CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

1b. BP Veghels Buiten Noordoost - Toelichting en regels

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en kwaliteitshandboek 'Veghels Buiten Noordoost'33.870 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Figuur 4.9 Overzicht beoordeling spuitzones met relevant percelen, clusters globaal rood aangegeven

Voor de beoordeling van de locatiespecifieke situatie is in dit onderzoek gebruikt gemaakt van het EFSA rekenmodel. Ondanks de uitspraak van de Raad van State d.d. 19 oktober 2022 is voor de beoordeling van de blootstellingsrisico’s in dit onderzoek het EFSA model gehanteerd. Daarnaast is in het onderzoek ook ingegaan op mogelijke andere maatregelen ter beperking c.q. voorkoming van driftblootstelling. In dit locatiespecifieke onderzoek is uitgegaan van het gebruik van voor de gezondheidsrisico’s representatieve gewasbeschermingsmiddelen die voor omliggende gewassen zijn toege-

13

SPA WNP Woningbouw Veghels Buiten Noordoost Locatiespecifiek onderzoek spuitzone, d.d. 30 juni 2023

Hoofdstuk 4

76

laten en de wijze van toepassen daarvan. Er is, in lijn met de planologische mogelijkheden voor perceel 839, voor alle percelen uitgegaan van een opwaartse toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Gelet op de uitspraak van de Raad van State is zorgvuldigheidshalve ten opzichte van agrarische percelen waarop het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten een spuitzone van 50 meter aangehouden. Binnen deze zone is in beginsel geen langdurig verblijf toegestaan. Figuur 4.10 toont de spuitzones van 50 meter en de overlapping met de woonclusters in Veghels Buiten Noordoost.

Figuur 4.10 Aandachtspunten spuitzones Veghels Buiten Noordoost (bron: BRO)

Hoofdstuk 4

77

Wel is in het bestemmingsplan het mogelijk gemaakt om via een afwijkingsbevoegdheid toch woningen en andere functies waarbij langdurig verbleven kan worden te staan onder nadere voorwaarden. Het gaat hierbij om zowel driftreducerende maatregelen die nu en in de toekomst kunnen worden toegepast (zoals opgaand groen, afspraken met agrariër over spuiten, verwerving van gronden, uitsluiten van chemische gewasbeschermingsmiddelen, etc.) als om aanpassingen in de wet- en regelgeving (incl. mogelijke acceptatie van een rekenmethode). Het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid is te verantwoorden omdat er – op basis van het onderzoek waarbij gebruik gemaakt is van het EFSA rekenmodel – ten aanzien van de nieuwe driftgevoelige bestemming in het plangebied, een spuitzone van minimaal 10 meter wordt geadviseerd. Op basis van de beoogde eindsituatie betekent dit, dat ten opzichte van kadastrale percelen 216, 217,389, 323 en 1301 aan de geadviseerde spuitzone voldaan kan worden. Ten opzichte van perceel 712 kan er niet voldaan worden, uitgaande van een afstand van 0 meter tussen het perceel en de clusters ‘Gehucht A’ en ‘Buitenhof D’. Ten opzichte van perceel 712 is het niet mogelijk te voldoen aan een spuitzone van 10 meter en toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is – bij gelijkblijvende parameters – niet mogelijk.

Dit onderzoek gebruiken we om de uitvoerbaarheid van de opgenomen afwijkingsbevoegdheid die toeziet op het realiseren van woningen binnen de worst-case aan te houden spuitzone van 50 meter te verantwoorden. Het onderzoek is op dit moment nog niet geschikt om rechtstreekse bouwtitels voor woningbouw te kunnen verantwoorden, maar geeft een scala aan mogelijkheden om in de toekomst wel woningbouw ter plaatse te kunnen afwegen mits daarvoor de juiste maatregelen getroffen worden en/of de methode voor het aantonen van een kleinere effectieve spuitzone valide is. Op basis van het onderzoek zijn driftgevoelige functies op de beoogde locatie mogelijk in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen binnen spuitzones uitgesloten. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waar dergelijke functies onder nadere voorwaarden toch afweegbaar zijn. Hierdoor worden de bedrijfsvoeringen en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarisch ondernemers niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.4.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering niet zorgt voor belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). Normaal gesproken hebben de geurnormen die opgenomen zijn betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 Wgv. De normen uit de Wgv kunnen echter worden gebruikt in het kader van toevoeging van geurgevoelige objecten in de buurt van reeds aanwezige veehouderijen. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Bij de toepassing van de omgekeerde werking moeten twee zaken worden aangetoond:

Hoofdstuk 4

78

 

Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad.

Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gebiedsgerichte geurverordening Veghels Buiten De inmiddels vervallen Geurverordening van de voormalige gemeente Veghel bood ruimte voor maatwerk in gebieden waar stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen gemengd voorkomen.

Voor onder andere het gebied Veghels Buiten golden afwijkende geurnormen en een halvering van de vaste afstanden tot veehouderijen. Aangezien betreffende Geurverordening is vervallen is er in 2023 een nieuwe gebiedsgerichte geurverordening vastgesteld (d.d. 2 november 2023). In deze verordening is maatwerk mogelijk gemaakt voor wat betreft geurnormen en vaste afstanden die worden gehanteerd tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, een en ander in afwijking met het wettelijk kader (artikelen 3 en 6 van Wgv) maar in afstemming met de ruimte die in dit wettelijk kader wordt gegeven voor afwijken van de standaardnormstelling. Het gebied Veghels Buiten wordt gekenmerkt door kleinere en grotere bebouwingsclusters. Deze clusters zijn omgeven door agrarische gronden en/of door groen/water. Er is dan ook geen sprake van een harde komgrens van de kern Veghel. Vanwege het gemengd voorkomen stedelijke ontwikkelingen en agrarische bedrijfsvoeringen binnen Veghels Buiten is het wenselijk om te komen tot maatwerk. Allereerst gaat het bij dit maatwerk om het toestaan van een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object van 5 ouE/m 3 binnen het gebied ‘Veghels Buiten’.

Met deze norm wordt aansluiting gezocht op de provinciale normstelling uit de Interim Omgevingsverordening, waar 10 ouE/m³ als maat voor de achtergrondbelasting binnen de bebouwde kom als aanvaardbaar wordt geacht. Deze waarde komt wat hinderbeleving overeen met een voorgrondbelasting van 5 ouE/m³, vandaar dat deze waarde als maximale waarde toegepast is. Ten tweede gaat het om een halvering van de vaste afstanden tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen het gebied ‘Veghels Buiten en Randzone’ (zie figuur 4.11).

Hoofdstuk 4

79

Figuur 4.11 Werkingsgebied gebiedsgerichte geurverordening

4.5.2 Onderzoek Vanwege de ligging van veehouderijen in en in de omgeving van het plangebied is een geuronderzoek veehouderijen uitgevoerd door De Roever.14 In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied:  wordt voldaan aan de afstandseisen;  de voorgrondbelasting op zijn hoogst 7,3 ouE/m³ bedraagt;  de achtergrondbelasting op zijn hoogst 7,4 ouE/m³ bedraagt.

14

De Roever, Onderzoek geurhinder veehouderijen Veghels Buiten noordoost, d.d. 26 september 2023

Hoofdstuk 4

80

Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 100 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 7,3 ouE/m³ op het uiterste puntje van het plangebied. Op alle overige plaatsen is de geurbelasting lager en kan worden gesteld dat sprake is van een ‘redelijk goed’ tot ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat kan aanvaardbaar worden geacht. Omdat een geurnorm van 5 ouE/m³ geldt worden in het bestemmingsplan geen woningen mogelijk gemaakt binnen de geurcontour van 5 ouE/m³. De achtergrondbelasting van maximaal 7,4 ouE/m³ komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval. De voorgrondbelasting is maatgevend. Ter plaatse van de te ontwikkelen percelen tussen het Melven en de Erpseweg heerst in een klein gedeelte van de beoogde Kloosterbuurt een hogere voorgrondbelasting dan de op basis van de geurverordening geldende 5 ouE/m³, als gevolg van de veehouderij aan de Erpseweg 5, dit is weergegeven in figuur 4.12.

Omdat in dit deel de voorgrondbelasting hoger dan de helft van de achtergrondbelasting is, is de voorgrondbelasting maatgevend voor het bepalen van het woon- en leefklimaat.

Figuur 4.12 Aandachtspunt geur Veghels Buiten Noordoost (bron: BRO)

De Provinciale Interim Omgevingsverordening hanteert 10 ouE/m3 als maat voor de achtergrondbelasting binnen de bebouwde kom. Dat komt wat betreft hinderbeleving overeen met een voorgrondbelasting van 5 ouE/m³. In de huidige bedrijfsvoering wordt aan deze norm voldaan. Vanwege de vergunde situatie komt een deel van het woongebied Klooster B binnen de 5 ouE/m3 te liggen. Binnen deze contour zijn geen geurgevoelige objecten toegestaan.

Hoofdstuk 4

81

Door het in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Meierijstad opgenomen maatwerk ontstaat de mogelijkheid dat zowel ontwikkelingen in de woningbouwsfeer als het kunnen blijven exploiteren van agrarische bedrijven kunnen plaatsvinden zonder dat deze functies elkaar onevenredig hinderen. 4.5.3 Conclusie Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn enkele watertransportleidingen vanuit Brabant Water gelegen. Langs deze leidingen gelden belemmeringenzones waarbinnen beperkingen voor diverse vormen van grondgebruik van toepassing zijn. Deze zones zijn op de verbeelding en in de regels opgenomen. Op een afstand van circa 4,7 en 4,8 kilometer van het plangebied bevinden zich twee hoogspanningslijnen. Gelet op de ruime afstand tot deze hoogspanningslijnen zorgt de aanwezigheid van betreffende hoogspanningslijn geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. Het aspect kabels en leidingen zorgt niet voor belemmeringen. De aanwezige aardgasleiding wordt separaat beschouwd in navolgende paragraaf (4.7 Externe veiligheid).

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen

Hoofdstuk 4

82

grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek Quickscan externe veiligheid Voor het plangebied is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd door Kragten.15 In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Transport over het water en het spoor De planlocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg Aan de west- en noordzijde van het plangebied grenst het plangebied aan de N616. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet weg. Uit de externe veiligheidskaart risicobronnen Veghel (beschikbaar gesteld door de opdrachtgever) blijkt dat over deze weg sprake is van het transport van LF1-, LF2- en GF3-stoffen. Voor deze weg is op genoemde kaart geen PR10-6-risicocontour of PAG aangeduid. Uit de vuistregels van de HART volgt dat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief hoeft te worden bepaald aangezien het groepsrisico lager is van 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Wel ligt een deel van de geprojecteerde buurten binnen het invloedsgebied van GF3-stoffen.

De risico’s gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de N616 (BLEVE-scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording. Deze risico’s zijn meegenomen in de beperkte verantwoording, zie paragraaf 4.7.3. Inrichtingen Binnen het plangebied is een LPG-tankstation aanwezig. Het betreft “BP Veghel” gelegen aan de Udenseweg 3 te Veghel. Aangezien het invloedsgebied van deze inrichting 150 meter bedraagt, liggen geprojecteerde woningen binnen het invloedsgebied van dit tankstation. Om de invloed van het

15

Kragten, Quickscan externe veiligheid Veghels Buiten Noordoost, d.d. 28 september 2023

Hoofdstuk 4

83

plan op de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk te maken dient een berekening uitgevoerd te worden met behulp van het rekenprogramma Safeti-NL. De risico’s als gevolg van inrichtingen dienen meegenomen te worden in een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. Hoogte groepsrisico LPG-tankstation Door Kragten is er een rapportage hoogte groepsrisico LPG-tankstation opgesteld.16 In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De planlocatie is deels gelegen binnen de invloedsgebieden van het LPG-tankstation (zie figuur 4.13) waardoor de hoogte van het groepsrisico ten gevolge van het LPG-tankstation dient te worden bepaald.

Figuur 4.13 Ligging invloedsgebieden LPG-tankstation ten opzichte van plangebied

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in het groepsrisico in de beoogde situatie niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. De normwaarde bedraagt in beide situaties 0,76 [-]. In de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten en 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Binnen het plangebied worden geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd, maar wel kwetsbare objecten (woningen). Gebleken is dat de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied op circa 120 meter van het reservoir liggen, waardoor voldoende afstand tussen kwetsbare objecten en inrichting behaald wordt. In artikel 13 van het Bevi is bepaald dat een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico verplicht is ten aanzien van het vaststellen van een bestemmingsplan. Voor de uitgebreide verantwoordingsplicht groepsrisico wordt verwezen naar paragraaf 4.7.3.

16

De verantwoording groepsrisico (Hoogte groepsrisico LPG-Tankstation d.d. 30 augustus 2023) is onderdeel van: Kragten, Quickscan externe veiligheid Veghels Buiten Noordoost, d.d. 28 september 2023

Hoofdstuk 4

84

Buisleidingen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico te bepalen dient een berekening uitgevoerd te worden met behulp van het rekenprogramma CAROLA. Tevens dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (fakkelbrandscenario) te worden meegenomen in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Hogedruk aardgasleidingen Vanwege de ligging van twee hogedruk aardgasleiding in of in de nabijheid van het plangebied, is door Kragten een onderzoek externe veiligheid buisleidingen 17 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Onderzocht is of de nabijgelegen hogedruk aardgasleidingen een belemmering vormen voor de planontwikkeling. Tevens is bepaald welke effecten de plannen hebben op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10 -6-risicocontour van een buisleiding. Een deel van de geprojecteerde functies binnen het plangebied liggen binnen het invloedsgebied van buisleiding Z-542-01-deel-1.

De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Aangezien er nog geen sprake is van een concrete verkaveling, is - in overleg - ervoor gekozen om variantberekeningen te maken waarbij alle functies die via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt zijn zoals de school, kinderopvang, sporthal en gezondheidscentrum (met uitzondering van de woningen) ofwel binnen de 100% letaliteitsafstand liggen of binnen de 1% letaliteitsafstand. Op grond van de regelgeving is het ook toegestaan om kwetsbare groepen binnen de 100% letaliteitszone toe te staan. Wanneer de plannen voor de niet-woonfuncties concreter worden zal rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Uit deze berekeningen blijkt dat in de huidige situatie geen groepsrisico wordt berekend. In de toekomstige situatie is bij beide varianten sprake van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planvorming leidt in beide gevallen tot een toename van het groepsrisico van buisleiding Z-542-01-deel-1. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoording voor de hogedrukaardgasleidingen.

Voor de beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico wordt verwezen naar paragraaf 4.7.3. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de Veiligheidsregio. 4.7.3 Verantwoording groepsrisico In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd wanneer en op welke wijze

17

Kragten, Externe veiligheid buisleidingen Veghels Buiten Noordoost, d.d. 28 september 2023

Hoofdstuk 4

85

de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord. Kragten heeft een notitie18 opgesteld welke invulling geeft aan de verantwoordingsplicht. Voor de volledige notitie wordt verwezen naar de bijlagen. 4.7.4 Advies Veiligheidsregio De rapportages externe veiligheid zijn door de Veiligheidsregio Brandweer Brabant Noord beoordeeld. Het advies van de Advies Veiligheidsregio en beperkte verantwoording groepsrisico is hieronder kort omschreven. Het volledige advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in de bijlagen.

Scenario’s De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn een BLEVE en een fakkelbrand. Fakkelbrand Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tot de fakkelbrand, zie onderstaande figuur.

Figuur 4.14 Slachtoffer- en schadebeeld scenario fakkelbrand

BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen of door een hoge mechanische impact de tankwand verzwakt en deze bezwijkt . Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tot de fakkelbrand, zie onderstaande figuur.

18

Kragten, Verantwoording Hoogte Groepsrisico Veghels Buiten Noordoost, d.d. 11 oktober 2023

Hoofdstuk 4

86

Figuur 4.15 Slachtoffer- en schadebeeld scenario BLEVE

De kans op dit soort incidenten is erg klein als gevolg van de beperkte vervoersfrequentie van brandbare gassen over provinciale wegen en veiligheidsmaatregelen rondom het transport van gevaarlijke stoffen Beoordeling zelfredzaamheid Voor beide scenario's is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. De bewoners kunnen o.a. m.b.v. NLAlert of andere social media worden geïnformeerd en geïnstrueerd worden wat te doen bij een incident. Er is geen specifieke informatie over de inrichting voor handen en er kan om deze reden nog geen oordeel worden gegeven over de vluchtmogelijkheden. Gezien de aard van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende tot goed is. Voor de via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakte school geldt … Beoordeling bestrijdbaarheid Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd.

De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden waardoor personen aanwezig binnen de 1e en 2e ring binnen deze tijd op zichzelf zijn aangewezen. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is slecht. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. Het is voor de brandweer niet mogelijk om binnen dit tijdsbestek in voldoende bluswater te voorzien om een tank effectief te koelen De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. Advies Uit de beoordelingen volgt dat het beste ingezet kan worden op verminderen van de gevolgen van een incident en het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid.  Door de woningen in het invloedsgebied verder van de risicobronnen af te projecteren neemt de impact op de woningen af.  Door de gevels en daken van de woningen in het invloedsgebied uit te voeren in niet-brandbare materialen neemt het risico op het ontstaan van secundaire branden af.

Hoofdstuk 4

87

Richt het invloedsgebied zo in dat men automatisch van de risicobronnen af vlucht.

4.7.5 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen. Het advies van de veiligheidsregio wordt meegenomen in de verdere uitwerking.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Hoofdstuk 4

88

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Door BRO is een quickscan flora en fauna19 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 13. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevinden zich op circa 18,6 kilometer afstand van het projectgebied.

Alle overige in Nederland gelegen Natura 2000-gebieden zijn gelegen op een afstand van 20 kilometer of meer van de planlocatie. De dichtstbijzijnde buitenlandse Natura 2000-gebieden zijn gebieden die gelegen zijn in Duitsland. Deze gebieden zijn allemaal gelegen op afstanden groter dan 30 kilometer van de planlocatie.

19

BRO, Quickscan flora en fauna Veghels Buiten Noordoost, d.d. 1 september 2022

Hoofdstuk 4

89

Afhankelijk van de uitkomsten van een effectbeoordeling voor deze gebieden moet mogelijk naar gebieden op grotere afstand gekeken worden. Indien significante negatieve effecten voor deze gebieden uitgesloten kunnen worden, dan kunnen effecten op de overige gebieden gezien de veel grotere afstand tot de planlocatie eveneens uitgesloten worden. Dit tenzij gebieden op grotere afstand zijn aangewezen voor habitattypen met een grotere gevoeligheid. Dit laatste is hier niet het geval. AERIUS-berekening Daar de voorgenomen ontwikkeling de aanleg van een nieuwe wijk betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Er dient te worden bepaald of als gevolg van het initiatief significant negatieve effecten m.b.t. stikstof op nabijgelegen Natura2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd door Kragten20. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 16a. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt.

Het onderhavige plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vanwege deze verstoringsfactor niet aan de orde is. Voortoets Natura 2000 Ten behoeve van deze planontwikkeling en gegeven de ligging van de planlocatie ten opzichte van in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden, is het in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk om een voortoets op te stellen. Hierin wordt beoordeeld of eventuele negatieve effecten van de storingsfactoren op de kwaliteit (instandhoudingsdoelen) van beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten kunnen worden uitgesloten. Er is een Voortoets Natura 2000 uitgevoerd door Kragten21. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 16b. Met de voortoets is inzichtelijk gemaakt dat de beoogde woningbouwontwikkeling Veghels Buiten Noordoost geen (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft.

Hiermee is het plan, in het kader van het onderdeel gebiedsbescherming vallend onder de Wet natuurbescherming, niet vergunning plichtig. Verdere vervolgstappen om planrealisatie mogelijk te maken (zoals het uitvoeren van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming) zijn dan ook niet aan de orde. NNB Het plangebied is deels gelegen binnen het NNB (zie figuur 3.3). In het zuiden ligt een perceel NNB, bestaande uit bos en grasland. In het oosten van het plangebied, ter hoogte van Het Melven, is tevens een klein stukje NNB te vinden in de vorm van opgaand groen. De oostgrens van het plangebied grenst tevens tegen het NNB. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities veranderen, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB worden aangetast. 20 21

Kragten, Stikstofdepositie onderzoek Veghels Buiten Deelgebied Noordoost, d.d. 30 april 2024 Kragten, Voortoets Natura 2000 Ontwikkeling Veghels Buiten deelgebied Noordoost, d.d. 7 september 2023

Hoofdstuk 4

90

Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt noodzakelijk geacht. Middels een effectenanalyse dient beoordeeld te worden welke negatieve effecten het plan kan hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Brabant binnen en rond het plangebied. Door BRO is een Effectenanalyse NNB22 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 15. De ontwikkeling vindt gedeeltelijk plaats binnen het NNB. Een deel van het NNB is foutief begrensd en dient te worden herbegrensd. Het betreft circa 12.230 m 2 NNB. Hiervoor is geen compensatie aan de orde. Er wordt aan de Erpseweg een strook NNB verwijderd voor de aanleg van een ontsluitingsweg en verkeersmaatregelen. De te herbegrenzen oppervlakte is circa 2.787 m 2 groot. Het bosgebied is meer dan 25 jaar oud en daarom geldt een compensatiefactor van x1⅔. De compensatieopgave voor de fysieke aantasting van het NNB betreft daarmee 4.627 m 2. De compensatie kan zowel fysiek als financieel (€ 11,31 / m2) worden uitgevoerd. De regels staan beschreven in artikel 3.15-3.24 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In dit geval kan redelijkerwijs gebruik worden gemaakt van de kleinschalige herbegrenzing (artikel 3.21). Er is gekozen voor het financieel compenseren van de NNB.

Uit de effectenbeoordeling blijkt dat er mogelijk een toename aan verstoring is door enkele effecten. Volgende zaken dienen nader onderzocht of uitgewerkt te worden:  Een verlichtingsplan dient te worden opgesteld waarbij een toename aan verlichting op het NNB groter dan 0,1 lux wordt voorkomen. Waar dit niet mogelijk is dient de oppervlakte NNB waar deze toename plaatsvindt te worden gecompenseerd met een factor 1/6. Het opstellen van een verlichtingsplan is voorwaardelijk verplichtend opgenomen in de planregels voor de randzone (eerste 25 meter vanuit de grens van het NNB).  Bij de externe effecten kan als alternatief voor compensatie ook gekozen worden om het bedrag in te zetten voor mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld door in het bos aanvullende revitaliserende maatregelen te treffen.  De omvang en vorm van compensatie, indien aan de orde, wordt verwerkt in een compensatieplan. Toetsing Houtopstand Op de groene kaart van de gemeente Meierijstad staan de groenstructuren weergegeven welke onderdeel uitmaken van een houtopstand. Binnen het plangebied zijn houtopstanden gelegen. Het is nog niet bekend welke van de binnen het plangebied gelegen houtopstanden worden verwijderd. Indien een of meer van deze houtopstanden gekapt worden is het noodzakelijk een kapmelding in te dienen bij de provincie Noord-Brabant. Deze bomen dienen te worden herplant.

Indien de herplant op andere grond plaatsvindt is hiervoor een ontheffing noodzakelijk. Toetsing soortenbescherming Vogels Bij werkzaamheden binnen het plangebied bestaat de kans dat er een nest van buizerd, sperwer of ransuil verloren gaat of verstoord raakt. Door voorgenomen plannen zal foerageergebied voor deze

22

BRO, Effectenanalyse NNB, d.d. 8 mei 2024

Hoofdstuk 4

91

soorten verdwijnen, waardoor deze nesten hun functionaliteit kunnen verliezen. Nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of de twee nesten in gebruik is door een van deze soorten. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is. Met de voorgenomen plannen bestaat de kans dat er essentieel leefgebied verloren gaat van de steenuil. Door het verdwijnen van essentieel leefgebied kan een nestplaats mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of het plangebied deel uit maakt van een territorium van steenuil. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoer van de voorgenomen plannen sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gewerkt. De woning aan de Udenseweg 7b, binnen deelgebied Van Schie, heeft een zadeldak belegd met dakpannen. Het kan niet worden uitgesloten dat er huismussen aanwezig zijn onder het dak. De ruimten onder het dak zijn bereikbaar via de opening tussen de regengoot en de eerste rij dakpannen. Indien deze woning wordt gesloopt is huismusonderzoek noodzakelijk.

Binnen de opstallen zijn geen sporen, zoals braakballen of krijtsporen, aantroffen die wijzen op gebruik door een uilensoort. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Vleermuizen De woning Udenseweg 7b en de kas in het noordwesten van het plangebied hebben geen mogelijke rust- en verblijfplaatsen voor de vleermuis, negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van vleermuizen kunnen bij de sloop van de woning en kas worden uitgesloten. Bij het kappen van de laanbomen bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Te kappen bomen dienen vooraf te worden gecontroleerd op potentiele verblijfplaatsen voor vleermuizen en hun functie als vliegroute. Daarnaast dient licht gericht of uitstralend op het opgaand groen binnen en rond het plangebied te worden vermeden, om verstoringen en overtredingen met betrekking tot foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen te voorkomen.

Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied zijn negatieve effecten op het essentiële leefgebied van wezel, hermelijn bunzing, steenmarter en das niet op voorhand uit te sluiten Er zal een vervolgonderzoek moeten plaatsvinden om te bepalen of wezel, bunzing, hermelijn of steenmarter in het plangebied voorkomen. De das is aanwezig in de bossen ten oosten van het plangebied. Een vervolgonderzoek zal moeten plaats vinden voor het gebruik van het mogelijk dassenhol in het noordwesten van het plangebied. Daarnaast dient een compensatieplan te worden opgesteld ten behoeve van het leefgebied van de das. Amfibieën De voorgenomen plannen kunnen mogelijk een afname van voorplantingshabitat van de Alpenwatersalamander veroorzaken. Voor de Alpenwatersalamander zal er en vervolgonderzoek op aanwezigheid moeten worden gedaan bij de sloten die worden gedicht.

Hoofdstuk 4

92

Resumé soortenbescherming Maatregelen ten behoeve van de beschermde soorten dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vervolgonderzoek Door BRO is een Ecologisch vervolgonderzoek23 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 14. In figuur 4.16 zijn de bevindingen en aandachtspunten uit de ecologische onderzoeken gevisualiseerd. Roofvogels, Amfibieën, Marterachtigen Een overtreding van de Wet Natuurbescherming met betrekking tot deze soorten roofvogels, amfibieën en marterachtigen is met voldoende zekerheid uitgesloten. Steenuil Direct ten westen van het plangebied zijn 3 territoria van steenuilen aangetroffen. Hoewel het individu van het meest noordelijke territorium is waargenomen binnen het plangebied, ligt het zwaartepunt van de waarnemingen binnen het territorium ter hoogte van De Haag 13. De omgeving van deze woning en de Beukelaar wordt gekenmerkt door kleinschalige percelen met struwelen, ruigten en opgaand groen. Er zijn veel landschapselementen die goed aansluiten op het leefgebied van de steenuil.

Binnen het plangebied zijn deze eigenschappen vrijwel niet aanwezig, gezien het voornamelijk uit grootschalige akkers bestaat. De beperkte groenstructuren worden niet door geschikt habitat omringd, en zijn daardoor niet van belangrijke waarde. Deze blijven daarnaast behouden. Negatieve effecten op de steenuil kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarnaast zal binnen de nieuwe ontwikkeling een groene mal tussen de wijken worden aangehouden, waarbinnen ingezet wordt op kleinschalige natuurontwikkeling. Hierbij zal worden ingezet op een robuust semi-agrarisch en/of natuurlijk landschap, met struwelen, weides, boomgaarden, akkers, voedseltuinen, wadi’s en vloeivelden. Hiermee zal in de toekomstige situatie meer leefgebied voor de steenuil gerealiseerd. Vleermuizen De bomenrijen binnen het plangebied dienen allen als vlieg- en foerageerroutes voor grote aantallen gewone dwergvleermuis. Daarnaast maken enkele laatvliegers (<5) gebruik van deze vliegroutes. In alle gevallen betreffen de bomenrijen tevens de kortste vliegroute tussen de bebouwingskern ten westen van het plangebied en het bosgebied ten oosten van het plangebied. Alle mogelijke alternatieve vliegroutes zullen voor een veel grotere vliegafstand zorgen. Hierdoor kan ervan uit worden gegaan dat deze vliegroutes essentieel zijn. De bomenrijen welke als vliegroutes dienen, worden gehandhaafd.

Voor vleermuizen geldt dat er maximaal een opening van 7 meter tussen bomen van een vliegroute aanwezig mag zijn. Indien hierbij een openingen wordt gemaakt van meer dan 7 meter binnen een van de bomenrijen dienen maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen. Middels een verlichtingsplan dienen negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen te worden vermeden. Hiermee kan een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort worden uitgesloten. In de planregels zijn hiertoe nadere regels opgenomen.

23

BRO, Vervolgonderzoek flora en fauna, d.d. 2 december 2022

Hoofdstuk 4

93

Overige soorten Andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst. Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval. Dassen Het gebruik van het plangebied door de das is in kaart gebracht. Hieruit is gebleken dat de das gebruik maakt van het plangebied en er zijn binnen en in de directe omgeving van het plangebied meerdere sporten van de das aangetroffen. Hieruit kan worden opgemaakt dat het plangebied functionaliteit biedt voor de das. Met de voorgenomen ontwikkelingen zal het plangebied deze functionaliteit deels verliezen. Om dit verlies te compenseren zullen er gronden binnen en in de directe omgeving van plangebied worden ingericht om dit verlies aan functionaliteit te compenseren.

Compensatieplan das De maatregelen die worden genomen om functionaliteit binnen de toekomstige situatie te garanderen zijn vastgelegd in een dassenplan. Dit is opgenomen in bijlage 23. Binnen dit compensatieplan zijn de maatregelen en compensatiegronden opgenomen. Door het nemen van maatregelen kunnen optredende negatieve effecten met betrekking tot de das gemitigeerd worden. De maatregelen in het dassenplan bestaan enerzijds uit maatregelen die noodzakelijk zijn om de functionaliteit van het leefgebied in zijn geheel te borgen, anderzijds uit maatregelen die daar bovenop nog kunnen leiden tot een extra kwaliteitswinst. Maatregelen die genomen dienen te worden tijdens de werkzaamheden (zoals fasering in tijd en ruimte en het voorkomen van verstoring van de dassenpijpen) worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. De inrichtingsmaatregelen om de functionaliteit van het leefgebied van de dassen te kunnen waarborgen worden in onderstaande tabel weergegeven. Het treffen van de inrichtingsmaatregelen binnen het plangebied is door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd (aanduiding ‘overige zone – ecologie 1’ op de verbeelding)

Hoofdstuk 4

94

Tabel 4.7: inrichtingsmaatregelen om de functionaliteit van het leefgebied van dassen te kunnen waarborgen

Noodzaak

Maatregel

Compensatie secundair foerageergebied (verlies van 72,5 ha secundair foerageergebied en 4,5 ha primair foerageergebied)

Opwaarderen en toegankelijk maken van 41.65 ha in de omgeving van het plangebied

Zorgen voor dekking en verbinding

Aanleg van struwelen, hagen en houtwallen binnen plangebied en compensatiegebieden; creëren schuilplaatsen voor de das.

Tegengaan verkeersslachtoffers

Aanbrengen faunapassages, geleidend groen en snelheidsremmende maatregelen in de ontsluitingsweg.

Tegengaan verstoring dassenpijpen

Maatregelen opnemen binnen ecologisch werkprotocol.

Behouden rust rond de burchten en foerageergebieden

Inpassing van landschap afstemmen op voorkomen verstoring; verlichting aanpassen binnen toekomstige leefgebied; opstellen verlichtingsplan.

Hoofdstuk 4

95

Figuur 4.16 Aandachtspunten ecologie Veghels Buiten Noordoost (bron: BRO)

Hoofdstuk 4

96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=8d54ae2c-607f-442b-9fc6-28414e2e7877