14 EXTERN Pilot Erfmolens
Tekst van het document
agrarische
de
beplanting (bomen) aanwezig,
bebouwingslinten,
overheerst.
agrarische bedrijven zijn verplaatst
De
Hollandse
zijn vrijwel
agrarische bedrijven waar
weidevogelgebied. Bij Gorinchem
Op
erven
In de Alblasserwaard
is
Alblasserwaard Hart.
Agrarische
20-24
ensemble
bergboezems
en
UNESCO-werelderfgoed. deel
de traditionele
en
schuren
en
stallen
op
ligt een kuilplaats.
erven
is zo'n
als
tot 17
12
beplanting hoger
grote
een
meter
varieert er
van
6
grote bomen
staan.
omgeven.
(geano im se rd)
(geanonimise rd)
(geanonimise rd)
(geanonimise rd)
(geano im se rd) (geanonimise rd)
(geanonimise rd)
Figuur 3.2b | Drie en
soorten
Brandwijksedijk (midden)
bebouwingslinten: en
het
de oudere
bebouwinglinten Graafdijk-west (links)
ruilverkavelingslint Middenpolderweg (rechts).
32
3. 2. 2.
Bevindingen – beeldverhaal
Erfensemble voorbeelderf Het voorbeelderf is een erf gelegen in een oud bebouwingslint, waar relatief veel woningen tussen de boerderijen liggen (zie figuur 3. 2c) . Dti erf is naar achteren uitgebreid met een nieuw bouwblok over het water.
Figuur 3. 2d | Locatie van het voorbeelderf , streepje duidt de locatie van de doorsnede.
Figuur 3. 2e | Schets van het voorbeelderf met daarin de hoogten van bebouwing en beplanting.
Figuur 3. 2c | Foto van het voorbeelderf (bron Google Streetview) .
33
Uitwerking basisprincipes Als we de drie basisprincipes (werkhypotheses) voor dit erf toepassen (zie figuur 3. 2f) , dan betekent dat in deze situatie: »
Basisprincipe 1: Turbine maximaal 2x de tiphoogte van het hoogste object. Voor dit erf betekent dat de hoogte van de
Basisprincipe 1
beplanting maatgevend is. D e hoogste bomen zijn zo’n 15 meter, de hoogste bebouwingis bijna 9 meter hoog . Maximale tiphoogte zou maximaal 30 meter kunnen zijn. »
Basisprincipe 2: Hoe breder het ensemble, hoe hoger de windturbine kan zijn. Dti is een groot, diep erf, dit zou ruimte voor een windturbine hoger dan 30
Basisprincipe 2
meter tiphoogte kunnen geven. »
Basisprincipe 3: Gaat over de maximale afstand waarop de windturbine nogals onderdeel van het ensemble wordt opgevat (maximaal op 1x de tiphoogte) .
Basisprincipe 3
Figuur 3. 2f | Verbeelding van de drie basisprincipes voor dit voorbeelderf.
34
WIN3D visualisaties Verschillende typen en hoogtes windturbines in het erfensemble In WIN3Dis de windturbine achteraan op het
achterste deel van het voorbeelderf geplaatst, wat g ezien de windrichting , de beplantingen de functies van het erf, de meest logsiche plek lijkt. In figuur 3. 2g zijn de verschillende typen windturbines
EAZ - 15 m ashoogte, 21 m tiphoogte
gevisualiseerd.
WES - 24 m ashoogte, 34 m tiphoogte
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
35
WES - 30 m ashoogte, 40 m tiphoogte
Best Watt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 2g | Verschillende typen windturbines van verschillende hoogtes op het voorbeelderf.
DW54
- 40
m
ashoogte, 67 m tiphoogte
36
Turbinepositie ten opzichte van erf en bouwblok In figuur 3. 2h geeft een serie visualisaties bij een erf met nogniet bebouwd bouwblok. Hierbij zijn een windturbine van 25 meter ashoogte en een windturbine van 30 meter ashoogte eerst op de achterkant van het bestaande erf geplaatst, en in een volgend beeld op de achterkant van het nogniet
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte op achterkant erf
bebouwde bouwblok.
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte op achterkant bouwblok
BestWatt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte op achterkant erf
Figuur 3. 2h | Positie van de windturbine ten opzichte van het erf/ bouwblok. BestWatt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte op achterkant bouwblok
37
Meerdere erven met een kleine windturbine op het erf In deze veenweidepolder liggen de agrarische bedrijven in een lint. In de oude (dubbele) bebouwingslinten) liggen minder agrarische bedrijven en is relatief veel woonbebouwing . In de ruilverkavelingslinten liggen de bedrijven op ruime afstand van elkaar en eventuele van woning en van derden. In figuur 3. 2i geeft een uitsnede van de bestemmingsplankaart dat duidelijk weer. Voor de plaatsingvan windturbines op een erf maakt dit verschil: een windturbine moet voor woning en van derden aan de geluidsnormen voldoen. In een lint met veel woonbebouwingkan het lastigzijn een windturbine binnen het bouwblok te plaatsen. een
Figuur 3. 2i | Uitsnede bestemmingsplankaart - mix van wonen (geel) en agrarische bedrijven (lichtgroen) bij Graafdijk-west (paars zijn niet-agrarische bedrijven)
Hoe ziet het landschap eruit als meerdere bedrijven
kleine windturbine plaatsen? (Zie figuur 3. 2j) In figuur 3. 2k geven de afbeeldingen het een
beeld als op ieder erf hetzelfde type windturbine staat in de situatie van het ruilverkavelingslint (Middelpolderweg,) de positie van de ‘foto’ is vanaf de in het lint. D e afbeeldingen in figuur 3. 2l geven de blik op het dichter bebouwde lint van Graafdijk-west vanaf een wegdwars op het lint. weg
Figuur 3. 2j | Locatie van de in WIN3D gevisualiseerde kleine windturbines (rode stippen) . Links Graafdijk-west Molenaarsgraaf, rechts Middenpolderweg Streefkerk.
38
EAZ - 15 m ashoogte, 21 m tiphoogte
Filmpje over BestWatt windturbines met een ashoogte van 25 m. BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
Filmpje over verschillende windturbines.
BestWatt - 30 m, ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 2k | Wanneer bij meerdere bedrijven een windturbine staat – Middenpolderweg Streefkerk (beeld positie vanuit het lint)
39
EAZ - 15 m 21 m ashoogte, 21 m tiphoogte
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
BestWatt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 2l | Wanneer bij meerdere bedrijven een windturbine staat – Graafdijk-west Molenaarsgraaf (beeldpositie kijkend op het lint vanuit het noorden) .
40
Bevindingen n. a. v. de WIN3D-visualisaties
D e referentieturbine EAZ wordt in de praktijk
voldoende afstand tot woningen van derden. D e windturbine wordt dan het liefst zo ver mogelijk naar achteren op het bouwblok geplaatst. D e bouwblokken variëren in diepte en daarmee
ook al veel in dit gebied gezien. D eze voegt zich goed naar het erf en het landschap. D at heeft te maken met de kleur van de mast (groen) , de
komen dus ook de windturbines op wisselende posities ten opzichte van het lint te staan. D at wordt als onrustigof rommeligervaren.
Over de hoogte en type van de windturbine »
»
»
kleine houten rotor en de beperkte hoogte. Een windturbine van 25 meter ashoogte (30 meter tip) lijkt zich nogte passen bij dit type erf en in dit landschap.
Over windturbines bij meerdere erven in relatie tot landschap en oriëntatiepunten »
(of hoger) gaat concurreren met de
Tweewiekers worden in dit landschap als vreemd en industrieel ervaren. Bij een driewieker is dat minder.
grotere landschappelijke structuren, de
bebouwingslinten en wegbeplantingen. D e hogere windturbines stijgen letterlijk boven het
Over de positie ten opzichte van het erf/ bouwblok »
Landschappelijk g ezien is het g ewenst dat de windturbine op het erf staat. Als de windturbine
landschap uit en lijken een nieuwe tijdlaagte vormen. »
op de
achterkant van het lege bouwblok staat, wordt dat als onrustigof rommelingervaren als vanaf een zijwegnaar de achterkant naar het bebouwingslint wordt g ekeken. Vanaf de
»
voorkant, vanaf de wegis de windturbine weinig zichtbaar. D e ligging van de agrarische bedrijven in het oude bebouwingslint levert een lastige situatie op. D e afstand die nodig is om aan de geluidsnormen te voldoen, vraagt om
Een windturbine van 30 meter ashoogte
Kleine windturbines tot 15 meter ashoogte passen bij de fijnmazigheid van het oude bebouwingslint. In de ruilverkavelingslinten is de maat en schaal van het erf en de ruimte tussen de erven en de wegbeplantingsteviggenoeg windturbines tot 25 meter ashoogte. Meerdere windturbines van 25 meter zijn duidelijk aanwezigin het landschap. Met voor
»
in relatie tot waardevolle gebieden (bijv. Kinderdijk, oude lintbebouwing , kerken) vraagt dat aandacht. name
41
3. 3.
Voorbeeld Polder Vierambacht | Droogmakerijenlandschap
3. 3. 1. Kenmerken van Polder Vierambacht Landschappelijke waarden Polder Vierambacht (zie figuur 3. 3a) is een droogmakerij met een duidelijke begrenzingen wordt gekenmerkt door een grootschalig , rechthoekig en agrarisch karakter met melkveehouderij en akkerbouw. D e Vierambachtspolder wordt door de opgaande beplanting en langs de doorgaande wegen opgedeeld in kleinere ruimtelijke eenheden. D e overgangtussen veenweide en droogmakerij is veelal abrupt door het grote hoogteverschil. In het zuidelijk deel van de polder heeft Alphen aan den Rijnwoning en gebouwd, dus daar wordt de ruimte begrensd door de stadsrand. Ter Aar heeft aan de oostkant van de polder gebouwd. D e oudere bebouwing ligt langs de rand van de polder langs de wetering/ ringvaart. Later zijn ook midden in de polder agrarische bedrijven g evestig d. Het samenhang end systeem van watergangen is nog steeds een belangrijke karakteristiek van het gebied. Polder Vierambacht maakt deel uit van het Groene Hart. Op de rand van de Polder staan nogenkele
traditionele windmolens.
Figuur 3. 3a | Kenmerkende landschappelijke structuren in de Polder Vierambacht (het voorbeeldgebied omvat het omcirkelde gebied) .
42
Agrarische erven In de polder zijn melkveehouderijbedrijven (relatief meer aan de randen) en akkerbouwbedrijven actief (meer in het middengebied) . D e erven variëren in grootte. D e hoeveelheid en omvang van de bebouwing
de agrarische erven is divers. Afhankelijk van de functie zien we veestallen, schuren en kassen. op
D e hoogte is vrij beperkt, tot ongeveer 12 meter . D e
langs de dijk zijn vaak naar achteren uitgebreid en vanuit de polder zijn de grote stallen en schuren duidelijk zichtbaar. Erfbeplanting is relatief beperkt tot een of meerdere erven
bomen, meestal voor op het erf. D e bomen zijn over het algemeen niet hoog, ongeveer 8 meter en maximaal zo’n 10-12 meter. Achter op het erf is meestal beplanting. D e erven liggen in het lint aan de dijk, of midden in de polder (zie figuur 3. 3b) geen
Figuur 3. 3b | Ligging van agrarische erven in het bebouwingslint of vrij liggend in de polder.
43
3. 3. 2.
Bevindingen – beeldverhaal
Erfensemble voorbeelderf Het voorbeelderf is een erf van een melkveehouderijbedrijf gelegen aan de ringvaartdijk. Het erf ligt zo’n 3, 5 meter lager dan de dijk (zie figuur 3. 3c) .
Figuur 3. 3d | Ligging van het voorbeelderf , streepje duidt de locatie van de doorsnede.
Figuur 3. 3e | Schets van het voorbeelderf met daarin de hoogten van bebouwing en beplanting
Figuur 3. 2c | Foto van het voorbeelderf (bron Google Streetview) .
44
Uitwerking basisprincipes D e drie basisprincipes toepassen op dit erf (zie ook figuur 3. 3f) , levert deze uitgangspunten op: »
»
Basisprincipe 1: Turbine maximaal 2x de tiphoogte van het hoogste object. Voor dit erf betekent dat de hoogte van de beplanting maatgevend is. D e hoogste bomen zijn zo’n 12 meter, de hoogste bebouwingis 11 meter
Basisprincipe 1
hoog . Maximale tiphoogte zou maximaal 24 meter kunnen zijn. Basisprincipe 2: Hoe breder het ensemble, hoe hoger de
»
windturbine kan zijn. Dti is een gemiddeld erf. Basisprincipe 3: Gaat over de maximale afstand waarop de
Basisprincipe 2
windturbine nogals onderdeel van het ensemble wordt opgevat (maximaal op 1x de tiphoogte) . Dti principe hebben we niet in WIN3Dgevisualiseerd voor
deze polder.
Basisprincipe 3
Figuur 3. 3f | Verbeelding van de drie basisprincipes voor dit voorbeelderf.
45
WIN3D visualisaties Verschillende typen en hoogtes windturbines in het erfensemble In WIN3Dis de windturbine achteraan op het
achterste deel van het erf geplaatst, wat gezien de windrichting , de beplanting , de dijk en de functies van het erf, de meest logsiche plek lijkt. D e afbeeldingen in figuur 3. 3g laten verschillende
EAZ - 15 m ashoogte, 21 m tiphoogte
typen windturbines met verschillende hoogtes zien bij
dit voorbeelderf.
WES - 24 m ashoogte, 34 m tiphoogte
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
46
WES - 30 m ashoogte, 40 m tiphoogte
Best Watt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 3g | Verschillende typen en hoogtes windturbines bij het erf. (de DW54 is niet gevisualiseerd vanwege de zeer nabijgelegen woonbebouwing van Woubrugge)
47
Meerdere erven met een kleine windturbine op het erf In deze droogmakerij liggen de agrarische bedrijven in een lint langs de dijk. Een afwisseling van agrarische bedrijven en woonbebouwing . Zie de uitsnede van de bestemmingsplankaart in figuur 3. 3h. Bij de plaatsingvan windturbines op een erf moeten deze voor woningen van derden aan de geluidsnormen voldoen, dat betekent soms Figuur 3. 3i | Geeft de posities van de gevisualiseerde kleine windturbines (rode stippen) .
puzzelen. In een lint met veel woonbebouwingkan het lastigzijn een windturbine binnen het bouwblok te plaatsen. Figuur 3. 3i geeft de posities weer van de g evisualiseerde windturbines.
Figuur 3. 3h | Fragment uit de bestemmingsplankaart, waarop te zien is dan in het lint onderaan de dijk voornamelijk agrarische bedrijven liggen. De woonbebouwing van Woubrugge ligt hier direct naast. (Bron: ruimtelijkeplannen. nl)
48
In
figuur 3.3j
meerdere in dit
is te zien wat
windturbines
landschap
hoe
van
het
ervaren
dezelfde
wordt
soort
en
als
type
staan, vanuit twee verschillende
standpunten. Hoe
hetis
dezelfde ook
in
zien in
als
er
verschillende
hoogte
staan
kleine windturbines
is te zien
hoogteverschillen geeft
in dat
figuur 3.3k. een
beeld
van
(geanoimserd)
Als deze zoals te
figuur 33].
Filmpje
over
windturbines
ashoogte
(geanoimserd)
BestWatt met van
25
een m.
|
(geanoimserd) BestWatt-
30 m,
ashoogte, 38
m
tiphoogte
49
EAZ - 15 m 21 m ashoogte, 21 m tiphoogte
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
BestWatt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 3j | Op meerdere erven windturbines van hetzelfde type en gelijke hoogte, zicht vanaf de dijk en zicht vanuit de polder op het lint en de dijk.
50
»
D e tweewieker heeft een duidelijk afwijkende vorm en onderscheid
zich daarmee van de grote windturbines. D at wordt overwegend ervaren als nadeel. »
Een windturbine van 30 meter ashoogte
kan in het geval van een (heel) groot erf met grote gebouwen passend lijken op het niveau van het erfensemble en als vanuit Figuur 3. 3k | Op meerdere erven windturbines van verschillende typen en gelijke ashoogte 25 m
Filmpje over verschillende windturbines.
de polder richtingde bebouwingwordt gekeken. Echter vanaf de dijk gezien kan deze als niet-passend worden ervaren, omdat de windturbine niet past bij de oorspronkelijke schaal en maat (korrelgrootte) van dit landschap. Bevindingen over windturbines bij meerdere erven in relatie tot het landschap en
Figuur 3. 3l | Op meerdere erven windturbines van verschillende typen en verschillende ashoogte 15 – 30 m
Bevindingen n. a. v. de WIN3D-visualisaties Over de hoogte en type van de windturbine »
D e referentieturbine van 15 meter is laag ten
opzichte van de erfbeplanting. D e windturbine staat op maaiveld, een flink stuk lager ten opzichte van de dijk (voor het rendement is dat ongunstig.)
»
Een windturbine met ashoogte 25 meter
wordt als ruimtelijk passend ervaren bij dit erf (gezien de lag e liggnigten opzichte van
oriëntatiepunten » Meerdere windturbines achter op de erven kunnen samen een soort lijnopstelling vormen door de lintbebouwing. Meerdere windturbines van 30 meter » of hoger worden te dominant in het landschap en ‘komen los te staan’ van de landschappelijke structuren als bebouwingslinten en wegbeplantingen.
dijk en dijkbeplantingis dit waarschijnlijk qua windopbrengst nogsteeds niet gunstig.)
51
3. 4.
Voorbeeld Hillegom-Lisse | Bollenlandschap
3. 4. 1. Kenmerken van het gebied Landschappelijke waarden Het Bollenlandschap (zie figuur 3. 4a) is ontstaan door egalisatie van de strandwallen en strandvlakten die het reliëfrijke binnenduinlandschap vormden. D e afgevlakte zandige bodem dicht boven het grondwater vormde de goede condities voor de bollenteelt. In het voorjaar een kleurrijke bloemenzee, de rest van het jaar lege akkers. Het g ebied heeft een sterke noord-zuidgerichtheid,
parallel aan de kustlijn. Bebouwingligt langs linten, die sling erend zijn (organisch) of recht (lineair) , soms enkel, en soms in dubbele linten (zie figuur 3. 4b) . Het bollenlandschap heeft een ruimtelijke structuur soms meer
met ‘kamers’: vlakke open ruimtes met verdichte
randen door de lintbebouwing . Het is een verstedelijkt gebied, met een grote variatie in woonvormen, waaronder de typische rijtjes arbeiderswoning en. D e bollenteelt brengt specifieke bebouwing met zich
bollenschuren, ondersteunend gals en aan de bollenteelt g elieerde bedrijvigheid en transport. Juist mee:
die mengnigen variatie is een karakteristiek van het gebied.
Figuur 3. 4a | Kenmerkende landschappelijke structuren in het bollengebied Hillegom-Lisse (het voorbeeldgebied omvat omcirkelde gebied) .
52
In het g ebied ligt het Landgoed de Keukenhof (zgn.
Kroonjuweel in het provinciaal beleid) Verspreid in het gebied liggen enkele waardevolle open graslanden, weidevogelgebied. Verspreid in het gebied zijn er traditionele windmolens, die net als kerken, water- en vuurtorens als oriëntatiepunten in de (wijde) omgevingte zien zijn. Agrarische erven In het bollenlandschap vinden we hoofdzakelijk bollenteelt. Op de weinig e graslanden melkveehouderij. D e agrarische erven zijn heel divers, van compacte erven met woonhuis en bollenschuur, tot grote erven met zeer grote schuren erop. Hoogte van de schuren is ca 6- 10 meter. D e woningen liggen meestal aan de weg , de schuren daarachter. D e erven aan de organisch gevormde linten hebben over het algemeen meer (aaneengesloten) beplanting. Aan de lineaire linten is de beplantingminder
prominent aanwezig. D e erven zijn soms met hagen omzoomd. Midden in de polder zijn ook erven zonder beplanting.
Figuur 3. 4b | Ligging van agrarische erven in het bebouwingslint of vrij liggend in de polder.
53
3. 4. 2.
Bevindingen – beeldverhaal
Erfensemble voorbeelderf Het voorbeelderf (zie figuur 3. 4c) is het erf van bollenbedrijf, gelegen aan een meer organisch bebouwingslint. Bollenbedrijven hebben over het alg emeen een forse energeibehoefte, vanwege het drogen en opslaan van de bollen. Het erf is een
functioneel ingericht en de bollenvelden lopen door tot strak tegen de erven aan. Figuur 3. 4d | Ligging van het voorbeelderf (aangeduid met cirkel) .
Figuur 3. 4e | Plattegrond van het voorbeelderf (rechts) .
Figuur 3. 4c | Foto van het voorbeelderf (bron Google Streetview) .
54
Uitwerking basisprincipes Als we de drie basisprincipes toepassen op dit erf (zie figuur 3. 4f) , levert deze uitgangspunten op: »
Basisprincipe 1: Turbine maximaal 2x de tiphoogte van het hoogste object. Voor dit erf betekent dat de hoogte van de beplanting maatgevend is. D e hoogste bomen zijn zo’n 12 meter, de hoogste
Basisprincipe 1
bebouwingis bijna 9 meter hoog . Maximale tiphoogte zou maximaal 24 meter kunnen zijn, hoewel de bebouwinghier waarschijnlijk meer
»
»
maatgevend is, gezien de beperkte hoeveelheid bomen. Basisprincipe 2: Hoe breder het ensemble, hoe hoger de
Basisprincipe 2
windturbine kan zijn. Dti is een zeer groot erf, wat zou betekenen dat de hoogte meer kan zijn dan de 20 meter tiphoogte volgens basisprincipe 1. Basisprincipe 3: Gaat over de maximale afstand waarop de
windturbine nogals onderdeel van het ensemble wordt opgevat (maximaal op 1x de tiphoogte) . Dti principe is buiten beschouwing gelaten in deze verkenning , omdat plaatsingbuiten het erf gezien de intensiteit van het grondgebruik niet aannemelijk is en zich slecht lijkt te verhouden tot de toeristische aantrekkelijkheid van de bollenvelden.
Basisprincipe 3
Figuur 3. 4f | Verbeelding van de drie basisprincipes voor dit voorbeelderf.
55
WIN3D visualisaties D e afbeeldingen in figuur 3. 4g laten verschillende typen windturbines met verschillende hoogtes zien bij
dit voorbeelderf.
EAZ - 15 m ashoogte, 21 m tiphoogte
WES - 24 m ashoogte, 34 m tiphoogte
BestWatt - 25 m ashoogte, 30 m tiphoogte
56
WES - 30 m ashoogte, 40 m tiphoogte
Best Watt - 30 m ashoogte, 38 m tiphoogte
Figuur 3. 2g | Verschillende typen windturbines van verschillende hoogtes bij het voorbeelderf.
DW54
- 40
m
ashoogte, 67 m tiphoogte
57
Meerdere erven met een kleine windturbine op het erf In dit gebied liggen de agrarische erven in een bebouwingslint met daartussen veel woonhuizen. Zie de uitsnede van de bestemmingsplankaart in figuur 3. 4h. Ook hier geldt weer dat windturbines op een erf voor woning en van derden aan de geluidsnormen moeten voldoen. D at betekent dat windturbines
hoger dan 25 meter zo’n 100 meter vanaf woningen van derden moeten staan. In een lint met veel woonbebouwingkan het lastigzijn een windturbine van 25 meter ashoogte of hoger binnen het bouwblok te plaatsen. In dit intensief gebruikte landschap,
telt iedere m2 en is plaatsing buiten het bouwblok hoogstwaarschijnlijk niet gewenst. Figuur 3. 4I geeft de postities van de windturbines zoals die in figuur 3. 4k en 3. 4 l zijn gevisualiseerd.
Figuur 3. 4h | In dit gebied is de afwisseling te zien van de agrarische bestemming (groen) , (andere) bedrijven (paars) en de woonbebouwing (geel) .
Figuur 3. 4i | Geeft de posities van de gevisualiseerde kleine windturbines.
58
Figuur 3. 4j | Op meerdere erven windturbines van gelijke ashoogte 15 m
Filmpje over BestWatt windturbines met een ashoogte van 25 m. Figuur 3. 4k| Op meerdere erven windturbines van gelijke ashoogte 25 m
Filmpje over verschillende windturbines. Figuur 3. 4l | Op meerdere erven windturbines van gelijke ashoogte 30 m
59
Bevindingen n. a. v. de WIN3D-visualisaties
aanwezigheid van beplanting , maar ook in de kleine schaal van de percelen. Het is een ‘vol’ en verstedelijkt landschap. D e windturbines versterken de ervaringvan een ‘vol’ landschap.
Na het bekijken van de WIN3Dbeelden, zijn de
volgende punten opgemerkt: Over de hoogte en type van de windturbine »
»
Kleine windturbines tot 25 meter ashoogte worden in dit landschap al snel als overheersend
in hoeverre laat dat zich combineren met grotere kleine windturbines? Het landschap is ook vol,
windturbines zijn ergdominant. Bollenteelt heeft vanweg e het drogen en bewaren van bloembollen een zeer hoge energeibehoefte. D at vraagt om windturbines met een groter
door de vele bebouwing , waaronder ook grote bedrijfshallen. Passen dan juist wel windturbines? D aarmee verandert het karakter van het gebied nogmeer naar verstedelijkt landschap.
ervaren. Hogere »
dus hogere ashoogte (40 meter of hoger) . Het is een vol landschap, waarin windturbines van 40 meter als storend en te overweldig end worden ervaren. vermogen en
»
Als er windturbines worden geplaatst, is het gewenst dat samen te laten gaan met het toevoegen van erfbeplantingen/ hagen. D eze wens komt voort uit het minder verstedelijkt
Het is lastigom op de (randen van de) erven
laten lijken van dit landschap. Om eventuele windturbines logsich deel uit te laten maken van een erfensemble is een forse beplantingnodigen
ruimte te vinden om windturbines vanaf 30 meter te plaatsen, vanwege de afstandsnormen voor geluid tot woningen van derden. D e afwisseling van agrarische onderneming en en wonen is
kan niet worden volstaan met een haag. Het kleinschalige en versnipperde landschap van het bollenlandschap lijkt windturbines, hoger dan 25 meter tiphoogte, niet te kunnen ‘dragen’.
Over de positie ten opzichte van het erf/ bouwblok »
Het bollengebied heeft grote toeristische waarde,
groot.
»
Terwijl dit juist een landschap is met een enorme energeibehoefte.
Over windturbines bij meerdere erven in relatie tot
landschap en oriëntatiepunten » Het oorspronkelijke landschap in het Bollengebied is fijnmazig, dat is vooral zichtbaar is de bebouwingsstructuur , de bescheiden
Hoe kun je in dit landschap verduurzamen als
windturbines zo lastiglijken te passen, is een belangrijke vraag . Het is een verstedelijkt landschap met een grote energeivraag.
60
4. Conclusies en aanbevelingen D eze verkenning is uitgevoerd in vier typisch
Zuid-Hollandse landschappen. Vier typen landschappen die sterk van elkaar verschillen wat betreft landschappelijke structuur , schaal,
openheid, agrarisch gebruik, etc. D oor deze vier g ebieden te kiezen, was het mog elijk de bandbreedte te verkennen, waarbinnen kleine windmolens in het landschap kunnen passen. 4. 1.
»
Conclusies
Uit de verkenningkomt naar voren dat er conclusies zijn te trekken die voor alle gebieden gelden en dat er soms ook gebiedsspecifieke invullingen aan die
andere groottes van windturbines kunnen leiden. Zorgdan dat alle windturbines een vergelijkbare verschijningsvorm hebben, bijvoorbeeld allemaal lichtgrijze windturbines met 3 wieken, of allemaal
toe te staan. Een andere mogelijkheid zou zijn om
windturbines met drie houten wieken. Een standaard vastleggen voor de verhoudingmast-rotordiameter zou vanuit landschapsbelevinggewenst zijn, want dat heeft een rustiger beeld. Echter daarmee wordt de
kunnen worden.
het bouwblok zichtbaar te maken door bijvoorbeeld het toevoegen van erfbeplanting. D at zou als voorwaarde aan de omgevingsvergunninggekoppeld
Meerdere windturbines in het landschap »
keuzevrijheid voor de agrariërs flink beperkt. Tiplaagte is bij kleine windturbines bij agrarische bedrijven vooral afhankelijk van de hoogte van de beplantingen gebouwen op het erf. Agrariërs zullen
lijkt dat een soort natuurlijke reguleringvan het aantal op te leveren, mits hier wordt vastgehouden aan het principe dat de windturbine op het erf moet
bij voorkeur de rotor in zijn geheel daarboven laten uitsteken om zo optimaal mogelijk vermogen te halen.
conclusies kunnen worden gegeven.
staan.
Plaatsingop het agrarisch erf heeft de voorkeur; dit geeft een rustiger landschapsbeeld dan wanneer
Uit de verkenningis niet gebleken dat er een teveel aan kleine windturbines kan worden ervaren, mits de hoogte passend is bij de landschappelijke structuur. Veel relatief te hoge windturbines worden wel als
de windturbine buiten het erf staat. Dti is ook een logsiche koppelingvan vraagen aanbod van energei op het agrarisch erf (wat een begrijpelijk beeld
dominant ervaren. In de Alblasserwaard was dit aan de orde bij windturbines van 30 meter ashoogte en hoger . D e windmolens domineren dan de structuur
oplevert) . Een beeld van een windturbine los in de ruimte kan verwarringwekken (waar hoort het bij? ) . Dti is echter maatwerk en afhankelijk van de
van
»
Positie ten opzichte van het erf en bouwblok Hoogte en type windturbine » Een windturbine van 25 meter ashoogte en 30 meter tiphoogte lijkt in veel gevallen goed te passen bij het agrarisch erfensemble. » Bij een grotere schaal van het landschap, zoals in grote delen van de Hoekse Waard, een landschap met stevig e erven en landschappelijke beplanting en, lijkt ook 30 meter ashoogte mogelijk. » In een landschap dat fijnmaziger is, zoals Alblasserwaard en de Bollenstreek, zou een 15 tot 20 meter (ashoogte) windturbine passender zijn. Verschillende agrarische bedrijven hebben » uiteenlopende energeibehoeften en dat zal tot
»
»
Aandachtspunt is dat aanwezigheid van woning en van derden in de nabijheid plaatsingvan de windturbine op het erf/ bouwblok niet altijd mogelijk maken. Juist in een vol, dicht bebouwd landschap,
landschapsstructuur ter plekke. Plaatsingop het bouwblok, dat nogniet is bebouwd en noggeen erfbeplantingheeft, vraagt aandacht. Landschappelijk betekent het bouwblok dan niks. Het kan een reden om (nog ) geen kleine windturbine
de oude lintbebouwing . In de Hoekse Waard zijn maat en schaal veel groter en zijn 30 meter hoge windturbines vaak wel passend. »
Waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische locaties, zoals de kroonjuwelen, vragen ten alle tijden een zorgvuldige afweging, hier geldt maatwerk. Dti kan bijvoorbeeld door het maken van een Heritage Impact Assessment (HIA) .
61
Reflectie op de werkhypothesen – de basisprincipes In deze verkenning is gebruikt gemaakt van
drie basisprincipes die uit eerder onderzoek zijn afgeleid (zie hoofdstuk 2) . In hoeverre zijn deze principes te onderschrijven na het bekijken en analyseren van de 3D-visualisaties? Zijn de basisprincipes ook van toepassing op de kleine windturbines, of is er aanleiding om ze specificeren of te wijzigen? Zoals eerder gezegd is het beoordelen of een windturbine bij een erf of in het landschap past
lijkt ook een windturbine met een tiphoogte tot 38 meter (ashoogte 30 meter) te passen. In het bollenlandschap zijn de erven nauwelijks beplant en zijn windturbines hoger dan 25 ashoogte ‘te veel’ in dit landschap. Naast de hoogte van de objecten op het erf, blijkt dus ook de hoeveelheid en dichtheid van de beplantingeen belangrijke factor te zijn of een windturbine bij het erfensemble past. Een steviger
Basisprincipe 3: Voorkeur voor plaatsing op ensemble óf maximale afstand van 1x tiphoogte tot ensemble Uit de verkenningis naar voren gekomen dat bij plaatsingvan kleine windturbines bij agrarische erven, plaatsingop het erf de voorkeur heeft. In agrarische landschappen leidt dit tot een meer
Basisprincipe 2: Des te breder het ensemble, des te hoger de windturbine kan zijn (maatwerk)
‘leesbaar’ en logisch geheel. D e boerderij (waar energei wordt verbruikt) en de windturbine (die energei levert) vormen een logsich geheel. In de verkenningis daarom onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘erf’ en ‘bouwblok’. Een bouwblok
Dti basisprincipe stelt dat op een groot erfensemble, bijvoorbeeld van een groot akkerbouwbedrijf, de hoogte van een windturbine soms kan worden afgeleid van
is een juridische term, die landschappelijk geen betekenis heeft. Een bouwblok wordt pas zichtbaar als deze bebouwd of beplant is. Plaatsingvan een
passend is bij het erfensemble als de tiphoogte
de breedtemaat van het ensemble. Als er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijk erf met hoge bomen en gebouwen dat als massa in het landschap zichtbaar
maximaal 2x de hoogte van het hoogste object is. In de verkenningen was bij de agrarische erven de beplantinghet maatgevende hoogste object; op de voorbeelderven maximaal ca. 12-15 meter hoog.
is, dan kan een grotere hoogte dan 2x het hoogste object nogsteeds een passende verhoudingopleveren. Uit deze verkenningis naar voren gekomen, dat bij agrarische erven naast de breedte ook de aanwezigheid
Vanuit dit principe is een windturbine met een tiphoogte van maximaal 30 meter tiphoogte passend. Uit de visualisaties komt naar voren dat dit over het algemeen klopte. Een factor die meespeelt blijkt ook
van
de dichtheid van de erfbeplanting . Bij een erf met veel bomen en dicht struweel eromheen (mantel) , zoals op veel erven in de Hoekse Waard,
Het principe van maximaal 1 windturbine bij een erf
altijd normatief.
Basisprincipe 1: Tiphoogte maximaal 2x de hoogte van het hoogste object Het eerste basisprincipe stelt dat een windturbine
beplantingkan een hogere windturbine dragen.
beplantingeen rol speelt. Ook hier weer blijkt dat bijvoorbeeld in het Bollenlandschap met de grote schuren niet vanzelfsprekend grotere windturbines
windturbine achter op een leegbouwblok, leidt ertoe dat de windturbine als een losstaand object wordt ervaren. Of dit als niet passend wordt ervaren, is mede afhankelijk van andere objecten in de omgeving . Voorbeeld: als er geen andere opgaande elementen in beeld zijn, geeft dit een andere visuele relatie dan wanneer en structuren
er bijvoorbeeld
veel nabijg elegen erven zijn/ op de horizon een windpark staat.
passen.
blijkt bij windturbines groter dan 15 meter ashoogte inderdaad van toepassing.
62
Laadvermogen
van
het landschap
In de verkenningis ook onderzocht hoe meerdere
kleine windturbines in het landschap worden ervaren. Is er een maximum laadvermogen te bepalen? Wat is het effect als de windturbines allemaal een gelijke uitstralingen hoogte hebben en wat als dit verschilt.
Hoe groter de schaal en de maat van het landschap
hoe verder de erven van elkaar af liggen, hoe meer het landschap de kleine windturbines kan dragen, zoals in Hoekse Waard. Alblasserwaard is weliswaar en
landschap, de ‘korrelgrootte’ is fijner . D e erven liggen hier dichter bij elkaar . D at maakt dat hier windturbines van maximaal 25 meter ashoogte (en een open
30 meter
tiphoogte) passend zijn.
Uit de verkenningkomt naar voren dat het maximale aantal kleine windturbines dat op erven geplaatst zal kunnen worden, niet alleen afhangt
Als er meerdere kleine windturbines in het landschap staan, treedt er ‘interactie’ op met de bestaande
van
individuele keuzes van een ondernemer , maar dat dit ook bepaald wordt door de technische randvoorwaarden die worden gesteld. Niet overal kán een windturbine worden geplaatst vanwege
landschapsstructuren, zoals beplante dijken, bebouwingslinten of met grote windturbines. D e hoogte van de windturbines blijkt een rol te spelen, in hoe dominant ze worden ervaren. In de meeste
bijvoorbeeld aanwezigheid van leiding en of het overschrijden van de geluidsnorm. Uit de gebieden die zijn onderzocht komt naar voren dat in de ‘volle’
gebieden ligt de grens op 25 meter ashoogte. Als de windturbines van wisselende hoogte zijn, en van gelijk type (zelfde uitstraling , allemaal drie wieken)
landschappen (de Bollenstreek, maar ook de dicht bebouwde linten in de Alblasserwaard) , om die redenen ook minder windturbines geplaatst kunnen worden. Het aantal reguleert zich daar vanzelf. In
wordt dit als rustiger ervaren, dan wanneer de windturbines verschillende typen zijn.
de open landschappen, zoals Hoekse Waard en de ruilverkavelingslinten in Alblasserwaard of middenin Polder Vierambacht liggen de erven meer uit elkaar
ashoogte en hoger gaan, met name wanneer deze verder wegvan de kijker staan en de positie niet meer te bepalen is, interfereren met grote
en zijn meer
windturbines in de verte.
mogelijkheden.
Kleine windturbines met drie wieken van 30 meter
63
4. 2.
Aanbevelingen
D eze verkenning geeft aanleiding om de volgende
»
adviezen in overwegnigte nemen: »
»
Gemeenten kunnen een belangrijke rol spelen
creëren van eenheid in het erfensemble. Meer
in het faciliteren van plaatsingvan kleine windturbines. Wanneer in het omgevingsplan
erfbeplantinglijkt paradoxaal in relatie tot de windopbrengst, maar windturbines met een ashoogte van 25 meter steken over het
ruimte voor deze ontwikkelingis vastgelegd, is de drempel voor plaatsingvoor agrariërs lag er. Provincie kan de g emeenten ondersteunen met een handreikingmet daarin voorbeelden van
»
kleine windturbines en de aspecten die een rol spelen bij plaatsing in het erfensemble. Dti kan »
bijvoorbeeld alleen windturbines met drie wieken in een bepaalde kleurstelling . Flexibiliteit wat betreft masthoogte
meter tiphoogte) in veel situaties passend is, en dat
rotordiameter is mogelijk, zolangdit onder de toegestane hoogte blijft. D e Bollenstreek heeft een complex vraagstuk voor windenergie. D e energiebehoefte is
30 meter ashoogte in specifieke gevallen kan.
enorm, maar
D e windturbine wordt bij voorkeur op het erf
geplaatst. Plaatsingbuiten het erf is maatwerk. »
alg emeen boven de beplanting (zoals een stevig e omzomingmet struweel) uit. Vanuit de belevingvan het landschap kan het g ewenst zijn om één bepaald type windturbine
Betrek bij een aanvraagvoor plaatsingvan een windturbine het gehele erfensemble door om een totaalplan te vragen voor een samenhangende erfinrichting.
Aanbeveling voor vervolg »
en
»
Onderzoek hoe in instrumentarium onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende windturbinetypen die wenselijk zijn in een gebied, om zo de opgave gebiedsspecifiek te
»
kunnen invullen. D enk hierbij bijvoorbeeld aan inzet van een kwaliteitsteam of een integraal gebiedsteam. Onderzoek wat er gebeurt als ook andere ondernemers in het buitengebied ruimte krijgen om een kleine windturbine te plaatsen.
voor te schrijven,
inspiratie zijn voor gemeenten en agrariërs. D e vrijstellingshoogte voor kleine windturbines bij agrarische erven kan hoger bepaald worden dan de huidig e 15 meter ashoogte. Uit de verkenning komt naar voren dat 25 meter ashoogte (en 30
»
Besteed aandacht aan de erfbeplanting; een stevig e erfbeplantingdraagt bij aan het
Tenslotte »
“Een windturbine op een boerenerf geeft ook
iets van trots weer: deze ondernemer heeft werk gemaakt van verduurzamingen dat mag gezien worden! ”
de ruimtelijke opbouw (wonen en agrarische bedrijven zo dicht opeen) maken individuele plaatsingvan kleinere windturbines niet goed mogelijk. Elke windturbine is erg goed zichtbaar , nagenoegongeacht de maat. D at vraagt maatwerk.
64
Naar grotere kleine windturbines? Maart 2023 | Wing en ROM3D
RUIMTELIJKE HANDREIKING WIND OP LAND
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Inhoudsopgave Inleiding
3 3 4
|
5
|
2
Begrippen en cijfers
7 7
|
3
Grote windturbines 3. 1. Effectief benutten ruimte en netwerk 3. 2. Landschappelijke (ruimtelijke) context en beleid Type opstellingen 3. 3. 3. 4. Ontwikkelprincipes voor grote windturbines 3. 5. Combineren van opgaven
|
4
Kleine windturbines
1
Doel en status Leeswijzer
8 9 11
16 17 17
4. 1. 4. 2 4. 3 4. 4
18 19 20 22
|
5
Vormgeving Microturbines Plaatsing op het bouwvlak Ontwikkelprincipes voor kleine windturbines Relatie tot omgeving
Processtappen
2
Ruimtelijke handreiking wind
1
op land | Provincie Noord-Holland
Inleiding
De provincie Noord-Holland werkt, samen met haar partners, aan een volledig hernieuwbare energie- voorziening in 2050. De komende jaren worden onze landschappen aangepast aan de energievoorziening van de toekomst. Er komen windmolens, zonnepanelen evenals warmtenetten en geothermische installaties. De energietransitie is een van de grootste en ingrijpende opgaven voor het Noord-Hollandse landschap. Het is dus van belang om aandacht te besteden aan de manier waarop deze zich vormgeeft: met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Bij de vormgeving en plaatsing duurzame opwek van energie, waaronder windturbines, grotere windparken en zonneparken, streeft de provincie naar een zo hoog mogelijke bijdrage aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Een belangrijk onderdeel daarvan is de manier waarop deze zich in het landschap manifesteren. Deze handreiking biedt een aantal ontwikkelprincipes voor het plaatsen van windturbines, groot en klein. Zo willen we gemeenten, initiatiefnemers en andere betrokkenen inspireren tot het ontwikkelen van windturbines en/of -parken met zo veel mogelijk ruimtelijke kwaliteit. Voor zonneparken is een handreiking gedaan in de Kwaliteitsimpuls zonneparken. Doel
en status
In de Omgevingsvisie NH2050 wordt nadrukkelijk ingegaan op het typische Noord-Hollandse (cultuur) landschap en nieuwe ontwikkelingen daarin. “Noord-Holland beschikt over een unieke en rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld) erfgoed. (…) Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen”. Daarbij wil de provincie Noord-Holland de (cultuur) landschappen optimaal gebruiken door hun kwaliteiten te koesteren en tegelijkertijd ook te benutten voor nieuwe ontwikkelingen zoals de energietransitie. Bij nieuwe plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en kwaliteiten van het landschap en de inpassing in de wijdere omgeving betrokken worden bij de planvorming. Om gemeenten en initiatiefnemers hierbij te ondersteunen heeft de Provincie de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Leidraad L&C) in 2018 opgesteld; de ontwikkelprincipes die hierin worden geboden zijn echter voor het plaatsen van nieuwe windturbines ontoereikend.
Daarom is deze ruimtelijke handreiking opgesteld, zodat de hierin beschreven ontwikkelprincipes worden betrokken bij het plaatsen van nieuwe windturbines in het Noord-Hollandse landschap. In 2014 is t. b. v. de vorige wind op land opgave de Voorstudie Noord-Hollandse Windlandschappen uitgevoerd en in december 2015 een Uitwerking ruimtelijke uitgangspunten voor windturbines per herstructureringsgebied vastgesteld.1 Daarnaast is in 2020 het Noord-Hollands perspectief op de RES opgesteld. Voor deze handreiking wordt waar mogelijk en nuttig in de huidige beleidscontext teruggegrepen op onderzoek en aanbevelingen uit deze eerdere stukken. Dit onder andere met het oog op de voor de ruimtelijke kwaliteit belangrijke consistentie in het beleid. Net als de Leidraad L&C gaat dit document alleen over de manier waarop windturbines binnenin het landschap worden geplaatst. Het hoe - en niet over planologische mogelijkheid/wenselijkheid daarvan – het wat en waar. De ontwikkelprincipes uit dit document komen dus pas aan bod wanneer vanuit de planologische procedure blijkt dat windturbines op de betreffende locatie mogelijk zijn. In de Omgevingsverordening zijn de instructienormen, maar geen vergunningsvereisten voor het plaatsen van windturbines, opgenomen. Zie hoofdstuk 5 Processtappen voor de vereisten voor vergunningsverlening.
zijn inmiddels ingetrokken om plaats te maken voor actueel beleid, waar deze handreiking onderdeel van is. 1. Deze documenten
3
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Leeswijzer In dit document maken we onderscheid tussen twee soorten windturbines die beide middels het provinciaal beleid mogelijk worden gemaakt. Grote windturbines, deze zijn bedoeld om energie te produceren en te leveren aan het elektriciteitsnetwerk. En kleine windturbines, met een as-hoogte van maximaal 15 meter. Dit zijn windturbines die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor lokaal (eigen) gebruik. Het verschil in maatvoering tussen de grote en de kleine windturbines maakt dat deze een andere benadering vragen als het gaat om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Voor beide soorten wordt in dit document een aantal ontwikkelprincipes geboden. Deze handreiking is toegespitst op de op dit moment gangbare en meest rendabele type windturbines: Turbines met een horizontale as. Zodra meer innovatieve technieken, zoals de verticale as, wiekloze turbines of windgebouwen op de markt komen en hier concrete initiatieven voor zijn, kijken we of hier aanvullende ontwikkelprincipes voor nodig zijn.
4
Ruimtelijke handreiking wind
2
Begrippen
op land | Provincie Noord-Holland
en
cijfers
Hieronder worden technisch termen en jargon die in dit document terugkomen nader verklaard en toegelicht. As-Hoogte De hoogte waarop de turbine-as op me mast is bevestigt (zie afbeelding)
tiphoogte
Rotor-diameter
gondel
Zie afbeelding
rotorblad
Tiphoogte Het hoogste punt van de rotordiameter (zie afbeelding)
rotorblad diameter
Landschappelijke eenheid Een herkenbaar aaneengesloten en ruimtelijk begrenst landschap, meestal bestaande uit een enkel landschapstype. Bijvoorbeeld een polder. Landschapsensembles Een bundeling van landschappelijke eenheden die een sterke ruimtelijke en/of waterstaatkundige samenhang vertonen. In de Leidraad L&C is de provincie Noord-Holland opgedeeld in 20 (landschaps) ensembles.
as-hoogte mast
Onderdelen windturbines
(wind) opstelling Een verzameling windturbines die volgens specifieke ruimtelijke principes gegroepeerd zijn. Korrelgrootte Schaal van parcellering en bebouwing in een specifiek landschap. hartlijn
Hartlijn De aslijn waarnaar men windturbines in opstelling plaatst. Bij een lijnopstelling is sprake van een enkele hartlijn, bij een grid zijn dit er meer (zie afbeelding) .
Stramien De onderlinge afstand van windturbines volgens een zelfde ritmiek, op één hartlijn. Repoweren Het vervangen en opwaarderen van bestaande (vaak verouderde) windturbines, voor nieuwe (vaak grotere) windturbines met een groter vermogen. w
stramien
Onderdelen windopstelling
Interferentie (interfereren) Het visueel samenklonteren van meerdere (opstellingen van) windturbines
5
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Erf-/bebouwingsemsembles Een aaneengesloten ruimte die als een geheel wordt beschouwd. Een ensemble bestaat uit verschillende fragmenten (zoals gebouwen, infrastructuur, reliëf, open ruimte en vegetatie) die door hun onderlinge relatie een zekere ruimtelijke samenhang vertonen.
Landschappelijke structuren (Ruimtelijke dragers) Driedimensionale en lineaire elementen in het landschap die in het vlakke landschap het beeld bepalen en begrenzen. Dit kunnen infrastructurele lijnen zijn, maar bijvoorbeeld ook bebouwingslinten, dijken of kanalen.
300m
200m
100m
0m
0, 015
1, 5
MW
MW
1, 8 MW
3
5
7, 5
MW
MW
MW
Vergelijking in maatvoering van windtrubine met een verschillend vermogen. s
6
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Grote windturbines
3
In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke context waarmee rekening gehouden moet worden tijdens de planvorming van nieuwe grote windturbines/-parken geschetst (paragraaf 3. 2) de ruimtelijke karakteristieken van verschillende mogelijke windturbine opstellingen beschreven (paragraaf 3. 3) en een aantal ontwikkelprincipes voor het plaatsen van windturbines geboden (paragraaf 3. 4) ,
.
In paragraaf 3. 1 onderstrepen we om te beginnen het belang van een effectieve benutting van de schaarse ruimte en de beschikbare capaciteit op het energienetwerk.
Effectief
3. 1.
Een effectieve benutting van de energie-infrastructuur vormt één van de grootste uitdagingen voor de energietransitie. In lijn met de Omgevingsvisie NH2050 zetten we daarom in op een bundeling van vraag en aanbod van hernieuwbare energie en heeft een clustering van opweklocaties nabij grote energiegebruikers en/of netcapaciteit de voorkeur. Wanneer het mogelijk is een directe koppeling tussen energieopwekker en energiegebruiker te maken (op dezelfde netaansluiting) dan zorgt dit immers voor een grote ontlasting van het elektriciteitsnet. Daarnaast speelt bij windturbines het formaat een belangrijke rol. Hogere turbines kennen een substantieel hoger energetisch rendement, omdat het in de hogere luchtlagen vaker en harder waait. Hoewel kleine (re) windturbines op het eerste gezicht lokaal minder impact hebben, is het goed te beseffen dat er van dit type veel meer nodig zijn voor dezelfde hoeveelheid hernieuwbare energie. Dit is al snel een factor 10, uitgaande van 1 MW-turbines ten opzichte van 3 MW-turbines, en een factor 300 ten opzichte van kleine turbines (0. 015MW) Om de ruimtelijke impact te beperken en verrommeling van het landschap te voorkomen genieten grotere turbines daarom sterk de voorkeur, mits dit ook past binnen de ruimtelijke context van de betreffende ontwikkellocatie (zie paragraaf 3. 2) .
.
1 TWh =
40 x 7, 5 MW turbine = 10 turbines
=
100 x 3 MW
turbine
=
30. 000 x 0, 015 MW
turbine
De hoeveelheid windturbines die nodig zijn om één TWh aan energie op te wekken neemt drastisch toe naarmate de windturbines kleiner worden.
7
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Landschappelijke (ruimtelijke) context en beleid
3. 2.
Landschappen Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen. Naast de agrarische of meer natuurlijke landschappen als duinen, polders, heidevelden, veenweiden, droogmakerijen, wadden, plassen, meren heeft zij ook uitgesproken stedelijke landschappen binnen haar grenzen zoals de MRA met het NZKG en Schiphol. Daarnaast zijn er agrarische landschappen-in-transitie, zoals de Wieringermeerpolder en oostelijke West-Friesland, waar akkers plaatsmaken voor grootschalige, niet altijd agrarische, bebouwing. Noord-Holland onderscheidt zich van andere provincies door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van Noord-Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan de leefbaarheid en het economische vestigingsklimaat in de provincie. Met de provinciale omgevingsverordening zijn de meest waardevolle landschappen beschermd (Natuurnetwerk Nederland (NNN) Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) UNESCO) maar ruimtelijke ontwikkelingen en windturbines zijn ook hier niet volledig uitgesloten.
Voor de inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk zijn binnen de regelgeving, zowel in de beschermde landschappen als daarbuiten, hanteren wij de Leidraad Landschap & Cultuurhistorie (Leidraad L&C) Deze is verbonden aan de ruimtelijke kwaliteitseis (artikel 6. 59 OVNH2020) in de Omgevingsverordening. ,
,
,
.
De kwaliteiten van de Noord-Hollandse landschappen zijn uitgebreid beschreven in de Leidraad L&C. Hierin worden handreikingen gedaan voor inpassing (d. m. v. ontwikkelprincipes voor landschapsensembles en structuren) en voorbeelden ter inspiratie aangedragen. Landschap heeft enerzijds betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen en structuren in een bepaald gebied en anderzijds op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap heeft ook te maken met de leesbaarheid van die samenhang. Wanneer we het hebben over de inpassing van windturbines dan gaat het er enerzijds om dat de leesbaarheid en de kwaliteiten van het landschap zichtbaar blijven en zo min mogelijk verstoord raken. En anderzijds dat er een nieuwe herkenbare gebruikslaag op zorgvuldige wijze wordt toegevoegd. Windturbines zijn door hun afmetingen zichtbaar over een grote afstand en hebben daarom een bovenlokale impact op de ruimte en het landelijk gebied. Daarom is het van belang om op verschillende schaalniveaus te kijken naar de effecten en de inpassing van een opstelling:
lokaal (bijvoorbeeld binnen een polder) regionaal (hoe verhoudt de opstelling zich tot andere initiatieven binnen de regio) bovenregionaal (hoe verhoudt de opstelling zich tot aangrenzende regio’s) ,
,
.
Structuren Naast de type landschappen zijn er ook landschappelijke structuren of “ruimtelijke dragers” die mede bepalend voor de kwaliteiten en ervaring van het landschap. Landschappelijke structuren kunnen infrastructurele lijnen zijn, maar bijvoorbeeld ook dijken, kanalen of ontginningssloten. In de Leidraad L&C worden de ruimtelijke dragers en grote provinciale structuren beschreven. Niet elke structuur leent zich even goed voor het combineren met opstellingen van windturbines. Dit heeft te maken met de karakteristiek ervan. Vormt de structuur zich naar het landschap of loopt deze autonoom door het landschap? Wat is de maatvoering van de structuur in relatie tot de landschappelijke context rondom de structuur? Bestaande windturbines/-parken Naast het rekening houden met de waarden en kwaliteiten van het bestaande landschap, is het ook belangrijk om rekening te houden met bestaande windturbines/-parken in de nabijheid. En notie te nemen van de ruimtelijke uitgangspunten die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp daarvan (zie ontwikkelprincipe VI) .
8
Ruimtelijke handreiking wind
3. 3.
op land | Provincie Noord-Holland
Type opstellingen
Bij het plaatsen van windturbines kunnen we onderscheid maken tussen een aantal type opstellingen. Elk van deze opstellingen heeft andere ruimtelijke effecten en kan best worden toegepast op een manier die deze effecten benut. Zo kunnen windturbines gebruikt worden om ruimtelijk accenten te leggen en plekken te markeren (solitaire turbine of een cluster) ruimtelijke structuren extra manifest te maken (lijnopstelling) of een hele nieuwe laag aan het gebied toe te voegen (grid) De ruimtelijke context (zie ontwikkelprincipe II) bepaalt, in combinatie met de keuzes uit het verleden, óf een gebied geschikt is voor windturbines en zo ja welk type opstelling hierbij past. ,
.
Solitaire turbine Een solitaire windturbine is een enkele turbine die zichzelf manifesteert door de afwezigheid van andere windturbines in de omgeving. Solitaire windturbines hebben hierdoor een sterk markerend (plaatsmakend) effect. Om de relatie van turbine met een specifieke plaats (bijvoorbeeld een snelwegknooppunt) zo sterk mogelijk te maken is het zaak deze ‘ruimte’ te geven. Daarom is het van belang dat er geen andere windturbines/windparken aanwezig zijn binnen een straal van 10x de ashoogte van de windturbine. Cluster Een cluster is een (kleine) groepering van 2-4 windturbines. Net als een solitaire turbine, heeft een cluster een sterk markerend effect en vertoont deze een sterke relatie met de locatie en vraagt deze voor een goede herkenbaarheid ook ruimte. Daarom is het van belang dat er geen andere windturbines/windparken aanwezig zijn binnen een straal van 10x de ashoogte van het cluster. Bij het plaatsen van turbines in een cluster is de landschappelijke context (in tegenstelling tot bij een grid) bepalend. Een gelijke onderlinge afstand en verschijningsvorm van de turbine zijn bij een cluster minder relevant. Wanneer het cluster te groot wordt verliest deze zijn ‘markerende’ effect en zorgt het cluster voor verrommeling en een onrustig beeld.
Solitaire turbine
Cluster
9
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Lijnopstelling Een lijnopstelling is een opstelling van minstens 3 windturbines op een lijn. Om een lijnopstelling zich helder en herkenbaar te laten manifesteren is het van belang dat: Turbines dezelfde (type) verschijningsvorm en as- en tiphoogte hebben. Wanneer dit door omgevingsfactoren 2 niet mogelijk is, kan de hoogte van een enkele turbine afwijken tot 10%. Turbines op de zelfde hartlijn staan: dit is een rechte lijn of lijn met lichte kromming geënt op het landschapspatroon. Geen grillige of samengestelde vorm. Wanneer dit door omgevingsfactoren niet mogelijk is, kan de een enkele turbine een afwijking van tot 5% van de stramienmaat hebben. Turbines onder een gelijk stramien op de hartlijn staan. Wanneer dit door omgevingsfactoren niet mogelijk is, kan een enkele turbine een afwijking van tot 10% van de stramienmaat hebben
A
B
C
Lijnopstelling A: Incidentele afwijking in de hoogte B: incidentele afwijking in het stramien C: incidentele afwijking van de hartlijn
Grid Een grid is een groepering van (minstens 6) windturbines geplaatst op een strak raster. Een grid onttrekt zich door zijn maat/ schaal en rationele opzet vaak aan het landschap en voegt een nieuwe laag toe aan het landschap. Een grid manifesteert zich daardoor eigenstandig. Om een grid van windturbines zich helder en herkenbaar te laten manifesteren is het van belang dat: Turbines dezelfde (type) verschijningsvorm en As- en tiphoogte hebben Wanneer dit door omgevingsfactoren niet mogelijk is, kan de hoogte van een enkele turbine tot 10% afwijken Turbines staan onder een gelijk stramien in opstelling Wanneer dit door omgevingsfactoren niet mogelijk is, kan de een enkele turbine een afwijking van tot 5% van de stramienmaat hebben A
B
Grid A: Incidentele afwijking in de hoogte B: incidentele afwijking in het stramien 2. Bijvoorbeeld: planologische restricties, aanwezige bebouwing
of waardevolle landschapselementen
10
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Familie van solitaire Wanneer er in een gebied meerdere solitaire windturbines, volgens dezelfde ruimtelijke principes worden geplaatst kan je spreken van een familie (of een groep) van solitaire turbines. Bijvoorbeeld een turbine bij elk dorp binnen een specifieke landschappelijke eenheid. Of een turbine bij elke op/afrit van een bepaalde snelweg) Deze turbines zijn dan in verhaal en beleving met elkaar verbonden. Hierbij is het van belang dat: .
Turbines dezelfde (type) verschijningsvorm en As- en tiphoogte hebben Wanneer dit door omgevingsfactoren niet mogelijk is, kan de hoogte van een enkele turbine tot 20% afwijken Er binnen een landschappelijke eenheid eenduidige principes worden gehanteerd met betrekking tot de plaatsingslocaties van de windturbines
3. 4.
Ontwikkelprincipes
I.
Respecteer landschappelijk eenheden en overgangen
grote windturbines
A Familie van solitaire A: Incidentele afwijking in de hoogte
voor
Op het schaalniveau van de gehele provincie is de rijkdom van het landschappelijk palet – en het behoud hiervan - van belang. Het Noord-Hollandse landschap is opgebouwd uit landschappelijke eenheden. Het gaat om gebieden met een duidelijke ruimtelijke of waterstaatkundige samenhang. Zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie NH2050 koesteren we de waarneembaarheid en afbakening van deze eenheden of landschappen. Dit betekent dat het onze ambitie is verschillen tussen landschappen te behouden en de grenzen ervan te respecteren. Voor de plaatsing van de ruimtelijk dominante turbines betekent dit bijvoorbeeld dat de beleving van het landschap erbij gebaat is dat nieuwe opstellingen landschappelijke grenzen bij voorkeur niet overschrijden en dat opstellingen bij voorkeur landschap specifiek worden ontworpen (zie ook ontwikkelprincipe II) Daarnaast is het landschap gebaat bij een eenduidige invulling in type en oriëntatie van de opstellingen en een consequente toepassing binnen de landschappelijke eenheid.
Houd landschappelijke eenheden leesbaar. Pas bijvoorbeeld opstellingen toe die de grenzen van de landschappelijke eenheden respecteren
.
Kies voor eenzelfde oriëntatie van de opstelling binnen een landschappelijke eenheid
11
Ruimtelijke handreiking wind
II.
op land | Provincie Noord-Holland
Aansluiten bij lokale landschappelijke waarden en dynamiek
Het type opstelling (zie paragraaf 3. 3) is bepalend voor de manier waarop de windturbines worden beleeft. Het landschap is erbij gebaat wanneer deze windturbines zich op een logische manier verhouden tot de lokale landschappelijke waarden (ruimtelijke context) en dynamiek. Het ene gebied leent zich bijvoorbeeld door de afwezigheid van andere dominante structuren beter om accenten te leggen door middel van een (een familie van) solitaire turbines of een klein cluster. En in een ander gebied waar die structuren er juist wel zijn, liggen lijnopstellingen juist meer voor de hand. Dit is voor een groot deel maatwerk en ook sterk afhankelijk van keuzes uit het verleden (zie ontwikkelprincipe VI) Een belangrijk onderscheid wat we hierbij wel kunnen maken is tussen de ontworpen landschappen en de meer organisch gegroeide landschappen. .
Verschil tussen organisch gegroeide en vaak kleinschaligere landschappen (onder) en de ontworpen, vaak rationeel vormgegeven landschappen (boven)
Organisch gegroeide landschappen Waterland, Noord-Kennemerland, Texel en Wieringen zijn voorbeelden van organisch gegroeide landschappen. Water en het eeuwenlange gevecht ertegen hebben hier de vorm, maat en sfeer van het landschap bepaald. De agrarische praktijk is hier gegroeid, niet ontworpen. De uitkomst is een open, vaak nog pittoresk landschap met daarin dorpen (historische lint- of dorpsbebouwing met o. a. stolpen en schuren) en landschapselementen als bosschages, kronkelige waterlopen en dijkjes.
,
Grootschalige windturbines doen in dit soort gebieden over het algemeen afbreuk aan deze kwaliteiten door do buitenprportionele vorm en maat van deze moderne elementen. De maat, schaal, en vorm van deze dorpen en landschapselementen zijn bepalend voor de beleving van deze landschappen. Nieuwe (opstellingen van) windturbines zouden hier bij voorkeur op moeten aansluiten. Dit betekent dat op basis van de vaak ‘losse’ vorm van de dorpen en landschapselementen de windturbine opstellingen dit volgen en dat de strakke lijnopstellingen of grids worden vermeden. Ontworpen landschappen Bij de ontworpen landschappen zoals de Wieringermeer, Schermer en Haarlemmermeer, is veel meer sprake van structuurlijnen, regelmaat, repetitie. Ontworpen op basis van de ten tijde van het ontwerp vigerende agrarische praktijk. Het landschap is hier gepland en ontworpen; boerenerven langs wegen en vaarten, dorpen strategisch in de polders. In deze gebieden is aansluiting bij deze structuren een manier om de oude ontwerpprincipes door middel van windturbines een nieuw gezicht en ordenende functie te geven. Dit is bijvoorbeeld goed te zien in de Wieringermeerpolder. De oude (ontworpen) structuur van de polder is de basis voor het windplan, en de nieuwe ‘windlijnen’ bieden een nieuw (ruimtelijke en historische) houvast in een steeds grootschaliger en inmiddels deels bebouwd gebied.
12
Ruimtelijke handreiking wind
III.
op land | Provincie Noord-Holland
Gekoppeld aan een structuur
Vaak wordt ervoor gekozen om een opstelling van windturbines te koppelen aan lineaire elementen (structuren) in het landschap. Dit kunnen (spoor) wegen zijn, maar bijvoorbeeld ook dijken, kanalen of ontginningssloten. Deze structuren zijn vaak al op een specifieke manier vormgegeven of ontstaan. Daarbij kunnen we onderscheid maken tussen: Structuren die zich vormen naar het landschap Structuren die autonoom het landschap doorkruisen Structuren die zich vormen naar het landschap. Deze structuren volgen in hun routing de landschappelijke ondergrond en zijn daarnaast vaak ingepast op een manier die past bij deze landschappen. Een goed voorbeeld hiervan is de Rijksweg A7 door de Wijde Wormer, De Beemster en Wieringermeer. Bij het plaatsen van een windopstelling langs dergelijke structuren is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de overgangen/verschil tussen verschillende landschappen (of landschappelijke eenheden) Dat kan bijvoorbeeld door de opstelling te beperken tot een specifiek landschap (stype) of landschappelijke eenheid. Zie ook ontwikkelprincpe I: Respecteer landschappelijke eenheden en overgangen