemiddelde parkeerdruk op het terrein naar verwachting toenemen. Daarom is de additionele parkeerbehoefte ten gevolge van de uitbreiding van bebouwing en gebruikswijzigingen in beeld gebracht, een en ander conform het paraplubestemmingsplan. In totaal zou er maximaal en wanneer alle functies gelijktijdig volledig benut worden een additionele parkeerbehoefte van 22 parkeerplaatsen ontstaan (zie onderstaande tabel voor berekening, waarbij is gekeken naar de mutaties in grondgebruik en de daarbij behorende parkeernormen).
Hoofdstuk 4
43
Eenheid
Parkeernorm
Parkeerbehoefte
Uitbreiding Tennishal
477 m²
0,5 pp per 100 m² bvo
2,4
Uitbreiding Sportveld
750 m2
23 pp per ha netto terrein
1,7
2
Fysiopraktijk
1 beh. kamer 150 m
2,1 pp per behandelkamer
2,1
Duikservicewinkel/webshop 5
71 m2
2,1 pp per 100 m2 bvo
1,5
2
2
Uitbreiding sportschool/fitness
382 m
5,1 pp per 100 m bvo
19,5
Vermindering areaal sportveld
-/- 1.009 m2
23 pp per ha netto terrein
-/- 2,3
-/- 71 m2
5,1 pp per 100 m² bvo
-/- 3,6
door nieuwbouw Vermindering areaal sportschool Totaal (afgerond)
22
Tabel 4.10: additionele parkeerbehoefte nieuwe functies
Er zullen naast de bestaande 33 parkeerplaatsen 13 nieuwe plaatsen gecreëerd worden aan noordzijde van het pand. Wanneer op piekmomenten de parkeerdruk hoger ligt kan uitgeweken worden naar het parkeerveld aan de noordzijde van het perceel voor circa 10-12 extra parkeerplaatsen. In paragraaf 2.3.3 van deze toelichting is de beoogde toekomstige parkeersituatie ingetekend. Er zijn daarmee ten minste 23 extra parkeerplaatsen beschikbaar, waarmee wordt voldaan aan de normen. Het parkeren kan in de toekomst, net als in de huidige situatie, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Verkeersgeneratie en -afwikkeling Eenheid
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)
Uitbreiding Tennishal
477 m²
22
Uitbreiding Sportveld
750 m2
1556
1 beh. kamer 150 m2
25
71 m2
38
Fysiopraktijk Duikservicewinkel/webshop
7
Uitbreiding sportschool/fitness
2
382 m
183
Vermindering areaal sportveld door
-/- 1.009 m2
-209
-/- 71 m2
-34
nieuwbouw Vermindering areaal sportschool Totaal
180 mvt/etmaal
Tabel 4.11: additionele parkeerbehoefte nieuwe functies
De huidige ontsluiting blijft ook in de toekomst behouden. Er is één algemene entree, die gebruikt wordt voor bezoekers aan het tennispark en de toegevoegde functies. Daarnaast is er een tweede inrit aanwezig die uitsluitend bedoeld is calamiteiteninrit. Dit is in de planregels en op de verbeelding geborgd. Aangenomen mag worden dat de huidige in-/uitrit en de Pastoor van Haarenstraat de toekomstige additionele berekende verkeersgeneratie van 180 mvt/etmaal zonder problemen kan verwerken. Zeker omdat de drukste momenten van het tennispark niet gelijkliggen aan de spitsperiodes voor de weg. Aanpassingen aan de huidige infrastructuur worden dan ook niet noodzakelijk geacht.
5
Gebruik is extensief en beperkt tot enkele dagen per week. Gekozen is voor het toepassen van de norm voor ‘kringloopwinkel’. De CROW hanteert kent geen verkeerskengetallen voor een sportveld. Om deze reden zijn de kengetallen van een sportveld gehanteerd. Dit leidt wel tot een lichte overschatting van de verkeersgeneratie. Dit geldt ook voor de 209 mvt/etmaal die in vermindering worden gebracht door de vermindering van het areaal sportveld door de nieuwbouw. 7 Gebruik is extensief en beperkt tot enkele dagen per week. Gekozen is voor het toepassen van de norm voor ‘kringloopwinkel’. 6
Hoofdstuk 4
44
4.12 M.e.r.-plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De uitbreiding van de sportvoorziening kan worden geschaard onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het is echter de vraag of de voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
De concrete omstandigheden in dit geval zijn de herbestemming van een woonbestemming en de intensivering van een bestaande sportbestemming in een gebied dat overwegend is ontwikkeld als woongebied en kernrandzone. Daar komt bij dat er geen andere voorzieningen worden aangelegd. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied. Dit maakt dat de functiewijziging/verruiming in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Hoofdstuk 4
45
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding De aanleiding voor deze herziening van het vigerende bestemmingsplan vormt de uitbreidingswens van tennispark De Krekel. De uitbreidingswens bestaat uit het vergroten van de indoor-tennishal aan de voorzijde en het realiseren van een multifunctionele sportaccommodatie (binnen en/of buiten) aan de zijde van de Krekelshofstraat. Daarnaast wordt binnen de gebruiksmogelijkheden de mogelijkheid tot exploitatie van een service-/webwinkel in duikbenodigdheden toegevoegd, alsmede een ondergeschikte fysiotherapiepraktijk. Bij het opstellen van de herziening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Mariaheide’ en bij het gemeentelijke ‘Handboek Bestemmingsplannen’. Het bestemmingsplan voldoet aan de vereisten van de SVBP 2012. Het bestemmingsvlak ‘Sport’ is vergroot, ook is het bouwvlak uitgebreid naar het noorden tot aan de Pastoor van Haarenstraat. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen ‘gebiedsaanduidingen ‘overig – in Interim omgevingsverordening toe te voegen stedelijk gebied’ en ‘overig – in Interim omgevingsverordening te verwijderen gemengd landelijk gebied’ opgenomen op het gedeelte van het sportpark waar ingevolge de provinciale Interim omgevingsverordening nu de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ rust.
5.2 Systematiek van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
Hoofdstuk 5
46
Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:
Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Nadere eisen: in deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de regels waaraan burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen. Alleen daar waar het wenselijk is om bij de vergunningverlening sturend te kunnen optreden, heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen toegevoegde waarde. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten. Afwijken van de bouwregels: Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Specifieke gebruiksregels: in deze bepaling is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming.
Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Afwijken van de gebruiksregels: Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde vormen van gebruik, die conform de bestemmingsomschrijving niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Anti-dubbeltelbepaling: deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een
Hoofdstuk 5
47
bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: deze bepaling geeft algemene regels voor de bouw van ondergeschikte bouwregels en voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels: deze bepaling geeft algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels: in deze bepaling zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Algemene afwijkingsregels: in deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels: in deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene procedureregels: in deze bepaling staat aangegeven welke procedure dient te worden gevolgd bij de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen, het toepassen van een afwijkings- en een wijzigingsbevoegdheid.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen: Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat Het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik. Slotregel: deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Het bestemmingsplan kent één bestemming, een dubbelbestemming en één functieaanduiding. De bestemming wordt hieronder kort toegelicht. Bestemming ‘Sport’ De bestemming ‘Sport’ is bestemd voor sportvoorzieningen, ondergeschikte horeca in de vorm van een kantine ten dienste van het met de bestemming beoogd gebruik, alsmede het organiseren van bruiloften en partijen (met dien verstande dat de oppervlakte daarvan maximaal 10% van de totale bebouwing mag bedragen, met een maximum van 300 m²), een ondergeschikte en aan de hoofdfunctie sport/tennis gerelateerde fysiotherapiepraktijk (maximaal 150 m²), een ondergeschikte detailhandelsvoorziening in de vorm van een service-/webwinkel voor duikbenodigdheden. Ook zijn de bij sportuitoefening behorende voorzieningen waarondersanitaire voorzieningen,opslagruimte, dugouts, kleedruimten, tribunes, terrasvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut,tuinen en erven alsmedeevenementen.
Hoofdstuk 5
48
Binnen de bestemming ‘Sport’ mogen sportfuncties van de categorieën 1 en 2 worden uitgeoefend (zie bijlage 1 van de regels). Tevens is de uitoefening van een tennisvereniging zoals opgenomen in de Lijst van sportvoorzieningen onder de categorie 3.1 toegelaten. Er is een functieaanduiding opgenomen voor het gedeelte waar geen lichtmasten en tennisbaan of oefenmuur mogen worden geplaatst. Daarnaast is een functieaanduiding opgenomen voor het gedeelte waar feesten en partijen zijn uitgesloten. Er is verder een functieaanduiding opgenomen voor de ondergeschikte detailhandel in de vorm van een duiksport servicewinkel/webwinkel, met een maximale oppervlakte van 71 m² en er is een functieaanduiding opgenomen voor de ondergeschikte fysiopraktijk, met een maximale oppervlakte van 150 m². Ter borging van het gebruik van de zuidelijke inrit als calamiteiteninrit, is een functieaanduiding met daaraan gekoppelde gebruiksregels opgenomen. Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.
Hoofdstuk 5
49
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.1.1 Omgevingsdialoog In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gehouden met de in de buurt van het plangebied gelegen bedrijven en woningen. Dit betreft de volgende adressen: Krekelshofstraat 1, 3, 5 en 7 alsmede de Pastoor van Haarenstraat 69, 70, 72, 75 en 79, In de loop der jaren is meermaals en op verschillende momenten met hen gesproken. Voor het aanvullende verzoek voor de vestiging van een ondergeschikte fysiopraktijk is ook gesproken met de andere fysiopraktijk in de kern Mariaheide. Omwille van de wetgeving rondom privacy zijn de verslagen geanonimiseerd als bijlage opgenomen. In algemene zin zijn de reacties opbouwend en positief. Met name is aandacht gevraagd voor de inpassing van de bebouwing en de materialisatie/uitstraling van de afscheidingen van het terrein.
Het inpassingsplan is mede naar aanleiding van de aandachtspunten uit de omgevingsdialoog tot stand gekomen. 6.1.2 Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties, te weten Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant, zijn in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. De vooroverlegreactie van de Provincie Noord-Brabant is als bijlage opgenomen. Naar aanleiding van deze reactie heeft nader contact met de provincie plaatsgevonden met betrekking tot de onderbouwing van de beleidsmatige inpasbaarheid (zie paragraaf 3.2) en daarmee ook van de landschappelijke inpassing van het voornemen. 6.1.3 Planprocedure: inspraak, zienswijzen en beroep De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en dit is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening.
In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Gezien de aard en omvang van het plan, kiest de gemeente ervoor geen inspraakprocedure te doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform artikel 3.8 Wro voor een periode van 6 weken ter visie gelegen van 21 september tot en met 2 november 2020. Gedurende deze periode kon eenieder een
Hoofdstuk 6
50
zienswijze indienen. Er zijn binnen de gestelde termijn twee zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen. De zienswijzen hebben geleid tot beperkte aanpassingen in de toelichting en planregels van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn ambtshalve enkele aanpassingen in de planregels doorgevoerd. De wijzigingen zijn beschreven in de Notitie. Het plan wordt vervolgens met inachtname van deze wijzigingen ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende 6 weken gepubliceerd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2 Financiële uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particulier. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Hoofdstuk 6
51
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Historische Bodemtoets Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Geuronderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Advies Externe Veiligheid Bijlage 7: Beeldkwaliteitplan Bijlage 8: Omgevingsdialoog Bijlage 9: Reactie vooroverleg Provincie Noord-Brabant
Inhoudsopgave Regels
5
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
6
Artikel 1
Begrippen
6
Artikel 2
Wijze van meten
11
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
12
Artikel 3
Sport
12
Artikel 4
Waarde - Archeologie
15
Hoofdstuk 3
Algemene regels
17
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
17
Artikel 6
Algemene bouw regels
18
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
19
Artikel 8
Algemene afw ijkingsregels
21
Artikel 9
Algemene w ijzigingsregels
22
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
23
Artikel 10
Overgangsrecht
23
Artikel 11
Slotregel
24
NL.IMRO.1948.MAR000BP0022017P-VG01
Pagina: 3 van 24
Datum:21-04-2021
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Kom Mariaheide, herziening tennispark De Krekel met identificatienummer NL.IMRO.1948.MAR000BP0022017P-VG01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.6 bebouwingspercentage de in procenten uitgedrukte maximale som van de oppervlakten van de bouwwerken, in verhouding tot het grondoppervlak van het bouwperceel dan wel het grondoppervlak gelegen binnen het bouwvlak per bouwperceel; 1.7 bedrijf aan huis het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.
het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.8 begane grondvloer de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.9 bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, danwel na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend; 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
NL.IMRO.1948.MAR000BP0022017P-VG01
Pagina: 6 van 24
Datum:21-04-2021
1.12 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, met uitzondering van overkappingen. een bijbehorend bouwwerk kan nader omschreven worden: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk
visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.13 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.14 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een dakterras, onderbouw en zolder; 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; voorste bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel gelegen aan een weg waaraan wordt gebouwd, tenzij door burgemeester en wethouders een andere perceelsgrens als zodanig wordt aangewezen; zijdelingse bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel die loodrecht of nagenoeg loodrecht
staat op de voorste bouwperceelsgrens; achterste bouwperceelsgrens: de meest van de weg af gelegen bouwperceelsgrens, evenwijdig of nagenoeg evenwijdig aan de voorste bouwperceelsgrens;
NL.IMRO.1948.MAR000BP0022017P-VG01
Pagina: 7 van 24
Datum:21-04-2021
1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 bruiloften en partijen bruiloften en partijen: (gedenk)feest van huwelijk of huwelijksvoltrekking en het deelnemen aan een feest waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; 1.20 calamiteitenroute een voor hulpdiensten toegankelijk pad of weg, dat uitsluitend in geval van een calamiteit als doorgang wordt gebruikt; 1.21 dak elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22 dakkapel een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten; 1.23 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.24 dugout overdekte zitbank langs de rand van het speelveld waarop tijdens de wedstrijd de trainer, de verzorgers en de wisselspelers plaats kunnen nemen;
1.25 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.26 entree een bouwwerk ten behoeve van de toegang tot een gebouw; 1.27 erker een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag; 1.28 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.29 hoofdgebouw gebouw(en) dat door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;