CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

A25b Achtergronddocument Platform31 - Trends en Strategische Opgaven Meierijstad.pdf

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bestuurlijke stukken53.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

66

gemeenten zinvol om méér aandacht te besteden aan de manier waarop burgers, bewonersinitiatieven en ambtenaren met elkaar praten, om méér te focussen op het proces en minder op de uitkomsten.187

Transitie naar een circulaire economie In Nederland zijn de internationale afspraken vertaald in de nationale opgave om vóór 2050 een volledig circulaire economie te realiseren in Nederland. Met als tussendoelstelling om in 2030 vijftig procent minder gebruik te maken van minerale, fossiele en metalen primaire grondstoffen. Verschillende grondstoffentrends gaan niet de goede kant op en het tussendoel is nog ver weg. Alhoewel de efficiëntie in het gebruik van grondstoffen is toegenomen, is het totale grondstoffengebruik nauwelijks veranderd. Zes van de zeven nationale doelen voor afval worden naar verwachting niet gehaald. Omdat de effecten van meer circulair produceren en consumeren vaak lange tijd op zich laten wachten, kan ook gekeken worden naar het aantal circulaire bedrijven en het aantal nieuwe circulaire initiatieven. Ook daaruit kan geconcludeerd worden dat wij nog maar aan het prille begin staan van de transitie naar een circulaire economie. Er zijn nog vele betekenisvolle extra stappen nodig om te komen tot een versnelde overgang naar een volwaardige circulaire economie. Er zijn ongeveer 85.000 circulaire activiteiten, waar circa 420.000 banen mee gemoeid zijn. Omdat deze activiteiten al lang bestaan (reparatie van fietsen en auto’s of verkoop via Marktplaats) worden ze vaak niet als circulair gezien.

Bij deze inventarisatie zijn 1.500 nieuwe circulaire initiatieven getraceerd. Dit zijn innovatieve ontwerpen zoals een modulaire koptelefoon of Fairphone, speelgoed van rietsuikerresten of vloerkleden van gerecycled polyester. Of het zijn innovatieve businessmodellen zoals deelplatformen of abonnementen op een fiets, wasmachine of verlichting. Ook een fietspad van gerecycled plastic is gemaakt met een innovatieve technologie. Sommige circulaire activiteiten zijn gekoppeld aan andere doelen, zoals de klimaatof woningbouwopgave of een sociaal doel. Zo zijn er kleine verplaatsbare modulaire woningen, die ook leiden tot minder CO2-uitstoot, en zetten kringloopwinkels en de Verspillingsfabriek ook in op werk voor sociaal kwetsbare groepen. Het begin is er  ook met het gaan monitoren van circulaire activiteiten en stromen  maar er is veel meer nodig dan de circa 1.500 nieuwe circulaire initiatieven om het doel ‘Nederland circulair in 2050’ te halen.188 Afhankelijk van de grondstof, halffabricaat, product of dienst zijn er vele actoren in binnen- en buitenland betrokken bij de transitie naar een meer circulaire keten. De overheid is slechts één van de actoren in een complex systeem. De financiering van de transitie naar een circulaire economie schiet op vele punten tekort.

Milieuschade wordt niet beprijsd waardoor de primaire grondstoffen te goedkoop zijn, de prijs van recyclaat te hoog, de kwaliteit te laag en het volume te gering. Ook het verbranden van afval is in het huidige systeem goedkoper dan recyclen. Circulaire verdienmodellen komen moeilijk van de grond door een gebrek aan risicofinanciering, onbenutte schaalvoordelen, informatie- en imagoproblemen en hoge transactiekosten. Het mitigeren van dergelijk marktfalen met regelgeving, beprijzing, subsidiëring en/of voorlichting is een belangrijke taak voor de rijksoverheid. De financieringskloof om de circulaire initiatieven het licht te doen zien, ligt tussen de € 360 miljoen en € 1,7 miljard. Ongeveer zestig procent van de financieringsbehoefte. 189 Zowel de rijksoverheid als de gemeenten kunnen diverse maatregelen nemen om een impuls te geven aan de transitie naar een circulaire economie: 

biedt ruimte, stimuleer het hergebruik van bouwafval, ontwikkel met de regiogemeenten grondstoffenrotondes en benoem ketenregisseurs;

187

Participatiecoalitie, Bewonersinitiatief in de warmtetransitie. De Participatiecoalitie deelt 20 lessen uit de praktijk, s.l., februari 2021; Christine Elisabeth Bleijenberg, In gesprek of uitgepraat? Over de betekenis van gesprekken voor het verloop van lokale participatieprocessen, proefschrift, Nijmegen, 9 juni 2021. Zie voor hoe het niet moet: Frans Soeterbroek, Op klantreis met burgerinitiatieven? Doe ze dat niet aan!, blog, 19 oktober 2020; Yolanda de Koster, “Burgerinitiatieven verdwalen in gemeentelijk doolhof”, in: Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur, 15 oktober 2020; Roel Woudstra, “Zitten gemeenten de groene burger dwars?”, in: Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur, 22 oktober 2020.

188

Planbureau voor de Leefomgeving, Integrale Circulaire Economie Rapportage 2021, Den Haag, 2021; Planbureau voor de Leefomgeving, Circulaire eco-

189

Rijksoverheid, Naar een economie zonder afval, Brede Maatschappelijke Heroverweging, Den Haag, 20 april 2020, blz. 32 en 44.

nomie in kaart, Den Haag, 2019.

67

zet in op een vorm van recycling waarbij het product na verwerking dezelfde of zelfs een betere kwaliteit heeft (upcycling) en verminder de vorm van recycling waarbij kwaliteitsverlies optreedt en producten omgezet worden in minder waardevolle producten (downcycling);190

hanteer intern en bij de aanbesteding betekenisvolle CO2-prijzen om meer circulair in te kopen; dit stimuleert meer duurzame aanbiedingen van o.a. aannemers in de grond-, weg- en waterbouw en is een impuls om betonrecyclaat meer te gaan toepassen;191

stimuleer innovatie, bevorder ondernemerschap, daag ondernemers uit, tender gewenste maatschappelijke, circulaire oplossingen (afzien van producten of producten intensiever gebruiken, producten efficiënter fabriceren of efficiënter maken in het gebruik, producten hergebruiken, productonderdelen repareren, reviseren en hergebruiken, producten delen, leasen en het circulair ontwerpen van producten);

ruim belemmerende wet- en regelgeving op (normen, certificering) en bestrijdt opvattingen, gewoontes en procedures die circulaire producten en diensten op achterstand zetten;

breng circulair dicht bij de mensen; initiatieven die circulair en lokale en sociale doelen combineren staan dicht bij mensen, want ze verschaffen een oplossing voor problemen die burgers direct ervaren;

 

stimuleer kortere en duurzame ketens;192 combineer circulair met andere doelen, zoals de klimaatopgave, de energietransitie en het nastreven van andere maatschappelijke doelen.193

Trends, ontwikkelingen en opgaven in Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft zich als doel gesteld om in 2050 volledig CO2-neutraal te zijn in alle sectoren (gebouwde omgeving, elektriciteit, industrie, mobiliteit, landbouw en landgebruik).194 Om dit doel te realiseren, moeten de komende jaren  in de eerstvolgende periode van een nieuwe raad en gemeentebestuur  grote stappen gezet gaan worden. Grote en grotere stappen omdat ook het bod in de Regionale Energiestrategie Noordoost Brabant aangescherpt moet worden. Immers de doelstelling voor 2030 om 49 procent minder CO2 uit te stoten dan in 1990 is verhoogd naar 55 procent minder CO2-uitstoot ten opzichte van 1990. Voor Meierijstad zijn er ook belangrijke keuzes te maken over de hoeveelheid en de aard van de op te wekken duurzame energie in het buitengebied.195

190

Bij upcycling wordt een onbruikbaar product verwerkt tot een nieuw product dat meer waarde heeft dan daarvoor. Zoals een nieuwe tas van oude denim, tuinmeubilair gemaakt van oude olievaten of een design sofa gemaakt van 95 procent gerecycled plastic. In de bouw spreken we van upcycling wanneer, bijvoorbeeld, materialen in een gebouw aan elkaar worden geschroefd in plaats van gelast, waardoor het later weer uit elkaar te halen is en direct kan worden ingezet in een nieuw gebouw. Door upcycling hoeven er minder materialen te worden gebruikt, worden er minder grondstoffen gebruikt en wordt minder CO2 uitgestoten. Daarnaast vermindert upcycling de hoeveelheid afval en daagt het bedrijven en ondernemers uit om duurzamere producten, die goed kunnen worden hergebruikt, te ontwikkelen. Het sloopbedrijf New Horizon beoordeelt een te slopen gebouw vooral op de grondstoffen die hergebruikt kunnen worden en mede met deze invalshoek kan een scherpe prijs afgegeven worden voor de sloopklus. Downcycling is het tegenovergestelde van upcycling. De gerecyclede producten en materialen verliezen aan kwaliteit en hebben een lagere waarde. Bijvoorbeeld het smelten of verkorrelen van bijvoorbeeld plastic om als nieuwe grondstof te gebruiken.

Dit proces gaat door gemengde afvalstromen, vervuiling of omdat slechts een deel van het oorspronkelijke product hergebruikt kan worden vaak gepaard met kwaliteitsverlies. Sabine Sluijters, “De cirkel beweegt, maar heeft nog een zetje nodig. Omslagverhaal Circulaire economie”, in: Het Financieele Dagblad, 4 maart 2017, blz. 6, 7; Rijksoverheid, Rapport werkgroep Duurzaamheid, ten behoeve van de Studiegroep Duurzame Groei, Den Haag, juli 2016, blz. 6,7, 19 - 22, 33 - 37.

191

Meierijstad wil deze aanpak hanteren bij de nieuw aan te leggen verbindingsweg N279-bedrijventerrein Veghel-West. Gemeente Meierijstad, Duurzaam-

192

Voor de transitie naar een duurzaam voedselsysteem moeten  naast de honderden kleinschalige en middelgrote initiatieven  op een breed terrein ver-

heidsvisie Meierijstad. Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, s.a., blz. 27. nieuwingen en innovaties plaatsvinden. Vernieuwingen en innovaties om te komen tot een prijs van voedsel die de maatschappelijke kosten incorporeert (truecost/trueprice), om de bodemkwaliteit, het natuurlijk kapitaal en de biodiversiteit te verbeteren, om minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten te produceren en te consumeren, en om te komen tot nieuwe businessmodellen. Ministerie van LNV, Realisatieplan Visie LNV, Op weg naar een nieuw perspectief, 2019; Anne-Charlotte Hoes, Carlijn Savelkouls, Charon Zondervan en Volkert Beekman, Voedselinnovaties in Nederland: een greep uit vernieuwende initiatieven, Wageningen Economic Research, Wageningen, 2016; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Naar een voedselbeleid, Amsterdam, 2014. 193

Planbureau voor de Leefomgeving, Integrale Circulaire Economie Rapportage 2021, Den Haag, 2021; Planbureau voor de Leefomgeving, Circulaire economie in kaart, Den Haag, 2019; Maikel Kishna, Trudy Rood en Anne Gerdien Prins, Achtergrondrapport bij circulaire economie in kaart, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 18 januari 2019; Barbara Heebels en Sabina Gietema, Circulaire economie en de gemeente. Rol lokale overheid in het bevorderen van circulaire bedrijvigheid, Platform31, Den Haag, 2019.

194

Gemeente Meierijstad, Duurzaamheidsvisie Meierijstad. Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050.

195

Jan Jaap Wesselink, Anneloes van der Gun, Corine Zwart, Vincent Janssen en Frank Schellen, De toekomst van zon en wind in Meierijstad. Een afwegingskader voor zonneparken en een globale verkenning voor windparken, Over Morgen/Royal HaskoningDHV/Meierijstad, s.l,, 18 november 2019; gemeente Meierijstad, Vitaal Buitengebied.

68

De duurzaamheidsopgave voor Meierijstad is aanzienlijk De opgave van de duurzaamheidstransitie voor Meierijstad is omvangrijk en er is nog een lang weg te gaan. Het gas- en elektriciteitsgebruik van de woningen is, alhoewel dalend, hoog in vergelijkend perspectief. Het ecologisch kapitaal is ten opzichte van de andere middelgrote gemeenten (met uitzondering van Waalwijk en Oss) niet bijzonder hoog. Verder is een specifieke opgave voor Meierijstad de grote stikstof en fosfaatoverschotten die de woon- en leefomgevingen bedreigen, het vele bedrijfsmatige verkeer en de leegstaande agrarische opstallen. Wel zijn er in vergelijkend perspectief relatief veel zonne-energie installaties per 1.000 inwoners en een aanzienlijk vermogen aan zonne-energie per 1.000 inwoners.196 Ondanks het vermogen aan zonne-energie is het aandeel hernieuwbare energie (hernieuwbare warmte [exclusief hernieuwbare warmte uit groen gas] en zonnestroom ‘achter de meter’) in het finale gebruik in Meierijstad 6,1 procent van het totale energieverbruik (figuur 37). In heel Nederland is het percentage hernieuwbare energie 8,5 procent.197 Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energiegebruik blijft ook aanzienlijk achter bij het gemiddelde aandeel in Noord-Brabant. Figuur 37: Percentage hernieuwbare energie in 2019 in Meierijstad, in benchmarkgemeenten, provincie en in Nederland

ROOSENDAAL HARDENBERG NOORD-BRABANT NEDERLAND MEIERIJSTAD WEERT OSS WAALWIJK OOSTERHOUT 4

6

8

10

12

14

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Van de elektriciteit wordt in Nederland in 2019 gemiddeld 20 procent hernieuwbaar opgewekt. Voor Meierijstad is dat percentage 7,7 procent (figuur 38).198 Ook hierin zijn er belangrijke verschillen tussen de gemeenten.199 Vele gemeenten  waaronder Meierijstad  moeten de komende jaren nog belangrijke stappen zetten in het verhogen van het aandeel duurzame warmte en elektriciteit.

196

Koos van Dijken, Trends en opgaven voor Meierijstad, Platform31, Den Haag, 10 augustus 2018, blz. 34-37.

197

Van de hernieuwbare warmte (exclusief hernieuwbare warmte uit groen gas) wordt aangenomen dat deze warmte in het gebied zelf wordt verbruikt. Soms is dat niet zo, namelijk als de warme van een warmtenet wordt geleverd aan verbruik buiten de gemeentegrenzen. Groen gas wordt ingevoed in het aardgasnet en verbruikt als aardgas. Het groene gas telt mee in het aardgasverbruik. Zonnestroom ‘achter de meter’ wordt direct gebruikt in de woning, het bedrijf of de instelling zodra deze is opgewekt. Daarom bereikt deze zonnestroom het elektriciteitsnet niet. Er wordt aangenomen dat 33 procent van de opgewekte zonnestroom wordt gebruikt ‘achter de meter’. Bij deze aanname tellen de zonnepanelen in zonnevelden niet mee. Immers, een zonneveld heeft geen gebruik ‘achter de meter’. Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor, Dashboard Hernieuwbare Energie.

198

Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor, Dasboard ‘hernieuwbare energie’.

199

Er zijn al wel gemeenten die meer dan honderd procent van de elektriciteit hernieuwbaar opwekken: Dronten (182 procent), Alkmaar (112 procent) en Lelystad (107 procent).

69

Figuur 38: Percentage hernieuwbare elektriciteit in 2019 in Meierijstad, in benchmarkgemeenten, provincie en in Nederland

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Door de sterke toename van het aandeel hernieuwbare energie in Nederland en in vele gemeenten reduceert geleidelijk de CO2-uitstoot van de woningen per gemeente. Van 2011 tot en met 2019 daalt de CO2-uitstoot van alle Nederlandse woningen met gemiddeld 1,8 procent per jaar en van alle woningen in de M50 gemeenten met gemiddeld 2,1 procent per jaar. De reductie in Meierijstad ligt daaronder (figuur 39). Figuur 39: Afname CO2-uitstoot per woning van 2011-2019 in procenten van Meierijstad, gemiddelde G40 en M50-gemeenten, top-5 gemeenten en minste top-5

Bron: Rijkswaterstaat, Klimaatmonitor, Dashboard ‘hernieuwbare energie’

Wat betreft de bestaande woningvoorraad is de opgave voor Meierijstad: ‘verduurzaming’. Dit is ook een van de prioriteiten van de duurzaamheidsvisie van Meierijstad. Circa 70 procent van alle bestaande woningen heeft een C-label of minder. Deze woningen komen het meest in aanmerking voor energiemaatregelen.200 De ambitie van de gemeente is om in 2030 de hele woningvoorraad minimaal gemiddeld energielabel B te laten hebben. De grootste winst in verduurzaming kan bereikt worden bij de woningen met een F- en G-label (figuur 40).

200

Gemeente Meierijstad, Woonvisie, Vastgesteld 5 juli 2018, blz. 17.

70

Figuur 40: Percentage woningen met F & G-label in procenten van de woningvoorraad in 2021 in Meierijstad en in vergelijkbare gemeenten

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Aanzienlijke opgave voor Meierijstad in het buitengebied De grote vraagstukken rond de ruimtelijke kwaliteit in Meierijstad en elders hangen samen met de ruimte die de landbouw inneemt en de noodzaak om meer ruimte te bestemmen voor natuur en voor de productie van energie. De landbouw is al eeuwenlang de belangrijkste beeldbepaler van het Nederlandse landschap; de landbouw heeft daarmee ook sterk de regionale identiteit bepaald. De productiefunctie van de landbouw domineert echter steeds meer in negatieve zin het agrarische landschapsbeeld. Het bestaande voedselsysteem bevindt zich in een afbouwende curve en is een grootschalig productiesysteem voor de wereldmarkt in verval. De traditionele landbouw vertoont op dit moment tekenen van destabilisatie, gezien de problemen met de intensieve veehouderij, grotere gebouwen en kavels, het overmatig gebruik van pesticiden, de teruglopende biodiversiteit, verdwenen houtwallen en de groeiende zorgen over het bodembeheer. Er zijn wel tekenen van vernieuwing, maar deze vernieuwing verkeert nog in de experimenteerfase. Er wordt binnen het voedselsysteem vooral nog vastgehouden aan de dominante strategie van grootschalige productie voor de wereldmarkt.

Kan en wil de gemeente veel pro-actiever zijn om de transitie te versnellen, de kwaliteit van de cultuurlandschappen te versterken en om de tegenstrijdige eisen die aan boeren worden gesteld te overbruggen? Dit mede in het licht van de stikstofproblematiek.201 Tegenover het succes van Nederlandse boeren als voedselproducenten staat hun falen als hoeder van het landschap, biodiversiteit en klimaat. De tegenstrijdige eisen waar boeren mee opgezadeld worden zijn dat wij koeien in de wei willen vanwege de landschapsbeleving maar niet langer de methaanuitstoot. Wij streven naar dierenwelzijn maar willen wel goedkoop vlees blijven consumeren. Op korte termijn is, ook in Meierijstad, een omslag nodig naar een productiewijze die de negatieve effecten van de voedselproductie binnen de perken houdt. Dit kan onder andere door terug te grijpen om het instrumentarium dat na de Tweede Wereldoorlog zo succesvol is gehanteerd om de landbouwproductie op te voeren. Namelijk door de boeren een vergoeding te geven voor hun bijdrage aan de bescherming van milieu en klimaat. De vergoeding zal het verlies aan opbrengsten van reguliere landbouwproducten moeten compenseren.202 Uit de duurzaamheidsvisie blijkt dat Meierijstad ook op andere wijze nog een aanzienlijke opgave heeft. Meierijstad scoort in de goenindex (o.a.

groen binnen de bebouwde kom) een 0,4 en staat laag op de lijst van de groenste gemeente van Nederland in 2017 (plaats 289 van de 388 gemeenten in dat jaar).203 De gemeente moet keuzes maken en substantiële stappen zetten om de groenindex te verhogen en om een groenere gemeente te worden. Verder kan de gemeente de transitie naar precisielandbouw, strokenteelt, na-

201

Vasco van der Boon, “Kringlooplandbouw Schouten bevat nogal wat losse eindjes”, in: Het Financieele Dagblad, 27 juni 2019, blz. 10, 11.

202

Jeltsje van der Meer en Henk Folmer, “Betaal de boer toch om onze ‘landschapspijn’ te verzachten”, in: Het Financieele Dagblad, 6 juli 2019.

203

Gemeente Meierijstad, Duurzaamheidsvisie Meierijstad. Samen werken aan een duurzaam Meierijstad in 2050, blz. 29.

71

tuurinclusieve landbouw, kringlooplandbouw en naar agrarisch natuurbeheer faciliteren en stimuleren. Het faciliteren kan plaatsvinden door op agrarisch grondgebruik ook andere economische activiteiten toe te staan. Zoals recreatie, B&B, verkoop streekproducten, zorg, wonen en werken aan huis (verbreding). Deze economische activiteiten kunnen gecombineerd worden met agrarische grondgebruik en maken het mogelijk om het oorspronkelijke landschap te behouden en om het oorspronkelijke landschap zelfs te versterken met de investeringen in bebouwing, groen en landschap. Deze kwaliteitsverbetering in het buitengebied kan de beleving van het landschap, natuur, ruimte en rust, het toerisme en de recreatie bevorderen.204 Dit biedt ook kansen op meer toerisme, recreatie en meerdaagse verblijfsrecreatie. En groeisector met een vergrijzende bevolking.

2.8

Bestuurlijke trends en ontwikkelingen

Landelijke trends en ontwikkelingen Veel taken op het niveau van de lokale overheid zorgen voor lastige afwegingen De gemeente is in zowel het sociale- en ruimtelijke domein als op het gebied van de energietransitie voor de burger de belangrijkste overheid geworden. De complexiteit van het maken van afwegingen en keuzes blijft groot. Ontwikkelingen zoals de hoge verwachtingen van het zelforganiserend vermogen van de burger, de transities op het gebied van o.a. technologie en duurzaamheid en een toenemende afhankelijkheid van de samenwerking met andere partijen dragen bij aan de complexiteit. De overheid moet zowel een rechtmatige, efficiënte, samenwerkende als een netwerkende overheid zijn en bovendien actief gebruik maken van de ideeën uit de samenleving. Dit vergt het kunnen combineren en in balans brengen van verschillende sturingsvormen.205 Intensivering interbestuurlijk samenwerken en opmars netwerksamenleving Met de verschuiving van taken naar de lokale overheid, is de rol van andere overheidslagen niet uitgespeeld.

Integendeel, in een advies van de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen is aan de hand van concrete casussen nogmaals indringend duidelijk geworden dat alléén door interbestuurlijke samenwerking de grote maatschappelijke opgaven (energietransitie, woningbouwopgave, ambulantisering ggz, betere werking arbeidsmarkt, verminderen kansenongelijkheid, transitie naar een circulaire economie, et cetera) doelmatig en effectief aangepakt kunnen worden.206 Echter, dit samenspel en optreden als één overheid verloopt nog niet altijd even soepel. Naast de interbestuurlijke samenwerking werken gemeenten met andere overheden volop samen in regionaal verband. Inmiddels wordt ongeveer een kwart van de uitgaven van alle gemeenten gealloceerd aan en besteed via gemeentelijke samenwerkingsverbanden.207 Er is een lappendeken van vaak sectorale samenwerkingsverbanden ontstaan, die tot onduidelijkheid en complexiteit leidt. Gemiddeld zijn dat er 33 per gemeente. Van alle samenwerkingsverbanden heeft 27 procent betrekking op het fysieke domein.208 Tegelijkertijd lijken er tussen de 25 en 30 min of meer coherente gebieden te ontstaan met een functioneel geregionaliseerd bestuurlijk stelsel.209 Bovendien zijn maatschappelijke vraagstukken niet langer het domein van alleen de overheid, maar vraagt de aanpak om een breed samenspel van partners.

In het publieke domein zoeken professionals naar mogelijkheden om hun bestuurskracht en impact in de samenleving te vergroten door minder eenzijdig naar hun eigen kern te staren en daar de bevrijdende besluiten van te verwachten. Ze zoeken meer de grensgebieden op met andere

204

Jantien de Boer, Landschapspijn, Amsterdam, 2019; Marcel ten Hooven, “Landschapspijn. Het platteland behoefte weer een landelijke visie”, in: De

205

Denktank Vereniging Nederlandse Gemeenten, Werkende samenwerking, Den Haag, juni 2018, blz. 49-53.

206

Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Als één overheid. Slagvaardig de toekomst tegemoet!, Den Haag, 10 september 2020.

207

Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur, 16 miljard euro in 1.300 samenwerkingsverbanden, 4 april 2021,

208

Inspectie der Rijksfinanciën, Van woorden naar daden: over de governance van de ruimtelijke ordening, Interdepartementaal beleidsonderzoek ruimtelijke

209

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staat van het bestuur 2020, p. 141, januari 2021 en Raad voor Openbaar Bestuur Droomland of

Groene Amsterdammer, 29 januari 2020.

ordening, Den Haag, 6 april 2021, blz. 42. Niemandsland. Uitgangspunten voor het besturen van regio’s. 23 juni 2021

72

organisaties en vormen netwerken van organisaties.210 Gebiedsgerichte aanpakken zoals het Nationaal Programma Rotterdam Zuid leunen niet op de inzet van de overheid alleen, maar moeten het juist hebben van de inzet van hun partners.211 Hoge verwachtingen van burgerbetrokkenheid en verantwoordelijkheid Overheden wensen nauw in contact te staan met inwoners en ondernemers om hun opgaven te verwezenlijken. De coöperatieve samenleving groeide de afgelopen jaren, bewonerscollectieven en sociaal ondernemers pakten maatschappelijke vraagstukken op; soms uit frustratie, uit de overtuiging het zelf beter te kunnen, of omdat de overheid het liet liggen.212 Enerzijds biedt de burgerbetrokkenheid en inzet kansen voor gezamenlijke verantwoordelijkheid die gemeenten veelal graag wensen te verzilveren, anderzijds ervaren burgers ook dat de overheid en ambtenaren een hindermacht kunnen zijn voor allerlei burgerinitiatieven.213 Inwoners wensen zeggenschap over hun eigen leefomgeving. Een doelstelling van de Omgevingswet, die naar verwachting per 1 juli 2022 in werking treedt, is meer ruimte voor ideeën van initiatiefnemers en het maken van lokale afwegingen.214 Niet iedereen verwacht dat de burgerbetrokkenheid hierdoor versterkt wordt.215 Oplopende financiële tekorten, toenemende lasten en grote opgaven De budgetten van de lokale overheid zijn niet meegegroeid met de toename in taken.

Bovendien gingen decentralisaties in het sociaal domein gepaard met bezuinigingen. Dit heeft geleid tot financiële tekorten op lokaal niveau.216 De financiële ruimte voor decentrale overheden om zelfstandig keuzes te maken staat onder druk. De kosten voor het sociaal domein zijn een ‘koekoeksjong in de gemeentelijke begroting’ die andere maatschappelijke voorzieningen uit het gemeentelijke nest drukken.217 Dat niet alleen de financiële verhoudingen tussen overheden ter discussie staan, maar ook de bestuurlijke verhoudingen, laat ook het rapport van de Raad voor Openbaar Bestuur zien.218 De Raad constateert dat er een mismatch is tussen opgaven, schaal en bevoegdheden. Maatschappelijke onrust, maar ook een verlangen naar verbondenheid Gemeenten lijken steeds vaker te maken te krijgen met incidenten die invloed hebben op de manier waarop burgers tegen het lokaal openbaar bestuur aankijken. Na een omstreden besluit van de gemeente met mogelijke maatschappelijke impact (bijvoorbeeld de komst van windmolens), of rond sommige landelijke maatregelen zoals de introductie van de avondklok laten burgers luidruchtig en soms ook op onverantwoorde wijze hun ongenoegen blijken.

Maatschappelijke spanningen en onrust zetten de relatie met het (lokaal) openbaar bestuur onder druk; burgers kunnen het vertrouwen in hun bestuur verliezen.219 Gelijkgestemden weten elkaar steeds meer te vinden op één standpunt, organiseren zich in bijvoorbeeld ‘grassrootsbewegingen’, maar ook in de politiek, wat deels weer leidt tot (politieke) versnippering. Juist in kwetsbare wijken manifesteert zich de groeiende kloof tussen overheid en burger; mede als gevolg van een beleidsvacuüm waarin het Rijk, woningcorporaties en gemeenten jarenlang weinig aandacht hadden voor de leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare wijken. In wijken met een mix aan bewoners met diverse achtergronden en problematieken zien we de toename van wij-zij denken, die ook landelijk waarneembaar is. Juist deze wijken herbergen politieke afhakers, terwijl de aanhang van populistische partijen groeit. Dit uit zich in spanningen tussen groepen met verschillende etnische en/of religieuze achtergronden of in weerstand tegen bijvoorbeeld bewoners met een psychische kwetsbaarheid.220 Berichtgeving op sociale media

210

Geert Teisman. Netwerkorganisaties en organisatienetwerken. Effectief door sterke en snelle verbindingen. Platform31, Den Haag, 7 januari 2021.

211

G.J. Fernhout, I. Pohl, W. Vos en G.J. Hagen. De maatschappelijke kosten en baten van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Rotterdam, 2017.

212

T. Collij, en L. Sterrenberg. Naar een coöperatieve samenleving. Platform31, Den Haag, 2018.

213

Frans Soeterbroek, Op klantreis met burgerinitiatieven? Doe ze dat niet aan!, Blog op website www.ruimtemaker.nl 19 oktober 2020

214

VNG, Participatie binnen de Omgevingswet: een toelichting voor raadsleden, Den Haag, 22 oktober 2019.

215

Frans Soeterbroek, 8 januari 2021, Over de omgevingswet. Hou ermee op. Longread gepubliceerd op Biind Platform voor de fysieke leefomgeving

216

In opdracht van rijk en gemeenten zijn onderzoeken uitgevoerd naar o.a. de structurele middelen voor de jeugdhulp door AEF Advies in 2020 en door

217

Alexander Leeuw, “Ongeloof over herverdeeleffecten gemeentefonds”, in: Binnenlands Bestuur, 3 februari 2021.

218

Raad voor Openbaar Bestuur, Adviesrapport Rust-Reinheid-Regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen, Den Haag, 2021.

219

Mirjam Fokkema, Razia Ghauharali en Artie Ramsodit. Investeren in vertrouwen en maatschappelijke onrust. Platform31, Den Haag, maart 2019.

220

Daan de Bruijn, Matthijs Uyterlinde, Mirjam Fokkema en Shahrzad Nourozi. Bouwstenen voor het leren rond leefbaarheid en veiligheid. Den Haag en

Cebeon naar de middelen voor het sociaal domein in 2021.

Utrecht, Platform31 en Movisie, april 2021.

73

jagen de maatschappelijke onrust aan, kunnen de zichtbaarheid van maatschappelijke onrust vergroten en kunnen het verlangen naar verbondenheid in allerlei bubbels ondersteunen. Voor besturen brengt dit weer nieuwe uitdagingen met zich mee als het gaat om het functioneren van de democratie.221

Landelijke opgaven, kansen, denk- en verbeteringsrichtingen Slagvaardige opgavegerichte samenwerking Om te werken aan de complexe maatschappelijke vraagstukken is interbestuurlijk samenwerken en werken binnen netwerken onvermijdelijk. De deal-aanpak wordt als een belangrijke richting gezien voor sector overstijgende samenwerking.222 Het werken in een deal-aanpak geeft een netwerk van deelnemende overheden, bedrijven en organisaties de ruimte om hun eigen werkwijzen te heroverwegen en te werken aan het realiseren van gezamenlijke doelstellingen. De werkwijzen gaan uit van gelijkwaardigheid tussen alle partijen, ook tussen de verschillende overheidslagen.223 Dit vergt wel in toenemende mate soft skills van ambtenaren. De Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen is op basis van de bestudeerde casussen geschrokken van de slordigheid waarmee de opgavegerichte samenwerking van de overheden vorm krijgt. Doelen worden vaak niet gezamenlijk opgesteld, noodzakelijke spelers worden niet betrokken, er is geen regie en er is bijna altijd onduidelijkheid over de financiën.224 Gemeenten en hun bondgenoten hebben structurele financiering nodig om de complexe maatschappelijke opgaven aan te kunnen. Maar bovenal verdienen de spelregels in de omgang tussen Rijk en decentrale overheden meer aandacht om discussies productief te houden.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de beperkte speelruimte van decentrale overheden om zelf beleidskeuzes te maken en de eigen slagkracht te vergroten. Sectorale belangen en ingrepen op nationaal niveau, hebben de afgelopen jaren niet altijd geleid tot doorvoering van bijpassende organisatievrijheid en bijbehorende bekostiging.225 Evenwichtige financiële verhoudingen en verbreding van de partners Mogelijke oplossingen voor het herstellen van de financiële tekorten van gemeenten zijn, extra (structureel) geld, herverdeling van het gemeentefonds, andere normeringssystematiek of uitbreiden van mogelijkheden om lokale belastingen te heffen. Zo wordt ingezet op het vergroten van de lokale budgetten om ontstane tekorten tegemoet te komen en niet langer in te teren op het eigen vermogen. Ook het niet langer laten gelden van de trap-op-trap-af systematiek voor bijvoorbeeld de gemeentelijke middelen in het sociaal domein zou meer financiële ruimte (en voorspelbaarheid) kunnen bieden. Aanspraak maken op budget vanuit overheidsfondsen, (zoals het volkshuisvestingsfonds en regio deals) biedt voor enkele opgaven een (tijdelijke) uitweg, maar vraagt ook extra inzet van ambtelijk apparaat voor aanvraag en verantwoording. Andere denkrichtingen zijn inzetten op nieuwe coalities met gedeelde verantwoordelijkheden voor budgetten.

Voorbeelden zijn alternatieve bekostiging van bereikbaarheidsinvesteringen in gebiedsontwikkeling. Een studiegroep heeft verkend welke reële opties er zijn om directe en indirecte baten die door bijvoorbeeld bereikbaarheidsinvesteringen worden gegenereerd in te zetten om de opgaven in het ruimtelijk domein te bekostigen.226 Een ander idee is het concept van shared savings in bijvoorbeeld het zorgdomein. Vanwege de verschillende financieringsstromen met bijbehorende eigen verantwoordingseisen, komt het vaak voor dat de partij die een besparing realiseert daar vervolgens niet zelf van profiteert.227

221

Raad voor het Openbaar Bestuur, ‘Zoeken naar waarheid’. Over waarheidsvinding in de democratie in het digitale tijdperk, Den Haag, mei 2019.

222

Planbureau voor de Leefomgeving en de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. Leren institutionaliseren. Den Haag, 2020.

223

Douwe Jan Elzinga, Proeve nieuwe wet decentraal bestuur, in opdracht van de VNG, Den Haag november 2020.

224

Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Nederland heeft één overheid nodig. Discussiedocument over vernieuwing in de interbestuurlijke en financiële verhoudingen, Den Haag, 8 april 2020; Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Als één overheid. Slagvaardig de toekomst tegemoet!, Den Haag, 10 september 2020, blz. 3. De drie bestudeerde casussen zijn: per jaar 75.000 woningen bouwen, de ambulantisering van de geestelijke gezondheidszorg en het realiseren van de energie- en warmtetransitie.

225

Raad voor het Openbaar Bestuur. Rust, reinheid en regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijke financiële verhoudingen, Den Haag, maart 2021.

226

Studiegroep Alternatieve Bekostiging ruimtelijke gebiedsontwikkeling. Eindrapport alternatieve bekostiging. Den Haag, februari 2020.

227

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Stand van zaken domeinoverstijgende samenwerking. Brief aan Tweede Kamer. Kenmerk 1834137218958-Z. Den Haag, 26 februari 2021.

74

Meer aandacht voor de menselijke maat en de kwaliteit van uitvoering In 2018 wees Herman Tjeenk Willink in zijn oproep Groter denken, kleiner doen er op dat er te weinig aandacht is voor de uitvoering van beleid. Ondertussen wordt deze constatering breder gedeeld.228 Nieuwe ministers, gedeputeerden en wethouders gaan, volgens Tjeenk Willink, zelden na of hun beleidsplannen binnen de gewenste tijd realiseerbaar zijn gezien de vele taken waarvoor de uitvoerders (na alle bezuinigingen en reorganisaties) al zijn gesteld. Zeker de kwetsbare burger wordt geconfronteerd met een duizelingwekkende ingewikkeldheid van voorzieningen, regelingen, toeslagen, arrangementen, protocollen, formulieren, controles en eigen bijdragen. Zo maakt het ingewikkelde en niet-inzichtelijke systeem van inkomensafhankelijke regelingen burgers met lage inkomens erg kwetsbaar. Voor vele lage inkomens en lage middeninkomens leidt bovendien een salarisverhoging tot een lager netto besteedbaar inkomen. Deze armoedeval leidt niet tot een beleving van brede welvaart. De Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties concludeerde dat er meer aandacht moet zijn voor de uitvoerbaarheid van beleid en de menselijke maat daarin.229 Dit probleem speelt op rijksniveau en op gemeenteniveau en moet door beide overheidslagen aangepakt worden.

De gemeenten moeten zich er verder bewust van zijn dat vele initiatieven van burgers belemmerd worden door allerlei regels, formulieren, controles, toezichtpraktijken en vastgeroeste gewoontes. Volgens de Nationale Ombudsman is het wenselijk dat elke gemeente een loket inricht waar de burger met al zijn vragen en problemen met overheden (gemeente, provincie, rijk) en alle uitvoeringsorganisaties terecht kan én geholpen wordt. Meer eenvoudige oplossingen dan die van de Nationale Ombudsman zijn om als bestuur te stimuleren en ruimte te geven dat ambtenaren luisteren, begrip tonen, meedenken en adviseren als burgers een beroep op hen doen en dat zij bovendien véél vaker de telefoon pakken in plaats van zich te bedienen van formulieren, callcenters, digitale portals en 14.000 nummers. Gebruik maken van nieuwe technologie en data Gemeenten beschikken over steeds meer data binnen het sociale, economische en fysieke domein.230 Dit soort data zijn enorm waardevol, want hiermee kun je vraagstukken beter duiden en begrijpen en beleid gerichter opstellen of aanpassen. Daarmee kun je de stad aantrekkelijker, duurzamer en leefbaarder maken. Elke gemeente beschikt over verschillende soorten datastromen. Denk aan persoonsgebonden data, zoals uit de Basisregistratie Personen, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de schuldhulpverlening. Ook zijn er nietpersoonsgebonden data voorhanden.

Zoals over het gebruik van vuilcontainers in de stad, de luchtkwaliteit en vervoersstromen. Van sommige data is de gemeente zelf eigenaar, andere data koopt de gemeente bij andere partijen. Echter gemeenten hebben niet altijd vanzelfsprekend toegang tot landelijke data en wensen dit bijvoorbeeld in regionale kennisschakelfuncties een plek te geven. Samen met andere partners op basis van informatie en data kennis vergaren en kennis delen draagt bij aan het creëren van handelingsperspectief voor de bestaande opgaven. Door regionale kennisschakelfuncties in te richten kan de koppeling gemaakt worden met nationale kennis.231 Voor ambtenaren vraagt deze kennis- en informatiegestuurde werkwijze om ervaring met methoden van zowel open beleidsontwikkeling, dataverwerking als het ontwerpen van beleidsinstrumenten. Data en technologie wordt ook steeds meer ingezet ter controle van rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van bedrijfsvoering en beleid. De invoering van een rechtmatigheidsverantwoording als onderdeel van de jaarrekening en de weg naar een 'in control statement' dragen hier aan bij.

228

Jesse Frederik, Zo hadden we het niet bedoeld. De tragedie achter de toeslagenaffaire, s.l., 2021; Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties, Klem tussen balie en beleid, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 35387 Parlementair onderzoek uitvoeringsorganisaties, nr. 2, 25 februari 2021; Han Polman, Werk aan de winkel voor vertrouwen van burgers in de overheid, weblogbericht Raad voor Openbaar Bestuur, 12 maart 2021; Bernard ter Haar, “Schoei beleidseconomie op nieuwe leest”, in: Economisch Statistische Berichten, jrg. 106, nr. 4795S, 18 maart 2021, blz. 16-18; Daan Bellegeer en Jean Dohmen, “Er wordt veel beleid gemaakt waarvan we niet weten of het werkt”, in: Het Financiële Dagblad, 16 maart 2021; Roel Bekker, “Geef beleidseconoom een grotere rol, voor minder en beter beleid”, in: Het Financiële Dagblad, 16 maart 2021. Illustratief zijn de 98 overheidsfiasco’s (en voor elk betoog zijn er voorbeelden beschreven) in: Roel Bekker, Dat had niet zo gemoeten! Fouten en falen van de overheid onder het vergrootglas, Amsterdam, 2020; Arie Jan Korteweg, “Voormalig topambtenaar Roel Bekker verzamelde 98 overheidsfiasco’s in zijn blunderbak:, in: De Volkskrant, 27 mei 2020

229

Tijdelijke commissie uitvoeringsorganisaties. Eindrapport Klem tussen balie en beleid. Den Haag, 25 februari 2021.

230

Janneke Ten Kate, Barbara Heebels en David Louwerse, Data in de stad, Platform31, Den Haag, oktober 2019.

231

Andersson Elffers Felix, Versterking van de kennisinfrastructuur door een regionale schakelfunctie, juni 2020.

75

In de City Deal Slimme Stad wordt ruimte geboden om te experimenteren met nieuwe technologie en data. Van deze ervaringen kunnen andere gemeenten leren.232 In deze deal onderzoeken publieke en private partijen welke kansen digitalisering biedt en welke instrumenten nodig zijn om de slimme stad mogelijk te maken.233 Denk hierbij aan het realiseren van meer betrokkenheid van inwoners met hun wijk door gebruik te maken van digitale platforms. Met behulp van digitalisering kan een meer open en inclusieve samenleving gerealiseerd worden. Ook zijn er wensen om meer ruimte te krijgen binnen gemeentes om te innoveren, denk bijvoorbeeld aan het inzetten van drones. Naast deze kansen zit aan het gebruik van data en technologie ook een keerzijde, het is de komende jaren een uitdaging om hiermee om te gaan. Volgens de ambtelijke top van de ministeries staat Nederland aan het begin van het maatschappelijke debat over de regulering van de digitale wereld. ‘Hoe willen wij als overheid en samenleving non-discriminatie, privacy, autonomie, vrijheid van meningsuiting, kiesrecht, menselijke waardigheid en procedurele rechtvaardigheid ook in een digitale wereld borgen?’234 Aandachtspunten blijven ook de transparantie bij het toepassen van algoritmen, de waarde van gegevensbescherming en de digitale vaardigheden van kwetsbare personen.

Technologie maakt samenspel steeds beter mogelijk, maar komt niet vanzelf tot stand. Zo lukt het tussen gemeentelijke afdelingen vaak al niet goed om data te delen omdat men verschillende informatiesystemen hanteert. Omgaan met tegenstellingen, evenwichtig bestuur en democratische legitimiteit Gebruikmakend van de adviezen van de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen kunnen gemeenten focus kiezen en kaders bieden. Het kiezen van focus is van belang omdat het gevaar bestaat dat  mede vanwege het versnipperde politieke landschap en de wens van politici om “iets te doen” voor burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties  een breed pallet aan beleidsmaatregelen wordt gekozen waarvan de effectiviteit dubieus is.235 Het is niet moeilijk om iedere vorm van overheidsingrijpen te onderbouwen. De lijst van ‘publieke belangen’ is schier eindeloos en de afpaling van het publieke belang eindigt veelal in cirkelredeneringen. “Het politieke en publieke belang is wat de politiek van belang acht”.236 Raadsleden kunnen nadrukkelijker met elkaar het debat aangaan over de eigen kaderstellende rol, gezamenlijke doelen en belangen en vervolgens college en initiatiefnemers ruimte bieden in de uitvoering. Er is ook een zoekproces gaande om in het beleid en de uitvoering ‘de bedoeling’ centraal te stellen.

De vraag staat dan centraal wat men voor de burger kan betekenen, ook buiten de eigen enge en formele taakopdracht om. Met ‘terug naar de bedoeling’, maatwerk en de menselijke maat zijn niet meer rechtmatigheid en de uitvoering van regelingen het enige criterium. De Sociale Verzekeringsbank werkt in ‘garage de bedoeling’ met collega’s met verschillende deskundigheden (de monteurs) aan de oplossing van een probleem van burgers. Zij zijn elkaars gelijken: tijdens de sessies draagt iedereen dezelfde overall. Om vanuit de leefwereld van de burgers te denken, houden ze de sessies in een pop-upwerkplaats (een metaforische garage). In de gemeente Den Haag heeft men in het ‘Sociaal Hospitaal’ middelen van de zorgverzekeraar en de gemeente samengevoegd om schulden bij burgers aan te pakken (de schulden bleken een belangrijke oorzaak van medische klachten). Veel gemeenten kennen ondertussen zogenaamde schuldenlabs. Een ander voorbeeld is ‘Garage-2020’, dat ontwikkelt innovaties voor de jeugdzorg, met als doel de jeugdzorg overbodig te maken. Zij werken met verbeeldings- en brede denkkracht aan een beweging van jongeren, hulpverleners, dataspecialisten, kunstenaars en filosofen om nieuwe invalshoeken te bedenken voor de complexe problemen van jongeren.

In deze voorbeelden zijn niet langer de protocollen leidend, maar de problemen van de burger; niet de bureaucratische verslaglegging bepaalt het handelen van uitvoerende medewerkers, maar het menselijk welzijn.237 232

City Deal Een slimme stad zo doe je dat. Getekend op 3 december 2020, te vinden op website Agenda Stad.

233

Staatssecretaris Knops, “Durf te experimenten met digitalisering”, in: Stadszaken, 12 april 2021.

234

Alexander Leeuw, “Digitalisering krijgt vaste plek aan bestuurstafel Rijk”, in: Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur, 14 april 2021.

235

Bernard ter Haar, “Schoei beleidseconomie op nieuwe leest”, in: Economisch Statistische Berichten, jrg. 106, nr. 4795S, 18 maart 2021, blz. 16-18; Daan Bellegeer en Jean Dohmen, “Er wordt veel beleid gemaakt waarvan we niet weten of het werkt”, in: Het Financiële Dagblad, 16 maart 2021; Roel Bekker, “Geef beleidseconoom een grotere rol, voor minder en beter beleid”, in: Het Financiële Dagblad, 16 maart 2021.

236

Coen Teulings, Lans Bovenberg en Harry van Dalen, De cirkel van goede intenties. De economie van het publieke belang, Amsterdam, 2005, blz. 12. Willem Tommel, Gulzig bestuur, Den Haag, 2007; Joop Koppenjan, Het verknipte bestuur; over efficiency, samenhang en toewijding bij publieke dienstverlening; Jos de Beus, “ADHD-bestuur met zijn voortdurende vernieuwing laat de publieke sector ontsporen”, in: NRC Handelsblad, 28 juni 2008.

237

Wouter Hart, Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling, Deventer, 2013; Jet Bussemaker, Ministerie van Verbeelding. Idealen en de politieke praktijk, Amsterdam, 2021, blz. 284, 285.

76

Trends, ontwikkelingen en opgaven in Meierijstad De beginperiode van het huidige bestuur en de huidige gemeentelijke organisatie bestond uit het harmoniseren van het beleid van de vroegere drie gemeenten en het ontwikkelen van monitoren en dashboards om de voortgang van het beleid van de nieuwe gemeente te kunnen monitoren. Bij de start van de nieuwe gemeente zijn ‘participatie’ en ‘organisatieontwikkeling’ als twee onderscheiden programmalijnen gekozen. Met burger- en overheidsparticipatie kiest Meierijstad er voor om de inwoners maximaal te betrekken bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering. De gemeente treedt initiatieven van inwoners en ondernemers met openheid en enthousiasme tegemoet. Verbinden, experimenteren en leren met onder andere het burgerinnovatiefonds, dilemmaspelen en startgesprekken  maken daar onderdeel van uit. Onderdeel van de besturingsfilosofie van Meierijstad is het investeren in de kracht van de samenleving en de menselijke maat. Anno 2021 is de menselijke maat in de nationale uitvoeringspraktijk een actueel thema geworden. Meierijstaat liep met deze gekozen focus in 2017 zeker niet achter de feiten aan.238 De ontwikkeling van de nieuwe organisatie, de lerende bestuursstijl, de werkateliers, de pop-ups, de innovatieve labs, het burgerinnovatiefonds, e.d. leiden niet tot een zeer dure gemeente (figuur 41).

Ook de woonlasten voor de inwoners zijn niet zeer hoog vergeleken met de benchmarkgemeenten (figuur 42 en figuur 43). Figuur 41: Lasten per inwoner (€) voor de hoofdfunctie ‘bestuur’ in Meierijstad en vergelijkbare gemeenten in 2021

Bron: Findo

238

Gemeente Meierijstad, Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022. Tussentijdse evaluatie 2019, 10 december 2019, blz. 13, 14; Gemeente Meierijstad, Wij zijn Meierijstad. Wij investeren in de kracht van de samenleving en hebben oog voor de menselijke maat, s.a.; Gemeente Meierijstad, Wij zijn Meierijstad. Organisatiefilosofie Gemeente Meierijstad 2017-2025, s.a.

77

Figuur 42: Woonlasten eenpersoonshuishoudens (€)in Meierijstad en vergelijkbare gemeenten in 2021

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Figuur 43: Woonlasten meerpersoonshuishoudens (€)in Meierijstad en vergelijkbare gemeenten in 2021

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Voordat de gemeente Meierijstad onder curatele van de provincie komt, is er zelfs nog enige theoretische ruimte om de OZB-te verhogen. De onbenutte OZB-capaciteit is het percentage waarmee de inkomsten kunnen worden vergroot door de belastingtarieven OZB te verhogen naar het rekentarief dat nodig is voor het aanvragen van noodsteun volgens artikel 12 Financiële verhoudingswet. Natuurlijk moet Meierijstad de status van artikel 12 niet nastreven. Maar het maakt wel duidelijk dat Meierijstad vergelijkenderwijs meer opties heeft dan bijvoorbeeld de gemeenten Hardenberg, Oss, het gemiddelde van de vergelijkbare gemeenten naar grootte of het gemiddelde van alle gemeenten in Nederland (figuur 42).

78

Figuur 42: Onbenutte OZB-capaciteit in Meierijstad en vergelijkbare gemeenten in 2019

Bron: waarstaatjegemeente.nl

79

3 Strategische opgaven 3.1 Inleiding Vanuit de trends, ontwikkelingen en opgaven uit het vorige hoofdstuk kunnen een aantal strategische opgaven geformuleerd worden. Ook vanuit Meierijstad zijn diverse strategische opgaven geformuleerd. Tijdens deelsessies op 22 juni zijn van daaruit de belangrijkste opgaven geïnventariseerd, verrijkt en verdiept. Deze zijn in dit hoofdstuk samengevat. Tijdens de deelsessies zijn ook de belangrijkste strategische opgaven vastgesteld. Gemeente Meierijstad heeft de strategische opgaven onderverdeeld in de fysieke opgave (par. 3.2), de sociale opgave (inclusieve samenleving) (par 3.3), de informatiesamenleving (par. 3.4) en democratisch besturen (par. 3.5). Over de gedachtewisseling rond de strategische opgaven hangt de vraag: wat voor gemeente is Meierijstad, wat voor gemeente wil Meierijstad zijn en hoe kan Meierijstad zich het beste profileren (par. 3.6).

3.2 Fysieke opgave Vanuit de landelijke trends, ontwikkelingen en opgaven die ook voor Meierijstad van belang zijn en de inventarisatie van de strategische opgaven tijdens de deelsessies op 22 juni j.l. zijn de volgende strategische fysieke opgaven naar voren gekomen: 

versterken en verbeteren van de stedelijke gebieden;

een aantrekkelijke gemeente zijn en blijven voor bestaande en toekomstige inwoners;

versterken van economie en ruimte geven aan ondernemerschap;

zorgen voor een nieuwe balans in het landelijk gebied;

klimaatadaptatie en – mitigatie in samenhang met de andere duurzaamheidstransities.

Op basis van de gedachtewisseling tijdens de deelsessies zijn binnen de fysieke opgaven de strategische opgaven gedefinieerd voor de volgende bestuursperiode.

Versterken en verbeteren van de stedelijke gebieden Door het stedelijk gebied stedelijker te maken, kan Meierijstad op allerlei wijzen aantrekkelijker worden. Door de bundeling van woon- en werklocaties, door het mengen van functies en een gevarieerd aanbod van werk en voorzieningen kunnen per auto, fiets en openbaar vervoer méér banen en voorzieningen (winkels, scholen, recreatie, e.d.) bereikt worden binnen hetzelfde budget van tijd, geld en moeite voor de inwoners. De bundeling van meerdere stedelijke functies (wonen, werken, voorzieningen, etc.) verbetert de bereikbaarheid, leidt tot minder autogebruik, zorgvuldig ruimtegebruik en is maatschappelijk het meest doelmatig en effectief. Deze bundeling is in stedelijke gebieden vooral kansrijk op knooppunten van openbaar vervoer. Maak van deze knooppunten, behalve efficiënte overstapplaatsen (bus, fiets, lopen), aantrekkelijke bestemmingen waar mensen graag werken, verblijven, afspreken en wonen. Concentreer hier de nieuwe woningen en meng deze met bestaande en nieuwe voorzieningen. Ook In het landelijk gebied kunnen mobiliteitshubs geconcentreerd worden bij een verblijfsplek of ontmoetingsplek in de dorpskern (bibliotheek, sociale voorzieningen, dorpshuis. e.d.). Dit versterkt de dorpscultuur en verbetert de leefbaarheid in de dorpskernen. Dit vergt wel een andere focus op de investeringen in gebiedsontwikkeling.

Er is een sterke sturing nodig op de ruimtelijke keuzes vanuit het perspectief van de energietransitie, circulaire economie, natuurversterking, voedseltransitie, klimaatadaptatie, wonen, werken en mobiliteit. De investeringen voor onderhoud, verbetering en vernieuwing in het stedelijke gebied kunnen veel meer gebruikt worden om ook bij te dragen aan de doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, energietransitie en transitie naar een circulaire economie. Dit maakt het mogelijk om de schijnbare tegenstelling te overbruggen dat verdichting in het stedelijk gebied per definitie betekent minder groen en een verslechtering van de leefomgeving voor de inwoners. Door in te zetten op stadsparken,

80

groene daken, steenbreuk, wadi’s, natuur en water doortrekken van het buitengebied in de stad (ecologische verbindingszones), het terugdringen van de dominante van de auto, autoluwe en autovrije straten, bredere trottoirs (ook van belang in het licht van de vergrijzing) en een betere verbinding met en toegankelijkheid van het buitengebied (recreatieve dooradering met wandel- en fietspaden). Het autogebruik terugdringen is in Meierijstad met de vele kernen niet eenvoudig. Het “spitsuurgezin” kan werken, sporten, recreëren, hobby’s en vrienden het makkelijkst combineren met de auto. Hierdoor neemt tevens het ‘kriskras verkeer’ in tijd en ruimte toe. Maar juist met veranderende vormen van stedelijke verdichting is het mogelijk om de dominantie van de auto toch terug te dringen. Dit komt de leefbaarheid, veiligheid en gezondheid in de stedelijke kernen ten goede. Het terugdringen van de auto in autoluwe en autovrije straten past bovendien bij de vergrijzende bevolking. Dit kan door maatregelen als het verbod op straat parkeren, het verhogen van de parkeerbelasting, het ombouwen van rijstroken tot busbaan, fietspad of groenstrook en het knippen van onnodig doorgaande wegen. Als praktisch handvat kan Meierijstad het STOMP mobiliteitsprincipe gebruiken (Stappen-Trappen-O openbaar vervoer-MaaS-Privéauto).

Met dit principe kan invulling worden gegeven aan duurzame mobiliteit waarin de mens centraal staat. STOMP onderscheidt verschillende soorten verplaatsingen in een gebied en hanteert voor de verplaatsingen een voorkeursvolgorde. Door functiemenging en compactheid ontstaan beloopbare gebieden (Stappen). Samen met fietsen (Trappen) zorgt dit voor gezonde en schone verplaatsingen voor de korte afstand. Voor langere afstanden zijn fiets (Trappen) en OV de schone en ruimte-efficiënte vervoersmogelijkheden. Mobility as a Service (MaaS) kan het gebruik van de wenselijke vervoersmogelijkheden vergemakkelijken en verder stimuleren. MaaS zorgt voor een slimme integratie van verplaatsingen over verschillende modaliteiten en daarmee hebben verplaatsingen via MaaS invloed op de verplaatsingen via S, T, O en P. De privéauto (P) geldt als sluitstuk in het STOMP-mobiliteitsprincipe. Of Meierijstad afscheid durft te nemen van “het recht van de sterkste” of zich al zeer vooruitstrevend vindt als men een enkele winkelstraat afsluit voor gemotoriseerd verkeer is aan de lokale politiek. Maar de winst in leefbaarheid, gezondheid en veiligheid is evident. Stedelijke verdichting en grondbesparende verdichting betekent niet per definitie gestapelde hoogbouw zoals velen denken. Er zijn ook andere vormen van verdichting dan hoogbouw.

239 Berlijn heeft nauwelijks hoogbouw maar de gemiddelde dichtheid ligt hoger dan in New York waar de hoogbouw domineert. Uitgaande van een woning van 100 m2 (BVO) vergt het Venetiaanse weefsel een oppervlakte van 30 m2, het Amsterdamse weefsel rond het Concertgebouw 50 m2, Parijs binnen de périphérique 100 m2, Oud-Zuid in Amsterdam 140 m2, Amsterdam binnen de ring 200 m2 en Amstelveen en Almere 1.400 m2 (inclusief de ruimte voor tuinen, straten, groen, water etc.). Parijs is, vanwege de consequent toegepaste Hausmann stijl met vijf tot zes verdiepingen, de meest dicht bebouwde stad van Europa. Daarmee heeft het gebied binnen de boulevard périphérique in Parijs ongeveer dezelfde oppervlakte als Amsterdam binnen de ringweg A10. Alleen telt Parijs drie keer zoveel inwoners zonder dat daar noemenswaardige hoogbouw voor nodig is. In het buitenland wordt met deze andere vormen van stedelijk weefsels, met een hoge mate van dichtheid, gebouwd. In Nederland is dat eerder uitzondering dan regel. Dit wordt verklaard omdat Nederland te maken heeft met de wet van de remmende voorsprong. Door onze Woningwet van 1901 en de nadruk op sociale woningbouw hebben we in de twintigste eeuw een beperkt aantal woningtypen – het rijtjeshuis, de portieketagewoning en de galerijflat – zo goed gemaakt dat ontwikkelaars en ontwerpers er steeds op terugvallen.

Dat is in Nederland fnuikend geweest voor het blijven hanteren van de historische kennis van stedelijke weefsels met een hoge mate van dichtheid, die de diversiteit van de stad versterken, en het blijven ontwikkelen van hedendaagse vormen van stedelijke verdichting die niet de nadelen hebben van torenflats.240 Als gevolg hiervan is het gemiddeld ruimtegebruik per persoon in vergelijking met andere Europese landen relatief hoog en is de binnenstedelijke dichtheid van de bebouwing lager dan in andere Europese steden.241

239

Mirjam Schöttelndreier, “Interview De Kloof. Architect Sjoerd Soeters over de woningbouw: ‘Hou op met dat stapelen in torenflats’”, in: De Volkskrant, 6

240

juni 2019; Vereniging Amsterdamse Binnenstad, Alternatief plan voor de Sluisbuurt. Interview met Sjoerd Soeters, Binnenstad 281, mei/juni 2017. Rudy Uytenhaak, Steden vol ruimte. Kwaliteiten van verdichting, Uitgeverij 0.10, Rotterdam, 2008

241

Kersten Nabielek, Sanne Boschman, Arjan Harbers, Maarten Piek en Auke Vonk, Stedelijke verdichting: een ruimtelijke verkenning van binnenstedelijk wonen en werken, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2012, blz. 46.

81

Nieuwbouwplannen met hoge dichtheden zonder hoogbouw op voorheen onbebouwde locaties bieden de mogelijkheid om bestaande gebieden te herontwikkelen en te transformeren. Ook de herstructurering en transformatie van bestaande gebieden, woningen en gebouwen (bijvoorbeeld leegstaande kantoorgebouwen en winkels) biedt kansen om meer woningen te creëren. Nog meer mogelijkheden voor stedelijke verdichting ontstaan als de vele, en soms de overmaat aan eengezinswoningen, getransformeerd worden tot woningen, studio’s en tiny appartementen voor de sterk groeiende groep eenpersoonshuishoudens. Ook is het mogelijk om de regelgeving zo aan te passen dat meerdere mensen een ruime eengezinswoning mogen delen (Friendsachtige woonvormen). Ook door het schrappen van de kostdelersnorm kan het blijven samenwonen gestimuleerd worden. Dit maakt een betere bezetting per woning mogelijk en minder nieuwbouw noodzakelijk. Bij het versterken van het stedelijk gebied past ook het verbeteren, vergroenen en meer circulair maken van de bestaande bedrijfsterreinen. In nagenoeg alle Nederlandse regio’s is er een mismatch in de vraag, het aanbod en de gevraagde kwaliteit van bedrijfsterreinen.

De enorme schaalvergroting in de logistiek is niet voorzien, er is veel aanbod op verkeerde plekken of in de verkeerde dimensies en er is meer behoefte aan gemengde interactiemilieus.242 Over het algemeen neemt de aantrekkelijkheid van monofunctionele bedrijfsterreinen af. Het sterker gaan differentiëren, verbeteren en specialiseren van de monofunctionele bedrijfsterreinen in Meierijstad kan de aantrekkelijkheid weer een positieve impuls geven. Door de schaalverkleining in het bedrijfsleven, digitalisering en verduurzaming is er bovendien een toenemende behoefte aan meer gemengde multifunctionele gebieden: centrumgebieden, gemengde woon-werklocaties, knooppuntlocaties, interactiemilieus, het combineren van detailhandel, horeca en dienstverlening in één ruimte (‘blurring’) en third places als koffiegelegenheden en dergelijke. ZZP’ers en kleine bedrijven werken steeds vaker thuis, in koffiezaken of op andere ontmoetingsplekken. Door de toenemende behoefte aan samenwerking en kennisdeling winnen werkplekken die goed met het openbaar vervoer te bereiken zijn aan populariteit. Zo bevindt bijvoorbeeld de werkgelegenheid in de Metropoolregio Amsterdam zich reeds grotendeels op informele werkmilieus.

En ook in Amsterdam is de grootste banengroei niet langer op monofunctionele en op functiescheiding gerichte bedrijventerreinen of kantoorlocaties maar in het centrum en in een aantal woonwijken.243

Een aantrekkelijke gemeente zijn en blijven voor bestaande en toekomstige inwoners Meierijstad wil over aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus beschikken voor de huidige en toekomstige inwoners. Dit maakt het mogelijk en waarschijnlijk dat er méér mensen naar Meierijstad verhuizen dan er inwoners verhuizen naar andere gemeenten. Met de krimpende beroepsbevolking wordt dat een majeure strategische opgave. Bij minder goede, aantrekkelijke en gevarieerde woon-, leef- en werkomgevingen zullen de inwoners met de voeten stemmen. Met als consequentie dat de krimp van de beroepsbevolking nog groter zal worden dan nu wordt geraamd voor de toekomst. Kan en wil Meierijstad voor jongeren, jong talent, kenniswerkers, starters op de woningmarkt en jonge gezinnen een wooncarrière bieden? Hoe gaat Meierijstad de arbeidsmigranten huisvesten? Wil Meierijstad aantrekkelijk blijven voor huidige bewoners of zich juist richten op nieuwe inwoners en toekomstige werknemers en nog sterker groeien? Daarbij heeft elke potentiële nieuwe inwoner (jongere, starter, kenniswerker, jong gezin, etc.) andere behoeften op het gebied van woon-, werk-, leefmilieus en voorzieningen (onderwijs, zorg, recreatie, cultuur, sport). Het is verstandig om zo veel mogelijk deze woonbehoeften van de verschillende groepen huidige en toekomstige bewoners te kennen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fb014dcf-9887-4320-82e0-f8bf17a08006