CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

B3d Bijlage 2.1 Toelichting ETFAL voorontwerp (Geanonimiseerd)

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Stukken van het college van burgemeester en wethouders27.202 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

en

,

Haalbaarheidsonderzoek Een haalbaarheidsonderzoek is uitgevoerd (juli 2022 zie bijlage 2. 1) op basis van een stedenbouwkundige schets van de beoogde ontwikkeling. Op basis van een inschatting van de totale oppervlaktes verharding is een berekening uitgevoerd voor de benodigde waterberging. In een aangeleverde notitie ter afstemming van de wateropgave is gesproken over een bergingsopgave uitgaande van 15 hectare woningbouw. Op basis van deze notitie is in overleg met de gemeente ervoor gekozen een benodigde waterbergingshoeveelheid aan te houden van 9. 000 m.3 De informatie uit haar haalbaarheidsonderzoek is gebruikt voor de systeemanalyse. ,

,

,

Systeemanalyse Medio 2023 is een systeemanalyse opgestart en afgerond na afronding van monitoring van de grondwaterstanden binnen het plangebied (juli 2024 zie bijlage 2. 3. 1). Het doel van de systeemanalyse is om op abstract niveau tot een eerst inzicht te komen waar binnen het plan woningbouw en waterberging te realiseren op basis van het bestaande bodem- en watersysteem en de indicatieve bergingsopgave. Hiermee is meer inzicht verkregen in de benodigde drooglegging en om daarmee voorkeurslocaties voor woningbouw (waar minder ophoging nodig is om aan de benodigde drooglegging te voldoen) en voorkeurslocaties voor waterberging vast te stellen. ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 47/73

Om de systeemanalyse enigszins parallel te laten verlopen met de realisatie van het stedenbouwkundig plan is 3 voor de analyse uitgegaan van de bergingsopgave die volgt uit het haalbaarheidsonderzoek (9. 000 m). Uit de systeemanalyse volgt een geohydrologisch model. Middels een GIS-analyse is op basis van de initieel berekende GHG inzichtelijk gemaakt welke locaties voor respectievelijk waterberging en woningbouw de voorkeur hebben. De hiervoor benodigde uitgangspunten zijn vooraf overlegd met de opdrachtgever. ,

In onderstaande figuur zijn uit oogpunt van de gekozen uitgangspunten de voorkeurslocaties voor waterberging en woning weergegeven. Circa 20 ha van het plangebied is geschikt voor woningbouw (waarvan 17 ha opgehoogd dient te worden om de droogleggingseis (07 m boven GHG) te bereiken; Op basis van de kaart uit het eerdergenoemde haalbaarheidsonderzoek bedraagt een eerste inschatting van de totale verharding 131 ha (verharding wegen én bebouwing). Op basis van dit uitgangspunt bedraagt de benodigde waterberging 7. 900 m;3 In overleg met de gemeente is gekozen om het uitgangspunt uit de haalbaarheidsstudie aan te houden van een waterberging van 9. 000 m.3 Hiervoor is een oppervlak van ca. 3 ha nodig voor waterberging. ,

,

,

,

,

,

,

Met name het westelijk deel van het plangebied is geschikt voor waterberging (relatief lage ligging). Het oostelijk deel van het plangebied komt in aanmerking voor woningbouw (relatief hoge ligging). Nieuw oppervlaktewater kan in het westelijk deel op de bestaande infrastructuur worden aangesloten (secundaire watergangen rond westelijk deel plangebied primaire watergangen op relatief korte afstand ten noorden en westen van het plangebied). ,

Op basis van de berekende grondvolumes kan niet met een gesloten grondbalans worden gewerkt. Er is significant meer ophoging nodig voor de woningbouw dan dat er wordt afgegraven ten behoeve van de waterberging: 40. 000 m 3 en 5. 000 m 3 respectievelijk. Ook na enige optimalisatie zal hoogstwaarschijnlijk geen sprake zijn van een gesloten grondbalans.

Figuur 20 Kleurenkaart uitkomst GIS analyse

Deze analyse is enkel uitgevoerd op basis van het bestaande bodem- en watersysteem. Mogelijke ecologische cultuurhistorische of archeologische randvoorwaarden zijn buiten beschouwing gelaten. Conclusie van de analyse was dat binnen het plangebied mogelijkheden zijn om de waterbergingsopgave te combineren met woningbouw en kansen voor het versterken van bestaande natuur- en cultuurhistorisch waarden. Wel werd benadrukt dat veranderend beleid van invloed kan zijn op de berekende oppervlaktes.

,

,

Cascade systeem Het hierboven beschreven onderzoek leidde tot de conclusie dat een zeer grote hoeveelheid grond benodigd is voor ophoging van het terrein om te voldoen aan de 70 centimeter eis om ‘droog te bouwen’. Deze grote hoeveelheden ,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 48/73

grondverplaatsing is in strijd met het principe bodem en water sturend (zie provinciaal beleid in paragraaf 2. 2. 1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening”). Uit nader onderzoek (zie bijlage 2. 3. 3) blijkt echter dat het freatisch pakket verbindingen kent met het onder de ondiepe leemlagen voorkomend (het eerste) watervoerend pakket. Dit biedt mogelijkheden voor de realisatie van een watersysteem op maat voor de locatie namelijk een cascade systeem. Daarmee kan ‘droog worden gebouwd’ met minder benodigde ophoging van het terrein. De werking van dit systeem wordt hieronder toegelicht. ,

Een cascade-systeem is een manier om water slim te sturen en vast te houden in een gebied zodat het grondwaterpeil geleidelijk oploopt van laag naar hoog. Dit systeem bestaat uit zones die trapsgewijs zijn ingericht: van nat naar droger of van lager naar hoger. Zo kun je water langer vasthouden waar dat kan en geleidelijk afvoeren waar dat moet. Op deze manier kan worden gezorgd dat kwetsbare functies (zoals bebouwing) in drogere zones komen te liggen waar het grondwater lager blijft. In nattere zones laat je bewust meer water staat. ,

,

,

,

Onderstaande figuur toont een uitwerking van het cascade-systeem in een situatie met extreme neerslag. Water loopt vanaf de woningen over naar wadi’s groenblauwe structuren en vervolgens naar een waterplas. De technische uitwerking van het systeem en benodigde oppervlaktes van de bergingsvoorzieningen zijn nader uitgewerkt in het onderzoek van Toekomststerk (augustus 2024). ,

,

Figuur 21 Weergave werking cascade-systeem bij extreme neerslag

Met dit systeem wordt tegemoetgekomen aan de achterliggende gedachte (minder verdroging) van het waterschap bij de wens om ondiepe grondwaterstandstijgingen tot 20 centimeter te realiseren voortkomend uit het provinciale Grondwaterconvenant. ,

Het cascade-systeem (op maat gemaakt watersysteem) heeft de voorkeur ten opzichte van traditionele waterberging wegens de volgende redenen. Het op maat gemaakte watersysteem: Leidt tot minder grondverplaatsing en sluit beter aan bij het principe bodem en water sturend Minder kostbaar Verdeeld het hemelwater beter of het plangebied en vult de grondwatervoorraad beter aan (past in de ambities voor duurzame planontwikkeling en de eisen van het Grondwaterconvenant) Draagt bij aan klimaatadaptatie en biodiversiteit. Relevante aandachtspunten zijn dat het systeem extra ruimte vraagt in het openbaar gebied voor de verbindingen tussen de wadi’s en de waterplas. Daarnaast vormt de verbinding tussen grond- en oppervlaktewater mogelijk risico’s voor de waterkwaliteit. De voorkeur voor het systeem moet nog worden besproken met het waterschap.

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 49/73

Het eerder uitgewerkte watersysteem bevat ook collectieve hemelwaterbergingsvoorzieningen. Naast drinkwaterbesparing en bewustwording levert een dergelijk systeem extra waterbergingsmogelijkheden voor een toekomstgerichte en klimaatbestendige wijk. Het betreft echter een relatief duur en onbekend systeem. Omdat het watersysteem ook functioneert bij het weglaten van deze additionele waterberging is voorgesteld om niet te kiezen voor deze voorzieningen. Mogelijk wordt in een bouwveld een pilot uitgevoerd om ervaring op te doen met een collectief spoelwatersysteem. ,

Analyse Omgevingseffecten infiltratieplassen Het implementeren van diepe infiltratieplassen als onderdeel van het cascadesysteem is onderzocht (oktober 2024 zie bijlage 2. 3. 3). Om de toepassing van de infiltratieplassen te toetsen met name op eventuele omgevingseffecten als gevolg van grondwaterstandsveranderingen is een aanvullende modelstudie uitgevoerd met de resultaten van het eerder opgeleverde rapport als basis. Het onderzoek heeft daarbij de geohydrologische eigenschappen grondwaterstanden en oppervlaktewater binnen het plangebied in kaart gebracht. ,

,

,

,

,

Een isohypsenkaart is gerealiseerd van het gebied waarop de indicatieve verhoging/verlaging van de grondwaterstand is geprojecteerd (zie onderstaande figuur). Hieruit volgt dat er vooral verlaging van de grondwaterstand (verdroging) optreedt in de directe omgeving van de infiltratieplassen. Na een neerslagevent stijgt het waterpeil in de infiltratieplas maar dit daalt meestal binnen enkele uren tot een dag weer terug naar het normale niveau. Dit normale niveau in de plas (het evenwichtsniveau) zal de heersende stijghoogte in het watervoerend pakket aanhouden. Hierdoor heeft de infiltratieplas een drainerende werking op de omgeving. De invloed van de infiltratieplas wordt gebufferd door de sloten rondom de projectlocatie. Hierbuiten wordt geen invloed van de infiltratieplas verwacht. Nabij de infiltratieplassen zal de grondwaterstand ten opzichte van de basiskaart beschreven in de systeemanalyse met ca. 03 à 12 m verlagen. ,

,

,

,

,

,

Geadviseerd wordt om kritisch te kijken naar welk bouwpeil gehanteerd wordt in de toekomstige situatie en of de verlaging van de freatische grondwaterstand invloed heeft op de natuurwaarde van het gebied.

Figuur 22 Kaart met de verlaging van de grondwaterstand als gevolg van de infiltratieplassen

Vervolg overleg zal plaatsvinden met het Waterschap om het beoogde watersysteem verder vorm te geven en het waterhuishoudkundig plan op te stellen. De weging van het waterbelang maakt onderdeel uit van het plan M. E. R. en bevat een gedetailleerdere uitwerking van de benodigde bergingsvoorzieningen en een weging van het waterbelang. -PM

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 50/73

5. 4

LUCHTKWALITEIT EN GEUR

5. 4. 1

LUCHTKWALITEIT

Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij planvorming rekening worden gehouden met de effecten van het plan op de luchtkwaliteit alsook met de luchtkwaliteit ter plaatse. Wet- en regelgeving De overheid moet rekening houden met de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit in een aandachtsgebied. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5. 53 en 5. 54 van het Bkl. Een aantal veel voorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate bij dit zijn de zogenaamde ‘standaardgevallen’. Hieronder vallen onder meer kantoren en woningen als deze activiteiten binnen een bepaalde grens blijven (artikel 5. 54 Bkl). Voor woningbouw geldt: < 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en < 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. ,

,

,

Beoordeling luchtkwaliteit In dit plangebied komen minstens 550 woningen en minimaal 2 ontsluitingswegen (meer ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot met een gunstig effect op de luchtkwaliteit) waardoor dus op voorhand geconcludeerd kan worden dat het niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit. ,

Om inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) benaderd. Hieruit blijkt dat op alle meetpunten (Monitoringsronde 2023) in de omgeving de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM25 < 20 µg/m3 is. De bestaande luchtkwaliteit voldoet aan de rijksomgevingswaarden. ,

Zoals vermeld in paragraaf 4. 1. 5 “Ambities” luchtkwaliteit voor omwonenden.

,

geldt

een

algeheel verbod

voor

houtstook

,

wat bijdraagt aan

Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘Luchtkwaliteit’ dus geen belemmering voor deze planontwikkeling.

5. 4. 2

GEUR

Wet- en regelgeving Om inzicht te krijgen in de invloed van geurbronnen op het woon- en leefklimaat binnen en rondom het plangebied is een onderzoek geurbelasting uitgevoerd (april 2024 zie bijlage 2. 9. 1). Daarbij wordt gekeken naar agrarische bedrijven en andere geurbonnen in de omgeving. Het doel is om te beoordelen op het plan voldoet aan de wettelijke eisen en of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre bestaande bedrijven worden beïnvloed door de ontwikkelingen in het plangebied. De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten waaronder geur) in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In de publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor verschillende ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

,

WSP 7 april 2025 pagina 51/73

,

type bedrijven en voor verschillende milieueffecten. Dit zijn afstanden tussen enerzijds de grens van de bestemming

die bedrijven toelaat

,

en anderzijds

de uiterste situering van de gevel van een woning.

Geur: agrarische bedrijven Onderstaande figuur geeft de geurcontouren weer van dichtbijgelegen (agrarische) veehouderijbedrijven. Deze contouren komen overeen met de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Voor de veehouderijbedrijven betreft dit een richtafstand van 100 meter. Het bedrijf aan de Kampenweg 4 (noordoostelijke plangrens) wordt beëindigd en is geen relevante geurbron meer in de effectbeoordeling. In mei 2022 is een geuronderzoek uitgevoerd naar de individuele agrarische bedrijven. Ook is de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting alle veehouderijen samen) beoordeeld. 4 Op onderstaande afbeelding is de geurbelasting van de individuele bedrijven weergegeven. Zoals al aangegeven wordt het bedrijf aan de Kampenweg 4 beëindigd en gaat het perceel deel uitmaken van het nieuwe woongebied. Hierdoor vervalt deze bron als relevante geurbron en wordt tevens de cumulatieve geurbelasting in plangebied verlaagd wat bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. ,

Binnen de twee overige geurcontouren van agrarische bedrijven (Kampenweg 2 en Langesteeg 18) worden geen woningen gerealiseerd; in het zuidoosten van het plangebied worden helemaal geen woningen en/of bijbehorende voorzieningen gerealiseerd. In het noordelijk deel van het plangebied is in de opzet van het plan expliciet rekening gehouden met de nabijheid van een agrarisch bedrijf. Binnen een afstand van 100 meter tot dit bedrijf (richtafstand VNG-publicatie) zijn uitsluitend groenvoorzieningen natuur en parkeervoorzieningen gepland. Hiermee wordt voorkomen dat er gevoelige functies (zoals woningen) binnen deze geurcontour worden gerealiseerd. ,

,

Figuur 23 Veehouderijbedrijven en geurcontouren

Geur: andere bedrijven Aan de Langsteeg 14 is volgens het geldende omgevingsplan een slachterij in milieucategorie 3. 2 toegestaan. Uit meerdere bedrijfsbezoeken blijkt dat er incidenteel vleesverwerking plaatsvindt maar dat geen sprake meer is van slachtwerkzaamheden. Zoals ook aangegeven in de lagenbenadering wordt de milieucategorie teruggebracht en vindt een wijziging van het omgevingsplan naar ‘bedrijf – vleeswaren en vleesconservenfabrieken p. o. < 1. 000 m2 milieucategorie 3. 1. Voor een dergelijke functie is eventuele geur niet te verwachten. ,

,

,

,

,

Conclusie De bestaande veehouderijen worden niet belemmerd door de nieuwe woningen. Bij de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden geboden op het gebied van geur. Omdat het voornemen ook de beëindiging van de veehouderij aan de Kampenweg 4 omvat wordt een verbetering/positief effect verwacht ten opzichte van de referentiesituatie voor wat betreft geur. ,

,

4 Buro

Waalburg W-21143 d. d. 13 mei 2022 ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 52/73

Beoordeling Omgevingsdienst Noord-Brabant (ODBN) Met de beoordeling milieuparagraaf 21-02-2024 (zie bijlage 4.1.1) heeft de ODBN akkoord gegeven op het onderzoek geur. Voor het aspect industriële geur is duidelijk dat er planologische zekerheid moet bestaan over de aan- dan wel afwezigheid van de slachterij aan de Langesteeg 14 en dat daar indien er sprake blijft van een slachterij een nader geuronderzoek nodig is. ,

,

,

5. 5

GELUID: WEGVERKEER

5. 5. 1

WET- EN REGELGEVING

Geluid is een belangrijk onderdeel binnen de fysieke leefomgeving. Veel functies hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of worden eraan blootgesteld. Daarom zijn er regels opgenomen met betrekking tot het beheersen van geluid. Dit gaat over geluidsuitstraling van wegen spoorwegen industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat van de Omgevingswet zijn direct werkende regels opgenomen. Dit zijn regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. ,

,

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22. 3. 4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22. 57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22. 3. 4. 3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 4 BS). De instructieregels uit afdeling 3. 5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg spoorweg of industrieterrein (artikel 3. 18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). ,

,

,

,

5. 5. 2

ONDERZOEK

Onderzoek geluid wegverkeer - PM Vergelijkingsonderzoek geluid Een extra akoestisch vergelijkingsonderzoek (februari 2024 zie bijlage 2. 4) is uitgevoerd naar het effect van de toegenomen verkeersintensiteiten als gevolg van de nieuwe woningbouw het verlagen van de snelheid op de Noordelijke Randweg van 70 naar 50 km/uur en de aanleg van een fietstunnel onder de Noordelijke Randweg. Het doel van de studie is om een akoestische afweging te kunnen maken over de ontsluitingswijze van de verschillende soorten verkeer bij realisering van de nieuwe woningen. Uit de berekening volgt dat het verlagen van de snelheid of de aanleg van de fietstunnel minimale effecten heeft op de toetsing aan de omgevingswet. Het woon- en leefklimaat blijft goed tot redelijk in beide situaties. ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 53/73

In paragraaf 4. 1. 4 (Ontsluiting) is omschreven dat is gekozen voor het aanleggen van de tunnel. In paragraaf 4. 2 is onderbouwd waarom dit de voorkeur heeft vergeleken alternatieven. Het aspect geluid speelde dus geen doorslaggevende rol in deze variantenafweging. Beoordeling Omgevingsdienst Noord-Brabant Met de beoordeling milieuparagraaf van 21-02-2024 (zie bijlage 4. 1. 1) heeft de ODBN laten weten nog niet akkoord te zijn met het akoestisch onderzoek wegverkeer (de vergelijkingsstudie). Het geluidonderzoek ter herbeoordeling wordt opnieuw aangeboden wanneer ook het verkeersonderzoek is afgerond en kan worden gestuurd – PM.

5. 6

EXTERNE VEILIGHEID

5. 6. 1

WET- EN REGELGEVING

Activiteiten zoals het opslaan produceren gebruiken en vervoeren van gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Hierbij is het aspect omgevingsveiligheid van belang. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. ,

,

,

Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden afhankelijk van de activiteit vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl) ,

,

Groepsrisico (GR) Groepsrisico gaat uit van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben namelijk van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). In een omgevingsplan is het niet verplicht om aandachtsgebieden op te nemen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor onder andere brand explosie en gifwolken. Afhankelijk van de type activiteit zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze rekenkundig te bepalen op grond van bijlage VII van het Bkl. Aandachtsgebieden worden verder kenbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Op de Atlas van de Leefomgeving zijn kaarten opgenomen voor externe veiligheidsrisico's. Binnen aandachtgebieden kan spraken zijn van een voorschriftengebied. Als een initiatief ligt in een voorschriftengebied dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art 4. 90 t/m 4. 96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen (scholen kinderopvang verzorgingstehuizen enz. ) geldt altijd een voorschriftsgebied en daarmee aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl).

De gemeente kan verder aanvullende eisen stellen los van het voorschriftengebied in de omgevingsvergunning. Denk daarbij aan vluchtroutes en bereikbaarheid door hulpdiensten. De berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. ,

,

,

,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 54/73

5. 6. 2

ONDERZOEK

Het aspect externe veiligheid is beoordeeld (maart 2024 zie bijlage 2. 5) om te waarborgen dat de geplande woningbouwontwikkeling voldoet aan de wettelijke eisen en een veilig woon- en leefklimaat kan bieden. Het onderzoek beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). ,

Uit het onderzoek blijkt dat de kwetsbare gebouwen (woningen) binnen het plangebieden niet binnen een aandachtsgebied van nabijgelegen risicobronnen liggen (zie onderstaande figuur). Als het explosieaandachtsgebied van het tankstation ten zuidoosten van het plangebied overlapt met het plangebied moet het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten daar planologisch worden uitgesloten.

Figuur 24 Risicobronnen ten opzichte van het plangebied (plangebied = blauw omkaderd , kwetsbare gebouwen

,

= blauw

gemarkeerd) Conclusie Bijgevolg vormen de risicobronnen geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling ten noorden van de kern Sint-Oedenrode. Beoordeling Omgevingsdienst Noord-Brabant (ODBN) Met de beoordeling milieuparagraaf van 21-02-2024 (zie bijlage 4. 1. 1) heeft de ODBN laten weten niet akkoord te zijn met het onderzoek externe veiligheid. De opmerkingen van de ODBN zijn verwerkt in het onderzoek dat is afgerond in maart 2024 (zie hierboven). De aangepaste versie dient nog te worden gedeeld met de ODBN -PM

5. 7

ECOLOGIE

5. 7. 1

WETTELIJK KADER

De bescherming van de natuur is in Nederland opgenomen in de Aanvulingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De Omgevingswet voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden nationale natuurgebieden (NatuurNetwerk Nederland; het NNN) en (beschermde) flora en fauna. De basis wordt gevormd door de zorgplicht waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan ,

,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 55/73

vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat dan wel; de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. ,

,

,

Soortenbescherming In de Omgevingswet Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten. ,

,

op

basis

van

internationale afspraken

,

drie

Figuur 25 Op hoofdlijnen de verboden per beschermingsregime

Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of vergunningsverlening. Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren) is een overtreding van de Omgevingswet en kan gevolgen hebben. In Nederland zijn een tal aan soorten die dreigen te verdwijnen of al zijn verdwenen deze soorten zijn opgenomen in Rode Lijsten. Een deel van de bedreigde soorten zijn opgenomen in de beschermingsregimes van de Omgevingswet. Met de specifieke zorgplicht worden soorten die zijn aangemerkt als bedreigd (Rode lijst-soorten) maar geen bescherming kennen onder de beschermingsregimes aanvullend beschermd onder de Omgevingswet. Voorafgaand aan een activiteit dient te worden nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige bedreigde soorten (zoals het verwijderen van essentieel leefgebied). Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten dan zullen mitigerende maatregelen en/of compenserende maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de bedreigde soort. ,

,

,

Gebiedsbescherming Binnen Europa zijn natuurgebieden aangewezen met een landelijk overstijgend ecologisch belang dit zijn de Natura 2000-gebieden. Het is verboden om een project te realiseren dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Binnen de Omgevingswet is de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden geregeld in afdeling 11. 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het doel van de wetgeving is het behouden van de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten habitattypen en andere planten- en diersoorten en waar nodig deze te herstellen of stimuleren. Om te bepalen of een project vergunningplichtig is moet dus in een voortoets worden bepaald ,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 56/73

,

of het project significante gevolgen kan hebben. Daarom wordt in eerste instantie bepaald of het project tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden en zo ja of significant negatieve effecten als gevolg van de berekende toename in één of meerdere Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten of niet. Als er geen toename wordt berekend of als significante gevolgen in deze voortoets op voorhand kunnen worden uitgesloten dan vormt de Wet natuurbescherming vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning. ,

,

,

5. 7. 2

ONDERZOEK

Soortenbescherming Binnen het plangebied en de directe omgeving is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Hierbij wordt beoordeeld of de ontwikkeling leidt tot verstoring verlies van leefgebied of andere nadelige effecten voor beschermde soorten en worden maatregelen overwogen om deze effecten te voorkomen of te beperken. ,

,

Op 21 maart 2023 is een Quickscan ecologie uitgevoerd (bijlage 2. 6. 1). Hieruit bleek dat nader onderzoek naar verschillende soorten noodzakelijk is om de functionaliteit van het plangebied en omliggend gebied te onderzoeken voor vleermuizen huismus gierzwaluw ransuil boomvalk buizerd steenuil kerkuil sperwer roek steenmarter das kleine marterachtigen poelkikker en alpenwatersalamander. Het nader onderzoek uit september 2023 (bijlage 2. 6. 2) omschrijft in het geval van te verwachten knelpunten tussen één van de soorten en de voorgenomen werkzaamheden welke vervolgstappen nodig zijn en welke mitigerende (verzachtende maatregelen) en/of compenserende maatregelen van toepassing kunnen zijn. Uit het nader onderzoek ecologie zijn de volgende aanbevelingen opgesteld: ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Huismus Mitigerende maatregelen (verblijfplaatsen en foerageergebied) dienen voorafgaand aan eventuele sloop bebouwing Kampenweg 4 uitgevoerd te worden; Minimaal 6 maanden van tevoren. o Ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol; o Werkwijze ten aanzien van slaapplaatsen Schijndelseweg 24 dient eveneens opgenomen te worden in ecologisch werkprotocol. Buizerd Mitigerende maatregelen (foerageergebied) dienen voorafgaand aan bouwrijp maken plangebied uitgevoerd te worden; o Minimaal 12 maanden van tevoren. Ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Kerkuil Steenuil & Ransuil Mitigerende maatregelen (foerageergebied) dienen voorafgaand aan bouwrijp maken plangebied uitgevoerd te worden; o Minimaal 12 maanden van tevoren. Afstemming inrichting in samenspraak met ecoloog WSP en Uilenwerkgroep IVN o Ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. ,

Roek -

Mitigerende maatregelen (foerageergebied) dienen voorafgaand aan bouwrijp maken plangebied uitgevoerd te worden

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 57/73

-

o Minimaal 6 maanden van tevoren Ontheffingsaanvraag noodzakelijk Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol.

Das -

-

Mitigerende maatregelen (foerageergebied) dienen voorafgaand aan bouwrijp maken plangebied uitgevoerd te worden Minimaal 6 maanden van tevoren o o Afstemming inrichting in samenspraak met ecoloog WSP en Dassenwerkgroep Brabant Ontheffingsaanvraag noodzakelijk Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol.

Gewone dwergvleermuis & laatvlieger (vliegroutes) Vliegroutes dienen behouden te blijven Bij onderbreking vanuit fietsviaduct mitigerende maatregelen 6 maanden van tevoren uit voeren Mogelijk verlichtingsplan noodzakelijk bij verlichting in bouw- en woonfase op lijnstructuren Ontheffingsaanvraag noodzakelijk Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Gewone dwergvleermuis (verblijfplaatsen) Bij eventuele sloop woonhuis Kampenweg 4 zijn de volgende maatregelen noodzakelijk Mitigerende maatregelen 6 maanden van tevoren uit voeren Ontheffingsaanvraag noodzakelijk Werkwijze dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Een inrichtingsplan (-PM) geeft de uitwerking van de inrichting- en beplanting ten behoeve leefgebied van de aangetroffen natuurwaarden.

van

het functionele

De realisatie van de woningbouwontwikkeling de Dreven leidt tot aantasting en verstoring van het functionele leefgebied van verschillende soorten. Voor deze natuurwaarden dient een vergunning aangevraagd te worden. Een activiteitenplan wordt opgesteld als basis voor de vergunningsaanvraag (-PM). Gebiedsbescherming (Lanschaps)Ecologisch onderzoek is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van de geplande woningbouwontwikkeling op beschermde gebieden. De beoordeling richt zich op de nabijheid en gevoeligheid van Natura 2000-gebieden en andere beschermde natuurgebieden. Het doel is om vast te stellen of de ontwikkeling negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelen van deze gebieden en indien nodig mitigerende maatregelen te formuleren. ,

,

Uit de ecologische Quickscan volgt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied. De meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’en ‘Vlijmense Ven Moerputten & Bossche Broek’. Deze bevinden zich respectievelijk op circa 20 en 22 kilometer van het plangebied. Gezien de locatie van het plangebied en de afstand tot het Natura 2000-gebied kunnen directe negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Ten aanzien van de bouw- en gebruiksfase en de daar bijhorende stikstofuitstoot wordt geadviseerd om een Aerius berekening uit te laten voeren. Dit vanwege het feit dat voor grootschalige bouw- sloop en aanlegprojecten geen vrijstelling vanuit de weten regelgeving is. Het plangebied bevindt zich niet binnen het NNN (Natuurnetwerk Nederland) en bevindt zich eveneens niet in de directe omgeving ervan. Een nadere NNN-toets is niet nodig. ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 58/73

,

Figuur 26 Locatie van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het Natura2000-gebied Kampine & Oisterwijkse Vennen en Vlijmense Ven , Moerputten & Bossche Broek (Groen)

Onderzoek stikstofdepositie Ten tijde van het onderzoek was het uitgangspunt dat het plan circa 550 woningen omvat. Er is vastgesteld dat de gebruiksfase niet leidt tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De extra aantrekking van het verkeer naar dit gebied leidt immers niet tot een berekende toename van de stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden De stikstofdepositie is beoordeeld in december 2023 (december 2023 zie bijlage 2. 6. 3). Voor de bouwfase is onderzocht hoeveel emissie niet leidt tot een berekende toename van de stikstofdepositie. Afhankelijk van het type materieel dat wordt ingezet zijn per bouwjaar minimaal 3. 300 tot 4. 200 draai-uren op de bouwplaats toegestaan en kunnen elk jaar minstens 5. 000 personenwagens of bestelbussen en 2. 500 vrachtwagens naar de bouwplaats komen. Daarnaast kan uiteraard ongelimiteerd gebruik gemaakt worden van elektrisch materieel. ,

,

Op basis van onze ervaring in soortgelijke projecten wordt geoordeeld dat het bouwproces binnen deze randvoorwaarden altijd technisch en economisch uitvoerbaar zal zijn. Ook als gevolg van de bouwfase kunnen significante gevolgen door stikstofdepositie dus op voorhand worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor vaststelling van dit omgevingsplan. Het stikstofonderzoek uit 2023 laat zien ten opzichte van het huidige agrarische gebruik op de locatie geen toename van stikstofdepositie optreedt. Daarbij is dus gebruik gemaakt van intern salderen. Echter recente uitspraken van de Raad van State (18/12/2024) hebben mogelijk gevolgen voor de juridische houdbaarheid van dit onderzoek. Met name de toepassing van intern salderen en het vereiste additionaliteitsbeginsel kunnen ertoe leiden dat een passende beoordeling en natuurvergunning alsnog nodig zijn. We volgen de ontwikkelingen nauwgezet en hebben hierover inmiddels vragen uitgezet bij de Provincie; een reactie daarop is nog niet ontvangen. Zodra het stedenbouwkundig plan en de verkeersstudie gereed zijn zal een herberekening zonder intern salderen worden uitgevoerd om de robuustheid van de aanpak te toetsen. ,

,

,

,

Beoordeling Omgevingsdienst Noord-Brabant (ODBN) Met de beoordeling milieuparagraaf van 21-02-2024 (zie bijlage 4. 1. 1) heeft de ODBN laten weten dat om akkoord te gaan met het stikstofonderzoek de gehanteerde uitgangspunten dienen te worden herzien. De reacties ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 59/73

het ODBN worden meegenomen bij het actualiseren van het stikstofonderzoek naar aanleiding van de hierboven omschreven uitspraak van de Raad van State. -PM van

5. 8

ARCHEOLOGIE

EN CULTUURHISTORIE

5. 8. 1

WET- EN REGELGEVING

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. Zo zijn er in het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) ten aanzien van de bescherming van het behoud van het cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd archeologische monumenten (voorbeschermde) rijksmonumenten beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. ,

5. 8. 2

,

,

ONDERZOEK

Archeologie In mei 2023 heeft een inventariserend veldonderzoek (zie bijlage 2. 7) plaatsgevonden in het plangebied Heikampenweg – Kampenweg te Sint-Oedenrode. Op basis van een in 2022 uitgevoerd bureauonderzoek geldt er voor het gehele plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting met name voor resten uit het neolithicum tot de late middeleeuwen (zie Figuur 27). Ook is er een middelhoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog vanwege een bekende V2-inslag en gevechtshandelingen tijdens Operatie Market Garden. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw grotendeels verstoord is en dat onderscheid tussen hooggelegen en laaggelegen delen nauwelijks te maken is. In minder dan 10% van de boringen zijn aanwijzingen voor intacte bodemlagen of mogelijke archeologische sporen aangetroffen. Daarmee wordt de archeologische verwachting voor een groot deel van het plangebied naar beneden bijgesteld. Een uitzondering vormt de locatie van V2-inslag en enkele zones met een middelhoge verwachting op zwervende erven. Voor deze kansrijke zones wordt aanvullend proefsleuvenonderzoek aanbevolen (-PM) ,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 60/73

Figuur 27 Verwachtingskaart op basis van resultaten veldonderzoek.

Culthuurhistorie PM

5. 9

VERKEER EN PARKEREN

Onderzoek naar verkeer en parkeren wordt uitgevoerd om te beoordelen of de geplande woningbouwontwikkeling bereikbaar is en voldoet aan de eisen voor verkeersveiligheid en parkeercapaciteit. Hierbij wordt gekeken naar de impact van de extra verkeersbewegingen op de omliggende wegen en de beschikbaarheid van parkeerplaatsen binnen het plangebied. Het doel is om een goede doorstroming veilige verkeerssituaties en voldoende parkeergelegenheid te garanderen passend bij de behoeften van toekomstige bewoners en bezoekers. ,

,

5. 9. 1

MOBILITEITSONDERZOEK

Samen met een stedenbouwkundig bureau heeft de gemeente drie verkeersontsluitings-modellen bedacht. Een mobiliteitsonderzoek (augustus 2023 zie bijlage 2. 8) is uitgevoerd om dit verder te ontwikkelen en om tot een voorkeurvariant of meerdere mogelijk varianten te komen voor een ontsluitingsstructuur. Deze variant(en) dient vervolgens met een verkeersmodel getoetst te worden op verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid -PM. ,

Duurzame verkeersontsluiting Wvg-locatie Uitgangspunt ten tijde van het mobiliteitsonderzoek was de realisatie van circa 550 woningen. Het doel is om de woonwijk om een duurzame manier te ontsluiten. In dit kader is het van belang op de fietsverbindingen en de openbaar vervoer verbindingen van en naar de woonwijk te verbeteren. De belangrijkste maatregelen daarvoor zijn het aanleggen van een nieuwe voet- en fietstunnel onder de Noordelijke Randweg door het verbeteren van de fietsoversteken over de Schijndelseweg het verbeteren van de fietsverbinding naar de HOV-halte nabij de A50 en het toevoegen/verplaatsen van OV-haltes op de Noordelijke Randweg en Schijndelseweg. Ook de vormgeving de ,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 61/73

wegenstructuur in de woonwijk en het aanbieden van deelauto’s in de woonwijk kunnen bijdragen aan het

bevorderen van het fietsgebruik en het autogebruik verminderen. Ondanks de deze maatregelen is de verwachting dat het meeste verkeer zich per auto blijft verplaatsen. Dit leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen met circa 3. 660 voertuigen door de ontwikkeling van de woonwijk. Het extra autoverkeer concentreert zich op de Noordelijke Randweg (hier is de toename van verkeer circa 10% ten opzichte van de autonome situatie. Het meeste verkeer rijdt vervolgens richting de A50. Overigens neemt het verkeer op de Noordelijke Randweg in de autonome situatie ook al 20% toe ten opzichte van de huidige situatie. Knelpunten kruispunten Noordelijke Randweg De toename van het autoverkeer (autonoom en door de planontwikkeling) leidt tot knelpunten met betrekking tot de capaciteit van de kruispunten op de Noordelijke Randweg. Wanneer er geen maatregelen worden genomen ontstaat er in de toekomstige situatie forse congestie op de Noordelijke Randweg en de afritten van de A50. De belangrijkste knelpunten zijn de twee kruispunten bij de afritten van de A50 en rotonde Noordelijke RandwegSchijndelseweg: Wanneer de kruispunten bij de toe- en afritten van de A50 niet worden aangepast leidt dit in de ochtendspits tot lange files op de Noordelijke Randweg (tot voorbij de rotonde Schijndelseweg).

In de avondspits leidt dit tot files die terugslaan op de snelweg A50 met groot verkeersveiligheidsrisico’s tot gevolg (ook al zonder ontwikkeling van de Wvg-locatie); Wanneer de rotonde Noordelijke Randweg -Schijndelseweg niet wordt aangepast leidt dit tot forse congestie op de Noordelijke Randweg met files die terugslaan tot voorbij het kruispunt Postdijk en mogelijk tot aan de afritten van de A50 (alleen bij ontwikkeling Wvg). Zonder ontwikkeling van de Wvglocatie zijn de files korter. ,

,

Voorkeursvariant verkeersontsluiting Met maatregelen op de kruispunten op de Noordelijke Randweg zijn zowel ontsluitingsvariant 1 als ontsluitingsvariant 2 mogelijk. Het voordeel van variant 1 is dat de rotonde Noordelijk Randweg-Schijndelseweg minder wordt belast en dat er geen nieuwe aansluiting nodig is op de Schijndelseweg. Voor deze aansluiting op de Schijndelseweg (variant 2) zijn namelijk grondaankopen benodigd buiten de Wvg-locatie. Daarmee heeft variant 1 verkeerskundig een lichte voorkeur. Aanbevelingen Naar aanleiding van voorliggende verkeersstudie worden de volgende aanbevelingen gedaan: het inzetten op goede fietsverbindingen OV-verbindingen en deelauto’s in de woonwijk om de toename van het autoverkeer te beperken; in overleg te gaan met Rijkswaterstaat over de knelpunten en mogelijke korte- en langetermijnoplossingen om de verkeersafwikkeling op de kruispunten bij de toe- en afritten van de A50 te verbeteren. Dit is van belang om verkeersveiligheid op de afritten en uitvoegstroken van de A50 te waarborgen (ook zonder ontwikkeling van de Wvg-locatie); maatregelen te nemen om de capaciteit van de kruispunten op de Noordelijke Randweg te vergroten. Dit is van belangrijk om een goede en verkeersveilige verkeersontsluiting te realiseren voor de Wvg-locatie maar ook om autonome knelpunten aan te pakken.

Bovendien is een goede doorstroming op de Noordelijk Randweg van belang om een toename van verkeer door Sint-Oedenrode (route Schijndelseweg Lindendijk Corridor en route Eerschotsestraat) te voorkomen. ,

,

,

Toets parkeernorm

en verkeersmodel

-PM

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 62/73

,

5. 10 MILIEUZONERING (GELUID) 5. 10. 1 WET- EN REGELGEVING De Omgevingswet hanteert een integrale benadering van ruimtelijke ordening en milieubeheer. Een belangrijk aspect hiervan is milieuzonering waarbij bedrijven en milieubelastende activiteiten worden gescheiden van milieugevoelige functies zoals woningen en scholen. Ten aanzien van het onderdeel activiteiten en milieuzonering is het plan getoetst aan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. ,

5. 10. 2

ONDERZOEK

Het onderzoek ‘bedrijven en milieuzonering’ heeft als doel om enerzijds vast te stellen of sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en anderzijds of door het plan bedrijfsbelangen zouden kunnen worden geschaad. Ten behoeve van deze milieuhygiënische afweging wordt aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. ,

Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden. Indien woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen op kleinere afstand zijn gelegen dan deze richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2 3 of 4 gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstanden. ,

,

Stap 1: Bedrijven en milieuzonering – Akoestisch onderzoek Het aspect bedrijven en milieuzonering is beoordeeld (april 2024 zie bijlage 2. 9. 1). Er is geconcludeerd dat gezien de richtafstanden die voor een rustig buitengebied worden gehanteerd de bedrijven rondom het plangebied niet zorgen voor een belemmering voor de beoogde woningbouw met uitzondering van het bedrijf aan de Langesteeg 14 en de Heikampenweg 12a en het agrarische bedrijf aan de Langesteeg 18. Dit betekent dat binnen de richtafstanden van de genoemde bedrijven in beginsel geen woningbouw mogelijk is tenzij hiervoor een goede onderbouwing kan worden gevonden. Een andere optie is het verder verkleinen van de richtafstand door bijvoorbeeld het planologisch beperken van de bedrijfsactiviteiten (nr. 14) en/of een gebied specifieke geurverordening (nr. 18). ,

,

,

,

,

Voor het bedrijf aan de Langesteeg 14 geldt gezien de beperkte activiteiten (zoals benoemd in paragraaf 3.5.3) wordt de milieucategorie teruggebracht van 3. 2 naar 3.1 waardoor deze geen belemmering meer vormt voor de beoogde woningbouw. Daarnaast kan hinder veroorzaakt door het bedrijf aan de Langesteeg 18 worden voorkomen doordat niet wordt gebouwd binnen de vastgestelde hindercontouren aan de noordelijke zijde van het plangebied. Hier zijn groenstroken en parkeerplaatsen voorzien. ,

,

Voor het bedrijf aan de Heikampenweg 12a (partyverhuur) is geconcludeerd dat de hindercontour gelegen is over de woningbouwlocatie. Daarom is een stap 2 onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of met de realisatie van de woningbouwontwikkeling in de nabijheid van het partyverhuurbedrijf aan de Heikampenweg 12a sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

,

,

Stap 2: Bedrijven en milieuzonering – Akoestisch onderzoek Heikampenweg 12 Een stap 2 akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor het bedrijf aan de Heikampenweg (april 2024 zie bijlage 2. 9. 2). Uit de uitgevoerde geluidoverdrachtsberekeningen is gebleken dat binnen een beperkt gedeelte van de woningbouwontwikkeling de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau conform stap 2 uit de VNG-publicatie wordt overschreden. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te garanderen zijn volgende opties mogelijk: ,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 63/73

De indeling van het plan wordt zo voorzien dat geluidgevoelige functies slechts op een bepaalde afstand t. o. v. het zwaartepunt van de akoestisch relevante activiteiten aan de Heikampenweg 12a worden gerealiseerd (bijvoorbeeld door het toepassen van een groenstrook parkeervoorziening…): o maximum 16 meter t. o. v. de grens van het plangebied t. a. v. het langtijdgemiddeld geluidniveau (zie figuur 5-2); o maximum 35 meter t. o. v. de grens van het plangebied t. a. v. het maximaal geluidniveau (zie resultaten in tabel 5-1). Geluidwerende voorzieningen (zoals een gesloten erfafscheiding) worden getroffen. ,

,

Indien bovenstaande opties niet/beperkt mogelijk zijn dan kan ervoor gekozen worden om de richtwaarden met 5 dB te verhogen voor stap 3 uit de VNG-publicatie. De aan te houden afstanden t. o. v. de grens van het plangebied bedragen in dat geval: maximum 5 meter t. a. v. het langtijdgemiddeld geluidniveau (zie figuur 5-2); maximum 25 meter t. a. v. het maximaal geluidniveau (zie resultaten in tabel 5-2). ,

Er moet dan wel gemotiveerd worden waarom deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel wordt geacht en er moet dan aandacht besteed worden aan cumulatie met reeds aanwezige geluidsbronnen (bv. wegverkeer). Vervolgonderzoek wordt in gang gezet naar ofwel het toepassen van geluidwerende maatregelen of naar het aanpassen van de richtwaarden -PM ,

Beoordeling Omgevingsdienst Noord-Brabant (ODBN) Met de beoordeling milieuparagraaf van 31-05-2024 (zie bijlage 4. 1. 2) heeft de ODBN laten weten niet akkoord te zijn met het onderzoek bedrijven en milieuzonering en het akoestisch onderzoek voor de Heikampenweg. De onderzoeken dienen nog te worden aangepast. De opmerkingen worden verwerkt bij de actualisatie van het onderzoek op basis van het nieuwe stedenbouwkundig plan en bij de vervolgonderzoeken. -PM ,

,

5. 11

ONGESPRONGEN

OORLOGSRESTEN

5. 11. 1

WET- EN REGELGEVING

Naar aanleiding van de oorlogshandelingen ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van Ongesprongen Oorlogsresten (OO) tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden. ,

,

Om bovenstaande situatie te voorkomen is bij werkzaamheden in de bodem zoals bij bouw- of infraprojecten is een risico-inventarisatie verplicht op grond van de Arbowet. Wanneer er een vermoeden bestaat van ontplofbare oorlogsresten (OO) moet dit risico worden onderzocht. Het opsporen van OO is sinds 1 januari 2021 wettelijk gecertificeerd via het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Vooronderzoek en risicoanalyse vallen onder een aanvullend vrijwillig certificatieschema. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform de meest recente versie daarvan om de veiligheid en kwaliteit te waarborgen. ,

,

,

,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 64/73

5. 11. 2 ONDERZOEK Een vooronderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) ter plaatse van de Noordelijke Randweg (maart 2023 zie bijlage 2. 10). In het onderzoeksgebied (zie rood kader in onderstaande figuur) zijn delen betrokken geweest bij oorlogshandelingen waardoor er een verhoogd risico op het aantreffen van OO. Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn er feitelijke indicaties gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen (delen van) het onderzoeksgebied. Er zijn meerdere bronnen gevonden waaruit blijkt dat in oktober 1944 Britse artillerieregimenten geschutstellingen hebben gegraven binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn er EODD-meldingen gevonden van twee typen ontstekingsinrichtingen die veelvuldig werden gehanteerd bij Brits geschut. Tevens zijn er meldingen gevonden van infanteriemunitie die vermoedelijk gedragen en gehanteerd zijn door de aanwezige Britse troepen. Derhalve zijn delen van het onderzoeksgebied aangeduid als ‘verdacht’ op het mogelijk aantreffen van gedumpte geschuten infanteriemunitie met kalibers variërend tussen de 2 inch en 25 ponder. ,

,

Figuur 28 OO-Bodembelastingkaart (groen

= onverdacht

gebied oranje of rood gearceerd = verdacht gebied) ,

Daar waar het verdachte gebied en het onderzoeksgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) wordt geadviseerd het opsporingsproces voort te zetten. Indien alleen grond wordt aangebracht waarbij geen beroering of afgraving van de bodem plaatsvindt kan worden overwogen om de bodem voorafgaand aan de (grond)werkzaamheden niet nader te onderzoeken op de aanwezigheid van OO. Bij aan- en afvoer van grond zal echter vaak gebruik worden gemaakt van zware machines. De druk en trilling die door deze machines op de bovengrond wordt uitgeoefend kan mogelijk leiden tot het in werking treden van OO die (net) onder het maaiveld liggen. Het is derhalve aan te bevelen de bodem voorafgaand aan deze werkzaamheden toch te laten onderzoeken op de aanwezigheid van munitieartikelen. ,

,

Daar waar enkel graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen de contouren van reeds naoorlogs vergraven tracés van bijvoorbeeld rioleringssleuven kan redelijkerwijs worden aangenomen dat OO destijds zijn opgemerkt en weggenomen. Deze aanname is echter geen wetmatigheid. Het is derhalve raadzaam voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een protocol op te stellen met betrekking tot de handelswijze bij het incidenteel aantreffen van OO uit de Tweede Wereldoorlog. Ook voor gebieden welke als ‘onverdacht’ verklaard zijn kan gebruik worden gemaakt van dit protocol. Verder wordt dringend aanbevolen om bij start van werkzaamheden de resultaten van dit onderzoek te delen met het bevoegd gezag. ,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

,

WSP 7 april 2025 pagina 65/73

5. 12 SPUITZONES Bij de stedenbouwkundige inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de aanwezige spuitzones die voortvloeien uit de nabijgelegen agrarische percelen. Zoals aangegeven in paragraaf 4. 1. 2 “Gewasbescherming” is rekening gehouden met een minimale afstand van 50 meter tussen agrarische gronden en bouwvlakken binnen het plangebied. Dit om de gezondheid en het wooncomfort van de toekomstige bewoners te waarborgen. In de verbeelding (zie bijlage 1. 2) zijn de spuitzones met stippen gearceerd. Bouwvlakken zijn zo veel mogelijk buiten de spuitzone gesitueerd: In het noorden oosten en een groot deel van het zuiden van het plangebied ligt het werkingsgebied ‘woongebied’ buiten de spuitzones en sluiten ze aan op de ruimtelijke kaders. Aan de westzijde en zuidwestelijke zijde van het plangebied bevinden enkele delen van het werkingsgebied ‘woongebied’ zich binnen de 50-meterzone. Om hieraan tegemoet te komen worden mitigerende maatregelen getroffen zoals het instellen van een spuitverbod of wordt rekening gehouden met nadeelcompensatie of verwerving van gronden. De gestipte arcering is hier doorgetrokken tot buiten het plangebied om aan te geven waar aanvullende ruimtelijke maatregelen worden overwogen. ,

,

,

,

Binnen de overige spuitzones waar geen woningbouw wordt gepland worden voornamelijk parkeerplaatsen en groenvoorzieningen (waar geen langdurig verblijf wordt voorzien) gerealiseerd. Dit sluit aan bij de ontwerpambitie om parkeerplaatsen zoveel mogelijk aan de rand van het plangebied te situeren (paragraaf 4. 1. 4 “Ontsluiting”) en sluit ook aan bij de aangewezen natuurzones en groenstructuren langs de plangrenzen (zie paragraaf 4. 1. 1 “Beschrijving stedenbouwkundig plan” en paragraaf 5. 7 “Ecologie”). Door deze ruimtelijke inpassing en aanvullende maatregelen vormen spuitzones geen belemmering voor de realisatie van het woningbouwplan. De werkingsgebieden ‘woongebied’ worden zo ingepast dat blootstelling aan bestrijdingsmiddelen wordt voorkomen. ,

,

5. 13 TRILLINGEN 5. 13. 1 WET- EN REGELGEVING De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4. 2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22. 88 van de bruidsschat die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen ,

,

opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillingsgevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillingsgevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen wegen vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt kan een quickscan trillingshinder raadzaam zijn indien bestaande klachten de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. ,

,

,

,

,

021926 – Meierijstad BP onderzoeken woningbouw Sint-Oedenrode Toelichting SLM021926. Toelichting wijziging Omgevingsplan Voorontwerp - , Versie 4

WSP 7 april 2025 pagina 66/73

5. 13. 2 ONDERZOEK In dit geval is geen sprake van een bron van trillingshinder in of nabij het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5. 14 DUURZAAMHEID EN GEZONDHEID 5. 14. 1 WET- EN REGELGEVING Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen zuinig grondstoffengebruik (circulariteit) efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet onder andere toe op bepaalde kwaliteitseisen van nieuwbouw. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=0e609104-ea11-4a5a-9646-81b13d609075