B1_toelichting inclusief bijlagen
Tekst van het document
Projectnummer: EX.18.1166 Versie: vastgesteld IDN: NL.IMRO.1948.BGS000BP0062019P-VG01 Datum: Juli 2021
Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Exlan Advies Waalkade 33 5347 KR Oss
Postbus 300 5340 AH Oss
Locatie Lieseind 8 te Schijndel
Opdrachtgever Paul en Stijn Voets Lieseind 8 5482 ZK Schijndel
Projectleider N.P.M. (Noortje) van Summeren – van der Linden T: 06 – 557 933 31 E: n.vansummeren@agrifirm.com
2
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
! !!
" "
! !
#
! !
"
$ # "
!
# "
% ! ! !
!
3
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
#
$
# # # # " "
! &
4
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
# #
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
1 1 Inleiding 1.1
ACHTERGROND EN DOEL VAN HET PLAN Paul en Stijn Voets (hierna initiatiefnemer) exploiteren in de huidige situatie op de locatie Lieseind 8 te Schijndel (hierna plangebied) een bestaand agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveehouderij. De bestaande melkveestal op de locatie Lieseind 8 is verouderd. De stal is gebouwd in de jaren 70 van de vorige eeuw. Het stalsysteem moet aangepast worden vanwege de Brabantse regelgeving. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens de asbest daken te saneren. De initiatiefnemer wil echter ook de melkveetak uitbreiden, om voldoende economisch perspectief voor de toekomst te hebben. In de beoogde situatie worden zowel de bestaande melkveestal als de nieuw te realiseren stal voorzien van een emissiearm stalsysteem. Het plan betreft de realisatie van een nieuwe melkveestal achter op het bedrijfsperceel. De stal wordt gesitueerd naast de bestaande jongveestal. Vanwege de uitbreiding van de melkveetak is tevens uitbreiding van de ruwvoeropslag nodig. Ten noorden van de nieuwe stal worden, aansluitend aan de bestaande ruwvoeropslag, drie nieuwe sleufsilo’s gerealiseerd. In bijlage 1 is een situatietekening opgenomen van de bestaande situatie en de gewenste ontwikkeling. Tevens is in bijlage 10 een milieutekening opgenomen van de beoogde situatie.
1.2
LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED De locatie Lieseind 8 ligt ten noordwesten van de kern Schijndel in de gemeente Meierijstad. De percelen waarop het bedrijf is gevestigd zijn kadastraal bekend als gemeente Schijndel, sectie K, nummers 132 en 133. Binnen het plangebied zijn twee bedrijfswoningen en diverse agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig.
Figuur 1.1: Luchtfoto Lieseind 8 en directe omgeving (bron: www.streetsmart.cyclomedia.com)
•
5
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
1.3
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ zoals door gemeenteraad vastgesteld op 27 juni 2013. Op 24 september 2015 is het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’, vastgesteld. Dit plan betreft een gedeeltelijke herziening.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’
•
De bedrijfslocatie aan Lieseind 8 heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur en landschap’ met de functieaanduiding ‘grondgebonden veehouderij’. Verder gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 5’. Op de locatie zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. Het bouwvlak op de bedrijfslocatie heeft een oppervlakte van 1,5 ha. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de gewenste ontwikkeling niet mogelijk. Er is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen die vergroting van het bouwvlak boven de 1,5 ha mogelijk maakt. Ook een vervorming van het bouwvlak in combinatie met de situering van ruwvoeropslag buiten het bouwvlak is niet mogelijk.
1.4
LEESWIJZER Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 komen respectievelijk de aspecten cultuurhistorie, archeologie, natuur en water aan bod. Daarna volgt in hoofdstuk 8 de toetsing aan de diverse milieu- en planologische aspecten en in hoofdstuk 9 een toelichting op bedrijven- en milieuzonering. Hoofdstuk 10 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan en tot slot wordt in hoofdstuk 11 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld.
6
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
2 1 Beschrijving bestaande situatie 2.1
HUIDIGE SITUATIE OMGEVING EN PLANGEBIED Het plangebied Lieseind 8 te Schijndel ligt ten noorden van de kern Schijndel in de gemeente Meierijstad. Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied met diverse veehouderijen en verspreid liggende burgerwoningen. Lieseind is een gemeentelijke weg in het buitengebied tussen de kernen Schijndel en Den Dungen. Rondom het plangebied bevinden zich weilanden en akkerlanden die op diverse plaatsen zijn omzoomd door groenstroken. De bebouwing bestaat uit een tweetal bedrijfswoningen, diverse bedrijfsgebouwen (3.000 m2) en voeropslagen (2.500 m2). Het erf tussen de bebouwing is verhard (2.750 m2). Het bedrijf wordt ontsloten via het Lieseind. Op bijgevoegde luchtfoto is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1: Uitsnede luchtfoto ter plaatse van Lieseind 8 (bron: Cyclomedia)
•
Voor de locatie is een vergunning (melding BLM) voor het houden van 110 melkkoeien en 129 stuks jongvee aanwezig. Een overzicht van de dieraantallen, stalsystemen en emissiefactoren in de vergunde situatie zijn in onderstaande figuur weergegeven.
Rav code
Omschrijving conform Rav
Aantal dieren
NH3/ dier
Fijnstof g/dier/jr
NH3 totaal
Fijnstof g/jaar
A 1.100
Melkvee-beweiden
110
12,35
118,0
1.358,5
12.980,0
A 3.100
Jongvee
129
4,4
38,0
567,6
4.902,0
1926,1
17.882,0
Totaal Figuur 2.2: diertabel vergunde situatie
•
7
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 3 VISIE OP HET PLANGEBIED
3 1 Visie op het plangebied 3.1
DOEL EN HOOFDLIJNEN Initiatiefnemer is voornemens zijn agrarische bedrijfsperceel door te ontwikkelen tot een toekomstbestendig duurzaam agrarisch bedrijf. Er wordt een nieuwe moderne melkveestal gerealiseerd en het aantal dieren wordt uitgebreid. Vanwege de uitbreiding van de melkveetak is tevens uitbreiding van de ruwvoeropslag noodzakelijk. In paragraaf 3.3 wordt de ontwikkeling verder toegelicht.
3.2
BEELDKWALITEITSPLAN Ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan voor de locatie is toegevoegd als bijlage 3. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting het uitvoeren van de landschappelijk inpassing geborgd. In de navolgende paragraaf wordt de ontwikkeling aan de hand van het inpassingsplan nader toegelicht.
3.3
BESCHRIJVING VAN DE PLANONTWIKKELING Onderhavig plan ziet toe op de uitbreiding van het melkveebedrijf. Er wordt een nieuwe melkveestal gerealiseerd aan de achterzijde van het bedrijfsperceel. De stal wordt gesitueerd naast de bestaande jongveestal. Ten noorden van de nieuwe stal worden drie extra sleufsilo’s gerealiseerd voor de opslag van ruwvoer. Daarnaast is aan de zuidzijde achter de nieuwe stal een strook verharding opgenomen. Deze is wenselijk i.v.m. de draaicirkel van grote tractoren en machines. In de beoogde situatie kunnen er binnen de planologische mogelijkheden maximaal 200 melkkoeien (emissiearm) en 140 stuks jongvee gehouden worden. Een overzicht van de dieraantallen in de beoogde situatie zijn in de hiernavolgende figuur weergegeven. Voor een volledig overzicht van de aanwezige bebouwing en de verdeling van de dieraantallen is in bijlage 10 de milieutekening opgenomen. Rav code
Omschrijving conform Rav
Aantal dieren
NH3/ dier
Fijnstof g/dier/jr
NH3 totaal
Fijnstof /g/jaar
A 1.28
Melkvee-emissiearm
200
6,0
148,0
1.200,0
29.600,0
A3.100
Jongvee
140
4,4
38,0
616,0
5.320,0
1.8016,0
34.920,0
Totaal Figuur 3.1: beoogde situatie
•
Om de ontwikkeling mogelijk te maken en de nieuwe melkveestal binnen het bouwvlak te situeren is het noodzakelijk het agrarisch bouwvlak te vergroten tot 2 hectare. Middels een aanduiding op de verbeelding is in combinatie met de planregels geborgd dat 0,5 hectare uitsluitend wordt gebruikt voor de opslag van ruwvoer.
8
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
In figuur 3.2 is de verbeelding van de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied weergegeven. Middels het principebesluit van 18 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad besloten medewerking te verlenen aan bovenstaande ontwikkeling. Om te komen tot een haalbaar plan dient aan bepaalde voorwaarden te worden voldaan. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat aan de principevoorwaarden zoals gesteld door de gemeente Meierijstad wordt voldaan.
Figuur 3.2: verbeelding voorgenomen ontwikkeling plangebied
•
Om de uitbreiding van het melkveebedrijf in te passen in de omgeving is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door Borgo tuin- en landschapsarchitectuur. In onderstaande figuur is de plantekening opgenomen. Het volledige inpassingsplan is opgenomen in bijlage 3.
Figuur 3.3: inpassingsplan Lieseind 8
•
9
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER
4 1 Beleidskader 4.1
INLEIDING De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, als gemeentelijk niveau. Het plan wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. De belangrijkste bevindingen uit dit beleid worden hieronder beschreven en aangegeven wordt hoe de ontwikkeling van het plangebied past binnen de bestaande regelgeving.
4.2
RIJKSBELEID Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het onderhavige plan omvat een kleinschalig initiatief dat niet behoort tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf en de daarvoor noodzakelijk bouwvlak vervorming/vergroting wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Barro Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in juridische borging van het nationaal ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen. Binnen het plangebied zijn geen relevante regels uit het Barro van toepassing die invloed uitoefenen op het onderhavige plan. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
10
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt, en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwacht de NOVI in het voorjaar van 2020 vast te stellen. Op 20 juni 2019 verscheen het ontwerp voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De SVIR (beleid) gaat op in de NOVI. De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid en geen specifieke regels voor onderhavig initiatief. De prioriteiten die zijn opgenomen in de NOVI zijn vertaald in provinciaal en gemeentelijk beleid.
4.3
PROVINCIAAL BELEID Provinciale Staten hebben de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ op 14 december 2018 vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie worden in de omgevingsverordening vertaald in regels. Voor het onderhavige plan is met name de verordening van belang omdat deze gedetailleerde regels bevat waaraan getoetst dient te worden. Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. De provincie Noord-Brabant heeft op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening (Iov) vastgesteld.
Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte. Omdat de Interim verordening zoveel als mogelijk wil aansluiten bij de Omgevingswet is gekozen voor de doelgroepenbenadering (burgers en bedrijven, gemeenten of waterschappen). Dit betekent dat de regels in de Interim omgevingsverordening zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel leidend is. In de omgevingsverordening staan algemene regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor bestuursorganen van de overheid. De instructieregels moeten gemeenten nu al toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte.
11
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
Veehouderij De provincie werkt al geruime tijd aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij. De kern van het beleid is dat uitbreiding van veehouderijen enkel mogelijk is als het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid. Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Dit houdt in dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Om de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen is een nieuw instrument ontwikkeld, de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). De BZV objectiveert wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan een zorgvuldige veehouderij. Ondanks de inspanningen die door alle partijen zijn geleverd, zijn er extra stappen nodig om te komen tot een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij in Brabant. Daarom zijn in 2017 aanvullende maatregelen vastgesteld. De zogenaamde versnelling transitie veehouderij.
Dit pakket maatregelen bevatte regels om de uitstoot van ammoniak uit dierenverblijven terug te dringen, een aanpassing van de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, nieuw mestbeleid en regels die in veedichte gebieden een verdere regionale concentratie van vee en toenemende leegstand tegengaan door het zogenaamde stalderen. Gebaseerd op deze besluiten bevat de verordening instructieregels voor de ontwikkeling van veehouderijen en zijn ook rechtstreeks werkende regels opgenomen. De planlocatie is gelegen in het Landelijk gebied binnen de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’. De regels die relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling zijn hieronder verder uitgewerkt. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Vanuit artikel 3.5, lid 2 van de Interim omgevingsverordening moet voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving rekening worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt volgens artikel 3.6, lid 1, sub a en c onder andere in dat functies in beginsel gebruik maken van bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen waarin de omgevingsverordening uitbreiding toestaat.
Daarnaast dienen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen een bouwperceel geconcentreerd te worden. Zoals hierna verder wordt toegelicht, is dit het geval bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lieseind 8. De lagenbenadering omvat volgens artikel 3.7, lid 2 de effecten op bijv. bodem, grondwater, veiligheid, milieu, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, de omvang van de functie en de bebouwing en bestaande en toekomstige functies. Zoals nader onderbouwd in deze toelichting brengt de voorgenomen ontwikkeling wat dit betreft geen significant negatieve effecten met zich mee. Ook is hierin onderbouwd dat de ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor de bestaande of toekomstige functies in de omgeving en van het omliggende gebied. In artikel 3.8, lid 2 is aangegeven dat fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van de meerwaardecreatie deel kan uitmaken. Geconstateerd kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van meerwaardecreatie, nu als onderdeel van deze
12
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
ontwikkeling hier een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van het daartoe opgestelde landschappelijk inpassingsplan. Gelet hierop is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lieseind 8 vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar in de omgeving. Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9) Artikel 3.9 van de omgevingsverordening ziet toe op de kwaliteitsverbetering van het landschap. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met voldoende kwaliteitswinst voor de locatie en de naaste omgeving. Op het moment van schrijven is in de gemeente Meierijstad nog geen uniform beleid van kracht voor het uitvoeren van kwaliteitsverbetering van het landschap, waardoor per geval maatwerk dient te worden toegepast. Om de kwaliteitsverbetering te berekenen voor het onderhavige planvoornemen is de Nota Kwaliteitsverbetering van de voormalige gemeente Schijndel als uitgangspunt genomen. De toepassing van het beleid ter kwaliteitsverbetering van het landschap is opgenomen paragraaf 4.4. De landschappelijke inpassing is kort weergegeven in paragraaf 3.3. Daarnaast is de gehele landschappelijke inpassing als bijlage 3 opgenomen bij de toelichting. De aanleg en instandhouding wordt geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van onderhavig bestemmingsplan.
Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.9. Ook het positief advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, zoals opgenomen in bijlage 4, laat zien dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Veehouderij in landelijk gebied (artikel 3.49) Vanuit het streven naar een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij bevat dit artikel voorwaarden voor de ontwikkeling van een veehouderij. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd'. In onderhavige situatie is sprake van een uitbreiding van het bouwvlak van een veehouderij. Om die reden is artikel 3.49 lid 1 van toepassing. Dit artikel bepaald dat een bestemmingsplan in landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; De nadere regels zorgvuldige veehouderij zijn uitgewerkt in de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Het plan is getoetst aan deze BZV. In bijlage 5 bij deze toelichting is de toets opgenomen. Conform de systematiek van de BZV scoort een bedrijf een 6, indien aan de wettelijke regels is voldaan. Uitbreidingsruimte wordt geboden, als het betreffende bedrijf minimaal een 7,25 scoort. In dit geval wordt een 7,30 gescoord. De BZV toont aan dat sprake is van een zorgvuldige en duurzame veehouderij.
Aan deze voorwaarde wordt dan ook voldaan. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; De oppervlakte van het bouwperceel, zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, bedraagt 2 hectare. Alle gebouwen, voorzieningen en verhardingen liggen binnen dit bouwperceel. 0,5 hectare wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van de opslag van ruwvoer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de afwijkende regel zoals opgenomen in artikel 3.53 lid 3 van de Iov. Middels een aanduiding op de verbeelding in combinatie met de planregels wordt geborgd dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen – geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.
13
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
c.
de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met voldoende kwaliteitswinst voor de locatie/omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan zorgvuldig ruimtegebruik en landschappelijke inpassing. In voorliggende situatie is sprake van een uitbreiding van het bouwvlak (binnen de gestelde maximale omvang van 2 ha). Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan is in bijlage 3 opgenomen. In paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing beschreven. De impact van het plan op de omgeving is uitgewerkt in de volgende hoofdstukken van deze toelichting. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de verschillende normen voor de diverse milieuaspecten en volksgezondheid. Ook de impact van het plan op de verkeersafwikkeling is zeer beperkt zoals blijkt uit de toelichting.
d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; In de beoogde situatie is geen sprake van mestbewerking. e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; In dit plan is sprake van een melkveehouderij. Voor de aanwezige diercategorieën zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor opgenomen. Hierdoor kan voor melkveehouderijen de achtergrondbelasting niet berekend worden en leveren zij ook geen bijdrage aan de achtergrondbelasting geur. Hiermee wordt voldaan aan de eis met betrekking tot geurhinder. f.
is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 g/m3; Uit paragraaf 8.5 en bijlage 6 (berekening) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor het aspect fijnstof de genoemde waarde niet overschrijdt in de nieuwe situatie. De hoogst berekende achtergrondconcentratie bedraagt 18,49 g/m3.
g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; De landschappelijke inpassing bedraagt 10% van de omvang van het bouwvlak. In paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing beschreven. Uit het landschappelijk inpassingplan (bijlage 3) blijkt dat de inpassing een omvang heeft van 2.378 m2. h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. De zorgvuldige dialoog is in gang gezet in de vorm van een communicatietraject met omwonenden. De initiatiefnemer heeft de direct omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het beoogde initiatief. Hierbij heeft hij het plan nader toegelicht, en daarbij getracht zo goed mogelijk aan te geven wat de veranderingen zijn ten opzichte van de huidige planologische situatie. Als bijlage 7 bij deze toelichting is een korte samenvatting
14
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
opgenomen, met daarbij een verklaring waaruit blijkt dat de omwonenden geïnformeerd zijn over de planvorming. In artikel 3.53, lid 3 van de Iov wordt de mogelijkheid geboden een bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare te vergroten, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien: a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer. In deze situatie wordt voldaan aan de hierboven gestelde voorwaarden. Er is immers sprake van een melkveebedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer. In bijlage 2 is de voederbehoefte van het vee in beeld gebracht en de daarvoor benodigde opslagcapaciteit. Binnen het bestaande bouwvlak is geen ruimte aanwezig voor de bouw van de nieuwe melkveestal en de realisatie van de benodigde extra ruwvoeropslag. Binnen het bouwvlak van 2 hectare wordt een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - ruwvoeropslag’ ter plaatse van de huidige en toekomstige sleufsilo’s en voerplaten opgenomen. De oppervlakte van de aanduiding bedraagt 0,5 hectare.
Door het opnemen van deze aanduiding wordt geborgd dat dit gedeelte van het bouwvlak uitsluitend gebruikt wordt voor van ruwvoeropslag en bijbehorende verharding. Bebouwing en andere voorzieningen worden binnen dit vlak uitgesloten. Strikt genomen ziet onderhavig plan enkel toe op de uitbreiding van het bouwvlak en is hierdoor alleen artikel 3.49 van toepassing. De uitbreiding van het dierenverblijf wordt na afronding van deze procedure aangevraagd via een omgevingsvergunning. Hiervoor dient getoetst te worden aan artikel 3.50 en artikel 26. Artikel 6.3 lid 2 onder a, ziet toe op dezelfde regels als opgenomen in lid 1. Hieraan wordt voldaan. Artikel 26 wordt hieronder getoetst. Aanvullende regels stalderen art. 3.52 In aanvulling op artikel 3.50 zijn in artikel 3.52 van de Iov regels opgenomen die van toepassing zijn op hokdierhouderijen in stalderingsgebieden. Omdat in onderhavig plan geen sprake is van een hokdierhouderij is staldering niet van toepassing.
4.4
GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Ruimte De gemeente Meierijstad hanteert voor het plangebied nog de structuurvisie van de voormalige gemeente Schijndel. De Structuurvisie Ruimte is vastgesteld in 2012. Hierin schetst de voormalige gemeente Schijndel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de komende periode. De Structuurvisie Ruimte moet worden gezien als kapstok of paraplu voor de dagelijkse werkzaamheden en producten van de gemeente Schijndel waar de inwoners en ondernemers om vragen. In de analysekaart is het gebied waarbinnen de planlocatie is gelegen aangeduid als buitengebied. Het buitengebied wordt hoofdzakelijk functioneel gebruikt door de landbouw, met name veehouderij. Er wordt ruimte geboden voor uitbreidingsmogelijkheden voor de agrarische bedrijfsvoering waarbij kwaliteitsverbetering van het landschap een belangrijke rol speelt.
15
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
In de structuurvisie is voor onderhavige locatie en ontwikkeling geen specifiek beleid geformuleerd. Aan Lieseind 8 is sprake van een verantwoorde duurzame agrarische ontwikkeling, waarbij aandacht wordt besteed aan het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het gemeentelijk beleid. De structuurvisie staat uitvoering van het initiatief niet in de weg. Nota Kwaliteitsverbetering Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Hierbij moet worden voldaan aan de vereisten van de versterking van de landschappelijke kwaliteit (tegenprestatie) ex artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. De voormalige gemeente Schijndel heeft in de Nota Kwaliteitsverbetering opgenomen hoe zij in het algemeen omgaan met kwaliteitsverbetering. Met behulp van deze handreiking is de benodigde bijdrage aan kwaliteitsverbetering vastgesteld.
In de Nota Kwaliteitsverbetering van de voormalige gemeente Schijndel worden drie categorieën ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden. De ontwikkeling aan de Lieseind 8 valt in categorie 3. Ruimtelijke ontwikkelingen die vallen onder de derde categorie zijn ontwikkelingen met een grote impact op de omgeving. Voor dergelijke ontwikkelingen is een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap nodig. De basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s op basis van forfaitaire bedragen. De basisinspanning wordt bepaald aan de hand van de huidige en toekomstige planologische waarde. Voor het initiatief aan de Lieseind 8 bedraagt de basisinspanning € 12.000,- (zie onderstaande figuur). Huidige situatie Bestemming Agrarisch bebouwd Agrarisch onbebouwd
Totaal Beoogde situatie Bestemming Agrarisch bebouwd Agrarisch bebouwd t.b.v. ruwvoeropslag GroenLandschapselement
Waarde per m2 €25,€5,-
Bestemmingswaarde €375.000,€27.500,€402.500,-
Oppervlakte 15.000 m2
Waarde per m2 €25,-
Bestemmingswaarde €375.000,-
5.000 m2
€15,-
€75.000,-
500 m2
€1,-
€500,-
20.000 m2
€450.500,-
Waardevermeerdering Benodigde kwaliteitsinvestering (25% van waardevermeerdering)
€48.000,€12.000,-
Totaal
•
Oppervlakte 15.000 m2 5.500 m2 20.000 m2
Figuur 4.1: berekening kwaliteitsverbetering landschap
16
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
Er kan op meerdere manieren geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. In onderhavige situatie wordt dit gedaan middels landschappelijke inpassing van de locatie. Op basis van de kosten voor aanleg en beheer van de grond bedraagt de tegenprestatie €9.687,42 (zie bijlage 3). Hierdoor resteert een verschil van €2.312,58. Dit verschil wordt buiten de landschappelijke inpassing voldaan. Bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’. Dit bestemmingsplan is op 24 september 2015 vastgesteld door de gemeenteraad van Schijndel. In het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ zijn geen binnenplanse bevoegdheden opgenomen die bovenstaande ontwikkeling mogelijk maken. Gekozen wordt dan ook om de ontwikkeling mogelijk te maken middels een partiële herziening van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.
17
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 5 CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE
5 1 Cultuurhistorie en archeologie 5.1
CULTUURHISTORIE Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op deze kaart gelegen binnen de regio Meierij. In de regio Meierij liggen verschillende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang. Het plangebied is ook gelegen binnen een dergelijk landschap.
•
Figuur 5.1: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant
De voorgenomen ontwikkeling is minimaal van omvang en heeft dan ook geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. De voormalige gemeente Schijndel heeft daarnaast een eigen cultuurhistoriekaart vastgesteld. Op basis van deze Cultuurhistorische Waardenkaart is aan het landschap ter plaatse een middelmatige waarde toegekend. Bij de landschappelijke inpassing van het plan is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en aanwezige landschapswaarden. Het Lieseind is aangewezen als landschapselement met een hoge waarde. Het betreft een historische weg. Het onderhavig plan oefent geen invloed uit op deze straat. In figuur 5.2 is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart opgenomen met daarop de planlocatie.
•
Figuur 5.2: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Schijndel
18
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
Verder zijn in het plangebied geen monument of andere cultuurhistorisch waardevol element aanwezig. Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor onderhavig initiatief.
5.2
ARCHEOLOGIE Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden (indien de gemeente archeologisch beleid heeft vastgesteld). Het Verdrag is vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Met name de Monumentenwet is door de Wamz aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in het bestemmingsplan. Aan het plangebied zijn de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ toegekend.
De aanduiding houdt in dat bij het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan respectievelijk 250 m2, 500 m2 danwel 2.500 m2 en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, er een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag verstoord worden voldoende zijn vastgesteld. Onderhavig plan ziet toe op de realisatie van meer dan 500 m2 bebouwing. Initiatiefnemer heeft Transect gevraagd een archeologisch vooronderzoek uit te voeren ter plaatste van de planlocatie. Dit onderzoek bestaat uit een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. Het rapport behorende bij dit onderzoek is opgenomen in bijlage 13. Hieronder is de conclusie van het onderzoek weergegeven. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden ligt, direct ten oosten van een dekzandwelving. Een deel van deze welving bevindt zich in het plangebied. Op grond van de ouderdom van de afzettingen in het gebied kunnen in eerste instantie vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum aanwezig zijn. Deze nederzettingen lagen vaak op de lagere flanken van dekzandruggen in de dalen en vlaktes van het zandlandschap, zoals ook in een deel van het plangebied het geval lijkt.
Die terreindelen waren namelijk in het PaleolithicumNeolithicum relatief droger dan later in het Holoceen, toen het grondwater geleidelijk steeg (Bronstijd-Late Middeleeuwen). Op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Paleolithicum-Neolithicum geldt zodoende een hoge archeologische verwachting. Ook zijn in principe resten te verwachten uit de periode Bronstijd-Late Middeleeuwen. In het oostelijk deel van het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart een dekzandwelving. Relatief lag dit deel wat hoger in het landschap, waarmee het in een relatief natte en lage omgeving langer bewoningsmogelijkheden heeft geboden. Theoretisch gezien zijn daarom hier ook resten uit de periode Bronstijd-Late Middeleeuwen te verwachten. Tot slot staat op historisch kaartmateriaal geen bebouwing in het plangebied aangeduid. Hieruit valt af te leiden dat voor de Nieuwe tijd in het plangebied een lage
19
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
verwachting geldt. Het gegeven dat in het begin van de 19e eeuw geen bebouwing aanwezig is, maakt de kans groot dat dit in de periode ervoor (tot 1500 na Chr.) ook het geval is geweest. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de oorspronkelijke bodemopbouw archeologisch gezien in het plangebied niet meer intact is gebleven. Er zijn geen sporen van bodemvorming meer in de top van het dekzand aangetroffen en op het dekzand ligt scherp begrensd een laag humeus zand met zandbrokken. Tevens is hoog in het profiel roestvorming aanwezig en is het zand lemig met leemlagen. Vermoedelijk maakt het plangebied deel uit van een vlakte van verspoelde dekzanden en is van een dekzandwelving geen sprake. Op de plek waar de dekzandwelving op basis van het bureauonderzoek zou liggen, is sprake van een verstoring tot een diepte van 110 cm - Mv (boring 6). De roestvlekken tot hoog in het bodemprofiel wijzen erop dat deze vlakte doorgaans nat is geweest. Als gevolg van de algehele, geringe intactheid van de top van het dekzand en een lage, natte ligging van het plangebied binnen het voormalige dekzandlandschap is de verwachting op een intacte vindplaats in het plangebied laag. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen uitbreiding van het erf en de bouw van een schuur en sleufsilo’s geen aanvullende maatregelen nodig.
Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Als gevolg hiervan komt ter plaatse van het plangebied de archeologische dubbelbestemming te vervallen. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke verplichting conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad).
20
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 6 NATUUR
6 1 Natuur Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De bedrijfsomvang in de beoogde situatie kan van invloed zijn op het milieu van de, in de nabijheid gelegen, kwetsbare natuurgebieden. Het meest dichtbij gelegen kwetsbare natuurgebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij betreft het zeer kwetsbare gebied gelegen ten oosten van het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Het gebied is gelegen op een afstand van ± 2 kilometer ten westen van de projectlocatie. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland.
•
Figuur 6.1: Beschermde natuurgebieden in de omgeving van de planlocatie
De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied is “Vlijmens Ven”. Dit gebied is gelegen op een afstand van ± 7 kilometer ten noordwesten van de projectlocatie. Het bedrijf beschikt over een vergunning in het kader van de (voormalige) Natuurbeschermingswet 1998, d.d. 21 maart 2016 (kenmerk Z/006087). Deze situatie wordt gezien als referentiesituatie middels één-op-één inpassing in onderhavig plan. In de planregels wordt verwezen naar deze Natuurvergunning en wordt de hierbij vergunde ammoniakdepositie als maximum toegestane depositie opgenomen. In de beoogde situatie
21
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
is weliswaar sprake van een uitbreiding van het bouwvlak voor de melkveehouderij, door het toepassen van emissiereducerende technieken neemt de depositie van ammoniak echter niet toe ten opzichte van de referentiesituatie. In bijlage 8 is een Aerius berekening opgenomen waarin dit verder is uitgewerkt. De aspecten beweiden en bemesten in relatie tot stikstof zijn buitenbeschouwing gelaten. Het plangebied ziet enkel toe op de gronden waarop de inrichting is gevestigd (welke zijn voorzien van een bouwvlak), danwel de gronden ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Agrarische gronden die beweid worden maken geen onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan. Hiermee is aangetoond dat er geen sprake is van significante effecten op stikstofgevoelige gebieden waardoor een passende beoordeling niet noodzakelijk is. De planvorming heeft verder geen invloed op planologisch beschermde gebieden. Soortenbescherming Het onderhavige plan betreft de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. In dit kader wordt een nieuwe melkveestal gerealiseerd. De stal wordt gesitueerd op een locatie die momenteel in gebruik is als grasland. Grasland betreft een monocultuur van Engels raaigras. Bovendien worden deze graslanden intensief beheerd en gemaaid. Van bijzondere groeiplaatsen en een stabiel, natuurlijk ecosysteem kan geen sprake zijn.
De kans dat hier beschermde flora en fauna voorkomt is niet waarschijnlijk. Gezien het bovenstaande is het niet waarschijnlijk dat als gevolg van het onderhavige plan leefgebied van beschermde flora en fauna verloren gaat. Het uitvoeren van een onderzoek is niet zinvol. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
22
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 7 WATER
7 1 Water 7.1
INLEIDING Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) ‘Waardevol water in Meierijstad’, het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Aa en Maas, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Evenals de voormalige Verordening water, die recent is opgegaan in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) Vanwege de fusie van de gemeenten Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode is het wateren rioleringsbeleid geharmoniseerd. De gemeenteraad van Meierijstad heeft op 21 september 2017 het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) Meierijstad 20172022 vastgesteld. Een beleidsplan waarin de zorgplichten voor zowel de waterhuishouding als riolering verwoord zijn. Het plan is samen met de waterschappen Aa en Maas en De Dommel tot stand gekomen. Naast het in stand houden en goed laten functioneren van het rioolstelsel richt het VGRP+ zich o.a. ook op het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied.
In paragraaf 7.2 is weergegeven hoe hier in de beoogde situatie rekening mee wordt gehouden. Waterbeheerplan 2016-2021 Aa en Maas Het waterbeheerplan beschrijft hoe Waterschap Aa en Maas, samen met andere partijen, invulling wil geven aan het waterbeheer in het stroomgebied van het waterschap. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Het betreft alle aspecten rondom het beheer
23
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
van de watergangen, stuwen, gemalen, transportstelsels en rioolwaterzuiveringen, zowel onder normale omstandigheden als in het geval van calamiteiten. Het waterbeheerplan is een strategisch document. Het geeft op hoofdlijnen een beschrijving van de doelen van het waterschap en hoe de doelen gerealiseerd kunnen worden. Concrete uitwerking van deze doelen vindt voor een groot deel plaats middels de volgende programma’s. • Veilig en Bewoonbaar beheergebied; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Gezond en Natuurlijk Water; • Schoon Water; Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben nieuwe waterregels vastgesteld. De regels (Keur) zijn eenvoudiger en er is minder vaak een vergunning nodig dan voorheen. Activiteiten rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs vrijgesteld van regels. De Keur is een verordening waarin staat wat wel en niet mag rond watergangen, dijken en grondwater. Voor veel zaken hoeven burgers en bedrijven geen vergunning meer aan te vragen. Een melding aan het waterschap volstaat. Alle ingrepen welke een grote impact hebben op belangrijke watergangen en keringen blijven vergunningplichtig. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe keur in de drie waterschappen.
Het doel van de regels is om de wateraanvoer en waterafvoer te waarborgen, Noord-Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. De waterschappen maken, bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak, onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen (toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en de 10.000 m²) kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatieopgave. Voor grote plannen (toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m²) volstaat deze rekenregel niet en is altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk waarbij het waterschap vroegtijdig dient te worden betrokken. Voor plannen waarbij de toename van verhard oppervlak kleiner is dan 500 m² hebben de drie waterschappen besloten dat, gezien de dermate kleine afvoer van hemelwater, het verantwoord is geen compensatie te eisen. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Per 5 november 2019 is de voormalige Verordening water opgegaan in de Iov. Binnen de Verordening water werd er een onderscheid gemaakt in beschermde gebieden en attentiegebieden. In de Iov is het beschermingsniveau gehandhaafd.
Hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen. In dit hoofdstuk zijn instructieregels opgenomen die waterschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten betrekken. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. Het plangebied ligt niet binnen één van de zones waarin beperkingen gelden ter bescherming van de waterhuishoudkundige functies en kenmerken van het gebied. Legger waterschap Aa en Maas In of grenzend aan het plangebied ligt geen oppervlaktewater dat in beheer/schouw is bij het waterschap (zie figuur 7.1).
24
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
•
7.2
Figuur 7.1: uitsnede legger oppervlaktewater Aa en Maas
TOEKOMSTIGE SITUATIE In het onderhavige plan wordt een nieuwe stal gerealiseerd met een oppervlakte van 2.100 m2. Daarnaast wordt rond de nieuwe stal 3.600 m2 extra verharding gerealiseerd in de vorm van bestrating en voeropslagen. Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Daarnaast is initiatiefnemer in het kader van duurzaam waterbeheer voornemens regenwater te gebruiken voor het reinigen van de stallen en het verdunnen van de mest. Dit leidt tot minder uitstoot van ammoniak bij het uitrijden van de mest. Waterbergingscompensatie De toename van het verhard oppervlak (m²) dient te worden vermenigvuldigd met de vastgestelde waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de maximale omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden.
Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (m³) = Toename verhard opp. (m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (m)
25
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
Gevoeligheidsfactor Om de hoeveelheid noodzakelijke compenserende waterberging te berekenen heeft het Waterschap Aa en Maas de kaarten vastgesteld waarin de gevoeligheidsfactor van gronden is weergegeven. De onderstaande kaart geeft de gevoeligheidsfactor van het onderhavige plangebied weer. Het onderhavige plangebied ligt grotendeels in de zone ‘gevoeligheidsfactor 1/2'. Omdat de waterberging wordt gerealiseerd binnen deze zone (zie figuur 7.2) mag uitgegaan worden van deze gevoeligheidsfactor.
•
Figuur 7.2 uitsnede kaart gevoeligheidsfactor
Berekening benodigde hoeveelheid watercompensatie Uitgangspunten: Verhard oppervlak = 5.700 m² Gevoeligheidsfactor = 0,5 Berekening • Toename verhard opp. (m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (m) = compensatie (m³) • 5.700 × 0.5 × 0.06 = 171 m3 Om het verharde oppervlak te kunnen compenseren dient de capaciteit van de retentievijver en/of sloot minimaal 171 m³ te bedragen. Waterberging Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergenafvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de hoogte van het maaiveld en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater. Het plangebied ligt in een zone met grondwaterstanden variërend van 40 tot 60 cm beneden maaiveld.
26
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
De compenserende waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van een wadi. Deze wordt achter de nieuwe melkveestal gerealiseerd (zie figuur 7.2). De wadi is niet voorzien van een overstort. De laagte hoeft niet dieper te zijn dan 0,4 meter in verband met de GHG van 0,4 meter beneden maaiveld. De totale oppervlakte van dit deel bedraagt minimaal 428 m2, exclusief schuin aflopende hellingen. Indien de maatregelen worden uitgevoerd vormt het aspect water geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
27
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
HOOFDSTUK 8 MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
8 1 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 8.1
INLEIDING Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten van het project. Aangetoond dient te worden dat de realisatie van het project er niet toe leidt dat andere functies in de omgeving worden beperkt in hun mogelijkheden en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
8.2
M.E.R.-BEOORDELING Onderhavig plan heeft betrekking op de uitbreiding van een melkveehouderij. In de beoogde situatie worden maximaal 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee gehouden. De uitbreiding van de melkrundveehouderij is aan te merken als een uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 14 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren.” De voorgenomen ontwikkeling ligt onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Nu sprake is van een activiteit die onder de grenswaarde ligt, zoals opgenomen in onderdeel D bij de bijlage van het Besluit m.e.r., is bekeken of er relevante criteria zijn om een milieueffectrapport (MER) te eisen als voorbereiding op de beoordeling van de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 2.1, lid 1 onder a en artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Initiatiefnemer heeft hiervoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
Burgemeester en wethouders van Meierijstad hebben naar aanleiding hiervan op 21 mei 2019 geconcludeerd dat het optreden van significante nadelige milieueffecten is uitgesloten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiele effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. De vormvrije m.e.r.-beoordeling en het besluit van burgemeester en wethouders is opgenomen in bijlage 9.
8.3
BODEM Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk
28
Toelichting bestemmingsplan, Lieseind 8 te Schijndel
om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Het onderhavige plangebied heeft reeds een agrarische bestemming. De locatie waar de uitbreiding plaatsvindt is in het verleden in gebruik geweest als agrarisch bedrijf en behoudt deze functie in de beoogde situatie. De delen die buiten het bestaande bouwvlak liggen zijn uitsluitend in gebruik geweest als grasland. Er hebben geen bodemvervuilende activiteiten plaats gevonden. In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Op basis van het bouwbesluit dient een onderzoek te worden uitgevoerd indien een gebouw wordt gerealiseerd waarin mensen gaan verblijven. Algemeen aanvaarde richtlijn is echter dat geen onderzoek uitgevoerd hoeft te worden indien geen verblijfplaats wordt gerealiseerd waar langer dan 2 uur per dag mensen verblijven. In veestallen verblijven mensen minder dan 2 uur per dag. Een bodemonderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. De gemeente Meierijstad neemt deel aan het regionaal bodembeleid. Hiervoor is het formulier ‘Historische toets ten behoeve van vrijstelling bodemonderzoek’ opgesteld.
Het ingevulde formulier hiervan is als bijlage 11 toegevoegd aan onderhavige toelichting. Het college van B&W van de gemeente Meierijstad wordt op basis van bovengenoemde gegevens en het formulier ‘Historische toets ten behoeve van vrijstelling bodemonderzoek’ verzocht om vrijstelling te verlenen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek in de bestemmingsplanfase. Na beoordeling van het Formulier “Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek” gedateerd 28 januari 2020 heeft het bevoegd gezag geconcludeerd dat ter plaatse van de voorgenomen bouw van de nieuwe melkveestal er geen sprake is van een verdenking van bodemverontreiniging. Uitvoering van een bodemonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant gedateerd 12 juli 2011 wordt ervan uitgegaan dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse natuur / landbouw. Uitgaande van de bodemkwaliteitsklasse natuur / landbouw zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen waaronder de geplande nieuwbouw van de melkveestal. In het kader van het Bouwbesluit is een bodemonderzoek eveneens niet noodzakelijk. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.