CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

B1_toelichting inclusief bijlagen

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Lieseind 8'18.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

8.4

GELUID Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

29

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

Het onderhavige plan is ligt binnen het invloedsgebied van wegen (Lieseind) waar het (maximum)snelheidsregime hoger is dan 30 km/u. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeer is op basis van de Wet geluidhinder noodzakelijk indien in het onderhavige plan een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder wordt gerealiseerd. In het onderhavige plan wordt geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Daarnaast genereert het onderhavige plan geen dusdanige grote aantallen motorvoertuigbewegingen dat andere gevoelige objecten buiten het bedrijfsperceel worden blootgesteld aan een forse toename aan geluidsoverlast. Een ‘akoestisch onderzoek, wegverkeer’ is conform de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Industrielawaai Het Activiteitenbesluit biedt aan een beperkt aantal objecten bescherming. Het gaat om gevoelige gebouwen (waaronder woningen) en gevoelige terreinen. Het Activiteitenbesluit sluit hierbij aan bij het begrippenkader uit de Wet geluidhinder. In algemene zin biedt het Activiteitenbesluit bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de: • in de inrichting aanwezige installaties en toestellen; • in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en; • laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving maar algemeen door de rechter aanvaarde methode). De eerste toets aan ‘geluid afkomstig vanuit de inrichting’ sluit aan bij deze systematiek en is weergegeven in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit deze toets is gebleken dat aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan (zie paragraaf 8.7). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast wordt opgemerkt dat het zwaartepunt (de melkveestal) van de inrichting nu op veel ruimere afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning wordt gesitueerd. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

8.5

LUCHTKWALITEIT De Wet luchtkwaliteit vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat de luchtkwaliteit voldoet aan de gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit • Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven) • Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar

30

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn. Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 805 motorvoertuigbewegingen per dag genereert (bij een aandeel van 10% vrachtverkeer). In het onderhavige plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Het plan heeft een beperkte toename van verkeerbewegingen tot gevolg. Er kan derhalve gesteld worden dat het onderhavige plan, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarische bedrijf De Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen vormt het toetsingskader voor stofconcentraties in de lucht bij de omgevingsvergunning. Volgens de wet dient voornamelijk rekening gehouden te worden met de grenswaarden voor fijn stof (PM10 / PM2,5).

De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Voor deze stoffen kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden uit de Wm. De stofemissies van de onderhavige projectlocatie betreffen emissies van fijn stof uit de bedrijfsgebouwen, bestaande uit huid-, mest- en voerdeeltjes die met de ventilatielucht naar buiten komen. De emissie van fijn stof door transportbewegingen over het terrein van de projectlocatie is, gezien de lage snelheid van het transport (<10 km/uur) en aantal transportbewegingen verwaarloosbaar ten opzichte van de emissies uit de ventilatielucht (= continu). Voor het overige treedt er geen emissie op naar de lucht in de vorm van broeikasgassen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen, zware metalen e.d. Doordat in de beoogde situatie het aantal dieren wordt uitgebreid neemt de stofemissie toe t.o.v. de vigerende situatie. Voor de projectlocatie is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit van de omgeving in de beoogde situatie. Een volledig schematisch overzicht van de rekenresultaten en invoergegevens voor de concentratieberekening volgens ISL3a versie 2020 is in bijlage 6 opgenomen. Individuele fijn stofconcentratie De stofimmissie betreft de bijdrage van fijn stof aan de omgeving van de inrichting.

De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie aan het Lieseind van PM10 is voor het referentiejaar 2020 berekend op 18,45 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). Uit onderzoek blijkt dat de grenswaarde van 40 µg/m³ voor fijn stof als jaargemiddelde concentratie niet wordt overschreden. In de beoogde situatie bedraagt de hoogste concentratie 18,49 µg/m³ (Lieseind 10) en voldoet op basis van deze gegevens aan hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer. Ook aan de norm voor het aantal overschrijdingsdagen wordt ruimschoots voldaan. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 6,5 dagen (incl. zeezoutcorrectie) waar 35 dagen de norm is. Cumulatieve fijn stofconcentratie Net als bij de cumulatieve geurbelasting kunnen de veehouderijen in de omgeving, waaronder de projectlocatie, tezamen een relevante bijdrage leveren aan de fijn stofverspreiding op de omgeving. Aangezien er in de beoogde situatie sprake is van een

31

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

geringe toename van de stofemissie, is een grote bijdrage aan het cumulatief effect van de fijn stofverspreiding in de omgeving niet te verwachten. De bijdrage van andere veehouderijen wordt beschouwd als aanwezig in de achtergrondconcentratie. Uit de berekening met ISL3a blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de norm voor de achtergrondconcentratie. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 aan het Lieseind (inclusief het bedrijf aan het Lieseind 8) is voor het referentiejaar 2020 berekend op 18,49 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). De hoeveelheid achtergrondconcentratie als gevolg van de uitstoot van verontreinigende stoffen is onomkeerbaar. Als gevolg van de Europese regelgeving wordt de uitstoot van o.a. fijnstof beperkt. De achtergrondconcentratie neemt ieder jaar af, de luchtkwaliteit wordt beter.

8.6

GEUR Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. De Wgv is het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen. Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: 1. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. 2. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. In onderhavig plan worden dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Volgens de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Daarnaast bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Aanvullend dient, volgens lid 2 van artikel 3 van de Wgv, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter te bedragen. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. Wanneer er geen geurverordening wordt opgesteld, blijven de vaste wettelijke normen en afstanden uit de Wgv van kracht. Voor onderhavig plangebied is geen geurverordening vastgesteld. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting

32

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In dit plan is sprake van een melkveehouderij. Voor de aanwezige diercategorieën zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor opgenomen. Hierdoor kan voor melkveehouderijen de achtergrondbelasting niet berekend worden en leveren zij ook geen bijdrage aan de achtergrondbelasting geur. Beoordeling ontwikkeling Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object betreft de woning aan het Lieseind 10. De afstand van de stallen tot deze woning bedraagt meer dan 50 meter. Aan de afstand van 25 meter ten opzichte van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf wordt eveneens voldaan. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde normen uit de Wgv. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig plan.

8.7

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden in de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Rustig buitengebied wordt in de uitgave geschaard onder het beleid van een rustige woonwijk. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. In de omgeving is geen sprake van functiemenging. Dergelijke gebieden kunnen niet worden aangewezen als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind. Ontvanger en/of bron? In het onderhavige plan wordt een melkveehouderij uitgebreid. Een melkveestal is geen gevoelig object. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of de stal als ‘ontvanger’ last kan ondervinden van milieucontouren van functies in de omgeving.

33

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

Een melkveehouderij heeft zelf wel milieucontouren. De stal is derhalve aan te wijzen als een ‘bron’ van milieucontouren. Het agrarische bedrijf aan het Lieseind 8 wordt op basis van de VNG-lijst ingedeeld in de categorie ‘Fokken en houden van rundvee’. Omschrijving Fokken en houden van rundvee •

Afstanden in meters Geur Stof 100 30

Categorie Geluid 30

Gevaar 0

3.2

Figuur 8.1: Richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’

Aan de noordzijde van het bedrijf ligt een burgerwoning aan het Lieseind 10. De afstand van de grens van het bouwvlak tot aan de uiterste situering van de gevel van deze woning bedraagt ruim 30 meter. Aan de richtafstanden voor geur wordt niet voldaan. De afstand wordt echter niet verkleind ten opzichte van de huidige situatie. Voor het aspect geur is daarnaast niet de ‘VNG uitgave’, maar de ‘Wet geurhinder en veehouderij’ leidend. In de paragraaf ‘Geur’ is dit aspect reeds verantwoord en blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde wettelijke eisen. De richtafstand wordt weliswaar in zowel de bestaande als beoogde situatie overschreden, het zwaartepunt (de melkveestal) van de inrichting wordt echter op veel ruimere afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning gesitueerd. Daarnaast is een beperking op het bouwvlak gelegd zodat nabij de woning Lieseind 10 uitsluitend ruwvoer opgeslagen mag worden.

8.8

EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s als gevolg van de opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een basis beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord zijn binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). In 2012 of 2013 wordt de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" vervangen door het "Besluit transport externe veiligheid".

Kwetsbaar object Een veehouderij in zijn geheel is een (beperkt)kwetsbaarobject omdat in het plangebied mensen verblijven en wonen (in de bedrijfswoning). Dierenverblijven an sich zijn conform de definitie zoals opgenomen in het BEVI (art. 1) aangewezen als een ‘beperkt kwetsbaar object’. In het onderhavige plan wordt een bestaande veehouderij uitgebreid met dierenverblijven. Als gevolg van het plan gaan in het plangebied niet meer mensen werken (en verblijven) dan in de huidige situatie.

34

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

Risicobronnen In het onderhavige plan worden geen risicobronnen toegevoegd of gerealiseerd. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

8.9

KABELS EN LEIDINGEN In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Zoals in onderstaande figuur weergegeven zijn ten zuiden van het bedrijf een drietal buisleidingen van de Gasunie gelegen en is op ruime afstand van het bedrijf een hoogspanningslijn gelegen. Deze buisleidingen en hoogspanningslijn vormen verder geen belemmering voor de realisatie onderhavig plan. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Als gevolg van het plan is echter geen sprake van nieuwe aansluitingen op deze voorzieningen.

•

8.10

Figuur 8.2: Risicokaart.nl

VOLKSGEZONDHEID Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een centrale rol. Om een gezonde leefomgeving te creëren (en te behouden) zijn tal van wetgevingen geïntroduceerd. Een groot deel van de voorgaande paragrafen bevat een toets aan wetgeving. Deze wetgeving heeft één centrale doelstelling: het stellen van regels inzake het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dit aspect meegewogen te worden.

35

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

Momenteel speelt het aspect gezondheid en veehouderij een belangrijke maatschappelijke en politieke rol. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Het aspect endotoxinen is tot op heden nog onvoldoende wetenschappelijk onderzocht waardoor nog geen wettelijke normen zijn gesteld. Wetenschappelijke onderzoek is momenteel echter in een dusdanig ver stadium dat de relatie tussen endotoxinen en de gezondheid van omwonenden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de veehouderij niet meer genegeerd kunnen worden. In het kader van het ‘voorzorgsbeginsel’ hanteren Brabantse gemeenten (en omgevingsdiensten) vooruitlopend op wettelijke normen de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 van het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid’ van de provincie NoordBrabant. Dit document biedt een kader dat gehanteerd kan worden om te beoordelen of bij vergunningen van intensieve veehouderijen rekening gehouden dient te worden met de blootstelling aan endotoxine concentraties die boven de grenswaarde uitstijgen. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.

Endotoxinen zijn celwandbestanddelen van Gramnegatieve bacteriën; deze kunnen allergische reacties veroorzaken bij inademing. Door de Gezondheidsraad is een norm gesteld aan de maximale endotoxine concentraties in de buitenlucht van 30 EU/m³. In het onderhavige plan wordt een melkveehouderij uitgebreid. Het endotoxinen toetsingskader is niet toepasbaar voor deze categorie bedrijven. Als gevolg van het onderhavige plan neemt de uitstoot van fijnstof wel toe. Uit paragraaf 8.5 blijkt dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen die gesteld worden aan de luchtkwaliteit. Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Daarnaast ziet de beoogde ontwikkeling niet toe op de realisatie van een nieuw gevoelig object. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Ook hierbij wordt opgemerkt dat met onderhavige ontwikkeling geen nieuwe gevoelige functies mogelijk worden gemaakt.

Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Vanaf 2016 verschenen in opdracht van de Nederlandse rijksoverheid diverse rapporten over veehouderij en gezondheid. Zij vormen de aanleiding om in de provincie NoordBrabant de Handreiking veehouderij en volksgezondheid op te stellen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. De handreiking wordt gebruikt om te komen tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling of er een dusdanig verhoogd risico bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. In de handreiking worden diverse aspecten meegenomen in de afweging die reeds aan bod zijn gekomen in voorliggende toelichting. In de voorgaande paragrafen is beschreven dat voor wat betreft de aspecten geur, fijn stof en geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. in de handreiking is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de

36

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

GGD wenselijk is. Onderhavig initiatief is getoetst aan dit stappenplan. In bijlage 12 is het uitgewerkte stappenplan opgenomen. Omdat sprake is van een toename van fijn stof emissie en niet wordt voldaan aan de gewenste afstand van 100 meter tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming wordt geadviseerd een GGD advies op te vragen. Omdat echter wel voldaan wordt aan de wettelijke afstanden en normen en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbare situatie. Temeer omdat het zwaartepunt (de melkveestal) van de inrichting nu op veel ruimere afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning wordt gesitueerd. Daarnaast wordt hierbij opgemerkt dat er een beperking op het bouwvlak ligt voor enkel ruwvoeropslag nabij de woning. Een verder advies van de GGD wordt gezien deze situatie ons inziens niet noodzakelijk geacht. De gemeente heeft ook besloten geen advies aan de GGD op te vragen, aangezien sprake is van een gewenste ontwikkeling waarbij aan de normen uit de Wet milieubeheer en Interim omgevingsverordening wordt voldaan. Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

8.11

SPUITZONES In een bestemmingsplan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient onder andere rekening te worden gehouden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de volksgezondheid. In dat kader kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan te houden. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden. Een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, wordt in de rechtspraak niet onredelijk geacht. De rechtspraak heeft inmiddels laten zien dat een kortere afstand ook aanvaardbaar kan zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Onderhavig plan ziet niet toe op de realisatie van een nieuw gevoelig object of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

8.12

VERKEER EN PARKEREN De bedrijfsinrichting in het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via een tweetal opritten aan het Lieseind. Het profiel van de weg bestaat uit asfalt en grasbermen. Via deze weg wordt eenvoudig aangesloten op de regionale wegenstructuur. De verkeersintensiteit ten gevolge van het plan verandert nauwelijks ten opzichte van de huidige situatie. De kleine toename van het aantal verkeersbewegingen is verwaarloosbaar. Binnen de inrichting is voldoende verharding aanwezig voor parkeren en manoeuvreren. De wijzigingen brengen geen negatieve consequenties met zich mee voor de verkeerssituatie ter plaatse.

37

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

HOOFDSTUK 9 JURIDISCHE PLANOPZET

9 1 Juridische planopzet 9.1

STANDAARDISERING EN DIGITALISERING Het bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan bij de regeling van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ van de voormalige gemeente Schijndel. Het bestemmingsplan is opgezet conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals deze per 1 juli 2008 gelden. Het plan is vergezeld van een verbeelding. Uitgangspunt is door het stellen van een heldere toelichting en een duidelijk leesbare verbeelding, een zo goed mogelijke handhaafbaarheid te realiseren. De toetsingscriteria in de regels vormen een toetsingsgrond voor omgevingsvergunningen, afwijkingen, nadere eisen en wijzigingen.

9.2

ALGEMENE OPZET De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een regeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding (plankaart) heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

9.3

OPBOUW VAN DE REGELS De regels van het plan bestaan uit drie hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de regels met betrekking tot de bestemming en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is vanaf 1 januari 2010. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Voor wat betreft de regels is aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ van de voormalige gemeente Schijndel. Deze zijn aangevuld met de van toepassing zijnde regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

38

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

HOOFDSTUK 10 UITVOERBAARHEID

10 1 Uitvoerbaarheid 10.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de bestemmingsplanherziening van start gaan. Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Eventuele ingekomen overlegreacties worden beoordeeld en verwerkt. Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 15 april 2021 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan in de raadsvergadering van 30 september ongewijzigd vastgesteld.

10.2

FINANCIËLE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particuliere partij. Deze partij draait op voor alle aan het onderhavige plan verbonden (plan)kosten. In het onderhavige plan is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van het Bro (namelijk realisatie van minimaal 1.000 m² aan bebouwing). De gemeente is derhalve verplicht het kosterverhaal te regelen. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten waarin (het verhaal) van kosten anderszins is verzekerd.

39

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

BIJLAGEN

•

BIJLAGE 1: SITUATIETEKENING

•

BIJLAGE 2: VOEDERBEHOEFTE EN OPSLAGCAPACITEIT RUWVOER

•

BIJLAGE 3: LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

•

BIJLAGE 4: ADVIES AAB

•

BIJLAGE 5: BZV

•

BIJLAGE 6: FIJN STOFBEREKENING

•

BIJLAGE 7: DIALOOG

•

BIJLAGE 8: AERIUSBEREKENING

•

BIJLAGE 9: M.E.R.-BEOORDELING

•

BIJLAGE 10: MILIEUTEKENING BEOOGDE SITUATIE

•

BIJLAGE 11: HISTORISCHE TOETS

•

BIJLAGE12: STAPPENPLAN GGD

•

BIJLAGE 13: ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

40

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

41

Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel

1 Bijlage 1 2 •

SITUATIETEKENING

1 Bijlage 2 2 •

VOEDERBEHOEFTE EN OPSLAGCAPACITEIT RUWVOER

Lieseind 8, Schijndel Voederbehoefte en benodigde opslagcapaciteit ruwvoer Januari 2021

In deze notitie wordt de voederbehoefte en de benodigde opslagcapaciteit van het ruwvoer berekend voor het vee in de beoogde situatie aan de Lieseind 8 te Schijndel. Het huidige rantsoen bestaat voor het grootste gedeelte uit gras en snijmaïs. Verder bevat het rantsoen een structuurbron (hooi/stro), krachtvoer en bierbostel/perspulp. Het bouwplan en dus ook het rantsoen kan van jaar tot jaar kan verschillen. In de berekening wordt uitgegaan van een verhouding tussen gras en maïs van 50/50. De melk- en kalfkoeien nemen gemiddeld 16 kg droge stof (ds) aan gras en maïs op, vrouwelijk jongvee < 1 jaar 3,0 kg ds en vrouwelijk jongvee tussen 1 – 2 jaar 7 kg ds. In de beoogde situatie worden 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee gehouden. Voederbehoefte Melkvee Uitgaande van 200 melk- en kalfkoeien met een opname aan gras van 8 kg ds/dier/dag en snijmaïs van 8 kg ds/dier/dag, resulteert dit in: > Gras: 8 kg ds * 200 melk- en kalfkoeien * 365 dagen = 584.000 kg ds aan gras per jaar; > Snijmaïs: 8 kg ds * 200 melk- en kalfkoeien * 365 dagen = 584.000 kg ds aan snijmaïs per jaar.

Voederbehoefte Jongvee < 1 jaar Uitgaande van 70 stuks vrouwelijk jongvee onder het jaar met een opname aan gras van 1,5 kg ds/dier/dag en snijmaïs van 1,5 kg ds/dier/dag, resulteert dit in: > Gras: 1,5 kg ds * 70 stuks jongvee < 1 jaar * 365 dagen = 38.325 kg ds aan gras per jaar; > Snijmaïs: 1,5 kg ds * 70 stuks jongvee < jaar * 365 dagen = 38.325 kg ds aan snijmaïs per jaar. Voederbehoefte Jongvee > 1 jaar Uitgaande van 70 stuks vrouwelijk jongvee boven het jaar met een opname aan gras van 3,5 kg ds/dier/dag en snijmaïs van 3,5 kg ds/dier/dag, resulteert dit in: > Gras: 3,5 kg ds * 70 stuks jongvee van 1 – 2 jaar * 365 dagen = 89.425 kg ds aan gras per jaar; > Snijmaïs: 3,5 kg ds * 70 stuks jongvee van 1 – 2 jaar * 365 dagen = 89.425 kg ds aan snijmaïs per jaar. Totale voederbehoefte in kg ds: Gras: 584.000 + 38.325 + 89.425 = 711.750 kg ds aan gras per jaar; > > Snijmaïs: 584.000 + 38.325 + 89.425 = 711.750 kg ds aan gras per jaar.

Benodigde voeropslag Per m3 kan 245 kg ds aan kuilgras opgeslagen worden en 265 kg ds per m 3 aan snijmaïs. Dit resulteert in een benodigde voeropslag van: > Gras: 711.750 / 245 = 2.905 m3 > Maïs: 711.750 / 265 = 2.686 m3

2

Lieseind 8, Schijndel

Het is wenselijk dat de mais 4 maanden conserveert. Er is dus voor 16 maanden aan capaciteit nodig. De benodigde opslag voor mais wordt dan 3.581 m3 Dit resulteert in een totale benodigde voeropslag van minimaal 6.486 m3. Beoogde opslagcapaciteit In de beoogde situatie zijn er 7 sleufsilo’s op het bedrijf aanwezig voor de opslag van ruwvoer. De totale oppervlakte van deze silo’s is circa 3.600 m2. We gaan uit van een gemiddelde kuilhoogte van 2,0 m. Dit betekent dat er in de beoogde situatie een opslagcapaciteit van circa 7.200 m3 aanwezig is. Conclusie De beoogde uitbreiding van de ruwvoeropslagen is noodzakelijk om te kunnen voorzien in voldoende opslagcapaciteit. Enige overcapaciteit is wenselijk om wisselingen in het rantsoen op te kunnen vangen. Er is nu rekening gehouden met de opslag van gras en mais. Wanneer aan het rantsoen meer natte producten worden toegevoegd zoals bierbostel of perspulp zal de benodigde opslagcapaciteit toenemen. Ook is het wenselijk om in een goed oogstjaar extra producten op te kunnen slaan om jaren met slechtere oogsten te kunnen opvangen.

3

Lieseind 8, Schijndel

4

Lieseind 8, Schijndel

1 Bijlage 3 2 •

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

Toelichting Landschappelijke Inpassing Lieseind 8 te Schijndel Locatie:

Lieseind 8 5482 ZK Schijndel

Gemeente:

Gemeente Meierijstad

Opgesteld door:

Borgo Tuin- en Landschapsarchitectuur Janka Borgo

Datum:

Januari 2021

Tekeningnummer:

1654.3

1

1

Aanleiding

Het voornemen is om een nieuwe melkveestal te bouwen. Dit maakt een bouwblokvergroting noodzakelijk, zie onderstaande verbeelding van de voorgenomen situatie (bron: Agrifirm Exlan). Er wordt geëist dat 10% van het bouw- en differentiatievlak aan groen wordt voorzien. Dit Landschappelijk Inpassingsplan laat zien hoe aan deze inpassingseis wordt voldaan. Het plan bestaat uit een plantekening op schaal (1:1.000, tekeningnummer 1654.3) en deze toelichting.

Situatie voorgenomen, bron: Agrifirm Exlan.

Daarnaast is een hemelwateropvangvoorziening nodig (wadi) met een omvang van 428 m2. Deze oppervlakte mag meegenomen worden in het plan.

2

2

Landschap en omgeving Lieseind 8

In de “Handleiding Landschappelijke Inpassing” wordt het buitengebied van de voormalige Gemeente Schijndel (, nu onderdeel uitmakend van de nieuwe Gemeente Meierijstad) ingedeeld in deelgebieden die elk hun eigen specifieke kenmerken hebben.

Afbeelding: deelgebieden, bron: Handleiding Landschappelijke Inpassing

De locatie Lieseind 8 ligt in het deelgebied 2: Landschapsontwikkelingsgebied ’t Woud. De specifieke kenmerken zijn: (zie ook onderstaande afbeelding) · · · ·

Grootschalig, entree Schijndel Overwegend onbebouwd Agrarisch productielandschap Bosontginningsstroken, knotwilgenstructuur langs kavelgrens

3

Afbeelding: specifieke kenmerken deelgebieden, bron: Handleiding Landschappelijke Inpassing

Door het landschappelijk Inpassingsplan te laten aansluiten op de typerende en specifieke kenmerken van het gebied waar het in gelegen is zal het landschap beter leesbaar worden. Dit kan bewerkstelligd worden gebiedseigen beplantingen te gebruiken en door te kiezen voor de juiste beplantingstypen. De Handleiding biedt daartoe inspirerende voorbeelden. Groenblauwe mantel. De locatie ligt in de Groenblauwe mantel. Het beleid betreffende de Groenblauwe mantel is gericht op verdere ontwikkeling van natuur- en waterfuncties. De toekomstige wadi zal de waterbergende functie borgen. De vocht- en voedselrijkdom van de bodem en de landschappelijke dooradering door aanwezige beplantingselementen brengen hoge landschappelijke en ecologische waarden met zich mee. De in dit Landschappelijk Inpassingsplan ontworpen nieuwe groenelementen versterken de landschappelijke en ecologische waarden.

4

3

Het erf Lieseind 8

Het melkveebedrijf Lieseind 8 is passend in het agrarisch productielandschap. Evenwijdig aan de Lieseind en haaks op de Woudseweg is een aanzet van een knotwilgenstructuur aanwezig in de vorm van vier oude knotwilgen aan de dierenweide. Dit vormt aanknopingspunt voor het uitbouwen van een robuuste knotwilgenrij. Tevens zal de nieuwe knotwilgenstructuur de aanblik op de bedrijfsgebouwen verzachten, zonder het volledig te verstoppen. Kijkend vanaf de weg naar het front van het bedrijf is opvallend hoe netjes het erf is, mede door de keurig verzorgde tuinen. Met name de tuin bij de boerderij is met beukenhagen en leilinden karakteristiek ingericht.

De twee sleufsilo’s mogen verder aan het oog onttrokken worden; dit zijn minder mooie bedrijfsonderdelen. Komende vanuit het noorden komen de sleufsilo’s pas laat in het zicht omdat er een singel aanwezig is (niet in eigendom).

4

Uitgangspunten en bouwstenen

Uitgangspunten zijn: · · · ·

Invulling geven aan de 10%’s – eis en een wadi van 428 m2. Het groen zorgt voor een goede landschappelijke inpassing, zodanig dat het initiatief wordt opgenomen in omgeving. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de beplantingskeus en de bouwstenen uit de “Handleiding Landschappelijke Inpassing”. Aansluiten op het beleid van de Groenblauwe mantel door aanbrengen van verschillende typen beplantingselementen en een wadi.

Uit de voorgestelde bouwstenen is de keus gevallen op hagen, bosplantsoen, solitaire bomen, boomrijen en knotbomen (wilg). Door een bosje toe te voegen aan de voorzijde van het erf wordt de biodiversiteit verhoogd, passend bij de Groenblauwe mantel. Ook de nieuwe boomrijen en de knotwilgenrijen zorgen voor een groene dooradering. Voor amfibieën en kleine zoogdieren zijn de nieuwe beplantingselementen, samen met de wadi, gunstig:

5

Ø Afwisseling in het gebied, mozaiekstructuur en randen Ø Schuilgelegenheid Ø Verbindingszone tussen leefgebieden De twee sleufsilo’s aan de wegzijde worden ingepast door beukenhaag, eindigend in een eik. Het wordt een lage haag (1.20 m) bestaande uit twee rijen Beuk (Fagus sylvatica), 9 st/m, verspringend verband. De bomen van de nieuwe, verspringende boomrij, staan op een onderlinge afstand van acht meter. De rij knotwilgen staan op een plantafstand van vijf meter hart op hart. De toekomstige wadi is maximaal 0,5 m. diep en gaat langzaam over in het huidig maaiveldsniveau van de wei. De wadi heeft een waterbergende functie en is tegelijkertijd een waardevol ecologisch element.

5

Toelichting op het plan

Beplantingslijst Haag, beuk (Fagus sylvatica), 9 st/m, 60 meter 540 stuks Bosplantsoen, 500 m2, 1.25m. x 1.25m. in verspringend verband soorten: eik 75 st. hazelaar 50 st. vuilboom 50 st. gelderse roos 25 st. lijsterbes 25 st. vogelkers 25 st. Bomen: Eik, maat 12-14 (Quercus rubra) Eik, maat 12-14 (Quercus robur) Knotbomen (Salix alba)

250 stuks

3 st. 10 st. 16 st.

Onderhoud De knotbomen knotten zodanig dat de kruin niet te zwaar wordt ten opzichte van de stam. (Als de takken te zwaar zijn kan de boom breken.) Elke vier tot zes jaar de knot afzetten. Het bosje elke zes tot acht jaar afzetten aan de grond. De hagen jaarlijks of tweemaal per jaar knippen.

6

Oppervlakteverdeling

A = bosje, haag en bomen B = bestaande haag en leilinden C = knotwilgenrij D = bomenrij E = wadi

650 m2 100 m2 550 m2 650 m2 428 m2

Totaal

2.378 m2

7

' ( )

! " # &" # " # " ## *" #" $

#$ % # % % %

* # *

% $

$& # & ! # # * &* #%# *

+,+--.

% +

( . (

) ,

(

!& "

"/

* " !& "

"/ "/

#

"

"/

#$ %

/

$

0#

$

0# * 0#

*

&* *0#

&* * #%

( (

*

%

#

# & " "/ &#" "/

%

& 0# *$ & 0#

& *$&

# #!0#

## !

# #!"/

0#

*

# & " "/

+,+--. +

(

*

% #! ( 1 !%

& *

1 Bijlage 4 2 •

AAB ADVIES

Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meierijstad t.a.v. mw. K. Klok Gebiedsontwikkeling

(verzonden per e-mail)

Uw kenmerk

Ons nummer

Datum

e-mail, K. Klok

BA 9550

15 april 2020

Behandeld door

Onderwerp

Bijlage

H. Gerlings/TS

Geacht College, Naar aanleiding van uw schrijven van 20 februari 2020, inzake het verzoek van de heer S. Voets, Lieseind 8 Schijndel, delen wij u het volgende mede. Op basis van overleg met de heer St. Voets, de door uw gemeente toegezonden stukken en nader onderzoek komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende bevindingen. Bedrijfsbeschrijving De heer S. Voets (29 jaar) exploiteert in een vennootschap onder firma met zijn vader P. Voets (55 jaar) aan het Lieseind 8 te Schijndel een melkveehouderijbedrijf. De heer S. Voets heeft als opleiding de hogere agrarische school gevolgd en is sindsdien op het ouderlijk bedrijf werkzaam. De bedrijfsbebouwing bestaat uit twee bedrijfswoningen, een ligboxenstal, een jongveestal, enkele kleinere opstallen en voeropslagen. Op het bedrijf worden circa 120 melkkoeien en een zeventigtal stuks jongvee gehouden. De ligboxenstal betreft oorspronkelijk een tweerijïge stal voor 54 melkkoeien uit de jaren zeventig die begin jaren tachtig is verlengd als vierrijïge ligboxenstal tot in totaal 106 ligboxen. Aan de voorzijde van deze stal is in 2006 een 2 x 9-stand zij-aan-zij melkstal aangebouwd. De stal is in de loop der jaren verder aangepast middels het vervangen van de zijwanden van de stal door een oplierbaar zeil, het vernieuwen van de stalinrichting en het aanbrengen van koematrassen.

In 2012 is een jongveestal voor 99 stuks jongvee gebouwd die volledig is onderkelderd voor de opslag van drijfmest. De kalveren worden gehouden in een oudere bedrijfsruimte aangebouwd aan één van de woningen .

BA 9550 Blad 2

Bij het bedrijf is nagenoeg 60 ha grond in gebruik. De eigendomskavel van het bedrijf omvat 38½ ha. De overige percelen betreffen percelen huurgrond die op basis van diverse afspraken bij de bedrijfsvoering worden betrokken. Het bedrijf neemt deel aan de derogatieregeling waardoor het teeltplan merendeels bestaat uit grasland. De melkveestapel kent momenteel een gemiddeld productieniveau. Het bedrijf past beweiding toe in combinatie met de jaarrond verstrekking van een gemengd rantsoen op basis van tweederde graskuil en éénderde maïskuil. De heer S. Voets lichtte toe dat de melkveestal in de huidige opzet een stevige bezetting kent en dat de maatvoering van deze stal niet is toegesneden op de hetgeen heden ten dage als wenselijk wordt gezien voor de huisvesting van melkkoeien. Zo is de stal ventilatietechnisch relatief laag, zijn de looppaden relatief smal en hebben de ligboxen te weinig lengte. Daarnaast bestaat de wens om het aantal melkkoeien de komende jaren geleidelijk uit te breiden. Om die reden is het besluit genomen om over te gaan tot nieuwbouw van de melkveestal. Verzoek Het verzoek omvat de vergroting van het bouwvlak van 1.5 ha naar 2 ha. Het onderliggende bouwplan betreft de bouw van een nieuwe ligboxenstal. Het betreft een zesrijïge stal van 43½ x 53 meter waarbij de voergangen aan de buitenzijde zijn gesitueerd.

De stal wordt ingericht met 156 ligboxen, drie automatische melksystemen en aan de voorzijde enkele strohokken. De stal wordt onderkelderd voor de opslag van mest en de looppaden worden uitgevoerd met een emissiebeperkende roostervloer. De stal wordt uitgevoerd met diepstrooiselboxen en een emissiearme roostervloer. De stal wordt uitgevoerd met een goothoogte van 4.20 en een nokhoogte van 11.80 meter waardoor het gebouw over een forse luchtinhoud beschikt. Om de warmte instraling in de zomerperiode te beperken wordt het dak van de stal geïsoleerd uitgevoerd. In de toekomstige bedrijfsopzet wordt uitgegaan van het houden van maximaal 200 melkkoeien met bijbehorend 140 stuks jongvee. Voor de nieuwbouwstal wordt uitgegaan van 170 melkkoeien, 30 (droogstaande) melkkoeien zullen worden gehuisvest in de huidige ligboxenstal. Het gedeelte van de oude melkveestal dat voor de 30 melkkoeien zal worden gebruikt zal eveneens worden voorzien van een emissie arme loopvloer. Van de 140 stuks jongvee worden 99 dieren gehuisvest in de recent gebouwde jongveestal en worden 41 dieren gehuisvest in de oudere stal bij de woning. De in 2012 gebouwde jongveestal behoeft vanwege de in de Verordening Natuurbescherming opgenomen gebruikstermijn van 20 jaar voor stalsystemen voor rundvee vooralsnog niet te worden aangepast.

Bij de vergroting van het bouwvlak wordt aan de zuidzijde van het perceel rekening gehouden met enige flexibiliteit zodat hier mogelijkheden zijn voor met name de uitbreiding van de opslagcapaciteit van het bedrijf en voor de uitbreiding van de loodscapaciteit van het bedrijf. Bij dit laatste wordt met name gedacht aan meer mogelijkheden om grofschalige producten zoals stro en droge grondstoffen op te kunnen slaan. Advies Op basis van de voorgaande bevindingen komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende conclusie. Het ingediende verzoek omvat de vergroting van het bouwvlak tot 2 ha. Het onderliggende bouwplan betreft met name de nieuwbouw van de stal voor melkvee. De huidige melkveestal kent door de bouw in de jaren zeventig en jaren tachtig, en de destijds geldende inzichten, een aantal beperkingen. Met name de beperkingen als gevolg van de krappe maatvoering (smalle looppa0den en te korte ligboxen) kunnen worden onderschreven en zijn moeilijk of niet op te lossen door de verbouwing/renovatie van de ligboxenstal. De in 2006 nieuwgebouwde melkstal betreft wel een courant onderdeel van het bedrijf. Het ingediende bedrijfsontwikkelingsplan combineert de verbetering van de huisvesting van melkkoeien met de uitbreiding van het aantal melkkoeien op het bedrijf.

Daarnaast wordt in de nieuwbouwstal een emissie arme loopvloer aangelegd waarmee wordt voldaan aan het landelijke Besluit Huisvesting en aan de provinciale Verordening Natuurbescherming. De voorgestelde nieuwbouwstal voldoet in alle opzichten aan de actuele inzichten ten aanzien van de huisvesting van melkvee. Een dergelijke verbetering van de huisvesting resulteert normaliter in een betere gezondheids-

BA 9550 Blad 3

status van de dierstapel en vertaalt zich in een hogere melkproductie per koe. De overschakeling van een traditionele melkstal naar automatische melksystemen resulteert in een lagere arbeidsbehoefte en in een meer flexibele inzet van deze arbeid. Vorenstaande in overweging nemende constateert de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen dat de voorgestane bedrijfsontwikkeling de toekomstbestendigheid en de continuïteit van het bedrijf als melkveehouderijbedrijf zeer ten goede zullen komen. De Adviescommissie acht deze bedrijfsontwikkeling noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Om de melkveestal met de bijbehorende extra voeropslagcapaciteit te kunnen bouwen is vergroting van het bouwvlak tot 2 ha noodzakelijk. Graag ontvangen wij een kopie van het schrijven van de gemeente, waarin de genomen beslissing aan de aanvrager wordt medegedeeld.

Hoogachtend, ADVIESCOMMISSIE AGRARISCHE BOUWAANVRAGEN

H. Gerlings secretaris

1 Bijlage 5 2 •

BZV

1 Bijlage 6 2 •

FIJN STOFBEREKENING

Gegenereerd met ISL3a Versie 2020_1 , Rekenhart Release 2 april 2020

(c) DNV GL

Gebiedsgegevens Berekend op: 2020/06/10

Naam van deze berekening: Beoogde situatie

15:52:40

Project: Voets Schijndel RD X coordinaat: 154 996 RD Y coordinaat: 405 370 Berekende ruwheid: 0.143

Lengte X: 2000

Aantal Gridpunten X: 11

Breedte Y: 2000

Aantal Gridpunten Y: 11

Eigen ruwheid

Type Berekening: PM10

Eigen ruwheid: 0.000

Rekenjaar:2020

Soort Berekening: Contour

Toets afstand: n.v.t.

Onderlinge afstand: n.v.t.

Uitvoer directory: Y:\_Shared Data\A-NL-Projecten Exlan\Voets_Schijndel_EX.18.1166\Rapporten en Onderzoeken\Luchtkwaliteit RD X Coord.

RD Y Coord.

Concentratie

Overschrijding

[m]

[m]

[microgram/m3]

[dagen]

Lieseind 10

156 037

406 491

18.49

6.5

Woudseweg 10

155 759

406 234

18.19

6.4

Woudseweg 11

155 915

406 165

18.19

6.4

Lieseind 2

156 247

406 093

18.45

6.5

Lieseindsestraat 26

156 376

406 112

18.45

6.5

Lieseindsestraat 28

156 479

406 242

18.45

6.5

Te beschermen object Naam:

Brongegevens Naam : Jongveestal 41 stuks

Type: AB

RD X Coord.: 156 075

RD Y Coord.: 406 387

hoogte van emissiepunt:

5.00

verticale uittreesnelheid:

0.40

Emissie:

0.00005

hoogte van gebouw: 5.0

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 156 076

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 406 383

Naam : Oude melkveestal

lengte van gebouw:

22.00

breedte van gebouw:

10.40

orientatie van gebouw:

102.00

Type: AB

RD X Coord.: 156 052

RD Y Coord.: 406 404

hoogte van emissiepunt:

1.50

Emissie:

0.00014

verticale uittreesnelheid:

0.40

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 156 052

hoogte van gebouw: 3.7

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 406 404

Naam : Jongveestal 99 stks

lengte van gebouw:

54.00

breedte van gebouw:

25.00

orientatie van gebouw:

12.00

Type: AB

RD X Coord.: 156 020

RD Y Coord.: 406 358

hoogte van emissiepunt:

1.50

Emissie:

0.00012

verticale uittreesnelheid:

0.40

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 156 020

hoogte van gebouw: 5.0

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 406 358

Naam : Nieuwe melkveestal RD X Coord.: 155 978

Date: 10-06-2020

40.00 20.50

orientatie van gebouw:

102.00

Type: AB RD Y Coord.: 406 364

Time: 15:52:43

lengte van gebouw: breedte van gebouw:

Emissie:

0.00080

Page 1

Gegenereerd met ISL3a Versie 2020_1 , Rekenhart Release 2 april 2020

hoogte van emissiepunt:

1.50

(c) DNV GL

verticale uittreesnelheid:

0.40

diameter van emissiepunt:

0.50

X-coord. zwaartepunt van gebouw: 155 978

hoogte van gebouw: 8.0

temperatuur van emisstroom:

285.00

Y-coord. zwaartepunt van gebouw: 406 364 lengte van gebouw:

Date: 10-06-2020

Time: 15:52:43

53.00

breedte van gebouw:

43.40

orientatie van gebouw:

102.00

Page 2

1 Bijlage 7 2 •

DIALOOG

1 Bijlage 8 2 •

AERIUS BEREKENING

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Wnb vergunning en aanvraag Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 1/23

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Melkveebedrijf Voets

Lieseind 8, 5482 ZK Schijndel

Omschrijving

AERIUS kenmerk

verschilberekening

RtjY38M4EXis

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

30 januari 2020, 10:13

2019

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

NOx

-

-

-

NH3

2.005,30 kg/j

1.816,00 kg/j

-189,30 kg/j

Resultaten

Natuurgebied

Verschil

Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)

Rijntakken

0,00

Toelichting

Wnb 2016 - aanvraag

Resultaten

Wnb vergunning aanvraag

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 2/23

Resultaten

Locatie Wnb vergunning

Emissie Wnb vergunning

Resultaten

Bron Sector

Wnb vergunning aanvraag

Emissie NH3

Emissie NOx

Stal 1 Landbouw | Stalemissies

211,20 kg/j

-

Stal 2 Landbouw | Stalemissies

1.358,50 kg/j

-

stal 4 Landbouw | Stalemissies

435,60 kg/j

-

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 3/23

Resultaten

Locatie aanvraag

Emissie aanvraag

Resultaten

Bron Sector

Wnb vergunning aanvraag

Emissie NH3

Emissie NOx

Stal 2 Landbouw | Stalemissies

180,00 kg/j

-

stal 4 Landbouw | Stalemissies

435,60 kg/j

-

stal 5 Landbouw | Stalemissies

1.020,00 kg/j

-

stal 1 Landbouw | Stalemissies

180,40 kg/j

-

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 4/23

Resultaten

Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden

Natuurgebied

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Rijntakken

0,02

0,02

0,00

Uiterwaarden Lek

0,01

0,01

0,00

Veluwe

0,01

0,01

0,00

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

0,01

0,01

0,00

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

0,01

0,01

0,00

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

0,02

0,02

0,00

Regte Heide & Riels Laag

0,01

0,01

0,00

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

0,01

0,01

0,00

Zouweboezem

0,01

0,01

0,00

Langstraat

0,01

0,01

0,00

Bekendelle

0,01

0,01

0,00

Brabantse Wal

0,01

0,01

0,00

Biesbosch

0,01

0,01

0,00

Strabrechtse Heide & Beuven

0,01

0,01

0,00

Kempenland-West

0,01

0,01

0,00

Oostelijke Vechtplassen

0,01

0,01

0,00

Naardermeer

0,01

0,01

0,00

Sallandse Heuvelrug

0,01

0,01

0,00

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

0,02

0,02

0,00

Maasduinen

0,02

0,02

0,00

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

(mol/ha/j)

Resultaten

Wnb vergunning aanvraag

-0,00

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 5/23

Resultaten

Natuurgebied

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Willinks Weust

0,01

0,00

0,00

Vecht- en Beneden-Reggegebied

0,01

0,01

0,00

Buurserzand & Haaksbergerveen

0,01

0,01

0,00

Witte Veen

0,01

0,00

0,00

Kolland & Overlangbroek

0,02

0,02

0,00

Borkeld

0,01

0,01

0,00

Leudal

0,01

0,01

0,00

Korenburgerveen

0,01

0,01

0,00

Boetelerveld

0,01

0,01

0,00

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

0,01

0,01

0,00

Wooldse Veen

0,01

0,00

0,00

Krammer-Volkerak

0,01

0,00

0,00

Meinweg

0,01

0,01

0,00

Swalmdal

0,01

0,01

0,00

Roerdal

0,01

0,01

0,00

Wierdense Veld

0,01

0,00

0,00

Kampina & Oisterwijkse Vennen

0,04

0,04

0,00

Sarsven en De Banen

0,01

0,01

0,00

Groote Peel

0,01

0,01

0,00

Landgoederen Brummen

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 6/23

Resultaten

Natuurgebied

Brunssummerheide

0,01

0,01

0,00

Zeldersche Driessen

0,02

0,02

0,00

Binnenveld

0,01

0,01

0,00

Lonnekermeer

0,01

0,00

0,00

Stelkampsveld

0,01

0,01

0,00

Grensmaas

0,01

0,00

0,00

Landgoederen Oldenzaal

0,01

0,00

0,00

Deurnsche Peel & Mariapeel

0,01

0,01

0,00

Oeffelter Meent

0,02

0,02

0,00

Ulvenhoutse Bos

0,01

0,01

0,00

De Bruuk

0,02

0,02

0,00

Sint Jansberg

0,04

0,04

0,00

Boschhuizerbergen

0,01

0,01

0,00

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

0,03

0,03

0,00

*

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.

Wnb vergunning aanvraag

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 7/23

Resultaten

Resultaten per habitattype

Rijntakken Habitattype

(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

0,02

0,02

0,00

ZGLg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,03

0,03

0,00

Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland

0,02

0,02

0,00

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,02

0,02

0,00

Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

0,02

0,02

0,00

ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland

0,02

0,02

0,00

H6120 Stroomdalgraslanden

0,02

0,02

0,00

ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

0,02

0,02

0,00

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,03

0,03

0,00

H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

0,01

0,01

0,00

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

0,01

0,00

ZGLg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei

0,01

0,01

0,00

H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

0,01

0,01

0,00

H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden)

0,01

0,01

0,00

Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei

0,02

0,02

0,00

H91F0 Droge hardhoutooibossen

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

-0,00

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 8/23

Resultaten

Rijntakken Habitattype

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

0,01

0,01

0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

0,01

0,00

ZGH91F0 Droge hardhoutooibossen

0,01

0,01

0,00

ZGH91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

0,01

0,01

0,00

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

Uiterwaarden Lek Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

H6120 Stroomdalgraslanden

0,01

0,01

0,00

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,01

0,00

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 9/23

Resultaten

Veluwe Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

0,01

0,01

0,00

Lg13 Bos van arme zandgronden

0,01

0,01

0,00

L4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,01

0,01

0,00

H4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

H9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

0,01

0,00

Lg09 Droog struisgrasland

0,01

0,01

0,00

H2330 Zandverstuivingen

0,01

0,01

0,00

H9190 Oude eikenbossen

0,01

0,01

0,00

ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

0,01

0,01

0,00

ZGL4030 Droge heiden

0,01

0,01

0,00

ZGLg13 Bos van arme zandgronden

0,01

0,01

0,00

ZGLg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop

0,01

0,01

0,00

H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

0,01

0,01

0,00

H5130 Jeneverbesstruwelen

0,01

0,01

0,00

H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm

0,01

0,01

0,00

H3160 Zure vennen

0,01

0,01

0,00

Lg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 10/23

Resultaten

Veluwe Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,01

0,01

0,00

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

0,01

0,01

0,00

ZGH4030 Droge heiden

0,01

0,00

0,00

H3130 Zwakgebufferde vennen

0,01

0,01

0,00

ZGH4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

0,01

0,01

0,00

ZGLg09 Droog struisgrasland

0,01

0,01

0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

0,01

0,00

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

0,01

0,01

0,00

ZGH9190 Oude eikenbossen

0,01

0,01

0,00

ZGH2310 Stuifzandheiden met struikhei

0,01

0,01

0,00

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

0,01

0,01

0,00

ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst

0,01

0,01

0,00

H7230 Kalkmoerassen

0,01

0,01

0,00

H6410 Blauwgraslanden

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 11/23

Resultaten

Lingegebied & Diefdijk-Zuid Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7230).

0,01

0,01

0,00

ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,01

0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

0,01

0,00

H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)

0,01

0,01

0,00

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,01

0,00

H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

0,01

0,01

0,00

ZGH6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

0,01

0,01

0,00

H7230 Kalkmoerassen

0,01

0,01

0,00

H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

-0,00

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 12/23

Resultaten

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Habitattype

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,01

0,00

H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

0,01

0,01

0,00

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat

0,01

0,01

0,00

H6120 Stroomdalgraslanden

0,01

0,01

0,00

ZGH3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen

0,01

0,01

0,00

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,01

0,01

0,00

ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

0,01

0,01

0,00

Wnb vergunning aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

RtjY38M4EXis (30 januari 2020) pagina 13/23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f4c0af76-cafe-4ca1-a30a-b5455ab269b3