CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Antoniusstraat 15 Erp

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en vaststelling beeldkwaliteitsplan 'Antoniusstraat 15, Erp'13.315 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

onderdeel Blok 8 woningen Blok 7 woningen 8 2-kappers 23 bergingen Tuinverharding 10m per woning Verharding infra (halfverharding voor 50%) Totaal verhard

m2 360 320 730 138 230 1778 3868

De benodigde bergingscapacteit bedraagt dus 3868m2 * 0,06m = 232m3 De gegevens van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld zijn overgenomen uit de veldmetingen van onderzoeksbureau ten behoeve van het Verkennend bodem- en asbestonderzoek.

32

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

7.4 Inrichting van het hemelwater bergingssysteem Wadi In de centrale groenvoorziening van de woonbuurt wordt een wadi ingericht waar maximaal 40cm water in geborgen kan worden. Onder de wadi wordt grondverbetering aangebracht middels drainzand (300mm) en een toplaag van zanderige teelgrond (300mm). Deze opbouw zorgt er mede voor dat het water snel de bodem in kan trekken. Door de zanderige teelgrond toplaag kan wel een kwalitatief goede grasmat verkregen worden. De maximale waterkolom van 40cm zorgt ervoor dat de hoeveelheid water snel infiltreert in de grondverbetering onder de wadi wat ook de grasgroei bevorderd. Omdat de ondergrond slecht waterdoorlatend is, worden onder de wadi drains aangelegd. Hiermee wordt de leeglooptijd van de wadi beperkt en kan het regenwater vertraagd afgevoerd worden naar het gemeentelijk hemelwater stelsel. Het water van de daken wordt middels IT-leidingen richting de wadi getransporteerd en via een inspectieput met roosterdeksel in de wadi gebracht. Een extra overstortkolk zorgt voor een back- up in het systeem. Indien nodig wordt aanvullende bergingscapaciteit gerealiseerd met infiltratiekratten onder de parkeervoorzieningen. Conclusie Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor de realisatie van de vereiste bergingscapaciteit. 8.

FYSIEKE BELEMMERINGEN 8.1 Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. (Voor aanvang van de graafwerkzaamheden worden de exacte ligging van kabels en leidingen door middel van een KLIC-melding opgevraagd bij de leidingbeheerders). 8.2 Radarverstoringsgebied De locatie ligt op de grens van het radarverstoringsgebied van de luchtmachtbasis Volkel. Binnen dit gebied mogen geen gebouwen worden gerealiseerd hoger dan 45 m ten opzichte van het maaiveld bij de radarinstallatie. Gezien de maximaal toegestane bouwhoogtes zijn er geen consequenties voor het plangebied.

33

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

9. MILIEUHYGIENISCHE VERANTWOORDING 9.1 Milieueffectrapportage 9.1.1 Is de activiteit m.e.r.-(beoordelings) plichtig? De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.- beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor activiteiten onder de drempelwaarde van bijlage D bestaat sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. van 1 april 2011 de verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde. Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r.

geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:  Kolom 1: de activiteit zelf;  Kolom 2: drempelwaarden activiteit;  Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan);  Kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

9.1.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit inderdaad geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben:  de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen);  de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving);  de mogelijke gevolgen van de activiteit. 34

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Het plan houdt in dat de voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt getransformeerd naar een kleinschalig woongebied. Daarvoor worden de bestaande opstallen gesloopt. Op de vrijgekomen gronden worden 23 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het plangebied, met ontsluiting op de Antoniusstraat, sluit aan bij de omliggende bebouwing. De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid en flora en fauna) tonen aan dat het realiseren van 23 woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. Er is dus wel sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient dus een aanmeldingsnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend te worden. De aanmeldingsnotitie is als bijlage 6 toegevoegd. Ook daarbij concludeert het bevoegd gezag (bijv. op basis van een aanmeldingsnotitie) of er wel of geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig.

9.2 Bodem Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd (Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.1.6 lid 1 onder d). Om de bodemkwaliteit ter plaatse vast te stellen is door Maas Bodemadvies een verkennend bodem/ en asbestonderzoek uitgevoerd. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie niet ver- dacht is met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Vanwege de verharding op de locatie en de asbestverdachte dakbedekking van de schuren is de locatie als asbestverdacht aan te merken. De conclusies van het onderzoek zijn hieronder weergegeven. Het betreffende onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd. Uit de resultaten van het verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Antoniusstraat15 te Keldonk, kadastraal bekend als gemeente Erp, sectie P, nummers 413, 912, 419 en deels 2044, blijkt het volgende:  In de bodem zijn geen noemenswaardige verontreinigingen met de parameters uit de standaardpakketten voor grond en grondwater aangetoond;  Ter plaatse van het geasfalteerde pad, dat vanaf de onderzoekslocatie tussen de woningen Antoniusstraat 9 en 9a naar de openbare weg leidt, is een asbesthoudende puinlaag aangetroffen.

Het asbestgehalte overschrijdt de hergebruiksnorm en zal, wanneer het na ontgraven vrijkomt van de locatie, als asbesthoudend materiaal afgevoerd dienen te worden naar een daartoe erkende verwerker. Aangezien het asbesthoudende puin momenteel is afgedekt met een asfaltverharding, is sprake van een duurzame afdeklaag en is geen sprake van acute humane risico’s. De overschrijding

35

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

van de hergebruiksnorm van 100 mg/kgs.ds is aangetoond ter plaatse van inspectiesleuf SL102, maar ter plaatse van de overige sleuven is eveneens asbest aangetoond in de puinlaag onder het asfalt. Uitgaande van een vermoedelijke heterogene verdeling van het asbest, dient de volledige puinlaag onder de asfaltverharding als asbesthoudend beschouwd te worden. Ter plaatse van de drupzones van het asbesthoudende dak is asbest aangetoond in gehaltes lager dan de interventiewaarde. De betreffende bodem bevat losse vezels, waarvan is vast- gesteld dat het geen respirabele vezels betreffen, waardoor geen sprake is van een actueel humaan risico. Aanbevolen wordt om, met het oog op de beoogde ontwikkeling van de locatie, in combinatie met of na de asbestsloop te ontgraven en af te voeren.

Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. In overleg met de ODBN is de voorgestelde handelswijze betreffende de drupzones en de puinlaag onder de asfaltlaag als afdoende geaccepteerd. Om zeker te stellen dat de bodemkwaliteit van de gronden geen belemmering vormt voor de beoogde woonfunctie is door NIPA milieutechniek b.v. nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid brandstoftanks voor rode en witte diesel op de locatie Antoniusstraat 15 uitgevoerd. De conclusie is hieronder weergegeven, het rapport is als bijlage 8 toegevoegd.  

Uit de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de bovengrondse tanks geen verontreiniging met minerale olie hebben veroorzaakt in de bodem, in het grondwater bij de voormalige tank op het buitenterrein is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie in het grondwater gemeten, wat gerelateerd kan worden aan de voormalige tank. Het licht verhoogde gehalte in het grondwater en de overige resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en vormen geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren tegen het gebruik van de locatie als woonfunctie.

Op het adres Antoniusstraat 15, het voormalige vloerenbedrijf, heeft in beperkte mate opslag van vloerolie plaatsgevonden op een betonvloer. Na sloop van de bebouwing wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Voorafgaande aan de herontwikkeling zal de asbesthoudende weg verwijderd worden. De asbesthouden fundering zal samen met de asbest verontreinigde inspoelzone onder asbestcondities gesaneerd worden onder de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Van de uitvoering zal de gemeente in kennis gesteld worden. Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse is onder voorbehoud van nader onderzoek na sloop van de betreffende bebouwing voldoende voor de beoogde functie Wonen. Het aspect bodemkwaliteit vormt na verwijderen van de asbesthoudende drupzone en het asbesthoudende puin geen belemmering voor het initiatief. 36

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

9.3 Geluid 9.3.1 Wegverkeerslawaai De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Voor het gehele wegennet van Keldonk geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur, die volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. Conclusie Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet vereist. 9.3.2 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een zone van een industrieterrein. Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van industrielawaai.

9.4 Luchtkwaliteit 9.4.1 De invloed van het project op de luchtkwaliteit In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is vastgelegd wanneer een project/plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan of project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de concentraties met 1,2 µg/m³. Projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Wel moet worden aangetoond dat als gevolg van het project de jaargemiddelde concentraties PM10 en NO2 niet met meer dan 1,2 µg/m³ toenemen. In de onder het Besluit NIBM vallende Regeling niet in betekenende mate bijdragen is tot slot een aantal categorieën van plannen (projecten) opgenomen waarvoor zonder meer geldt dat deze plannen niet in betekenende mate bijdragen. Blijft de ontwikkeling binnen de voor deze categorieën opgenomen grenzen, dan is het project per definitie niet in betekenende mate, hoeft dit niet met berekeningen te worden aangetoond en hoeft ook in dat geval verder geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden.

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties, zoals vastgelegd in voorschrift 3A.2 van de Regeling NIBM is 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of 3.000 woningen (netto) 37

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderhavig initiatief, de ontwikkeling van 23 woningen, hoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer. 9.4.2 De luchtkwaliteit ter plaatse van het project Het bevoegd gezag betrekt de luchtkwaliteit in de besluitvorming van ruimtelijke plannen. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat gekeken wordt of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling aanvaardbaar is. Ook wordt gekeken wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkeling voor het leefklimaat zijn. Dit gebeurt in het kader van een "goede ruimtelijke ordening". Om te bepalen of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is wordt bepaald of de grenswaarden voor de fijnstofconcentraties (PM10 en PM2.5) en de stikstofdioxideconcentratie (NO2) worden overschreden.

Bovenstaande afbeeldingen van de Monitoringtool NSL 2021 laten zien dat de waarden voor deze concentraties, gemeten langs de nabijgelegen ontsluitingsweg, onder de respectievelijke grenswaarden liggen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. 38

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

9.5 Geur 9.5.1

Geurhinder en veehouderijen

Bouwbedrijf van Grunsven B.V. heeft Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een onderzoek geurhinder veehouderijen ten behoeve van de nieuwbouw aan de Antoniusstraat 15 te Keldonk. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande panden te slopen en nieuwbouwwoningen te realiseren. Voor de realisatie van het plan is een bestemmingswijziging noodzakelijk. Voor het plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe moeten de gevolgen van een project voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woningen middels een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. De conclusies van het rapport zijn hieronder weergegeven. Het rapport is als bijlage 9 toegevoegd. Het toetsingskader voor het geuronderzoek wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij. Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad, heeft tevens een verordening met afwijkende normen voor geurhinder opgesteld. Alle relevante gegevens van de veehouderijen worden beheerd door de gemeenten. De gegevens van de veehouderijen zijn ontleend aan het Web-bvb van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de ligging van de veehouderijen blijkt dat aan de minimaal te hanteren afstanden conform de Wet geurhinder en veehouderij met het plan ruimschoots wordt voldaan.

Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woningen is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020). Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er ten gevolge van de veehouderij aan de Vogelenzang 5 een overschrijding van de geurnorm plaatsvindt. Uit de berekening blijkt echter dat er op de bestaande geurgevoelige objecten reeds een overschrijding van de geurnorm plaatsvindt. Derhalve zal de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de Vogelenzang 5 niet verder beperkt worden met de komst van de nieuwbouwwoningen. De maximale voor- en achtergrondbelasting bedraagt respectievelijk 3,5 en 4,1 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 9,5% en 6,3%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de veehouderijen goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet (verder) beperkt. Tevens kan er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd worden. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

39

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

9.6 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. 9.6.1 Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof.

De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Uitsnede risicokaart 40

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Op bovenstaande afbeelding zijn voor het plangebied de meest nabijgelegen risicobronnen weergegeven. Hieruit blijkt dat:   

Het plangebied niet binnen de invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen valt; Het plangebied niet binnen de invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen valt; Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van buisleidingen.

Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie uit veehouderijen. Metingen en berekeningen laten zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is. Bij een individueel varkensbedrijf is dat tot op een afstand van ca. 200 meter mogelijk en bij pluimvee tot ca.

500 meter. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf ligt op circa 240 meter van de inbreidingslocatie. Overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 is dientengevolge onwaarschijnlijk. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Dit blijkt vooral uit vervolganalyses van de VGO-aanvullende studies in 2017 en de VGO-III deelresultaten in 2018. In het VGO-hoofdonderzoek waren hiervoor al aanwijzingen gevonden, die daarna nader onderbouwd zijn over een langere periode. Er is geen onderzoek voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de grenswaarde van 30 EU/m3 wordt overschreden. De Wageningen University & Research heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat 41

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Uit een eerste oriënterend onderzoek met verspreidingsmodellen is gebleken dat het risico op overschrijding van de 30 EU/m3 in de bewoonde omgeving rondom grote pluimveebedrijven het grootst is. Voor andere diercategorieën, zoals geiten, schept de bestaande geurzonering voldoende afstand. In onderstaand stappenplan wordt vastgesteld of het voor de volksgezondheid wenselijk is dat de GGD om nadere advisering wordt gevraagd.  voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); Er is geen pluimveebedrijf of varkensbedrijf binnen de respectievelijke grensafstand van 200 of 500 meter aanwezig.  Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; Niet van toepassing, het betreft de realisatie van een woongebied.  De wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon/leefklimaat; Het perceel achter de Antoniusstraat 15 is gelegen binnen de bestaande woongebieden van de bebouwde kom van Keldonk. Er is daarmee sprake van een goed woonen leefklimaat.  Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing.

 Geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; Er zijn geen relevante veehouderijen binnen de betreffende richtafstand aanwezig  De aanwezigheid van mestbe- en verwerking; Niet van toepassing  Ongerustheid bij omwonenden Niet aanwezig Conclusie Bij de ontwikkeling van de planlocatie is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 9.8 Gezondheid 9.8.1 Hoogspanningsleidingen Op een afstand van ongeveer 4,5 km meter ligt een 150 kV hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 60 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Conclusie Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor het initiatief. 42

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

9.8.2 Spuitzones 5.1.8 Spuitzones Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Ten noorden van het plangebied ligt een strook van circa 50 meter breed met de bestemming Agrarisch met waarden, in gebruik als grasland. Daarop aansluitend ligt een perceel met de bestemming Natuur. Verder ligt dit gebied in de groenblauwe mantel van de Interim omgevingsverordening en grenst aan het beekdal van de Aa. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel' zijn behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bedoeld voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

Gezien het voorgaande kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat binnen het plangebied geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.

10. BEDRIJVEN EN VOORZIENINGEN 10.1 Bedrijven en milieuzonering Als door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Enerzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door milieubelastende bedrijven in de directe omgeving. Anderzijds moet mogelijke uitbreiding van bedrijven niet worden beperkt door de realisatie van milieugevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een gevoelige functie. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieu hygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken, is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) uit 2009. Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenoemde afstandentabel).

43

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk, maar kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Onderhavige ontwikkeling van woningen vindt plaats achter het lint van de Antoniusstraat, met in de directe omgeving een aantal milieubelastende functies. Om deze reden wordt de ontwikkeling gezien als gelegen binnen een gemengd gebied. Onderstaande tabellen geven de functies in de directe omgeving weer en de bijbehorende richtafstanden. Ook de richtafstanden voor gemengd gebied zijn weergegeven. Adres H. Antonius van Padua Kerk Horecabestemming Basisschool Antonius Bakkerij van de Rakt

Geur Stof

Gebruik Morgenstraat 55, 5469 GC Erp Morgenstraat 53, 5469 GC Erp Antoniusstraat 10, 5469 EW Erp Antoniusstraat 2, 5469 EW Erp

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

Categorie

Gemengd gebied

kerkgebouw

0

0

30

0

30

2

10

cafe

0

0

10

10

10

1

0

onderwijs

0

0

30

0

30

2

10

bakkerij

10

10

10

10

10

1

0

In onderstaande afbeelding zijn de afstanden van de planlocatie tot de dichtstbijzijnde bouwwerken/percelen met een milieuzonering weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie ruimschoots buiten de richtafstanden blijft.

44

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Verder vormt de ontwikkeling geen belemmering voor de omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.

11. VERKEER 11.1 Inleiding Het toevoegen van woningen zal effect hebben op het aantal verkeersbewegingen in de directe omgeving en op de parkeerbehoefte ter plaatse. Het is dus belangrijk deze veranderingen inzichtelijk te maken. Het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad is vastgelegd in het ´Paraplubestemmingsplan parkeren`, vastgesteld 31 januari 2019. Dit bestemmingsplan heeft als doel voor alle bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad de verbinding te leggen met de ´Nota Parkeernormen Meierijstad 2018´, vastgesteld 18 december 2018. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of openbaar gebied wordt gerealiseerd, in stand wordt gehouden dan wel aanwezig is. Ook moeten deze parkeervoorzieningen voldoen aan de in de Nota vastgelegde afmetingen.

45

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

13.1.1 Verkeersgeneratie Met behulp van de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW is de minimale verkeersgeneratie na realisatie van het plan berekend. Hierbij is uitgegaan van de gebiedscategorie rest bebouwde kom en weinig stedelijk gebied. Voor twee-onder-een-kap woningen bedraagt de verkeersgeneratie gemiddeld 8 per woning, Voor huurwoningen bedraagt de verkeersgeneratie gemiddeld 5 per woning. Type twee-onder-een-kap Koop/huurwoning

aantal 8 15

gemiddeld 8 5

totaal 64 75 139 De toename van circa 140 verkeersbewegingen is aanvaardbaar voor het omliggende wegennet. 13.1.2 Parkeren Op basis van de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018, het woningtype en de gebiedscategorie is in onderstaande tabel het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. De complete berekening is als bijlage 10 toegevoegd. Type twee-onder-een-kap Koop/huurwoning

Rest bebouwde kom

aantal

norm

2,4 2,2

8 15 23

19,2 33 52,2

Eigen terrein 8 0 8

openbaar 11,2 33 44,2

Verrekening dubbelgebruik en de bijbehorende aanwezigheidspercentages resulteert in een vermindering van 6 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied zijn in totaal 39 parkeerplaatsen aanwezig. Het plan voldoet daarmee aan de beleidsregel. 13.1.3 Verkeerssituatie in en rond het plangebied Het plangebied ligt achter het lint van de Antoniusstraat en sluit hierop aan met een als ‘inrit’ vormgegeven ontsluitingsweg. De woningen in het plangebied worden ontsloten door een deels eenrichtingsweg rond de centrale groenvoorziening. Verder is er een langzaam verkeer aansluiting op het fiets/voetpad dat direct ten westen van de locatie ligt. Op loopafstand van de locatie bevinden zich de OV-haltes van lijn 253 van het regionaal streekvervoer van Veghel naar Boerdonk.

46

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

12. JURIDISCHE PLANOPZET 12.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:  de toelichting  de planregels  de verbeelding De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting dient als onderbouwing van het plan en verklaring van de bestemmingen en planregels, in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De planregels bevatten de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige dan wel op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. 12.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP2012 betreft:  Bestemmingsomschrijving  Bouwregels  Nadere eisen  Afwijken van de bouwregels  Specifieke gebruiksregels  Afwijken van de gebruiksregels  Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden  Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk  Wijzigingsbevoegdheid 47

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken.In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Artikel 3 Groen Deze bestemmingen regelt het openbare gebied en de plantsoenen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 4 Verkeer Deze bestemmingen regelt de verkeers- en parkeervoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Artikel 5 Wonen De bestemming Wonen is toegekend aan de woningen in het plangebied met de daarbij behorende tuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van drie woningtypen: twee-aan-een, en aaneengebouwd. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan. In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en carports. Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bijbehorende bouwwerken mogen ook daarbuiten staan, maar moeten wel voldoen aan diverse situeringseisen. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven. Artikel 6 Dubbelbestemming Waarde-Archeologie Deze bestemming beschermd eventueel aanwezige archeologische waarden. Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 9) Gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, kunnen niet nogmaals als zodanig ingezet worden.

Algemene bouwregels (artikel 10) Regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels (artikel 11) Dit artikel bevat regels over strijdig gebruik en regels over het aantal parkeerplaatsen. Algemene afwijkingsregels (artikel 12) Dit artikel bevat een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden en bijbehorende criteria. Overige regels (artikel 13) In dit artikel wordt de aanvullende werking van de bouwverordening, zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van de Woningwet, uitgesloten. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 14)

48

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast. Slotregel (artikel 15) In dit artikel staat de naam waaronder de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

13. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. In dergelijke gevallen zijn de door de gemeente te maken kosten beperkt en kunnen de kosten verhaald worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën. Voor onderhavig planvoornemen is overeenkomstig artikel 6.24 lid 1 Wro een anterieure overeenkomst afgesloten, zodat er geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan.

14. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 14.1 Omgevingsdialoog Wanneer een initiatief of planvoornemen gevolgen heeft voor de omgeving vraagt de gemeente Meierijstad de initiatiefnemer een zogenaamde Omgevingsdialoog te voeren met de direct betrokkenen. Deze dialoog is een open gesprek tussen meerdere partijen. Het is belangrijk dat mensen uit de buurt betrokken worden bij de plannen en dat de initiatiefnemer kennisneemt van hun eventuele bezwaren, wensen en belangen. Het is aan de initiatiefnemer hoe om wordt gegaan met de gemaakte opmerkingen. De Omgevingsdialoog heeft vooralsnog geen juridische status.

49

2007 BP Antoniusstraat 15 Keldonk

De initiatiefnemer heeft gesprekken gevoerd met de direct omwonenden. Tijdens deze gesprekken zijn door de omwonenden opmerkingen gemaakt en voorstellen ter verbetering gedaan. Op basis van deze opmerkingen heeft de initiatiefnemer een aantal aanpassingen aan het plan doorgevoerd. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage 11 toegevoegd. 14.2 Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voor- bereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties, te weten Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant, worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. 14.3 Planprocedure: inspraak op basis van de gemeentelijke inspraakverordening De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=5dad8454-2994-4366-8183-c4b57966f858