B1.1.1 Toelichting
Tekst van het document
Te zien is dat het plangebied de aanduiding cultuurhistorische vlakken heeft gekregen op de verwachtingskaart.
Figuur 4.2 Archeologische verwachtingskaart CHW Brabant
De locatie ligt in het gebied ´Groene Woud´ wat weer onderdeel uitmaakt van de Brabantse (dek)zand gronden. Het Groene woud is aangewezen als Nationaal Landschap en wordt gekenmerkt door de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Het landschap wordt gevorm door o.a. eikenhakhout; De rabattenbossen; De populierenakkers; De perceelrandbegroeiing; De kleinschalige percelering; Het wegenpatroon met deels verhoogd aangelegde onverharde wegen; De historische (langgevel)boerderijen. Het gebied was het hart van de populierenteelt, die zijn hoogtepunt bereikte rond 1900. De kleinschaligheid van toen is uiteraard verminderd, maar het gebied wordt nog steeds gekenmerkt door de vele bosjes, perceelrandbegroeiing en populierenakkers.
29
Vanuit de provincie worden de volgende randvoorwaarden gesteld aan ontwikkelingen in dit gebied: ▪ ▪ ▪ ▪
Het behoud van de kleinschalige karakteristieken. Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen. De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud. Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving
Naast het provinciale beleid op het gebied van archeologie heeft de voormalige gemeente Schijndel het plangebied in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 3’ gegeven. Op deze gronden gelden een aantal verboden voor het plaatsen van verhardingen en bouwwerken en de plicht om een omgevingsvergunning aangevuld met archeologisch onderzoek aan te leveren alvorens de bouw te starten. De voormalige gemeente Schijndel heeft opgenomen dat bij het bouwen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 meter een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Daarnaast is in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘historische verkavelingsstructuren’ aan de planlocatie toegekend. Ter plaatse van deze aanduiding richt de gemeente bij ontwikkelingen tevens op het in stand houden van de karakteristieke verkaveling (langgerekte percelen), het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle karakteristieken van de kampontginning, voor zover aanwezig worden binnen de kamp het slotenpatroon, verkavelingspatroon en de paden beschermd, voor zover aanwezig worden aan de rand van de kamp de wegen, voorpootstroken, sloten en karakteristieke opgaande beplanting beschermd en de bestemming richt zich tevens op het waarborgen van de herkenbaarheid van de historische ontginningslijnen in het landschap.
Om dit te bereiken heeft de gemeente een aanlegvergunning stelsel in artikel 6.7.4. opgenomen. Bij de herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied is tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – cultuurhistorische waardevolle elementen’ opgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het cultuurlandschap is aangeduid als middelmatig en aan de noordgrens ligt een zeer hoog landschapselement.
Figuur 4.3 Cultuurhistorische inventarisatie en waarderingskaart buitengebied Schijndel
30
De locatie is gelegen binnen het Groene Woud typerend voor de omgeving zijn voornamelijk de laanstructuren met populieren en het halfopen landschap. Bij de ontwikkeling hoort een landschappelijke inpassing zoals vermeld in paragraaf 2.2.2. Deze inpassing is zorgvulidig samengsteld met respect voor de omgeving het landschap de cultuurhistorie en overige waarden van het gebied. Binnen het bestemmingsplan zijn de archeologische verwachtingen vastgelegd middels een dubbelbestemming. Voor de beoogde ontwikkelingen zijn geen uitbreidingen voorzien en worden er geen bouwwerken opgericht. Bij het aanleggen van de paardenbak hebben geen graafwerkzaamheden plaatsgevonden. Op de locatie worden geen grote schadelijke ruimtelijke wijzigingen doorgevoerd, anders dan het aanleggen van een paardenbak. Met de aanwezige cultuurhistorische elementen wordt bij de verdere inrichting van het erf rekening gehouden zoals reeds is opgenomen in de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 1. Bij de verdere ontwikkelingen zal artikel 6.7.4 in acht worden genomen en dit artikel is ook doorgevoerd in de planregels van onderhavig bestemmingsplan.
4.4 Mobiliteit en parkeren In de huidige bestemming heeft het plangebied een beperkte verkeersaantrekkende werking. Het verkeer dat het plangebied genereert laat zich duiden als verkeer voor de aanvoer van benodigde middelen en stieren en de afvoer van slachtrijpe stieren. Het vervoer geschiedt hoofdzakelijk middels vrachtwagens en landbouwvoertuigen. Na de bestemmingswijziging zal het verkeer wijzigen van aard. Het kleinschalige grondverzetbedrijf genereert verkeersbewegingen in de vorm van personeel dat het plangebied bezoekt om machines op te halen en te retourneren, dit verkeer zal zich concentreren op bewegingen in de ochtend en later in de middag. Ten aanzien van de parkeerbehoefte zal deze beperkt toenemen met de bestemmingswijziging. Personeel van het grondverzetbedrijf zal het plangebied bezoeken en daar de auto parkeren. In deze parkeerbehoefte zal worden voorzien op eigen terrein. De beoogde ontwikkeling van het plangebied heeft een positief effect op het vlak van mobiliteit en parkeren. Het aantal verkeersbewegingen neemt in zeer geringe mate toe, maar is minder zwaar van aard. De parkeerbehoefte neemt met de bestemmingswijziging toe maar in de plannen is rekening gehouden met deze toename.
4.5 Technische infrastructuur De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen infrastructurele aanpassingen plaats te vinden. Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Op een afstand van 3,6 kilometer van de planlocatie ligt een 150kV hoogspanningslijn deze afstand is zodanig dat dit aspect geen belemmeringen vormt.
31
4.6 Bodem Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Voor het grondgebied heeft de ODBN een bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Er wordt gewerkt met verschillende bodemtypes waaruit de kwaliteit van de bodem opgemaakt kan worden. Uit de kaart blijkt dat de bodem in het buitengebied overwegend tot de klasse ´Natuur en landbouw´ (AW-2000) behoort. Dit is het bodemtype met de hoogste kwaliteit.
Figuur 4.4 Bodemkwaliteitskaart ODBN –toepassingskaart - Natuur en landbouw (AW2000)
Het planvoornemen voorziet in de een functiewijziging van de locatie waarbij het bouwblok zal worden verkleind en de bestaande bedrijfsgebouwen als maximaal toelaatbaar bebouwd oppervlak worden vastgelegd. De planlocatie is aangeduid al een bodemtype “Natuur en Landbouw”. Dit is het schoonste bodemtype. Op basis van de omgevingsrapportage, welke is opgenomen in bijlage 3, is de locatie als onverdacht aangemerkt. Uit het omgevingsrapport blijkt dat er in de directe omgeving meerdere historische bodemonderzoeken plaats hebben gevonden. Binnen deze onderzoeken zijn geen grote verontreinigingen aangetoond of potentiële verontreinigingsbronnen gevonden die eveneens van toepassing kunnen zijn op het plangebied. Potentiële verontreinigingsbronnen die aangetroffen zijn betreffen plaatselijke ondergrondse olie en/of dieseltanks. Deze zijn op de planlocatie niet aanwezig. Op de locatie hebben geen activiteiten plaatsgevonden die schadelijk kunnen zijn voor de bodem. Hergebruik van vrijkomende grond is binnen het beheersgebied van de bodemkwaliteitskaart in principe mogelijk. De locatie aan de Vier Gemalen 9 kan als onverdachte locatie worden beschouwd. Vanuit het oogpunt van wijziging van de bestemming is een onderzoek niet noodzakelijk. Aangenomen kan worden dat de algemene bodemkwaliteit binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de bestemming.
32
4.7 Geluid Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Ten aanzien van het aspect geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M&A milieuadvies (datum 6 maart 2020, rapportnummer 219-SVG9-il-v2 zie bijlage 4) Het onderzoek richt zich primair op de vraag of eventuele geluidshinder te verwachten is van het grondverzetbedrijf dat zich op het plangebied zal vestigen. Getoetst is of de dagelijkse en periodieke verkeersbewegingen zoals deze geproduceerd worden door het bedrijf en door het hobbymatig houden van paarden een belasting produceren die buiten de acceptabele waarden ligt.
In de VNG-publicatie bedrijven en milieuzoneringen wordt grondverzet niet als specifieke bedrijfscategorie benoemd. Wel zijn hoveniers en dienstverlening voor de landbouw (o.a. loonbedrijf) opgenomen. Bij deze bedrijven wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijven groter of kleiner dan 500m2 bedrijfsoppervlak. De bedrijfsactiviteiten van onderhavig plan komen overheen met de activiteiten van deze twee bedrijfscategorieën. Hiervoor geldt bij bedrijven kleiner dan 500m2 een vaste afstand voor geluid van 30 meter. Uit het geluidrapport blijkt dat: ▪ ▪
de geluidemissie van de inrichting overeenkomst met een categorie 2 inrichting. De geluidimmissie is niet meer dan 45 dB(A) op 30 meter vanaf de inrichtingsgrens. Ter hoogte van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: o Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet aan stap 2 van bijlage 5.3 van de VNG-publicatie. o Het maximale geluidniveau voldoet niet aan stap 2 en 3 van bijlage 5.3 van de VNGpublicatie. Inpassing is toch mogelijk omdat het geluidniveau in de woningen niet hoger is dan 55/50/45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Met deze niveaus wordt in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behaald. Daarnaast wordt de geluiduitstraling van de inrichting in de tuinen van de maatgevende woningen afgeschermd door de eigen woning. In de tuinen is daarmee ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Met dit geluidsrapport wordt aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten overeenkomen met eem caterogie 2 inrichting. Derhalve vormt het onderdeel geluid geen belemmering.
33
4.8 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering; 1. 2. 3. 4.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van RIVM.
Figuur 4.5 Concentratie Fijnstof PM10 ter plaatse 17,89
34
Figuur 4.6 Concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse 14,03
Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 17,89µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 14,03 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
4.8.1 NIMB Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties.
Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn.
35
De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeerstoename Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. De vestiging van een kleinschalig grondverzetbedrijf heeft verkeersbewegingen tot gevolg. Deze verkeersbewegingen zijn van invloed op de luchtkwaliteit. Het hobbymatig houden van een beperkt aantal paarden heeft nagenoeg geen invloed op het aantal verkeersbewegingen en dus op de luchtkwaliteit. Om een inschatting te kunnen maken van een worstcasescenario is in onderstaand overzicht gerekend met een aantal van 5 personen die het plangebied per dag bezoeken. Voor het kleinschalige grondverzet bedrijf wordt voornamelijk gebruik gemaakt van kleine machines die op een aanhanger worden geladen of als aanhanger gekoppeld worden aan een bedrijfsvoertuig om op locatie te werken. Zij komen ’s-morgens aan, vertrekken ’s-middags weer en gebruiken het plangebied om te lunchen. Dit genereert 20 verkeersbewegingen per dag.
Omdat nu niet uit te sluiten is dat er mogelijk toch een enkele keer met grotere machines gereden zal worden wordt er samen met de statische opslag en het hobbymatig houden van de paarden 25% aan vrachtverkeer toegevoegd. Voor de statische opslag worden er kermisattracties en foodtrucks op de locatie gestald. Deze voorzieningen worden bij de start van het kermisseizoen (mei) uit de opslag gehaald en worden vervolgens van locatie naar locatie gebracht. De voorzieningen komen in principe pas aan het einde van het seizoen terug in de opslag. Desalniettemin kan het voorkomen dat een attractie of truck tijdelijk weer even terug naar de stalling komt. Hiervoor rekenen we met maximaal 3 voertuigbeweging per week. Voor de paarden zullen sporadisch leveringen van voer en stro plaatsvinden. In principe vinden deze leveringen niet plaats gebruikmakend van vrachtverkeer, voor de worst-case berekening is toch uitgegaan van een aandeel van 25% vrachtverkeer voor het vervoeren van machines en het ophalen en brengen van kermisattracties. Voor de opslag en het hobbymatig houden van paarden worden 6 verkeersbewegingen per week geteld. Dit is zeer hoog. In de praktijk zal dit tot slecht 1 à 2 bewegingen per week zijn.
Figuur 4.7: Worst-case NIBM-berekening
36
Onderhavig plan betreft een functiewijziging van intensieve veehouderij naar bedrijf waarbij het niet meer mogelijk is om dieren te houden en er geen sprake is van een verkeerstoename. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de mogelijkheid genoemd onder punt 2 (project leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit). De ontwikkeling blijft ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Uit de AERIUS berekeningen van zowel de aanleg- als gebruiksfase is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/ja op Natura 2000 gebieden. Het plan leidt daarmee niet tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de onder de Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Derhalve vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering.
4.9 Geur 4.9.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige niet vergunningsplichtige bedrijven. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningsplichtige bedrijven. Gemeenten mogen op basis van artikel 6, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken. Het kleinschalige grondverzet bedrijf en de statische opslag hebben gezamenlijk een oppervlakte van 625m2.
De stal die ingebuik genomen zal worden voor het grondverzetbedrijf heeft een oppervlak van circa 425m2 de veldschuur die gebruikt zal worden voor de statische opslag heeft een oppervlakte van circa 200m2. In van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering is er geen grondverzet bedrijf opgenomen. De activiteiten die hiervoor het meest in overeenstemming zijn en wel voorkomen in de publicatie betreffen een loonbedrijf kleiner dan 500m2 en een hoveniersbedrijf kleiner dan 500m2. Hiervoor geldt ten aanzien van het aspect geur een vaste afstand van maximaal 30 meter. Voor de statische opslag geldt een maximale vaste afstand van eveneens 30 meter. In de directe omgeving zijn een 5-tal woonbestemmingen gelegen. Het betreft de woningen aan de Vier gemalen nummers 5, 6 en 8 en de woningen aan Bodem van Elde 1B en 2A. De woning gelegen aan de Vier Gemalen nummer 8 is met circa 53 meter het meest nabij gelegen. De woning aan de Vier Gemalen nummer 6 is op circa 50 meter gelegen, de Vier Gemalen 5 op 85 meter en Bodem van Elde 1B ten slotte op circa 110 meter.
4.9.2 Woon- en leefklimaat Om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient bij een ruimtelijke ontwikkeling in kaart gebracht te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat
37
voor gevoelige objecten. De gemeente Meierijstad heeft zelf (nog) geen algemeen beeld in kaart gebracht voor het aspect geur in relatie tot het woon – en leefklimaat. De voormalige gemeente Schijndel heeft haar achtergrond belasting vastgelegd. Dit beleid is enigszins gedateerd.
Figuur 4.8 Achtergrond belasting veehouderijen binnen de (voormalige) gemeente Schijndel.
Op de kaart is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen een gebied met een achtergrond geurbelasting van 3 tot 8 oue/m3. De maximale norm voor de achtergrond belasting bedraagt 20 oue/m3. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De afgelopen jaren heeft de gemeente in de directe omgeving van het plangebied de realisatie van meerdere ruimte voor ruimte woningen en burgerwoningen mogelijk gemaakt. Een goed leefklimaat is hierdoor gewaarborgd. Door de beoogde ontwikkeling zal de stierenhouderij beëindigd worden en zijn overige intensieve veehouderijbedrijven op de locatie niet langer toegestaan. Dit heeft een positief effect op het woonen leefklimaat.
4.9.3 Omgekeerde werking Van belang is om de omgekeerde werking voor het aspect geur in kaart te brengen. Omliggende (agrarische) bedrijven mogen door de voorgenomen ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden beknot. Op basis van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” worden de (agrarisch) bedrijven in de omgeving gecontroleerd. Op de locatie was een stierenhouderij gevestigd met een bedrijfswoning. De bestemming wordt nu gewijzigd naar ‘bedrijf’ met behouden van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning blijft behouden en blijft op dezelfde juridische en planologische wijze geborgd in onderhavig bestemmingsplan. Overige gevoelige objecten worden niet gerealiseerd op de planlocatie. Daarnaast liggen er tussen het
38
plangebied en omliggende bedrijven reeds andere burgerwoningen die de ontwikkeling van deze bedrijven beknotten. Het gaat hier respectievelijk om de volgende bedrijven: Bodem van Elde 2 en 3. Hiertussen liggen reeds burgerwoningen aan de Bodem van Elde 1b en 3-9. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Algemeen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s als gevolg van de opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een basis beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord zijn binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen", het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) en het "Besluit transport externe veiligheid" (Bevt). Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving.
Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijk risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: ▪ ▪
Plaatsgebonden risico (PR) Groepsrisico (GR)
4.10.2 Plaatsgebonden risico Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.
4.10.3 Groepsrisico Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing.
39
4.10.4 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (meestal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
4.10.5 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Op onderstaand figuur is een overzicht te zien van de risicokaart van de omgeving van het plangebied.
Figuur 4.9 risico kaart www.atlasleefomgeving.nl
Op circa 220 meter afstand van het plangebied liggen twee hogedruk -aardgasbuisleidingen. Buisleiding A-S2S heeft een diameter van 36 inch en een werkdruk van 66,2 bar. Buisleiding AS26 heeft een diameter van 42 inch en een werkdruk van 66,2 bar. De buisleidingen hebben ter plaatse geen plaatsgebonden risicocontour die buiten de leiding reikt. Buisleiding A-S2Sheeft een invloedsgrens van 430 meter. BuisleidingA-S26 heeft een invloedsgrens van 490 meter (Antea Group (2016), Handboek buisleiding in bestemmingsplannen, p. 25). Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van beide buisleidingen. Omdat de locatie binnen het invloedsgebied ligt moet het groepsrisico conform artikel 12 BEVB verantwoord worden.
40
Er is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio Brabant Noord. Dit advies is opgenomen in bijlage 5. Reden van het ingewonnen advies is dat het aantal personen op de locatie toe zal nemen van 1 naar 2 en mogelijk in de toekomst nog naar circa 6 i.v.m. personeel op de locatie. De veiligheidsregio is gekomen tot de volgende conclusie: Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. Dit gaat gepaard met zeer hoge hittestraling en dooft nadat de gastoevoer afgesloten is. Als gevolg van de relatief beperkte afstand zal als gevolg van een fakkelbrand de gebouwen ontbranden. De aanwezig personen zullen na blootstelling aan de hitte met ernstig letsel geconfronteerd worden. Gezien de aard van- en de activiteiten binnen de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. De mogelijkheden voor de incidentbestrijding worden door de gewenste ontwikkeling niet negatief beïnvloed. De bestrijdbaarheid van een fakkelbrand is per definitie slecht. Advies: De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden door het wijzigingsplan niet negatief beïnvloed. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling, er is geen reden voor nader advies.
Derhalve vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Bedrijven en milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Het kleinschalige grondverzet bedrijf en de statische opslag hebben gezamenlijk een oppervlakte van 625m2. De stal die in gebruik genomen zal worden voor het grondverzetbedrijf heeft een oppervlak van circa 425m2 de veldschuur die gebruikt zal worden voor de statische opslag heeft een oppervlakte van circa 200m2. In van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering is er geen grondverzet bedrijf opgenomen.
De activiteiten die hiervoor het meest in overeenstemming zijn en wel voorkomen in de publicatie betreffen een loonbedrijf kleiner dan 500m2. Hiervoor geldt een maximale vaste afstand van 30 meter (aspect geluid). Voor opslagruimten geldt eveneens een maximale vaste afstand van 30 meter. In de directe omgeving zijn een 5-tal woonbestemmingen gelegen. Het betreft de woningen aan de Vier gemalen nummers 5, 6 en 8 en de woningen aan Bodem van Elde 1B en 2A. De woning gelegen aan de Vier Gemalen nummer 8 is met circa 55 meter het meest nabij gelegen. De woning aan de Vier Gemalen nummer 6 is op circa 72 meter gelegen, de Vier Gemalen 5 op 98 meter en Bodem van Elde 2A op circa 118 meter en de Bodem van Elde 1B op circa 126 meter.
41
Om aan te tonen dat de bedrijfsactiviteiten gelijkwaardig zijn aan een milieucategorie 2 bedrijf is een geluidsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: Er wordt, op een afstand van 30 meter vanaf de grens van de inrichting, overal voldaan aan de gestelde richtwaarden. Er kan worden geconcludeerd dat de inrichting voldoet aan de richtafstand eisen, die gelden voor een categorie 2-bedrijf t.a.v. het maatgevende aspect geluid. Verder blijkt uit de berekeningsresultaten dat, ter plaatse van de woning aan Vier Gemalen 8 (buitenzijde gevel) niet wordt voldaan aan de gestelde streefwaarde van 70 dB(A) in het kader van ruimtelijke ordening (R.O.) voor de dagperiode ten aanzien van de maximale geluidniveaus. Dit maximale geluid (piekgeluid) treedt maximaal 12 keer op in de betreffende dagperiode. Het betreft namelijk de komende/ vertrekkende tractor, kipper of vrachtwagen op de inrit (optrekken/ remmen). In het kader van de ruimtelijke ordening zijn de streefwaarden een richtlijn, maar geen harde eis. Belangrijk is de beoordeling van het woon- en leefklimaat, na realisatie van de plannen. Er dient daarom aangetoond te worden, dat voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde binnen de betreffende tegenoverliggende woning.
De piekgeluidbelasting (maximale geluidniveau) op de gevel van de woning aan de Vier Gemalen 8 is maximaal 72 dB(A) in de betreffende dagperiode. Het is aannemelijk dat de woning aan de Vier Gemalen 8 een minimale geluidwering van 17 dB(A) heeft. Het optredend binnenniveau ten gevolge van een wegrijdend of komend voertuig is dan 72 - 17 = 55 dB(A). Er wordt dan voldaan aan de norm van 55 dB(A). Er kan worden gesteld dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch klimaat ten gevolge van de maximaal beoogde bedrijfsactiviteiten (toekomst) ter plaatse van de locatie aan de Vier Gemalen 9 te Schijndel, bij de nabij gesitueerde woningen rondom de inrichting als redelijk tot goed betiteld kan worden. Verder kan worden geconcludeerd dat de inrichting voldoet aan de richtafstand eisen, die gelden voor een categorie 2-bedrijf t.a.v. het maatgevende aspect geluid. Op de locatie was een stierenhouderij gevestigd met een bedrijfswoning. De bestemming wordt nu gewijzigd naar ‘bedrijf’ met behouden van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning blijft behouden en blijft op dezelfde juridische en planologische wijze geborgd in onderhavig bestemmingsplan. Overige gevoelige objecten worden niet gerealiseerd op de planlocatie. Daarnaast liggen er tussen het plangebied en omliggende bedrijven reeds andere burgerwoningen die de ontwikkeling van deze bedrijven beknotten.
Het gaat hier respectievelijk om de volgende bedrijven: Bodem van Elde 2 en 3. Hiertussen liggen reeds burgerwoningen aan de Bodem van Elde 1b en 3-9. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Gezondheidsrisico’s Een goed woon- en leefklimaat is één van de aspecten die onderzocht moet worden om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheid kan dus deel uitmaken van de belangenafweging binnen het bestemmingsplan. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ruimtelijk relevant aspect. Onder ruimtelijke relevante aspecten in ruimtelijke plannen kunnen de volgende punten van toepassing zijn: ▪ ▪ ▪ ▪
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen magnetische velden van hoogspanningsmasten aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen (zie paragraaf 4.9 en onderstaand) hoeveelheid groen in een gebied (zie paragraaf 2.2.2 en 4.2)
42
▪ ▪ ▪
bodemgesteldheid (zie paragraaf 4.6) geluid van verkeer of bedrijvigheid (zie paragraaf 4.7 en 4.11) luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.8)
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Derhalve vormt dit geen belemmering. Magnetische velden hoogspanningsmasten: Op een afstand van 3,6 kilometer van de planlocatie ligt een 150kV hoogspanningslijn deze afstand is zodanig dat dit aspect geen belemmeringen vormt. Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 geeft aan de hand van een stappenplan een leidraad of advies ingewonnen dient te worden bij de GGD in het kader van de volksgezondheid. Getoetst is of de locatie valt binnen zones van intensieve veehouderijen. Aan de richtafstanden in het kader van endotoxine t.a.v. pluimveehouderijen en/of varkenshouderijen wordt voldaan. Binnen een straal van 1 kilometer liggen geen pluimveehouderijen. Binnen een straal van 2 kilometer liggen twee een geitenhouderijen; aan de Oetelaarsestraat 29 en de Beek 16A. daarnaast is aan de Bodem van Elde 2a een paardenhouderij gevestigd. Op basis van de 2 geitenhouderijen en de paardenhouderij is het advies van de ODBN om advies in te winnen bij de GGD. De gemeente Meierijstad acht het niet noodzakelijk voor voorgenomen ontwikkeling advies in te winnen bij de GGD.
De bestaande voormalige agrarische bedrijfswoning blijft namelijk in gebruik als een bedrijfswoning (weliswaar niet t.b.v. agrarische activiteiten), waardoor het blootstellingsrisico niet toeneemt ten opzichte van het huidig planologisch legale gebruik. Het aantal langdurig blootgestelde (bewoners) betreft het eigen huishouden, welke zelf gekozen hebben voor verblijf op de locatie. De gemeente Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Er is in onderhavig plan geen sprake van een toevoeging van een nieuwe gevoelige functie. De gemeente heeft het streven de geitenhouderijen in de toekomst te saneren. De ontwikkeling past binnen dit afwegingskader.
4.13 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.
4.13.1 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit
43
en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.
4.13.2 Provinciaal Waterplan 2016-2021 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende 6 jaar op de ontwikkeling van een klimaatbestendig en ecologisch gezond watersysteem en een duurzame watervoorziening. Het Plan richt zich globaal op drie punten: ▪ ▪ ▪
Gezonde fysieke omgeving Veilige fysieke omgeving Groene groei
Ten aanzien van een gezonde fysieke leefomgeving vormt de Provincie doelen om de bodem en waterkwaliteit te verbeteren en te borgen. Ook gezond zwemwater en oppervlaktewater komt aan de orde. De veilige fysieke omgeving richt zich met name op de meer traditionele rol van mens tegen het water en ziet toe op het beschermen van inwoners tegen het water. Het hoofdstuk groene groei richt zich ten slotte op de transitie naar een meer biobased economy.
4.13.3 Waterschap de Dommel waterbeheerplan 2016 - 2021 Op basis van de Waterwet is het verplicht om iedere 5 jaar een beheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan staan de maatregelen die uitgevoerd gaan worden om voldoen aan de doelstellingen die door het Rijk, de provincie en het waterschap zelf geformuleerd zijn. Daarnaast moet het beheerplan voldoen aan de vereisten uit de Waterwet. Het waterschap De Dommel heeft vijf waterthema’s benoemd waar zij de komende jaren hard aan wil gaan werken. De wateropgave in Midden-Brabant is complex Waterschap de Dommel wil een duurzaam en veerkrachtig watersysteem realiseren. Per thema worden er doelstellingen geformuleerd: ▪ ▪
▪ ▪ ▪
Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater. Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren. Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door meer recreatief gebruik.
4.13.4 Keur 2015 De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). De waterschappen in Brabant; Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel hebben de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het
44
lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug.
4.13.5 Legger waterkeringen 2020 (ontwerp) Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ ▪
▪
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc. Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszones liggen, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
Figuur 4.10 afbeelding vigerende legger
45
Figuur 4.10 nieuwe ontwerp legger 2020 waterschap de dommel
In de ontwerplegger van Waterschap de Dommel is zichtbaar dat er geen wijzigingen plaatsvinden. De rond de projectlocatie gelegen watergangen blijven aangewezen als B-watergang.
4.13.6 Afkoppelen afval- en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoningen is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hemelwater Er komen bij de ontwikkeling van het plangebied geen gebouwen bij, er vindt enkel sloop van de aanwezige sleufsilo. De bestaande gebouwen zullen waar nodig voor hun nieuwe functie gerenoveerd worden, bij deze werkzaamheden zal aandacht gegeven worden aan het afkoppelen van het hemelwater en het correct bergen van dit water. Voor het realiseren van genoeg draairuimte aan de zuidzijde van de voormalige stieren stal wordt extra verharding aangebracht: -
Toename verharding:
175m2
Het verhard oppervlak neemt in hoeveelheid af door het verwijderen van de sleufsilo’s. Op deze locatie wordt geen verharding teruggebracht Afname verharding:
390m2
TOTALE AFNAME verhard oppervlak:
215m2
-
Dit heeft een positief effect op het opvangen van het hemelwater. Het gehele perceel wordt omsloten door sloten, welke geen onderdeel uitmaken van het de legger. Deze sloten hebben ruim voldoende capaciteit voor het opvangen van het hemelwater. Het is daarom niet noodzakelijk om extra bergingscapaciteit en of infiltratievoorzieningen te realiseren.
46
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: ▪ ▪ ▪
het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van tegemoetkoming in planschade. Het verhaal van de kosten vindt plaats via de heffing van de leges. Er vinden geen aanpassingen aan de openbare ruimte plaats ten behoeve van het project, behoudens de aansluiting op de riolering en aanleg inrit. Daarom is het niet noodzakelijk daaromtrent eisen te stellen. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Omgevingsdialoog Op 4 oktober 2018 heeft de omgevingsdialoog plaatsgevonden. Genodigden die niet aanwezig konden zijn, zijn de mogelijkheid geboden om op een ander tijdstip naar hun wens in overleg te gaan. Hier is geen gebruik van gemaakt. De omgevingsdialoog is prettig verlopen. Er zijn vanuit de omgeving geen grote bezwaren of bedenkingen tegenover de plannen geuit. De ligging van de paardenbak is n.a.v. de omgevingsdialoog achter de voormalige stierenstal gesitueerd op verzoek van de direct buren. Het verslag van de omgevingsdialoog is in bijlage 6 opgenomen.
5.2.2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van artikel 3.1.1. Bro zal vooroverleg plaats vinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij de ontwikkeling.
5.2.2 Zienswijze procedure Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken. Gedurende de termijn van de ter inzagelegging kunnen belanghebbenden een zienswijze indienen. De eventuele zienswijzen worden beoordeeld en aanvullend in dit bestemmingsplan opgenomen. Gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt het plan in het kader van vooroverleg aangeboden aan de wettelijke vooroverleg partners.
47
6 Juridische toelichting Dit plan betreft een bestemmingsplan herziening van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” van de gemeente Meierijstad ter plaatse van Vier Gemalen 9 te Schijndel.
6.1 Regels De planregels beschrijven de bestaande regeling voor een bedrijfsbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met deze standaardregels wordt aangesloten op de regels als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ van de gemeente Meierijstad. De begrippen die ook voorkomen in de Interim Omgevingsverordening van de provincie NoordBrabant zijn overgenomen.
6.2 Verbeelding Aan het plangebied wordt de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend conform artikel 9 van het bestemmingsplan Landelijk gebied met kenmerk NL. IMRO. 0844.BPLandelijkgebied-VG01 met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 19’.
48
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Landschappelijk inpassingsplan Aerius berekening Omgevingsrapportage bodem Akoestisch onderzoek Advies veiligheidsregio Brabant Noord Verslag omgevingsdialoog
49