6a Onderbouwing wijziging omgevingsplan Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode
Tekst van het document
- 29 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
schuurtje bij de woning. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt hiermee in de nieuwe situatie 336 m2. d. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; Er vindt bij voorliggend initiatief geen sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing plaats. e. opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan. Er zal bij voorliggend initiatief geen sprake zijn van opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. f. detailhandel is niet toegestaan. Er is bij voorliggend initiatief geen sprake van detailhandel. g. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Nadere toetsing van de milieuhygiënische aspecten vindt plaats in hoofdstuk 5 van voorliggende onderbouwing. Zoals blijkt uit deze toetsing is bij voorliggend initiatief geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen als gevolg van de statische opslag. h. de nevenactiviteit 'statische opslag' leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. De statische opslag is beperkt van aard en leidt dan ook niet tot een onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van de naastgelegen percelen. i. de nevenactiviteit 'statische opslag' mag geen onevenredige publieksen/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
De statische opslag is beperkt van aard. De goederen behoeven slechts enkele keren per jaar verplaatsing. Er is hierdoor geen sprake van een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. j. de nevenactiviteit 'statische opslag' gaat gepaard met een gedegen landschappelijke inpassing middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag om afwijking van het bestemmingsplan; Zoals aangegeven wordt de ontwikkeling aangemerkt als een ontwikkeling in categorie 2. Door initiatiefnemer is opdracht verstrekt aan H8 Ontwerp voor het opstellen van het vereiste erfinrichtingsplan. Dit erfinrichtingsplan is als bijlage toegevoegd aan voorliggende onderbouwing. k. parkeren moet op het eigen terrein plaatsvinden. Parkeren geschiedt op eigen terrein. Er is ruim voldoende plek voor parkeren op het perceel aanwezig, zoals nader toegelicht in hoofdstuk 5.17 van voorliggende onderbouwing. Uit bovenstaande blijkt dat hiermee voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in Artikel 7.13 van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ voor het gebruik van het bestaande bijbehorende bouwwerk van 288 m2 bij de woning aan Ollandseweg 139 te Sint-Oedenrode voor statische binnenopslag.
- 30 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Conclusie De voorgenomen activiteit past binnen de kaders van het gemeentelijk beleid.
- 31 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
5.
Gemeente Meierijstad
Fysieke en milieuhygiënische aspecten
Bij het opstellen van een onderbouwing is het verplicht om inzicht te bieden in de wijze waarop bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. In dit hoofdstuk vindt per aspect een toetsing plaats en wordt beoordeeld of voor dit aspect sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
5.1
M.e.r.-beoordeling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMBrichtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het verschil tussen de formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling vervalt, maar de m.e.r.-plicht en de m.e.r.-beoordelingsplicht blijven als verschillende procedures bestaan. Ook is een gelijksoortige lijst met activiteiten (projecten) opgesteld zoals gold onderhet Besluit MER. Afhankelijk van de omvang en impact van het beoogde project kan de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling zijn dat een milieueffectrapport (MER) nodig is. Bij voorliggend initiatief is geen sprake van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Dit betekent dat er geen directe plan-m.e.r.-plicht of planm.e.r.-beoordelingsplicht is. Echter is er wel sprake van een project in de zin van de definitie uit de Omgevingswet. Hiervoor dient, als gevolg van artikel 11.6 van het omgevingsbesluit, een milieueffectrapport of m.e.r.- beoordeling opgesteld worden.
Of een besluit over een project project-m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het toevoegen van woningen valt onder “J11 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij het toelaten van woningen middels een afwijking van het omgevingsplan moet er dus een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden als de woningen onderdeel zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij voorliggend initiatief worden geen woningen toegevoegd. De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Op basis van
- 32 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
jurisprudentie (voordat de Omgevingswet van kracht werd) wordt de ontwikkeling niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject en is om die reden de wetgeving rond de milieueffectrapportage niet van toepassing en is het voornemen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Vanuit het aspect ‘m.e.r.-beoordeling’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.2
Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert voor de omgevingstypen de volgende omschrijving: Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.”
- 33 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Het projectgebied kan aangemerkt worden als omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In onderhavig hoofdstuk wordt de aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het projectgebied onderzocht. Aangegeven wordt welke afstanden uit de VNG brochure van toepassing zijn en getoetst wordt of hieraan kan worden voldaan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of ter plaatse van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Milieuzonering ten opzichte van het projectgebied In onderstaande tabel zijn de hindercontouren van de bedrijfsmatige functies binnen een straal van 250 meter van het projectgebied aangegeven. De hindercontouren komen voort uit de voor de bedrijfsmatige functies van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende functie) rust tot de gevel van de naar burgerwoning om te zetten agrarische bedrijfswoning. Bedrijf
richtafstand in meters
afstand
id
adres
bestemming - functie
geur
stof
geluid
gevaar
feitelijk
1.
Ollandseweg 118
Agrarisch IV - varkens
200
30
50
0
160 m.
2.
Bobbenagelseweg 3A
Agrarisch - rundvee
100
30
30
0
105 m.
3.
Bobbenagelseweg 10A
Bedrijf - houtbewerking
0
30
100
0
230 m.
4.
Ollandseweg 129
Agrarisch - rundvee
100
30
30
0
195 m.
Figuur 5.1: Overzicht en toetsing richtafstanden.
Uit figuur 5.1 volgt dat voor nagenoeg alle omliggende bedrijven wordt voldaan aan de genoemde richtafstanden ten opzichte van de naar burgerwoning om te zetten agrarische bedrijfswoning binnen het projectgebied. Enkel voor het varkensbedrijf aan Ollandseweg 118 wordt niet voldaan aan de richtafstand van 200 meter voor het aspect ‘geur’. In hoofdstuk 5.3 van voorliggende onderbouwing vindt een nadere toetsing aan het aspect ‘geur’ plaats. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur afkomstig van het varkensbedrijf aan Ollandseweg 118. Milieuzonering ten aanzien van het projectgebied Middels voorliggend initiatief wordt de bestaande (agrarische) bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Deze ontwikkeling wordt niet gezien als een milieubelastende activiteit, zodat deze geen hinder veroorzaakt naar de omgeving toe. Daarnaast worden middels het plan een bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsloods ingezet ten behoeve van statische opslag in de vorm van caravanstalling. Opslaggebouwen hebben een milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid, binnen het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De daadwerkelijke afstand van de bedrijfsloods tot aan de
- 34 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
dichtstbijzijnde woning van derden bedraagt 45 meter. Hiermee is er geen sprake is van hinder en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.3
Geur De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering; ➢ Er binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant of het gemeentelijk omgevingsplan, Belemmering bedrijfsvoering omliggende bedrijven Zoals blijkt uit de toetsing in hoofdstuk 5.2 van voorliggende onderbouwing wordt enkel voor het varkensbedrijf aan Ollandseweg 118 niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect ‘geur’. De varkenshouderij aan Ollandseweg 118 dient v.w.b. de individuele (voorgrond)belasting te voldoen aan de geurnorm van 14,0 ou/e op omliggende burgerwoningen. In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere geurgevoelige objecten (GGO’s) in de vorm van burgerwoningen aanwezig, die tussen het projectgebied en varkenshouderij aan Ollandseweg 118 in liggen.
Deze burgerwoningen zijn maatgevend voor de vraag of de varkenshouderij aan Ollandseweg 118 belemmerd worden. Voor de varkenshouderij aan Ollandseweg 118 geldt dat de reeds bestaande burgerwoningen aan Ollandseweg 131, 133 en 137 de maatgevende objecten zijn voor de uitbreidingsruimte van het bedrijf in zuidelijke richting. De varkenshouderij aan Ollandseweg 118 wordt dan ook niet beperkt in haar gebruiks- dan wel ontwikkelmogelijkheden als gevolg van de omzetting van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Woon- en leefklimaat Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) is de achtergrondbelasting voor wat betreft geur in kaart gebracht. Figuur 5.2 geeft een uitsnede van de geurkaart met daarop het projectgebied weergegeven. De achtergrond-
- 35 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
belasting geur ter plaatse van de woning en de tuin bedraagt 3 tot 7 ouₑ/m³ en ter plaatse van de voor statische opslag te handhaven loods 7 tot 13 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat binnen het projectgebied als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting (achtergrondbelasting) kan dan ook worden aangemerkt als goed tot redelijk goed. Binnen het projectgebied wordt hiermee de norm voor de achtergrondbelasting van 20 ouₑ/m³ niet overschreden.
projectgebied
Figuur 5.2: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (bron: ODZOB).
Conclusie Vanuit het aspect ‘geur’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.4
Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen worden onderstaand stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor
- 36 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom de planlocatie bevinden zich een tweetal varkenshouderijen en een pluimveehouderi. De PM10 (endotoxine) emissie van deze bedrijven zijn weergegeven in figuur 5.3. Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande formules worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.
Richtafstand
Feitelijke
endotoxine
afstand
Vleesvarkens: 130 kg. PM10/jaar
61 m.
220 m.
Vleeskuikens: 789 kg. PM10/jaar
173 m.
430 m.
Vleesvarkens: 130 kg. PM10/jaar
61 m.
830 m.
Id
Adres
Type bedrijf
1.
Ollandseweg 118
2.
Ollandseweg 142
3.
Erica 1
Figuur 5.3: Richtafstanden Endotoxine.
Voor de omliggende bedrijven gelden de richtafstanden, zoals opgenomen in figuur 5.3. De afstanden gelden vanaf het emissiepunt afkomstig uit de Kernregistratie Dierenverblijven (KRD) tot de meest dichtbij gelegen gevel van de naar burgwoning om te zetten agrarische bedrijfswoning. Zoals blijkt uit figuur 5.3 wordt voor alle omliggende bedrijven ruimschoots voldaan aan de richtafstand voor endotoxine. 2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 5.3 van voorliggende onderbouwing heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Aannemelijk is dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur.
- 37 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk worden gesteld op respectievelijk 5,0 ouₑ/m³ voor de voorgrond en 10,0 ouₑ/m³ voor de achtergrond. Op basis van de toetsing in hoofdstuk 5.3 blijkt dat ter plaatse van de woning de achtergrondgeurbelasting 3 tot 7 ouₑ/m³ bedraagt, waarmee voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 ouₑ/m³. Gezien deze waarde voor de achtergrond en de grote afstand tot de meest dichtbij gelegen intensive veehouderij, is aannemelijk dat ook aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5 ouₑ/m³ voor de voorgrond wordt voldaan. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het (gemengd) houden van dieren. 5.
Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; a. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich een tweetal geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden op de locaties Pastoor Smitsstraat 55 en Schootsedijk 47. Voorliggend initiatief betreft het omzetten van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Er wordt daarmee géén nieuw gevoelig object opgericht. Daarnaast neemt het aantal blootgestelden op de planlocatie als gevolg van voorliggend initiatief niet toe.
- 38 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
b. Pluimveehouderijen Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer rondom het projectgebied bevindt zich een pluimveehouderij aan Ollandseweg 142 op ruim 400 meter afstand van de woning binnen het projectgebied. c. Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies. Op ca. 195 meter van het projectgebied bevindt zich een melkveehouderij aan Ollandseweg 129. Daarnaast is op ca. 105 meter van het projectgebied een vleeskalverenbedrijf gelegen aan Bobbenagelseweg 3A. 6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7.
De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid Voorliggend initiatief voorziet niet in het houden van dieren en leidt daarmee niet tot een toenemende onrust over de volksgezondheid. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er voor Stap 5a, Stap 5b en Stap 5c specifieke omstandigheden aan de orde zijn. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft een afweging van de gemeente Meierijstad. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het stappenplan is bedoeld om situaties te toetsen waarin sprake is van (nieuwe) gevoelige objecten en/of veehouderijen. Met de beoogde omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning vinden feitelijk geen wijzigingen plaats waarmee het aantal blootgestelden toeneemt binnen het projectgebied. Met het plan vindt geen wijziging plaats die het aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Ons inziens is een
- 39 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
GGD advies derhalve niet doelmatig. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft ten alle tijden een afweging van de gemeente Meierijstad. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Op 12 september 2018 heeft de gemeente nadere invulling gegeven aan de maatwerkaanpak voor woningbouwinitiatieven in de omgeving van geitenhouderijen. De insteek hierbij is een zorgvuldige afweging van belangen aan de hand van een maatwerkaanpak. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn immers telkens anders. Het gezondheidsbelang staat in de afweging voorop. Dit belang dient te worden afgezet tegen belangen van volkshuisvestelijke, sociale, financiële en economische aard. Samengevat betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪
Conform het collegeprogramma wordt waar mogelijk medewerking verleend aan kleinschalige woningbouwprojecten. Daaronder wordt hier verstaan de oprichting van maximaal 11 woningen op één locatie. Bij voorliggende ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. Hiermee wordt geen woningen toegevoegd.
▪
Bij zowel kleine als grootschalige ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij. Uitgangspunt is dat in principe geen medewerking wordt verleend aan bouwplannen die de bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij verkleinen. Uitzondering hierop moet mogelijk blijven indien er sprake is van een verwaarloosbare verkleining van de bestaande afstand. Het gezondheidsrisico dat nieuwe bewoners lopen, mag niet groter zijn dan de risico’s bij personen die nu al nabij een geitenhouderij wonen. De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden vooralsnog aanvaard. Binnen een straal van 2 kilometer van het projectgebied bevinden zich geen geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie.
▪
Er zal binnen een straal van 2.000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet worden meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken. Te denken valt hierbij aan een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang. Niet van toepassing. Voorliggend initiatief is niet gelegen binnen een straal van 2.000 meter rondom een geitenhouderij.
- 40 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
▪
Gemeente Meierijstad
Sluitstuk van de maatwerkaanpak is een verplichting vanuit de gemeente om initiatiefnemers actief te informeren over de risico’s die kunnen voorvloeien uit het bouwen van woningen binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij. Op basis daarvan kunnen de initiatiefnemers hun eigen afweging maken over het al dan niet doorzetten van hun plannen. Voorliggend initiatief leidt niet tot het bouwen van woningen binnen een straal van 2.000 meter rondom een geitenhouderij.
Conclusie Vanuit het aspect ‘volksgezondheid in relatie tot veehouderijen’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.5
Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving Het projectgebied is niet gelegen in een aandachtsgebied. Toetsing aan de omgevingswaarden kan achterwege blijven indien de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Een aantal veelvoorkomende activiteiten draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Voor de volgende activiteiten geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in artikel 5.54 grenzen aan. Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10).
De activiteit draagt in dat geval per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Het gaat om: ▪ Woningen. ▪ Kantoren. ▪ Een combinatie van woningen en kantoren. ▪ Het telen van gewassen. ▪ Het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement. De definitieve beëindiging van het agrarische bedrijf, de omzetting van bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van statische opslag leidt niet
- 41 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan valt binnen een van de standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde. Woon- en leefklimaat Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het projectgebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Het plan maakt de omzetting van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk, waarmee sprake is van een gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het projectgebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM zoals opgenomen in figuren 5.4 t/m 5.6.
Figuur 5.4: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron: geodata.rivm.nl)
Figuur 5.5: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron: geodata.rivm.nl)
- 42 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Figuur 5.6: GCN-kaart RIVM stikfstofdioxide NO2 (bron: geodata.rivm.nl)
De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het projectgebied ligt tussen de 16-18 μg/m3 (PM10) en de 8-10 μg/m3 (PM2,5). De wettelijke normen bedragen 40 μg/m3 (PM10) en 25 μg/m3 (PM2,5) en op basis van de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant 31,2 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het projectgebied ligt tussen de 10-15 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. De conclusie is dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect ‘luchtkwaliteit’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.6
Geluid Het Rijk beschermt personen die ergens wonen tegen geluid. Om die reden wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving gebouwen met een woonfunctie meestal aan als geluidgevoelige gebouwen met daarin geluidgevoelige ruimten. Overheden passen deze instructieregels voor geluidgevoelige gebouwen toe bij het uitvoeren van hun wettelijke taken zoals het opstellen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl).
- 43 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Weg- en spoorweglawaai Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai moet worden uitgevoerd indien middels het plan geluidgevoelige ruimten worden opgericht en of deze gelegen zijn in een geluidaandachtgebied. In de huidige situatie is sprake van een reeds bestaand geluidgevoelig object. De gehele woning is reeds in gebruik ten behoeve van de woonfunctie. Er worden middels het initiatief geen nieuwe woonfuncties dan wel nieuwe geluidgevoelige ruimten toegevoegd. Een akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Industrielawaai Voor wat betreft het industrielawaai ter plaatse van het projectgebied afkomstig van de bedrijven die rondom het projectgebied gelegen zijn, wordt zoals aangegeven in figuur 5.1 voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden. Daarnaast zal het woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid in de woning verbeteren omdat de (agrarische) bedrijfsactiviteiten op de locatie verdwijnen. De caravanstalling zal ten aanzien van geluid minder invloed hebben op het woonen leefklimaat in de woning. Zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning dienen te worden beschermd tegen geluidhinder afkomstig van andere bedrijven. De omzetting van bedrijfs- naar burgerwoning brengt hierin geen verandering.
Voor industrielawaai hoeft er voor deze ontwikkeling daarom geen onderzoek uitgevoerd te worden Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.7
Trillingen Het aspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Als gevolg van voorliggend initiatief is geen sprake van het ontstaan van nieuwe trillingen die worden veroorzaakt in een trillingevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Conclusie Vanuit het aspect ‘trillingen’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
- 44 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
5.8
Gemeente Meierijstad
Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Als gevolg van voorliggend initiatief krijgt een gedeelte van de gronden binnen het plangebied de bestemming ‘Wonen’. Dit betreft een gevoeliger gebruik. Er moet worden bepaald of de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Gezien de gewenste herbestemming van (een deel van) de het projectgebied naar ‘Wonen’ en het eerdere agrarische gebruik van de locatie is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk. Aan Milieupartner B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het projectgebied.
Dit onderzoek is vervolgens aangevuld met een verkennend asbestonderzoek. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende onderbouwing. De conclusie van het onderzoek is hieronder samengevat opgenomen en luidt als volgt:
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies te Sint-Oedenrode heeft Milieupartner BV een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Ollandseweg 139 te Sint-Oedenrode (gemeente Sint-Oedenrode, sectie P, nummers 846 en 847 (gedeeltelijk)). Het verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging met asbest van de bodem terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem.
- 45 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.200 m². Hiervoor is, in verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten, de onderzoeksstrategie verdachte locatie (VED-HE) aangehouden. Tijdens het locatiebezoek zijn in de bedrijfsloods een bovengrondse dieselolietank en een bestrijdingsmiddelenopslag aangetroffen. Deze zijn derhalve (gecombineerd) onderzocht conform de strategie VEP. Op basis van de, tijdens het uitgevoerde verkennend onderzoek, aangetroffen bodemvreemde bijmengingen is de hypothese gesteld dat de locatie rond het woonhuis verdacht is met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging (strategie VED-HE, NEN 5707 en NEN 5897). De veldwerkzaamheden zijn op 23 augustus en 4 september 2024 uitgevoerd door de heer A.W. (Anne) van Eijkeren en de heer D.K.J. (Didier) van de Giessen, beiden bij Bodemplus erkend veldwerker en medewerkers van Milieupartner BV. Het grondwater is op 4 september 2024 bemonsterd door de heer A.W. (Anne) van Eijkeren, bij Bodemplus erkend veldwerker en medewerker van Milieupartner BV. Resultaten verkennend bodemonderzoek De bodem ter plaatse is opgebouwd uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Plaatselijk is in de ondergrond een sterk zandige leemlaag aangetroffen. De bovengrond is over het algemeen zwak humeus.
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn asbestverdachte bijmengingen aangetroffen op het maaiveld en in de opgeboorde grond. De bovengrond (tot circa 1,0 m-mv) is over het algemeen zwak tot uiterst puinhoudend. Derhalve is vervolgens een verkennend asbestonderzoek verricht. Bovengrondse dieseltank De resten baksteenhoudende bovengrond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank (monster 1.1) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De bovengrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater ter plaatse (Pb01) is niet verontreinigd met minerale olie of BTEXN. Bestrijdingsmiddelenopslag De zintuiglijk als schoon beoordeelde bovengrond ter plaatse van de bestrijdingsmiddelenopslag (monster 4.1) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De bovengrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater ter plaatse (Pb01) is niet verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).
- 46 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Overig terrein De resten tot zwak baksteen-, glas-, beton- en/of puinhoudende bovengrond (MM1 bg) is tot boven de achtergrondwaarde verontreinigd met minerale olie en PAK (10 VROM). De bovengrond ter plaatse kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse industrie. Zowel de sporen tot zwak baksteenhoudende bovengrond (MM2 bg) als de resten baksteenhoudende ondergrond (MM3 og) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Op basis van de analyseresultaten worden deze bodemlagen geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater ter plaatse (02) is tot boven de streefwaarde verontreinigd met barium. Dergelijke licht verhoogde gehaltes aan barium komen vaker in het grondwater voor en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Volgens de Omgevingswet dienen door het bevoegd gezag toetsingswaarden te worden aangeleverd voor de toetsing van het grondwater. Aangezien nog geen toetsingswaarden bekend zijn, zijn de resultaten getoetst aan de oude toetsing conform Botova. Resultaten verkennend asbestonderzoek De locatie is onderzocht als een voor de aanwezigheid van asbest verdachte locatie, heterogeen verontreinigd (strategie VED-HE). Tijdens de maaiveldinspecties is geen asbestverdacht (plaat-) materiaal aangetroffen op het maaiveld.
De oorspronkelijk bovengrond ter plaatse bestaat uit zwak siltig, zwak humeus, matig fijn zand. Ter plaatse zijn plaatselijk sporen tot uiterst baksteen aangetroffen. Daarnaast is plaatselijk een halfverharding van puin aangetroffen. Uit de resultaten blijkt dat zowel in het puingranulaat (mmAB1) als in de puinhoudende bovengrond (mmAB2) een totaal gewogen asbestgehalte van <2 mg/kg d.s. is gemeten. De aangetoonde gehaltes blijven derhalve onder de detectielimiet. Conclusies en aanbevelingen Met het verkennend bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie vastgelegd. De puinhoudende bovengrond (MM1) is niet geheel vrij van verontreinigingen. De gehaltes bevinden zich echter onder de indexwaarde voor nader onderzoek. Het overige terrein en het grondwater zijn niet (noemenswaardig) verontreinigd met de onderzochte parameters. Uit het verkennend asbestonderzoek ter plaatse blijkt dat geen sprake is van een asbestverontreiniging waarvoor nader asbestonderzoek noodzakelijk is.
- 47 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaan derhalve, op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’
Conclusie Vanuit het aspect ‘bodem’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.9
Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
- 48 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
projectgebied
Figuur 5.7: Uitsnede Signaleringskaart-EV (bron: nl.ev-signaleringskaart.nl)
Beschouwing risicobronnen Met behulp van de Signaleringskaart-EV is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het projectgebied. In figuur 5.7 is een uitsnede van de signaleringskaart opgenomen, met daarop het projectgebied aangemerkt. Uit de signaleringskaart blijkt dat door het projectgebied de hogedruk aardgasleiding Z-544-01 heen loopt. Verder is de locatie niet gelegen in de directe nabijheid van risicovolle inrichtingen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit artikel 5.18 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat een buisleiding een belemmeringengebied heeft, gemeten vanuit het hart van de buisleiding van 4 meter als door de buisleiding aardgas wordt vervoerd met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa. Uit artikel 5.19 Bkl volgt dat het binnen het belemmeringengebied niet is toegestaan om (zeer) kwetsbare gebouwen op te richten. Tevens dient te worden gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het oprichten van bouwwerken en activiteiten die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding.
- 49 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Werkzaamheden binnen deze zone mogen alleen op basis van een omgevingsvergunning met instemming van de Gasunie plaats vinden. Bij HD-aardgasleidingen wordt het maatgevend scenario gevormd door een beschadiging van de transportleiding. Hierdoor komt gas vrij, dat na ontsteking een fakkelbrand vormt met een grote warmtestraling tot gevolg. De omgeving betreft een zeer dun bevolkt gebied waardoor kan worden aangenomen dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 keer de oriëntatie-waarde. Gelet hierop kan worden volstaan met een beperkte verantwoording waarbij alleen wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid. Verantwoording groepsrisico Beoordeling bestrijdbaarheid Het relevante scenario i.r.t. het plangebied is een fakkelbrand. Bij HD-aardgasleidingen wordt het maatgevend scenario gevormd door een beschadiging van de transportleiding. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd.
De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Als de buisleiding is afgesloten kunnen de hulpverleningsdiensten zich richten op het redden van slachtoffers en het blussen van secundaire branden. Tot die tijd zijn de bewoners op zichzelf aangewezen. Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan via de Ollandseweg de andere kant op worden gevlucht. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt en neemt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet toe. Advies Veiligheidsregio Zowel de bestaande woning als de nieuwe woning liggen in het brandaandachtsgebied van de gasleiding. Zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning
- 50 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
dienen te worden beschermd tegen gevaar. Echter de omzetting van bedrijfsnaar burgerwoning brengt geen verandering in het beschermingsniveau met zich mee. De bestemmingswijziging leidt dan ook niet tot een wijziging van het risicoprofiel. Het aantal mensen blijft gelijk. De gevolgen en bestrijdbaarheid van een incident blijven ook onveranderd. Wij zien vanuit dit perspectief geen belemmeringen voor dit initiatief. Conclusie Vanuit het aspect ‘omgevingsveiligheid’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.10
Spuitzones In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen enerzijds gevoelige bestemmingen (zoals woningen) en anderzijds percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Hierbij komen uit jurisprudentie de volgende aandachtspunten naar voren: ▪ ▪ ▪ ▪
Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt? Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt? Wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen? Wat is de overheersende windrichting?
Het projectgebied is niet gelegen nabij locaties waar teelt van gewassen plaatsvindt waar spuitzones met gewasbeschermingsmiddelen van toepassing zijn. Tevens is er geen sprake van de realisatie van een nieuwe gevoelige functie (de bedrijfswoning wordt een burgerwoning) zodat er geen sprake is van een toename van het aantal potentieel blootgestelden. Conclusie Vanuit het aspect ‘spuitzones’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.11
Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van omgevingsplannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is
- 51 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn (dus geen aangetoond oorzakelijk verband) dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van zowel kinderen als volwassenen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij zowel kinderen als volwassenen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 microTesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden.
Uit deze kaart blijkt dat het projectgebied op een ruime afstand van circa 5 kilometer van de meest dichtbij gelegen hoogspanningslijn is gelegen, buiten de indicatieve zone. Conclusie Vanuit het aspect ‘hoogspanningslijnen’ is er hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.12
Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het projectgebied zijn volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Het initiatief betreft de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning. Middels het plan is geen sprake van nieuwe aansluitingen. Hiermee vinden er dan ook geen bodemingrepen plaats als gevolg van het initiatief. Mocht initiatiefnemer toch besluiten om grondwerkzaamheden te verrichten, dan dienen voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden de aanwezige kabels en leidingen middels een KLIC-melding in kaart te worden gebracht. Conclusie Vanuit het aspect ‘kabels en leidingen’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
- 52 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
5.13
Gemeente Meierijstad
Flora en fauna In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 janauri 2024 opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit op een nader te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt geen sloop van bebouwing plaats waarin beschermde soorten gehuisvest kunnen zijn. Hiermee zijn er geen directe of indirecte negatieve effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de algemene zorgplicht geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). Handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, blijven achterwege.
Voor de activiteit hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van ca. 9 kilometer van het projectgebied. Daarnaast maakt het projectgebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het projectgebied is daarnaast niet gelegen in de directe nabijheid van gebieden die behoren tot het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het meest nabijgelegen NNB gebied betreft het kruiden- en faunarijk grasland gelegen op ruim 250 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Middels het plan wordt de agrarische bedrijfsbestemming definitief beëindigd. De bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. De definitieve beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten leidt in de nieuwe situatie tot een vermindering van licht en geluid. Het planvoornemen leidt hiermee niet tot significante gevolgen voor dit NNBgebied.
- 53 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. Aanlegfase De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Hierbij vinden geen bouwactiviteiten plaats. Als onderdeel van het plan wordt de achterop het perceel gelegen tunnelkas verwijderd. Deze werkzaamheden zijn zeer beperkt van omvang en zullen enkel met handgereedschap worden uitgevoerd. Hiermee is voor de aanlegfase van voorliggend initiatief een stikstofdepositieberekening niet noodzakelijk. Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd en wordt omgezet naar burgerwoning. Er worden middels het plan geen woningen toegevoegd. Het aantal verkeerbewegingen voor wat betreft de woning blijft gelijk.
Daarnaast wordt middels het plan bij de woning statische binnenopslag mogelijk gemaakt in de bestaande voormalige agrarische bedrijfsloods. Het betreft hier goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. In een worst-case scenario wordt uitgegaan van 5 extra verkeersbewegingen met licht verkeer per etmaal als gevolg van deze statische binnenopslag. Voor de berekening van de stikstofdepositie in de gebruiksfase wordt uitgegaan van een worst-case scenario waarin het aantal verkeersbewegingen toeneemt met 5 stuks. Het verkeer rijdt vanaf het projectgebied over eigen weg richting de Ollandseweg, de lengte van de rijlijn bedraagt ca. 153 meter. Wanneer het verkeer op de Ollandseweg komt, is het uitgangspunt dat het verkeer van en naar het plan opgenomen is in het heersende verkeersbeeld. Berekening Op basis van bovenstaande gegevens m.b.t. de verkeersbewegingen is middels het programma AERIUS Calculator 2024.0.1 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende onderbouwing.
- 54 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. Conclusie Vanuit het aspect ‘flora en fauna’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.14
Water Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. In hoofdstuk 4.3.2 van voorliggende onderbouwing is het beleid van waterschap De Dommel nader beschreven. Omdat bij voorliggend initiatief het totaal verhard oppervlak in het projectgebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling met minder dan 500 m2 toeneemt, is het gemeentelijk beleid voor hydrologisch neutraal ontwikkelen van toepassing. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering.
De gemeente Meierijstad acht hierbij ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 compenserende maatregelen benodigd. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.
Figuur 5.9: Uitgangspunten hemelwater bij nieuwbouw (bron: PWR Meierijstad 2022-2026).
- 55 -
‘Goede onderbouwing fysieke leefomgeving Ollandseweg 139 Sint-Oedenrode’
Gemeente Meierijstad
Nadere uitwerking wateropgave Middels voorliggend initiatief wordt de bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. Als onderdeel van het plan wordt de bestaande achterop het perceel gelegen tunnelkas met een oppervlakte van 477 m2 verwijderd. Er wordt verder middels het plan geen nieuwe bebouwing opgericht. Er is hiermee dan ook sprake van een lichte afname van het verhard oppervlak. De afvoer van huishoudelijk afvalwater vindt plaats via het drukrioolsysteem. Regenwater wordt in de huidige en toekomstige situatie verwerkt op eigen terrein. Compensatie is niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect ‘water’ is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies.