CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

B11b Bijlage 1 Toekomstbeeld-stappenplan-advies ViA 2026-2030

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Stukken van het college van burgemeester en wethouders24.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toekomstbeeld, stappenplan en advies

Veilig in Afhankelijkheidsrelaties (ViA) Noordoost Brabant 2026-2030

1

Katrien de Vaan

Amsterdam, 2 oktober 2025 Publicatienr.

© 2025 Regioplan, in opdracht van Gemeente 's-Hertogenbosch Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Regioplan. Regioplan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.

2

1

2

3

4

Inleiding .............................................................................................................................................................. 5 1.1

Aanleiding van dit traject................................................................................................................................... 5

1.2

Totstandkoming van dit document .................................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer........................................................................................................................................................... 6

Geweld duurzaam stoppen .................................................................................................................................. 8 2.1

Waarom een aangepaste ambitie? ................................................................................................................... 8

2.2

Wat is nodig om deze ambitie te realiseren?..................................................................................................... 8

De ambitie realiseren: stappenplan ................................................................................................................... 11 3.1

Werken volgens de Meldcode .......................................................................................................................... 11

3.2

Stevige lokale teams op ViA ............................................................................................................................. 13

3.3

Regionale netwerksamenwerking.................................................................................................................... 17

3.4

Specialistische hulp .......................................................................................................................................... 20

Aan de slag: aandachtspunten voor de uitvoering ............................................................................................. 24 4.1

Het programmateam ....................................................................................................................................... 24

4.2

Ontwikkeling .................................................................................................................................................... 24

4.3

Monitoring ....................................................................................................................................................... 26

4.4

Verbreding en borging ..................................................................................................................................... 27

Bijlage 1 Rapport Zelfscan Sterke Lokale Teams ......................................................................................................... 30 Bijlage 2 Koersplan Veilig in Afhankelijkheidsrelaties: Herijking 2026-2030 ................................................................ 65

3

1. Inleiding

Het stil leggen van de Werkgroep ViA in 2024 heeft geleid tot een heroriëntatie op zowel inhoud als governance van ViA. Dit document bevat de uitkomst van het inhoudelijke deel: een nieuw Toekomstbeeld en een stappenplan en advies voor hoe daar te komen.

4

Een oudere man die niet kan omgaan met de gedragsverandering die zijn dementerende vrouw doormaakt, en daar agressief op reageert. Een stel van begin dertig zonder kinderen waar de politie steeds opnieuw meldingen van hoogoplopende ruzies over krijgt en Veilig Thuis bij inschakelt, maar dat hulp afhoudt. Een volwassen, verslaafde zoon die bij zijn hulpbehoevende moeder inwoont maar duidelijk niet voor haar zorgt en waar huisuitzetting dreigt. Een gezin met kinderen dat het niet makkelijk heeft en waar onveiligheid ontstaat doordat de ouders daar ieder op een andere manier mee omgaan. Dit soort situaties komen dagelijks op het bord van het lokaal team 1 – en horen daar ook. Het zijn situaties waarin inwoners met problemen kampen die leiden tot onveiligheid. Het lokaal team is de geëigende partij om voor deze inwoners hulp te organiseren: de meest passende hulp is vaak te vinden in het lokaal veld, of na beschikking in het vrijwillig kader. Er zijn meerdere hulpvragen tegelijkertijd die op elkaar inhaken en om coördinatie vragen, coördinatie die deze inwoners niet altijd (op dat moment) zelf kunnen voeren. Maar er is ook sprake van onveiligheid. Die onveiligheid vraagt een specifieke focus, namelijk op het wegnemen ervan.

En die focus vraagt specialisme: om onveiligheid te herkennen, op waarde te schatten, erover in gesprek te gaan met de inwoners die het betreft, te begrijpen wat en wie de onveiligheid veroorzaakt en hulp te organiseren en coördineren die op termijn tot duurzame veiligheid kan leiden. Dat handelen op onveiligheid is niet alleen een kwestie van de weg wijzen en hulp verlenen in het vrijwillig kader, het gaat ook over afstemming op interventies die zijn gericht op de veroorzaker van de onveiligheid en die een bestuursrechtelijk, strafrechtelijk of civielrechtelijk karakter kunnen hebben. Deze situaties horen in het lokaal team. Om er echter adequaat en effectief in te kunnen handelen, is een verbeterslag binnen de lokale teams nodig. Op dit moment krijgen inwoners die te maken hebben met onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties2 namelijk niet de hulp die nodig is om de onveiligheid (duurzaam) weg te nemen. Dat blijkt uit landelijk onderzoek, onder andere gebaseerd op onderzoek in Noordoost-Brabant, dat in 2022 aanleiding vormde voor de totstandkoming van het Koersplan Werkgroep Veilig in Afhankelijkheidsrelaties; Integrale aanpak Noordoost-Brabant 2023-2028. De werkgroep ViA die met de uitvoering van het Koersplan aan de slag ging, werd medio 2024 stopgezet.

Na een onderzoek naar de toedracht daarvan is in oktober 2024 geconstateerd dat de werkgroep in de bestaande vorm en met de bestaande governance niet verder kon. Hiemstra & De Vries en Regioplan hebben vervolgens samen advies uitgebracht over wat er in de regio nodig is om te komen tot een stevigere uitvoering en regie, met een duidelijke veranderstrategie, om de plannen uit het Koersplan ViA effectief in de praktijk te kunnen brengen. Het advies van Hiemstra & De Vries en Regioplan was tweeledig: wijzig de governancestructuur en breng meer inhoudelijke focus aan. Dit document is het resultaat van een tussenstap op het inhoudelijke deel van dat advies. Terwijl parallel aan de totstandkoming hiervan een nieuwe governancestructuur voor ViA is ontwikkeld, is op de inhoud van de aanpak de actuele stand van zaken in kaart gebracht. Die stand van zaken wordt in dit document afgezet tegen de (aangepaste) ambitie van ViA en het toekomstbeeld dat daaraan verbonden is. Vervolgens worden de stappen om van de huidige naar de gewenste toekomstige situatie te komen geïdentificeerd. Daarmee is dit document leidend voor de uitvoering van het programma ViA de komende jaren. Het vervangt het Meerjarig Uitvoeringsplan 2023-2028.

Om tot dit document te komen zijn de volgende activiteiten uitgevoerd:  Uitvoering van de Zelfscan Stevige lokale teams in alle gemeenten in Noordoost-Brabant.  Gesprekken over de uitkomsten van de zelfscan op ambtelijk en bestuurlijk niveau in alle gemeenten.  Inrichting van een dashboard waarmee in de toekomst lokale ontwikkelingen op de elementen uit de Zelfscan, eventueel aangevuld met andere indicatoren, gevolgd kunnen worden. In dit document wordt onder ‘lokaal team’ verstaan: de lokale toegang tot hulp en ondersteuning vanuit de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet. Het kan een enkel team zijn, om verschillende teams gaan, of een combinatie betreffen van gemeentelijke consulenten en ingehuurde professionals van externe partijen. Ook teams die zich specifiek toeleggen op complexe (veiligheids)casuïstiek binnen het lokale sociaal domein vatten we onder dit paraplubegrip, omdat ook die teams binnen het lokale domein van toegang tot zorg en ondersteuning en lichte hulpverlening vallen. Gemeenten kunnen zelf binnen dit spectrum onderscheid in verschillende teams maken en zullen daarbinnen ook afwegingen maken over waar welke rol in het kader van ViA het beste belegd kan worden. Maar voor een goed begrip van dit document is het belangrijk te weten dat een dergelijk onderscheid hier niet wordt gemaakt en met ‘lokaal team’ het geheel wordt bedoeld.

2 Onder onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties wordt verstaan: alle vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling, inclusief ouderenmishandeling, en ontwikkelingsbedreiging van minderjarigen voor zo ver deze gepaard gaat met onveiligheid binnen het gezinssysteem. 1

5

 Het opstellen van een regionale analyse op basis van de lokale resultaten van de Zelfscan.  Twee werksessies met beleidsadviseurs van de tien gemeenten en vertegenwoordigers van Veilig Thuis (VT), Jeugdbescherming Brabant (JBB) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).  Een sessie met directeuren Sociaal Domein, gezamenlijk met de projectleider van het governancetraject.  Herijking van het Koersplan langs de focus van de ambitie en het toekomstbeeld.  Opstellen van dit document.

Hoofdstuk 2 gaat in op de bijgestelde ambitie voor VIA. Er wordt uitgelegd waarom bijstelling nodig was, en wat nodig is om de ambitie te realiseren. Hoofdstuk 3 bevat het stappenplan: het werkt op elk onderdeel van het Toekomstbeeld uit wat de huidige situatie is (‘ist’), wat de gewenste toekomstige situatie is (‘soll’) en wat nodig is om van de huidige naar de toekomstige situatie te komen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het regionale programma en de individuele gemeenten. Hoofdstuk 4 gaat in op een aantal aandachtspunten bij de uitvoering van het plan: het programmateam, de benodigde ontwikkelruimte, monitoring, en tot slot implementatie en borging. In de bijlage zijn de regionale analyse van de lokale zelfscans en de herijking van het Koersplan opgenomen.

6

2. Geweld duurzaam stoppen De ambitie voor 2030

Nieuwe ambitie: In 2030 is het Toekomstscenario geïmplementeerd en stopt het geweld na 70% van de meldingen Huiselijk geweld en Kindermishandeling.

7

Het advies van Hiemstra & De Vries en Regioplan bevatte onder andere de suggestie om de ambitie voor ViA aan te passen. De reden daarvoor was tweeledig:  De gestelde termijn voor het behalen van de ambitie (2028) was niet realistisch, gezien de actuele stand van zaken in de aanpak, zowel lokaal als regionaal.  De ambitie weerspiegelde onvoldoende de actuele relevantie van het Toekomstscenario voor de aanpak van ViA. In reactie daarop is in het genoemde advies voorgesteld om de ambitie aan te passen, zodat die als volgt wordt: In 2030 is het Toekomstscenario geïmplementeerd en stopt het geweld na 70% van de meldingen Huiselijk geweld en Kindermishandeling. De streeftermijn van 2030 is gebaseerd op de volgende, globale planning:  2025 – nadere uitwerking en besluitvorming vervolg ViA.  2026 & 2027 – implementatie van dit stappenplan (en daarmee van het geherijkte Koersplan).  2028 – werken volgens de nieuwe aanpak (lokaal en regionaal).  2029 – zichtbaarheid van eerste resultaten. Duurzame veiligheid vraagt tijd om te kunnen realiseren en waarnemen. Daarom is 2030 als streefdatum voor de gestelde 70% stoppen van het geweld genomen. Deze wijziging is overgenomen in het herijkte Koersplan in de bijlage.

De onderstaande figuur bevat een schematisch overzicht van wat nodig is om de bovenstaande ambitie te realiseren. In de rest van dit document wordt hiernaar verwezen als het toekomstbeeld: dat wat in de toekomst minimaal, en met prioriteit, op orde moet zijn om onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties in de regio effectief aan te kunnen pakken.

Toekomstscenario en Visie Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid vormen uitgangspunt voor de aanpak

Meldstructuur

Duurzaam stoppen

Kader: Wet Meldcode Stevige lokale teams

Kader: Leidraad Werken aan veiligheid, Richtinggevend kader VNG

Verbinding via TOP-3 en aanpak complexe casuïstiek

Regionale netwerksamenwerking

Specialistische hulp

Kader: Toekomstscenario

Kader: inkoop en accounthouderschap

Het Toekomstscenario en de Visie Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid (GSV) vormen het kader voor een stevige basisinfrastructuur voor de aanpak van ViA. Die basisinfrastructuur bestaat uit:

8

1. Een goed functionerende meldstructuur: alle professionals die daartoe verplicht zijn, passen de Meldcode toe waar relevant, en beschikken ook over de kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn. 2. Een effectieve structuur voor interventie, hulpverlening en het stoppen van geweld. Daaronder vallen: a. stevige lokale teams (in dit geval: stevig in het effectief kunnen handelen op onveiligheid in relaties) 3; b. een goede netwerksamenwerking op regionaal niveau tussen in ieder geval Veilig Thuis, de GI’s en de RvdK; c. een goede verbinding en samenwerking tussen de lokale teams en de partijen in de regionale netwerksamenwerking, op basis van GSV en de daaraan gekoppelde TOP-3-methodiek, toegespitst op casuïstiek die als complex gekwalificeerd kan worden omdat er meerdere inwoners, probleemgebieden en domeinen uit zorg en veiligheid betrokken zijn; d. de beschikbaarheid van de juiste en voldoende hulp voor inwoners die te maken hebben met onveiligheid in relaties. Binnen die structuur wordt gewerkt aan een andere cultuur en een andere grondhouding om te komen tot de gewenste nieuwe vorm van samenwerking. De komende jaren is het belangrijk om prioriteit te geven aan activiteiten die leiden tot realisatie van deze basisinfrastructuur. Daar is het Koersplan op herijkt (zie de bijlage).

Landelijke kaders geven daarbij richting, net als de keuze om Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid centraal te stellen. Op regionaal niveau zijn belangrijke kaders voor specialistische hulp de inkoopkaders en het contractbeheer/accounthouderschap ten aanzien van jeugdhulp, Wmo en vrouwenopvang/maatschappelijke opvang/beschermd wonen. Met een goede, integrale en systeemgerichte aanpak op lokaal niveau kun je ver komen als het gaat om het realiseren van veiligheid. De mogelijkheden lokaal zijn echter beperkt tot het vrijwillig kader. Diepgaande expertise op complexe vraagstukken of specifieke problematiek is lokaal vaak beperkt. Het realiseren van 70% duurzame veiligheid na meldingen HGKM kan daarom alleen door de lokale en regionale aanpak aan elkaar te verbinden: een stevige basisinfrastructuur beslaat het lokale en regionale niveau. Dat betekent lokaal de toegang tot hulp, regie en het verlenen van basishulp; regionaal de meer specialistische taken en bevoegdheden. Een effectieve aanpak vraagt dat die twee niveaus naadloos op elkaar aansluiten, niet alleen in structuur, maar ook in cultuur en gedrag: een andere manier van (samen)werken.

Daarvoor moeten de regionale partners in elke gemeente op hetzelfde niveau aan dienstverlening kunnen vertrouwen, is het wenselijk dat in elke gemeente met dezelfde formats en instrumenten wordt gewerkt, en dat de uitgangspunten voor de toegepaste methoden in de hele regio (lokaal en regionaal) hetzelfde zijn. Dat vraagt van gemeenten dat zij een deel van hun eigenheid loslaten en een bepaalde mate van uniformiteit accepteren. Daar krijgen ze een goed functionerende regionale structuur en samenwerking voor terug. Bovendien is hier ook financieel voordeel te behalen: regionale partners kunnen op deze manier efficiënter werken. En de effectievere aanpak, waar deze samenwerking tussen lokaal en regionaal toe leidt, zet de juiste hulp op het juiste moment in (voorkomt dus het ongericht inzetten van niet passende hulp) en vermindert problemen – en daaruit voortvloeiende benodigde inzet vanuit zorg- en veiligheidspartners – op de langere termijn. De herijking van het Koersplan langs deze lijn (zie bijlage 2) leidt ertoe dat de doelen uit het oorspronkelijke Koersplan onder nieuwe doelstellingen in lijn met het hierboven geschetste toekomstbeeld komen te hangen. Op deze manier ontstaat een duidelijke richting voor ViA en prioritering voor de komende jaren.

De herijking betekent dat een aantal activiteiten vooralsnog geen prioriteit krijgen:  Preventie, (vroeg)signalering en informele steun;  Projecten die zich richten op specifieke doelgroepen;  De ontwikkeling van aanbod dat gebruik maakt van de inzet van ervaringsdeskundigheid. Hoe belangrijk ook, eerst zal de basis op orde moeten zijn in de regio. Daarna kan op die basis verder worden gebouwd, waarbij deze aspecten zeker aandacht verdienen.

Er is een bredere ontwikkeling gaande op Stevige Lokale Teams, aangestuurd vanuit het Richtinggevend Kader van de VNG en de Hervormingsagenda Jeugd. In dit document zien we stevige lokale teams op het onderdeel ViA als onderdeel van sociaaldomein-brede stevige lokale teams, zoals beschreven in het Richtinggevend Kader. 3

9

3. De ambitie realiseren Stappenplan

Op vier vlakken is actie nodig om te komen tot realisatie van de ambitie:  Werken volgens de Meldcode  Stevige lokale teams op ViA  Regionale netwerksamenwerking  Specialistische hulp Het stappenplan zet de benodigde acties op deze vier onderdelen uiteen, met daarbij een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen het regionale programmateam en gemeenten.

10

In dit stappenplan wordt steeds eerst de actuele situatie geschetst. Die is gebaseerd op de door alle gemeenten in Noordoost-Brabant uitgevoerde zelfscans van hun lokale teams op het vlak van de aanpak van ViA en de daarover gevoerde ambtelijke en bestuurlijk gesprekken en gesprekken met regionale partners. De gewenste toekomstige situatie is gebaseerd op geleverde input tijdens twee werksessies met vertegenwoordigers van gemeenten en regionale partners. Die input is samen met kennis over wat werkt in de aanpak van ViA en over ervaringen elders in het land bij de kwartiermaker verwerkt tot het gepresenteerde beeld van de gewenste toekomstige situatie. Het geschetste beeld is daarmee geen een-op-een weergave van de resultaten van de werksessies. Dat had ook niet gekund, omdat het niet mogelijk is om in dergelijke sessies op alle punten de benodigde diepgang aan te brengen.

De Wet Meldcode stelt dat alle professionals in onder andere gezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp moeten werken volgens de Meldcode als zij te maken krijgen met (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling. Hier vallen dus ook de professionals die werkzaam zijn in de lokale teams onder. De Meldcode kent vijf stappen: 1. In kaart brengen van signalen. 2. Overleggen met een collega of indien nodig met Veilig Thuis. 3. In gesprek gaan met de betrokkene(n) om zorgen te bespreken. 4. Afweging maken van de ernst van de situatie. 5. Een beslissing nemen. De basis voor het werken met de Meldcode ligt in het kunnen signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling. Over deze basiskennis, en de vaardigheid om vervolgens met die signalen aan de slag te gaan, moet elke professional die Meldcodeplichtig is beschikken. Professionals hoeven de vijf stappen van de Meldcode niet helemaal zelfstandig te doorlopen. Het is de bedoeling dat hun organisatie over minimaal één geschoolde aandachtsfunctionaris beschikt die kan helpen bij het wegen van en handelen op signalen. Het voeren van een gesprek met de betrokkenen is echter iets wat professionals (al dan niet met die ondersteuning) zelf moeten kunnen doen. De Zelfscan meet in welke mate alle medewerkers van het lokaal team kunnen werken volgens de Meldcode.

Gezien de wettelijke eis die hierboven is beschreven (betreffende ‘alle professionals’), is het niet voldoende als slechts een deel van de medewerkers de Meldcode kan volgen. De uitgevoerde zelfscans laten zien dat in geen enkele gemeente alle professionals die in het lokaal team werkzaam zijn beschikken over alle benodigde kennis en vaardigheden.  Er zijn belangrijke verschillen in expertise en vaardigheden tussen professionals die werken op het gebied van jeugd, en professionals die werken op het gebied van de Wmo. Dit voert terug op de opdracht die deze onderdelen van de lokale teams hebben, de SKJ-registratie die vaak verplicht is voor professionals op het gebied van jeugd en eisen op dit gebied stelt, en de inrichting van de lokale teams na de decentralisatie waarbij zeker op het gebied van de Wmo aanvankelijk vaak weinig aandacht bestond voor dit soort complexe casuïstiek.  Niet in alle gemeenten is de toegang tot een aandachtsfunctionaris voor alle medewerkers van het lokaal team goed geregeld (wat concreet betekent dat niet elke gemeente over een aandachtsfunctionaris beschikt, of de functie van aandachtsfunctionaris niet heeft ingevuld conform het gewenste profiel – zie voetnoot 4). Dat is wel nodig om te kunnen voldoen aan de Wet Meldcode.

 Hoewel niet alle professionals voldoende goed in staat zijn om met directbetrokkenen het gesprek te voeren over de signalen die zij hebben gezien, is er voor degenen die dat minder goed kunnen vaak wel toegang tot een deskundige collega, die hen daarbij kan helpen.

Het kunnen volgen van de Meldcode is een wettelijke plicht. In de toekomst beschikken dus alle professionals in alle lokale teams over de benodigde kennis en vaardigheden om dat te doen. Concreet betekent dat het volgende:  het kunnen signaleren van risicofactoren;  het kunnen signaleren van onveiligheid;  het herkennen van risicogroepen;  het hebben van toegang tot een aandachtsfunctionaris voor advies en ondersteuning;

11

 het hebben van toegang tot een gedragswetenschapper voor advies;  in staat zijn om met de inwoners die het betreft de onveiligheid te bespreken;  oog hebben voor andere problemen dan specifiek de onveiligheid, die daar van invloed op kunnen zijn, zoals verslavings- en inkomensproblematiek;  de weg weten – en ook benutten – naar Veilig Thuis voor het vragen van advies en het doen van een melding.

Casus deel 1 De intern begeleider van de basisschool meldt zich bij het lokaal team met zorgen over Jayden (10). Een leerkracht heeft opgemerkt dat Jayden regelmatig gespannen en boos op school komt. Hij reageert agressief op klasgenoten en trekt zich soms volledig terug. Tijdens een gymles is bovendien een blauwe plek op zijn arm gezien, waar Jayden ontwijkend op reageerde. Het lokaal team herkent dit signaal van mogelijke onveiligheid in de thuissituatie. 1. Herkennen – Het teamlid dat met de intern begeleider in gesprek gaat herkent dat Jaydens gedrag en de signalen van letsel mogelijk wijzen op onveiligheid. De combinatie van gedragsproblemen, lichamelijke signalen en de zorgen van school vormen een ernstig signaal. 2. Beoordelen – Het teamlid gaat in gesprek over de signalen met de aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling binnen het team. Samen komen ze tot de conclusie dat er over dit signaal in gesprek gegaan dient te worden met het gezin. 3. Bespreken met de ouders – Het lokaal team gaat vervolgens in gesprek met de ouders: Layla en Rick. In dit gesprek worden de zorgen van school gedeeld, en wordt gevraagd of het lokaal team iets kan betekenen in de zin van ondersteuning bij problemen. De ouders wuiven de zorgen echter weg.

Het is een lokale verantwoordelijkheid om te zorgen dat alle professionals in de lokale teams in staat zijn om te handelen conform de Meldcode. Gemeenten kunnen putten uit een groot aanbod aan scholing op het gebied van de Meldcode. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:  Scholing dient doorlopend beschikbaar te zijn, gezien het personeelsverloop.  Hoewel het een lokale verantwoordelijkheid is, kunnen gemeenten er natuurlijk wel voor kiezen om scholing gezamenlijk in te kopen en te faciliteren.  Toegang tot een (goed geëquipeerde) aandachtsfunctionaris 4 is essentieel om het volgen van de Meldcode te faciliteren.  Ook professionals die zich primair bezighouden met de uitvoering van de Participatiewet/Werk & Inkomen dienen in staat te zijn om onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties te signaleren. Gemeenten dienen te bepalen of en hoe zij ook de verdere stappen van de Meldcode moeten kunnen zetten, waarbij uitgangspunt moet zijn dat er binnen het lokaal team altijd gehandeld wordt op signalen, in welk domein die ook worden opgepikt.  Een (naar rato van het inwonertal) laag aantal adviesvragen en meldingen vanuit een bepaalde gemeente bij Veilig Thuis dient altijd gezien te worden als een teken van gebrekkige signalering of handelingsverlegenheid in het opvolgen van signalen.

Het is feitelijk onjuist dat er gemeenten en bevolkingssamenstellingen zijn waar onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties niet of nauwelijks voorkomt. Twee taken op dit vlak komen, ondanks de hierboven geschetste primaire verantwoordelijkheid die bij gemeenten zelf ligt, bij het regionale programmateam te liggen:  Monitoring: van de aanwezigheid van de vereiste expertise en vaardigheden bij alle professionals in alle lokale teams (deadline: in 2028 gerealiseerd) en van het verloop van de adviesvragen en meldingen bij Veilig Thuis per gemeente (als die achterblijven, is dat een signaal van gebrekkige signalering of gebrekkig handelen op signalen). Uiteraard gebruikt de programmateam de uitkomst van de monitoring om met gemeenten in gesprek te gaan wanneer hun ontwikkeling op dit vlak achterblijft. Waar nodig kan vanuit het programmateam hierover worden opgeschaald naar directeuren en indien nodig bestuurders.  (In overleg met de strategisch netwerkadviseur GI/VT/RvdK) zorgen voor duidelijkheid over de afspraken met Veilig Thuis over advies vragen en melden (als onderdeel van de regionale samenwerkingsafspraken). Deze afspraken moeten voor elke gemeente en elke professional die werkt in een lokaal team duidelijk, bekend en toepasbaar zijn. 4 LVAK_taakprofiel_aandachtsfunctionaris.pdf

12

Een uitgebreide beschrijving van de actuele stand van zaken op het vlak van ‘Stevige lokale teams op ViA’ is opgenomen in bijlage 1: de regionale analyse van de lokale zelfscans. Samengevat komt daar het volgende beeld uit naar voren:  Binnen de lokale teams, zoals die in de meeste gemeenten op dit moment zijn ingericht, heeft de integrale aanpak van ViA geen duidelijke plek. Er zijn nauwelijks integrale (0-100), breed samengestelde teams waarbinnen of waarop aanvullend deskundige inzet op onveiligheid, inclusief lichte hulp, mogelijk is. De expertise en vaardigheden om volgens de visie GSV te werken in situaties waarin sprake is van onveiligheid, is nergens volledig aanwezig. Inzet op dit soort casuïstiek vindt nu veelal plaats vanuit een beperkt perspectief (namelijk jeugd), waarbij het besef van die beperktheid lang niet overal aanwezig is.  Het lukt onvoldoende om zonder dwang inwoners die te maken hebben met onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties de hulp te bieden die nodig is om te komen tot duurzame veiligheid.

Dat zit deels in ontbrekende kennis en vaardigheden (het vraagt veel expertise om een echt goede analyse van de problematiek te maken, een goed beeld van de (on)veiligheid te krijgen, en ook om mensen uit deze groep te motiveren voor hulp), deels in de wijze waarop de aanpak is georganiseerd (zowel intern, binnen gemeenten, als extern in de afspraken met regionale partners en het ingekochte en beschikbare aanbod aan hulp). In de actuele situatie is het vooral het deel van de lokale teams dat is ingericht voor de uitvoering van de Jeugdwet, dat zich bezighoudt met onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties. Een aantal gemeenten beschikt over integrale teams, maar ook die integrale teams zijn vaak nog onvoldoende geëquipeerd voor deze complexe situaties. Dat blijkt alleen al uit de observatie dat plegers, dus de veroorzakers van de onveiligheid, nauwelijks in trajecten betrokken worden. Zie het onderstaande kader voor een nadere uitwerking van hoe een dominant jeugdperspectief beperkend werkt voor de effectiviteit van de aanpak.

Waarom is inzet vanuit jeugd per definitie beperkt?  Ten eerste: lang niet alle situaties van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties betreffen gezinnen met minderjarige kinderen! Een jeugdperspectief is dus lang niet altijd aan de orde, maar als in het deel van het lokaal team dat zich op volwassenen richt de expertise ontbreekt om in deze situaties passend te handelen, komt daarin helemaal geen hulp op gang.  Jeugdhulpverlening, en de SKJ-registratie die daarbij hoort, is ingericht op het handelen op problemen, en in het geval van de thematiek van dit Toekomstbeeld, stappenplan & advies: onveiligheid bij minderjarigen. Jeugdhulpverleners kijken primair naar de veiligheid van de minderjarigen. In geval van onveiligheid kijken ze naar ouders als veroorzakers daarvan, waarbij ze ouders vaak benaderen als twee gelijkwaardige partners. Dat is niet terecht: ook één van de ouders kan onveilig zijn, of tussen de ouders kan sprake zijn van onveiligheid. Het kan heel goed zijn dat de ene ouder controle uitoefent over de andere (en de kinderen daar ook voor in kan zetten). Als primair naar de veiligheid van de kinderen gekeken wordt en naar ouders als gelijkwaardig en gezamenlijk verantwoordelijk voor die veiligheid, wordt hieraan voorbij gegaan.  De expertise van jeugdhulpverleners ligt op het bieden van hulp aan minderjarigen.

Ze hebben minder kennis van de mogelijkheden voor hulp aan volwassenen, en zijn ook minder goed toegerust om volwassenen in het vrijwillig kader te motiveren voor hulp. Daarom gebeurt het regelmatig dat in situaties van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties jeugdhulp of opvoedondersteuning wordt ingezet, terwijl hulp op het gebied van volwassenproblematiek nodig is om de onveiligheid weg te nemen.  Het omgaan met veroorzakers van onveiligheid (plegers) vraagt specifieke training en is iets waar jeugdhulpverleners in de regel niet toe zijn opgeleid. Dat leidt tot handelingsverlegenheid en/of een gevoel van onveiligheid bij de hulpverlener zelf, en een ontbrekend handelingsperspectief richting de volwassen veroorzaker van de onveiligheid. Het gevolg kan zijn dat veroorzakers van onveiligheid buiten beeld blijven of in ieder geval niet aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid voor de onveiligheid, en in plaats van de daders de slachtoffers (ook volwassen slachtoffers in de zin van de andere ouder) de verantwoordelijkheid krijgen voor het realiseren van veiligheid, terwijl zij daar geen controle over hebben.

13

Daarnaast geldt dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten in hoe lokale teams zijn georganiseerd en in het niveau van expertise en vaardigheden dat in die teams beschikbaar is. Hoewel deze verschillen tussen gemeenten tot op zekere hoogte geen belemmering hoeven te vormen voor een effectieve regionale aanpak, is tijdens het traject om tot dit document te komen gebleken dat de huidige organisatie en inrichting het kader is waarbinnen gemeenten denken. De vraag wordt dan: hoe kunnen we GSV hierin inpassen? Terwijl de vraag eigenlijk moet zijn: wat is nodig voor een volwaardige implementatie van GSV en hoe organiseren we dat lokaal, ook als dat niet past binnen de bestaande structuur? Tot slot is er op dit moment onvoldoende sprake van een gedeeld begrip van wat GSV, en de centrale onderdelen daarin, inhoudt. Hoewel elke gemeente het heeft over TOP-3, veiligheidscoördinator, gezamenlijke verklarende analyse, systeemgericht werken en regie (of coördinatie) verschilt het wat ze daaronder verstaan. Dat maakt dat ze nu deels denken te voldoen aan wat GSV vraagt, terwijl dat in de praktijk niet zo is omdat ze die onderdelen anders invullen dan ze vanuit GSV bedoeld worden.

Dat veroorzaakt een situatie van onbewuste onbekwaamheid: doordat men slechts een gedeeltelijk begrip heeft van wat een effectieve aanpak van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties vraagt, is men zich niet bewust van het deel waarin men onbekwaam is.

In de toekomstige situatie krijgen inwoners die te maken hebben met onveiligheid in relaties een centrale contactpersoon binnen het lokaal team in hun gemeente. Die contactpersoon is deskundig op het gebied van ViA: geschoold in de TOP-3, in staat om te handelen volgens de visie GSV en gemandateerd om stevige regie op veiligheid te voeren, ook richting externe partners.5 Deze ‘veiligheidscoördinator’(VC) blijft betrokken door alle fasen van GSV heen: directe veiligheid, stabiele veiligheid en herstel. De VC werkt niet vanuit jeugd, evenmin vanuit het volwassendeel van het lokaal team, maar kent een op zichzelf staande positie binnen het lokaal team , tussen de onderdelen van de gemeentelijke organisatie die hulp en ondersteuning bieden op het gebied van jeugd, Wmo, werk & inkomen, participatie, welzijn en veiligheid. Als sprake is van onveiligheid en de VC met inwoners aan de slag gaat, gebeurt dat altijd volgens de visie GSV en de TOP3-methode. De VC gebruikt de gezamenlijke verklarende analyse (GVA) om samen met de inwoners en betrokken partijen uit de omgeving van het gezin en de hulpverlening te komen tot een analyse van de oorzaken van de onveiligheid.

Op basis van die analyse komt een plan tot stand vanuit het perspectief van de inwoners en werkt de VC samen met hen en andere betrokken partijen achtereenvolgens aan directe veiligheid, stabiele veiligheid (het wegnemen van risicofactoren) en herstel (van schade die het gevolg is van de onveiligheid en het geweld). De VC legt (al dan niet via collega’s in het lokaal team) de verbinding met relevante voorzieningen en vormen van hulp en ondersteuning binnen het brede sociaal domein. De VC slaagt erin om de inwoners te motiveren om hulp te accepteren, bewaakt dat die hulp daadwerkelijk tot stand komt en dat de hulp bijdraagt aan het creëren van duurzame veiligheid en herstel. Hulp die inwoners krijgen is passend (dat wil zeggen: sluit aan op de probleemanalyse) en alle inwoners die direct betrokken zijn bij een onveilige situatie krijgen hulp of andere passende interventies (dus ook: plegers). Veiligheid staat gedurende de aanpak voorop. De verantwoordelijkheid voor het wegnemen van onveiligheid wordt primair gelegd bij de veroorzaker(s) van de onveiligheid, en niet bij de slachtoffers. De TOP-3 en GVA blijven leidend in het bewaken van de veiligheid. Op signalen van onveiligheid wordt altijd passend gehandeld. Daartoe staat de VC in nauw contact met alle betrokken inwoners, betrokken hulpverlening, de politie, Veilig Thuis en, zo nodig, de GI en het Zorg- en Veiligheidshuis.

Het betreft hier zowel casus- als procesregie: de VC heeft intensief contact met de betrokken inwoners en voert de stappen van het werken volgens GSV uit, maar houdt ook overzicht over de betrokken partijen, formeel en informeel, die vormen van hulp, ondersteuning en (ook bestuursrechtelijke/strafrechtelijke) interventies bieden (met als grens daar waar procesregie door het Zorg- en Veiligheidshuis is vereist). De VC coördineert de uitvoering van de opgestelde plannen, en daarmee ook de inzet en het resultaat van de andere partijen. 5

14

Casus Op een vrijdagmiddag loopt een ruzie tussen Layla en Rick (de ouders in deze casus) zo hoog op dat de buren de politie bellen. Wanneer de politie arriveert, zeggen Layla en Rick dat er “gewoon even ruzie” was en dat er verder niets aan de hand is. De politie maakt een melding bij Veilig Thuis, waarin ook de kinderen genoemd worden, naast Jayden is er dochter Mirella (8). Veilig Thuis voert een veiligheidsbeoordeling uit. Daarbij worden gesprekken gevoerd met de ouders en betrokken hulpverleners. Ook het lokaal team wordt geraadpleegd, waarbij het eerdere signaal van school naar boven komt. Uit de informatie die Veilig Thuis uit verschillende bronnen combineert, komt naar voren dat er sprake is van structurele onveiligheid: terugkerende ruzies tussen Layla en Rick, waarbij soms ook fysiek geweld voorkomt. Rick heeft periodes van overmatig alcoholgebruik, Layla kampt met depressieve klachten en er zijn regelmatig confrontaties tussen Rick en Jayden. Er is sprake van structurele onveiligheid. Veilig Thuis stelt samen met de ouders en het lokaal team veiligheidsvoorwaarden op en draagt de casus vervolgens over aan de Veiligheidscoördinator (VC) van het lokaal team. Onderdeel van de veiligheidsvoorwaarden is dat Rick niet naar huis gaat als hij te veel gedronken heeft en dat de politie de volgende keer dat er een melding wordt gedaan, een huisverbodprocedure opstart.

De VC neemt de regie over en start het werken volgens de TOP-3 op. De eerste stappen zijn gericht op directe veiligheid: 1. Er wordt duidelijk dat er een patroon van huiselijk geweld speelt, dat zowel de ouders als de kinderen raakt. 2. Samen met de ouders en andere betrokkenen maakt het team een GVA: wat zijn de triggers, wat is de rol van alcohol en depressie, en hoe groot is de impact op de kinderen? 3. De zorgen en bevindingen worden met Layla en Rick besproken. De VC legt uit casuseigenaar te blijven en dat er een plan nodig is om directe veiligheid te borgen. Na het borgen van de directe veiligheid komt onder coördinatie van de VC een hulpverleningsplan tot stand voor stabiele veiligheid. Daarin worden de volgende punten meegenomen:  Ondersteuning van de opvoedvaardigheden van de ouders.  Aanpak van Jaydens probleemgedrag en de patronen van agressie.  Hulp bij het alcoholgebruik van Rick.  Behandeling en ondersteuning bij de depressieve klachten van Layla. Doordat zij in alle stappen gehoord worden en zich beiden serieus genomen voelen door de VC, accepteren Rick en Layla allebei de hulp en starten de trajecten.

Hoewel de inrichting van het lokaal team een lokale verantwoordelijkheid is, is het belangrijk dat de komende jaren vanaf regionaal niveau sturing op de benodigde ontwikkeling op veiligheid plaatsvindt. De reden daarvoor is dat het essentieel is dat in elke gemeente hetzelfde basisniveau voor de aanpak van ViA wordt gerealiseerd, conform GSV en TOP-3. Daar waar lokaal en regionaal niveau moeten samenwerken, moeten dezelfde werkwijze en formats worden gebruikt. Dat betekent dat de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en het regionale programma ViA als volgt wordt:  Gemeenten: het aanpassen van de inrichting van het lokaal team zoals nodig is voor een volwaardige implementatie van GSV, in termen van personeel, expertise, capaciteit, werkprocessen, formats, mandatering en faciliteiten, en het inbedden hiervan in het lokale beleid en in de opdracht aan het lokaal team (als geheel, integraal). Een stevig lokaal team op ViA is onderdeel van een Stevig Lokaal Team in de volle breedte van het sociaal domein, waar de komende jaren ook in de regio naartoe wordt gewerkt. Er zal voor het werken volgens GSV in veel gemeenten een aanvulling op de huidige structuren nodig zijn, om te komen tot daadwerkelijk deskundig en integraal handelen met het juiste mandaat.

 Regionaal programmateam: uitwerken van wat precies verwacht wordt van gemeenten in het kader van de implementatie van GSV, met bijzondere aandacht voor in ieder geval: o Een duidelijke afbakening van het soort casuïstiek waarin gehandeld moet worden conform GSV en hoe dat zich inhoudelijk verhoudt tot de algehele caseload van een lokaal team.

15

o Nadere definiëring van centrale begrippen in het kader van GSV, zoals regie en systeemgericht werken (zie ook de regionale analyse van de zelfscans) en de relatie daarvan tot werkwijzen als het AVE-model en de Samenwerkwijze. o Uitwerking van hoe het werken volgens TOP-3 zich verhoudt tot het werken met de Gezamenlijke Verklarende Analyse (GVA). o Een eerste beeld van de haalbare caseload voor een VC en wat dat betekent voor het aantal benodigde VC’s per gebied. o Duidelijkheid over wat ‘werken volgens de TOP-3-methodiek’ precies vraagt van medewerkers van lokale teams en hoe daarbinnen de functie van VC (en wat een VC in deze casussen moet kunnen doen) zich verhoudt tot ‘reguliere medewerkers’ (en wat zij in deze casussen moeten kunnen doen) en daar functieprofielen op uitwerken. o Uitwerken en/of regionaal verspreiden en laten implementeren van formats voor die onderdelen van het werken volgens GSV, die in elke gemeente hetzelfde dienen te zijn. Bij deze uitwerkingen en nadere definiëringen gaat het niet om het opstellen van een blauwdruk vanaf papier, maar om het ontwikkelen van kaders binnen een regionale ‘ontwikkelruimte’ (zie hoofdstuk 4).

Verder behoort tot de taken van het regionaal programmateam: o Het faciliteren van trainingen in het werken volgens TOP-3 en met de GVA, en in het verlengde daarvan het ontwikkelen van trainingscapaciteit binnen de regio hierop, door middel van train-de-trainer, en het inrichten van een vaste structuur voor intervisie. Om eenheid in de aanpak te bevorderen vindt intervisie regionaal plaats met deelnemers vanuit verschillende gemeenten en regionale partners, onder leiding van speciaal daartoe opgeleide gespreksleiders, op vaste momenten en met een vaste groep deelnemers. o Het faciliteren van regionale inkoop van trainingen op specialistische kennis en vaardigheden met betrekking tot veiligheid in afhankelijkheidsrelaties, zoals op het gebied van geweldsdynamiek en risicofactoren, specifieke geweldsvormen en traumasensitief werken. o Het inrichten van lerend vermogen binnen deze ontwikkeling naar stevige lokale teams op veiligheid, door middel van monitoring, periodieke evaluatie met de gemeenten, bijstelling en escalatie waar nodig. o Bewaken van de implementatie van het bovenstaande binnen de lokale teams in alle gemeenten in de regio, faciliteren van het gesprek over waar mogelijkheden liggen voor bovengemeentelijke samenwerking op specialistische inzet, en escalatie binnen gemeenten als implementatie stokt.

Met inachtneming van die verantwoordelijkheidsverdeling dient het volgende uiterlijk medio 2028 te zijn gerealiseerd in alle gemeenten:  Van onbewust onbekwaam via bewust onbekwaam naar bewust bekwaam: in elk lokaal team is voldoende capaciteit en expertise aanwezig om in situaties waarin sprake is van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties te werken conform GSV. Elke gemeente weet wat er in dat kader van het lokaal team wordt verwacht, verstaat daar hetzelfde onder en heeft dit gerealiseerd. Alle lokale teams in de regio gebruiken in deze situaties dezelfde werkwijze en werken met personeel dat dezelfde expertise en bevoegdheden heeft.  De inbedding van het integraal werken volgens GSV op situaties waarin sprake is van onveiligheid binnen relaties binnen de lokale teams in alle gemeenten, op zo’n manier dat daadwerkelijk integraal, systeemgericht, 0-100, op deze casussen gewerkt kan worden, inclusief voldoende gekwalificeerde professionals voor de uitvoering ervan.

Is een effectieve aanpak duurder? De kop boven deze tekst is bewust gekozen. Een veelgehoord argument om niet volledig te gaan werken volgens GSV is namelijk dat het een extra investering vereist, in een tijd dat er sowieso al veel ontwikkelopgaven bij de lokale teams liggen. De vraag die daarmee eigenlijk wordt gesteld, is echter of een effectieve aanpak (namelijk: in tegenstelling tot de huidige aanpak, die niet voldoende effect sorteert) meer inzet vraagt tegen dezelfde resultaten (en dus duurder is). De vraag anders stellen maakt niet meteen dat duidelijk is dat een extra investering op termijn kostenbesparend zal zijn. Maar het laat wel zien waar de investering op gericht is, in dit geval: duurzame veiligheid. We weten dat onveiligheid in relaties tot veel interventies van hulpverlening en schade bij betrokkenen leidt. Of de investering leidt tot kostenbesparing is niet zeker, maar het is wel aannemelijk dat op termijn de investering in ieder geval niet zal leiden tot extra kosten: de extra inzet aan ‘de voorkant’ zal worden gecompenseerd door minder herhaling van geweld en daarop ingezette interventies, en minder maatschappelijke kosten als gevolg van de schade bij de mensen die het betreft.

16

 Er bestaat een regionale structuur voor deskundigheidsbevordering en intervisie op het werken volgens GSV door lokale teams. Daaraan is, indien gewenst, de mogelijkheid gekoppeld om in geval van tijdelijke uitval van eigen personeel gebruik te kunnen maken van deskundigheid elders in de regio.

Het Toekomstscenario vraagt om een andere manier van samenwerking tussen Veilig Thuis (VT), Gecertificeerde Instellingen (GI’s) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) onderling en tussen deze regionale partners en lokale teams. De afgelopen jaren is in het kader van het landelijke programma Toekomstscenario gewerkt aan het gedeeltelijk samenvoegen van (de functies en bevoegdheden van) VT, GI’s en de RvdK op regionaal niveau in zogenaamde Regionale Veiligheidsteams. Deze ontwikkeling is echter stil komen te liggen door verschillen van inzicht tussen de betrokken partijen op landelijk niveau over de wenselijkheid hiervan en de vorm waarin dit zou moeten gebeuren. 6 Ondertussen is verbetering van de samenwerking echter niet minder urgent. Om het te beperken tot de situaties waar ViA zich op richt: de betrokkenheid van en samenwerking tussen deze partijen is op dit moment niet optimaal vormgegeven en dat maakt de aanpak minder effectief dan mogelijk. Om ondanks de landelijke ontwikkelingen, die maken dat er voorlopig niets zal veranderen in de wettelijke taken en bevoegdheden van VT, GI’s en RvdK, toch aan verbetering te kunnen werken, spreken we in dit document niet over een Regionaal Veiligheidsteam, maar over ‘regionale netwerksamenwerking’.

Daarmee bedoelen we de samenwerking van VT, GI’s en RvdK in een netwerk met lokale teams, waarbinnen deze partijen optimaal gebruikmaken van ieders taken, bevoegdheden en expertises. In de huidige situatie worden VT, GI’s en RvdK elk strak aangestuurd op de eigen taken en op het zo efficiënt mogelijk uitvoeren van die taken. Dit document is niet de plek om daar gedetailleerd op in te gaan, maar het effect hiervan is dat dit de samenwerking met elkaar en met lokale teams bemoeilijkt. Om een paar voorbeelden te noemen:  Veilig Thuis moet binnen vijf werkdagen een veiligheidsbeoordeling uitvoeren. Die termijn laat weinig ruimte voor het betrekken van het lokaal team en informatie die het lokaal team over de inwoners die het betreft heeft.  Als er een jeugdbeschermingsmaatregel loopt, voert de GI regie over een casus. Maar: dat doet de GI vooral vanuit het perspectief van de veiligheid van de kinderen (soms zelfs een enkel kind, als de maatregel niet alle kinderen betreft). Daarmee voert de GI geen overall, integrale regie zoals GSV die vereist.  De RvdK brengt onafhankelijk advies uit over het opleggen, verlengen of beëindigen van een maatregel. Het lokaal team wordt niet per definitie in dat advies gekend, waardoor het bijvoorbeeld bij beëindiging van een maatregel voor verrassingen kan komen te staan.

Daarnaast is er op dit moment geen goede, sluitende en regionaal uniforme samenwerking tussen deze regionale partners en lokale teams. Dat heeft verschillende oorzaken. Eén daarvan is het verschil in expertiseniveau en opdracht tussen lokale teams: in de ene gemeente draagt VT bijvoorbeeld eenvoudig over aan het lokaal team omdat het vertrouwt op de daar aanwezige expertise voor het verder oppakken van de casus, in een andere gemeente lukt het VT niet om een vergelijkbare casus over te dragen omdat het lokaal team de expertise mist om die over te nemen of niet de opdracht heeft om in dit soort casussen te werken zoals VT nodig acht. Een andere reden is dat er weliswaar uniforme samenwerkingsafspraken zijn tussen de regionale partners en gemeenten, maar dat die a) niet bij alle betrokkenen binnen gemeenten even goed bekend zijn en b) gemeenten aanvullend toch extra afspraken lijken te maken. Ten derde wordt de samenwerking tussen lokale teams en regionale partners belemmerd door een scherpe afbakening van taken: de afspraken zijn nu zo, dat casussen worden overgedragen van de één naar de ander, in plaats van dat lokale teams en regionale partners met elkaar samenwerken op casussen.

De mogelijkheden die er zijn om expertise van regionale partners in te schakelen als zij op basis van hun wettelijke taken geen formele bemoeienis met een casus hebben, worden op dit moment niet optimaal benut. De wijze van aansturing (primair op uitvoering van die wettelijke taken op

En aanvullend hierop het advies Kinderen en ouders met recht goed beschermd van de Adviescommissie rechtsbescherming en rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, dat afraadt om de RvdK op te laten gaan in de Regionale Veiligheidsteams. Aanvankelijk was namelijk sprake van het samenvoegen van (een deel van de taken van) VT, GI’s en de RvdK in regionale teams, die bevoegdheden en expertise kunnen toevoegen aan wat lokale teams doen in casuïstiek waarin sprake is van onveiligheid in relaties. 6

17

een zo efficiënt mogelijke manier) draagt hieraan bij, als ook een gebrek aan kennis bij lokale teams van wat regionale partners kúnnen toevoegen aan expertise en bevoegdheden. Uit de Zelfscan blijkt dat in de regionale afspraken tussen gemeenten en regionale partners op de volgende punten afspraken ontbreken of onbekend zijn:  Met Veilig Thuis: over de samenwerking tussen lokale teams en VT in de fase van directe veiligheid; over de verantwoordelijkheidsverdeling voor het houden van zicht op veiligheid; en over gezamenlijk leren door evalueren en periodieke evaluatie van de afspraken.  Met de GI’s: over de consultatiefunctie, de informatie bij overdracht door de GI, het gebruik van methoden en instrumenten, het handelen bij stagnerende samenwerking, en het gezamenlijk leren door evalueren en periodieke evaluatie van de afspraken.  Met de RvdK: over het gebruik van methoden en instrumenten, het handelen bij stagnerende samenwerking, en over gezamenlijk leren door evalueren. Daarnaast is relevant te vermelden dat als het om het werken volgens GSV gaat, en expertise op het hele gebied van veiligheid in afhankelijkheidsrelaties, systeemgericht en 0-100, ook de expertise van de regionale partners aanvulling nodig heeft.

Voor de GI’s en de RvdK geldt dat met name voor het toevoegen van de brede, systeemgerichte blik die volwassenen anders beschouwd dan alleen als ouders (zie ook het kader in paragraaf 3.2.1 over inzet vanuit jeugd). Voor alle drie partijen geldt dat wat recentere inzichten met betrekking tot het verantwoordelijk houden van de pleger in plaats van het slachtoffer, en tot de werking van macht en controle in relaties en de relatie daarvan tot geweldsvormen als stalking, intieme terreur en moord (femicide) nog niet tot de standaardkennis van alle medewerkers behoren.

In de toekomst maken lokale teams, VT, GI’s en de RvdK optimaal gebruik van elkaars bevoegdheden en expertise en dragen zij casussen niet aan elkaar over, maar voegen de regionale partners expertise toe aan casussen waarover de VC in het lokaal team regie voert. Dat betekent bijvoorbeeld dat:  de regionale partners input leveren voor de Gezamenlijke Verklarende Analyse, die onder regie van de VC wordt uitgevoerd;  de VC in het lokaal team de expertise van VT in kan schakelen zonder een (nieuwe) melding te doen;  VT bij overdracht van een casus aan het lokaal team mee kan gaan op huisbezoek om te zorgen voor een zorgvuldige informatieoverdracht in het bijzijn van de betrokken inwoners;  de VC in het lokaal team de centrale contactpersoon blijft voor de betrokken inwoners als er een raadsonderzoek of een jeugdbeschermingsmaatregel loopt;  de VC alle lopende trajecten van hulp en ondersteuning blijft bewaken, ook als één van die trajecten een jeugdbeschermingsmaatregel betreft;  het lokaal team altijd op de hoogte is van een lopende jeugdbeschermingsmaatregel en weet wanneer de GI en RvdK toe gaan werken naar beëindiging van een dergelijke maatregel;  de expertise van de GI en de RvdK door de VC kan worden ingeschakeld als een casus dreigt vast te lopen in het vrijwillig kader, zonder dat de direct sprake hoeft te zijn van overgang naar het verplichte kader 7.

Aangezien de wettelijke taken en bevoegdheden gelijk blijven, zijn er grenzen aan de regievoering door het lokaal team:  Instemming van het gezin met betrokkenheid van een lokaal team bij wat er vanuit de jeugdbeschermingsmaatregel gebeurt, is een vereiste voor die betrokkenheid.  Als er een jeugdbeschermingsmaatregel loopt, voert de GI de coördinatie over dat deel van de inzet en de hulpverlening die daaraan verbonden is.  Er zijn beperkingen aan de informatie die regionale partners met het lokaal team kunnen delen.  VT, GI’s en RvdK nemen hun eigen besluiten (maar kunnen daarvoor uiteraard wel input vragen van de VC). Een belangrijke functie van de VC in het lokaal team, als deze regionale partners betrokken zijn en een leidende rol hebben gezien hun taken en bevoegdheden, is om het overzicht over de casus als geheel te houden en op dat geheel coördinatie te blijven voeren. Daar hoort ook bij dat de VC bewaakt dat als jeugdbeschermingspartners betrokken zijn, de focus niet primair komt te liggen op de kinderen, maar blijft liggen op het hele relatiesysteem. Het voorliggend worden van de regionale inzet betreft dus altijd onderdelen van de casus, en dient zich aan als er vanuit het lokaal team expertise/be-

7

Wat op verschillende manieren kan gebeuren: een anoniem consult, consult met toestemming, eenmalig mee op gesprek, samen oplopen.

18

voegdheden moeten worden toegevoegd omdat het lokaal team de bevoegdheden mist om door te pakken. Dat opschalen gebeurt bijvoorbeeld via de Beschermingstafel of door middel van het inzetten van een huisverbod. Het inzet van de VC in deze fase is analoog aan de huisarts die betrokken en het primaire aanspreekpunt blijft als patiënten naar het ziekenhuis gaan voor een onderzoek of behandeling. De samenwerking tussen VT en het lokaal team op meldingen verdient hierbinnen bijzondere aandacht. In een lopende casus8 is er sprake van het bovenstaande: het lokaal team blijft leidend, maar VT is verantwoordelijk voor de uitvoering van de veiligheidsbeoordeling, en eventueel onderzoek/voorwaarden & vervolg. Zeker in een lopende casus ligt het voor de hand dat VT in dat eigen proces samenwerkt met het lokaal team (in casu: de VC), omdat dat immers informatie over en betrokkenheid bij de casus heeft. Als een melding bij VT geen lopende casus bij het lokaal team betreft, maar een melding die via een andere weg bij VT binnenkomt, ligt samenwerking met het lokaal team echter ook voor de hand.

Ten eerste omdat het lokaal team de inwoners die het betreft mogelijk kent vanuit andere of eerdere betrokkenheid, ten tweede omdat het lokaal team over expertise beschikt over de mogelijkheden die er zijn aan hulp en ondersteuning binnen het brede sociaal domein, ten derde omdat vaak overdracht aan het lokaal team plaatsvindt na veiligheidsbeoordeling (en eventueel voorwaarden & vervolg). Ook bijzondere aandacht verdient de samenwerking tussen de VC en veiligheidspartners. Het verantwoordelijk stellen en houden van de veroorzaker van de onveiligheid kan immers betekenen dat er interventies worden ingezet die een bestuursrechtelijk, strafrechtelijk of civielrechtelijk karakter hebben. Dan heeft de VC een domeinoverstijgende rol en schakelt bijvoorbeeld met het Zorg- en Veiligheidshuis over waar deze interventies raken aan de lijnen die vanuit de hulpverlening op een casus worden gelopen.

Casus Ondanks de ingezette hulp ontstaat er opnieuw een geweldsincident in het gezin van Layla en Rick. Jayden komt overstuur op school en vertelt dat zijn vader hem heeft geslagen tijdens een ruzie. De school meldt dit bij de VC. Die grijpt dit incident aan om het netwerk van regionale partners actief te betrekken. In plaats van de casus over te dragen, wordt expertise toegevoegd: 1. Inschakelen van expertise zonder overdracht De VC schakelt direct de expertise van VT in om te beoordelen hoe het nieuwe geweldsincident kan worden geduid en welke aanvullende veiligheidsmaatregelen nodig zijn. Dit gebeurt zonder een nieuwe melding te doen, waardoor onnodige vertraging of dubbele trajecten worden voorkomen. 2. Rol van de GI en RvdK Er is op dit moment onvoldoende basis voor een onderzoek door de RvdK. Gezien de aanhoudende zorgen over de veiligheid wordt de casus echter wel door de VC ingebracht in het regionaal netwerkoverleg van lokale teams, VT, GI’s en RvdK. Daar wordt besproken bij welke signalen of gebeurtenissen een gedwongen kader serieus verkend zal worden. Daarnaast denken de GI en de RvdK mee over de nieuwe veiligheidsafspraken en geven de VC aandachtspunten voor de uitvoering mee. 3. Inzet veiligheidspartners voor plegeraanpak Conform afspraak start de politie een huisverbodprocedure op.

Dat maakt de weg vrij om de veiligheidspartners nauwer te betrekken voor het handelen richting de pleger.

Ook op dit onderdeel zal het programmateam ViA de komende jaren in the lead moeten zijn, om tot realisatie van het toekomstbeeld te komen. Met alle gemeenten in de regio en de belangrijkste regionale partners ontwikkelt het programmateam een andere vorm van samenwerking tussen lokale teams en regionale partners in situaties waarin sprake is van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties. Daarbij dient in ieder geval het volgende te gebeuren:  Uitwerken van welke regionale partner (in ieder geval VT, GI en RvdK, in een later stadium mogelijk ook politie en Zorg- en Veiligheidshuis) om welke reden (taken/bevoegdheden/expertise) betrokken kan worden door het lokaal Waarbij bedoeld wordt: een lopende casus op veiligheid, niet elke willekeurige casus waarbij het lokaal team iets van betrokkenheid heeft maar die betrokkenheid iets heel anders betreft. 8

19

 

team en hoe die partner vervolgens binnen de eigen taken en werkprocessen vorm geeft aan de samenwerking met het lokaal team in die situaties. Uitwerking van welke regionale partner (idem als hierboven) om welke reden het lokaal team kan betrekken in de uitvoering van de eigen taken, en hoe het lokaal team in dat geval vorm geeft aan de samenwerking met die partner. Beschrijven van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het lokaal team en regionale partners in de situaties waarin zij met elkaar samenwerken (aansluitend op de uitwerking zoals genoemd onder de vorige twee bullets). Met daarbinnen aandacht voor wat ‘overall coördinatie door de VC’ inhoudt in situaties waarin regionale partners hun eigen taken volgens hun eigen wettelijke bevoegdheden uitvoeren. Inventarisatie van praktische belemmeringen die samenwerking op casusniveau op dit moment beperken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over het niet aansluiten van werkwijzen, werkprocessen en formats. Ook informatiedeling is een belangrijk onderdeel om uit te werken. Samenwerken met de strategisch netwerkadviseur GI, VT en RvdK om te komen tot indicatoren voor sturing op effectiviteit bij deze organisaties. In de huidige situatie wordt vooral gestuurd op efficiëntie, het halen van wettelijke termijnen en beperkt houden van werkvoorraden. Hoe belangrijk ook, dat zegt weinig over het effect van de inzet van deze partijen.

Het gesprek hierover dient ook op bestuurlijk niveau plaats te vinden, omdat er beslissingen nodig kunnen zijn om af te wijken van huidige afspraken en/of financiële ruimte voor een ander soort inzet door VT en GI’s te creëren. Het opstellen van nieuwe, op GSV en de toenemende expertise en rol van lokale teams aansluitende, samenwerkingsafspraken tussen lokale teams, VT, GI’s en de RvdK. Alleen het opstellen hiervan is niet voldoende: de huidige situatie onderstreept het belang van het breed bekend maken van de afspraken en periodiek evalueren van de navolging en effecten ervan. De uitwerking op de bovenstaande punten gebruiken om te komen tot een nieuwe werkwijze op de casus door lokale teams, VT, de GI’s en de RvdK samen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b91c65db-3b18-4f93-9f09-a3335f8d71c0