14 EXTERN Pilot Erfmolens
Tekst van het document
.
Structuur die autonoom het landschap doorkruist (boven) Structuur die zich vormt naar het landschap (onder)
Structuren die autonoom het landschap doorkruisen Over het algemeen zijn dit infrastructurele lijnen en zijn deze meestal de kortste lijn tussen A en B. In de tijd is het landschappelijke palet meer en meer versneden geraakt door deze infrastructuur die de schaal van de afzonderlijke landschappen overstijgt. Daarbij is dan ook geen of beperkte relatie met de landschappelijke ondergrond, vaak ligt de infrastructuur op een verhoogd profiel. De A9 Badhoevedorp-Alkmaar is een goed voorbeeld hiervan. Deze lijnen worden ook regelmatig genoemd als geschikte plaats voor windturbines. Als algemeen principe is dit begrijpelijk en toepasbaar, maar er zijn enkele belangrijke aandachtspunten. Bij het plaatsen van windturbines langs deze lijnen hoeft in veel mindere mate rekening gehouden te worden met de landschappelijke overgangen, de beleving van de structuur
Kies bij het plaatsen van windturbines langs een autonome structuur voor een lange (grote) opstellingen die op een uniforme wijze langs bij voorkeur de gehele structuurlijn wordt toegepast (boven) of repeterend terugkomt. (onder)
13
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
als geheel is hier namelijk relevanter. Bij het plaatsen van windturbines langs deze structuren zou juist gezocht kunnen worden naar lange (grote) opstellingen die op een uniforme wijze langs bij voorkeur de gehele structuurlijn wordt toegepast of repeterend terugkomt.
IV.
Niet elke structuur is een drager
Het is afhankelijk van de (lijn) structuur en het wind-ontwerp of een lijnopstelling zich ook daadwerkelijk verhoudt tot de structuur. Niet elke lijn (weg, sloot of dijk) is een structurerend element (ruimtelijke drager) En niet elke ruimtelijke drager leent zich om extra geaccentueerd te worden door windturbines. Zo is het bijvoorbeeld niet logisch om een weg die – met een zorgvuldige ruimtelijke inpassing – “onzichtbaar” is gemaakt in het landschap te accentueren met windturbines. .
Voorbeeld van uitwerking van ruimtelijke dragers uit Leidraad L&C (Zijpe- en Hazepolder)
Met de Leidraad L&C is voor de gehele provincie een inventarisatie gemaakt van de ruimtelijke dragers. Dit biedt een degelijk vertrekpunt, maar het bepalen of een lijn in het landschap vanuit een ruimtelijk perspectief geschikt is om met windturbines verder te accentueren blijft maatwerk. V.
Maat bij schaal
(Maatvoering windturbine) Voor initiatieven die zich binnen de landschappelijke eenheden voordoen is het van belang om naar de schaal van het landschap - zowel in het platte vlak als in de hoogte – en naar de aard en schaal van de eventueel al aanwezige opstellingen van windturbines te kijken. De korrelgrootte van een landschap (maat en schaal van de verkaveling) heeft een grote invloed op de mate waarop een windturbine zich in zijn maatvoering/dimensie verhoudt tot het landschap of juist als buitenproportioneel of verstorend wordt gezien. Over het algemeen kan worden gesteld dat landschappen met een grote maatvoering in de verkaveling – zoals de grote droogmakerijen – groter gedimensioneerde windturbines beter verdragen dan landschappen met een meer verfijnde verkaveling, zoals bijvoorbeeld de veenweidegebieden.
Kies voor een windturbine die past bij de schaal van het landschap. Een grote (re) turbine in een grootschalig landschap (boven) en een kleine (re) turbine in een fijnmazig landschap (onder)
Kies voor een windturbine die maatvoering past bij de schaal van het structuur.
14
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Ook bij het plaatsen van windturbines langs een structuur is het van belang rekening te houden met de dimensionering van de structuur en te kiezen voor een type/maat windturbine die daarbij past. De keuze voor een te grote turbine die te dicht langs de structuur wordt geplaatst kan een zgn. verdwergend effect hebben op de structuur (de structuur lijkt optisch kleiner) Over het algemeen kan gesteld worden dat een (relatief) smal gedimensioneerde structuur (zoals bijvoorbeeld het NoordHollands kanaal) kleinere windturbines verdraagt dan een breed gedimensioneerde structuur (zoals bijvoorbeeld het Amsterdam-Rijnkanaal) .
.
Daarbij is ook de afstand tot de structuur van belang. Een te grote afstand maakt dat de windturbines los van de structuur komen te liggen. De maat van de windturbines is hierin richtinggevend. Een richtlijn die hierin aangehouden kan worden is een maximale afstand van de structuur van 1, 5 x de ashoogte. Overigens is hierbij ook de lengte van de opstelling relevant; een opstelling die een structuur over grote lengte ‘volgt’ zal daar optisch gezien eerder ‘bij horen’. VI.
Aansluiten bij bestaande opstellingen
In Noord-Holland hebben we lange tijd een traditie gehad met lijnopstellingen en deze opstellingen zijn in de meeste gevallen op een zorgvuldige wijze in het landschap geplaatst. Wanneer er in de nabijheid van een bestaande windturbineopstelling een nieuwe opstelling wordt gerealiseerd is het daarom van belang om met de ruimtelijke uitgangspunten van de bestaande turbines rekening te houden om zo te voorkomen dat hier afbreuk aan gedaan wordt. Uitbreiden opstelling Indien een bestaande lijnopstelling met een aantal turbines verlengd wordt of gekozen wordt de lijn te verbreden door hier parallel een lijn naast te plaatsen (dubbele lijn) is het wenselijk dat de nieuwe turbines in maat en verschijningsvorm (type mast, dimensies en kleurstelling) aansluiten bij de windturbines van de al bestaande opstelling. En dat deze op eenzelfde hartlijn en in nagenoeg hetzelfde stramien geplaatst worden (zie ook paragraaf 3. 3 ) ,
.
Wanneer een relatief oude windturbineopstelling wordt uitgebreid kan het interessant zijn om dan meteen de bestaande turbines te repoweren met eenzelfde type turbine als de nieuwe. Zo wordt behoorlijk meer opgewekt en sluiten de “nieuwe” en “oude” windturbines visueel optimaal op elkaar aan. Hierbij kan ook kritisch gekeken worden naar de waarde/ logica van de bestaande opstellingen; ondersteunen deze de aanwezige kwaliteiten of zou het eigenlijk anders moeten en kunnen de te repoweren turbine beter elders of op een andere manier (type opstelling) worden teruggeplaatst.
Zorg er bij het uitbereiden van een opstelling voor dat de nieuwe turbines in maat en verschijningsvorm en gehanteerde ruimtelijke principes aansluiten bij de windturbines van de al bestaande opstelling.
Afstand tot bestaande opstelling (en) Om bestaande (en nieuwe) opstellingen van windturbines goed herkenbaar te houden is het van belang dat er voldoende onderlinge
Zorg voor voldoende afstand tussen opstellingen die van elkaar verschillen in vormgeving (type opstelling) en oriëntatie.
15
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
afstand wordt gehouden tussen de opstellingen. Anders bestaat het risico dat de opstellingen met elkaar gaan interfereren. Opstellingen zijn hierdoor niet meer als afzonderlijk te herkennen zijn, wat tot een onrustig beeld kan leiden. Een richtlijn die hierin aangehouden kan worden is dat opstellingen die van elkaar verschillen in vormgeving (type opstelling) en oriëntatie een minimale onderlinge afstand hebben van 10 x de ashoogte (van de hoogste turbine van de reeds bestaande of de nieuwe te realiseren opstelling) .
Afstemming met ontwikkelingen in andere te ontwikkelen (nabijgelegen) opweklocaties Wanneer er meerdere opstellingen van windturbines worden ontwikkeld of gepland zijn, nabij elkaar, of binnen eenzelfde landschappelijke eenheid is het verstandig de planvorming en vormgeving van de windopstellingen goed op elkaar af te stemmen. Dit kan bijvoorbeeld door het opstellen van een gezamenlijke ruimtelijke visie of beeldkwaliteitsplan. Een sobere vormgeving
VII.
van de
Turbinevoet.
Zorg ervoor dat de voet van de turbine zo eenvoudig mogelijk wordt vormgegeven. Laat de bijbehorende elementen als hekwerken, transformatorhuisjes, beveiligingsapparatuur, verlichting e. a. zoveel mogelijk achterwege of (door maatvoering, kleurstelling en materiaalgebruik) opgaan in de omgeving.
Combineren
3. 5.
van opgaven
Naast energietransitie spelen er in het landelijk gebied nog tal van andere opgaven, zoals het voorkomen van verdere bodemdaling, klimaatadaptatie en de vitaliteit van de agrarische sector. Veel van deze opgaven kunnen, mits goed toegepast en ingepast, worden gecombineerd met de opwekking van hernieuwbare energie. Gezien de schaarse ruimte in onze provincie is het belangrijk dat de mogelijkheden om combinaties te maken met andere gebied specifieke opgaven altijd worden onderzocht bij het (her) ontwikkelen van windparken. Op deze manier wordt efficiënt met de ruimte omgegaan en kan zo werk met werk worden gemaakt. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende combinaties:
Wind, zon en ecologie Wind met behoud van vollegrondsteelten Wind om andere gebiedsopgaven (mede) te financieren (bijv. door investeringen natuur, landschap of recreatieve ontsluitingen)
16
Ruimtelijke handreiking wind
4
op land | Provincie Noord-Holland
Kleine windturbines
Naast de grote windturbines, bedoeld voor grootschalige energieproductie kunnen ook kleine windturbines (as-hoogte van maximaal 15 meter) bijdragen aan de ambitie van Noord-Holland om energieneutraal te worden. Het vermogen van deze turbines is relatief laag waardoor ze vooral gebruikt zullen worden om in het eigen energieverbruik te voorzien. In tegenstelling tot de grote turbines zijn deze wel makkelijker in te passen in zijn omgeving. Dit hoofdstuk biedt hier een aantal richtlijnen en ontwikkelprincipes voor. Omgevingsfactoren: Het rendement van kleine windturbines is sterk afhankelijk van omgevingsfactoren. Een open omgeving rondom de turbine draagt bijvoorbeeld bij aan een hogere opbrengst omdat de wind minder wordt verstoord. Dit speelt zowel op direct lokaal (bouwvlak) niveau als op landschappelijk niveau. In een weidse open polder waait de wind significant sterker dan in een landschap met vele bosschages en dichtbijgelegen bebouwing. 4. 1.
Vormgeving Microturbines
De provinciale omgevingsverordening biedt in potentie ruimte voor veel kleine windturbines in Noord-Holland. Om risico op verrommeling van het landschap te verkleinen hecht de provincie er waarde aan een goede landschappelijke inpassing. De volgende aspecten spelen een rol bij de beleving van kleine windturbines: Hoogte van de mast. De hoogte van de mast bepaalt naast de omvang van de rotor de zichtbaarheid van een windturbine. Een masthoogte van 15 meter is landschappelijk relatief eenvoudig inpasbaar. De hoogte is in de orde van grote als die van bomen. Omvang van de rotor. Deze bepaalt voor een groot deel hoe goed de windturbine zichtbaar is. Een grote rotordiameter zorgt voor een grotere zichtbaarheid en grotere impact. Een (te) grote rotor op een relatief lage mast is bovendien esthetisch gezien minder aantrekkelijk omdat de verhoudingen niet kloppen. Ook kan de nabijheid van een grote wiek bij het maaiveld (inherent aan een grote rotordiameter) als intimiderend ervaren worden. Rust versus onrust. De wieken van kleine windturbines draaien door de kleine rotordiameter relatief snel, wat een onrustig beeld op kan leveren, zeker wanneer er meerdere kleine turbines bij elkaar staan. Het aantal wieken van de windturbine speelt hierin een grote rol. Een driewieker wordt als ‘rustiger’ ervaren dan een tweewieker.
Daarnaast zal een (complexe) technische vorm eerder verstoren of opvallen in het landschap dan een eenvoudige vormgegeven turbine. Dit laatste heeft dan ook de voorkeur. Dit maakt dat we de volgende kenmerken nastreven in de vormgeving van te plaatsen kleine windturbines.
Vormgeving van kleine windmolens
17
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
Hoofdvorm As-hoogte maximaal 15 meter. Evenwichtige verhouding masthoogte tot rotordiameter. Richtlijn: 1: 1 Overwegend rank silhouet om zo de zichtbaarheid van de turbine te beperken Bijbehorende elementen (transformator e. a. ) sterk ondergeschikt in maat en kleurstelling Opmaak
4. 2
Kleur: onopvallend, mat (bijbehorende elementen op maaiveld: gedekte kleurstelling) Belettering/reclame ten aller tijde onopvallend. Het streven is deze windturbines zo onopvallend mogelijk te houden. Belettering en reclame op de turbine dragen hier niet aan bij. Bijbehorende elementen zoals; hekwerk, veiligheidsvoorziening, infrastructuur, fundament, elektravoorzieningen en verlichting bepalen mede de uitstraling van de windturbine. Simpel zicht op de eenvoudige techniek in een natuurlijke omgeving, zonder hekken et cetera, zorgt veelal voor de beste landschappelijke inpassing. .
Plaatsing op het bouwvlak
Volgens de OVNH2020 mag er maximaal 1 kleine windturbine worden gebouwd op een bouwperceel met een agrarische functie of een bouwperceel met een stedelijke functie van minimaal 1 ha. Het bouwperceel uit de omgevingsverordening staat gelijk aan een bouwvlak of terreinmaat in een bestemmingsplan. In veel gevallen is het bouwvlak vele malen groter dan het erf met bebouwing en beplanting. Deze paragraaf biedt ontwikkelprincipes voor het plaatsen van een kleine windturbine op het bouwvlak. Verhoudingen tussen windturbine en ensemble De verhouding tussen een windturbine en de omliggende objecten in het landschap heeft invloed op de beleving van de windturbine. Agrarische bedrijven (of andere stedelijke functies in het buitengebied) met hun woning en verschillende schuren en bijgebouwen vormen gezamenlijk een erf- en bebouwingsensemble: een aaneengesloten ruimte die als een landschappelijk geheel wordt beschouwd. Een ensemble bestaat uit verschillende fragmenten (zoals gebouwen, infrastructuur, reliëf, open ruimte en vegetatie) die door hun onderlinge relatie een zekere ruimtelijke samenhang vertonen. Het is van belang dat de nieuw toe te voegen windturbines onderdeel worden van de rest van het bestaande erf- of bebouwingsensembles.
Ten slotte moet rekening worden gehouden met het feit dat een windturbine altijd invloed heeft op een grotere omgeving dan alleen het erf-/bebouwingsensemble.
schuur
bijgebouwen landschappelijk element
bedrijfsgedeelte woongedeelte
erfbeplanting woonhuis wegzijde perceel bouwvlak erfensemble visuele erfensemble Onderdelen van een erfensemble
18
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
4. 3
Ontwikkelprincipes
I.
Zie de windturbine als onderdeel van of in relatie met het (bestaande) ensemble van bebouwing en beplanting
voor
kleine windturbines
De windturbine wordt bij voorkeur geplaatst binnen de visuele begrenzing van het erf-/ bebouwingsensemble. Op deze manier ontstaat er geen nieuw object in het landschap en wordt verrommeling beperkt. Dit is echter niet altijd mogelijk door bijvoorbeeld een gebrek aan ruimte of de afwezigheid van een heldere visuele begrenzing. Houd in dat geval bij voorkeur een maximale afstand aan tot één van hogere bouwvolumes (nokhoogte > 5m) van het bouwensemble van 30 meter (2x as-hoogte) Door deze afstand te beperken blijft er een sterke visuele relatie met het bouwensemble .
.
Zie de windturbine als onderdeel van het bestaande ensemble van bebouwing en beplanting
II.
Beperk de afstand tot hoge bebouwing tot 2x de ashoogte
Plaats de windturbine op een ondergeschikte positie t. o. v. representatieve voorzijde van het bouwvlak
Om de impact van (een grote hoeveelheid) kleine windturbines te beperken is de beleving van het landschap erbij gebaat wanneer deze windturbines zoveel mogelijk op afstand van de openbare weg en buiten het zicht worden geplaatst. Daarom worden de kleine turbines bij voorkeur op de achterzijde van het bouwvlak geplaatst. Voorkom daarbij dat de turbine in zichtlijnen vanaf de openbare weg wordt geplaatst door deze achter de bebouwing en / of beplanting te situeren.
Plaats de windmolen aan de achterzijde van het bouwvlak
Zorg dat de windmolen niet prominent in het zicht staat vanaf de openbare weg
19
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
III. Behoud afstand van historisch of landschappelijk waardevolle structuren of elementen Bij de ruimtelijke inpassing worden in ieder geval eventueel aanwezige provinciale monumenten op het aan de windturbine gekoppelde bouwperceel betrokken. Zorg ervoor dat windturbines op voldoende afstand staan van beschermde cultuurhistorisch of landschappelijk waardevolle elementen en structuren, zoals dijken of karakteristieke waterlopen, zodat daar geen onevenredig afbreuk aan wordt gedaan. Zie hiervoor ook de ontwikkelprincipes uit de Leidraad L&C en de benoemde kernkwaliteiten uit het Bijzonder Provinciaal Landschap (wanneer van toepassing) .
Behoud voldoende afstand tot historische en/of landschappelijk waardevolle structuren of elementen
IV.
Draag
zorg voor een
(groene) Inpassing van de windturbine op het bouwvlak
Houd bestaande erfbeplanting zoveel mogelijk intact. Wanneer er onverhoopt toch wat beplanting moet worden verwijderd ten behoeve van het rendement van de windturbine, beperk dit dan tot de beplanting binnen een straal van 15 meter (1x de ashoogte) vanaf de windturbine.
Compenseer verwijderde erfbeplanting in gelijke mate door resterende erfbeplanting steviger aan te zetten (te verbreden) Lagere beplanting (tot 6m) kan worden gebruikt om de windturbine visueel onderdeel van het bebouwingsensemble te maken. .
Compenseer verwijderde beplanting elders binnen het erf- / bebouwingsensemble
4. 4.
Gebruik lagere beplanting om de windturbine visueel onderdeel van het erf/-bebouwingsensemble te maken
Relatie tot omgeving
Kleine windturbines hebben naast de ruimtelijke weerslag op het erf-/bebouwingsensemble waarin ze staan ook effect op elkaar en (cultuur) landschap waarvan zij onderdeel uitmaken. Om een zekere samenhang, rust en eenheid in het landschap te borgen identificeren we verschillende zones waarop turbines elkaar in de ruimte beïnvloeden. Voor deze verschillende zones geven wij aan in hoeverre er met de vormgeving en bij de plaatsing van een nieuwe windturbine rekening zou moeten worden
20
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
gehouden met andere kleine windmolens in de buurt. Zone 1: 75 meter: Bij het plaatsen van een nieuwe windturbine binnen deze zone, kies dan bij voorkeur voor een identieke wind turbine (merk en model en kleurstelling) En zorg dat deze bij benadering op een vergelijkbare plek krijgt binnen het erf-/bebouwingsensemble. Zone 2: 150 meter: Bij het plaatsen van een nieuwe windturbine binnen deze zone kies dan voor een turbine die in hoofdvorm en opmaak sterk overeenkomt. Zone 3: > 150 meter: Vrije vorm en vrije locatiekeuze op het bouwvlak .
zone 1
zone 2
zone 3
Drie zones die aangeven in hoeverre men rekening zou moeten houden met reeds bestaande (kleine) windturbines.
21
Ruimtelijke handreiking wind
5.
op land | Provincie Noord-Holland
Processtappen
Voordat er gestart kan worden met de vergunningsprocedure moet (zowel voor grote windturbines als bij kleine windturbines de ruimtelijke onderbouwing op orde zijn. Hieronder wordt aan de hand van een aantal stappen een beeld gegeven van wat daarvoor nodig is. Dit blijft echter wel maatwerk. Zo zullen afhankelijk van de omvang van het initiatief en de complexiteit van de locatie deze stappen ook complexer en omvangrijker worden. En is het waarschijnlijk dat bij een groot windpark, of wanneer er sprake is van een complexiteit / gevoelige locatie, stappen 3 en 4 meerdere keren doorlopen zullen worden.
Stap 1
Eerste Check door initiatiefnemer
Voldoet uw locatie aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening voor het plaatsen van windturbines.
Stap 2
Check of de locatie in of nabij beschermde gebieden ligt
Check hiervoor het gemeentelijke omgevingsplan en gemeentelijke regels voor het plaatsen van bouwwerken, zie www. ruimtelijkeplannen. nl/viewer en de gemeentelijke Omgevingsvisie Check de provinciale Omgevingsverordening op onder andere Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Bijzonder Provinciaal Landschap, UNESCO werelderfgoed 3 U kunt kijken naar de overlap met uw opweklocatie en de betreffende (on) mogelijkheden daarbij. .
Grote windturbines Stap 3
Bepaling locatie en type opstelling
Kleine windturbines Stap 3
Bepaling locatie
Maak een analyse van de landschappelijke (ruimtelijke) context.
Maak een analyse van de landschappelijke (ruimtelijke) context.
Houd rekening met de uitgangspunten en ontwikkelprincipes uit hoofdstuk 3
Houd rekening met de uitgangspunten en ontwikkelprincipes uit hoofdstuk 4
Start een participatieproces met de omgeving over zowel de proces- als financiële participatie. Zie Handreiking Participatie
Stem uw voornemen af met de omgeving Let ook op technische criteria en overige voorwaarden.
Let op technische criteria en overige voorwaarden, hiervoor kunt u de handreiking ‘Onderzoek zoekgebieden en initiatieven, vanuit het perspectief Landschap, Natuur en Leefomgeving’ gebruiken. Stap 4a Afstemmen met windplannen in de omgeving. Wanneer er in de omgeving andere windparken worden ontwikkeld of gepland zijn. Moet de planvorming en vormgeving van de initiatieven op elkaar worden afgestemd. Bv. door middel van een gezamenlijke ruimtelijke visie of beeldkwaliteitsplan (4b)
Stap 4
Opstellen ruimtelijke onderbouwing
Landschappelijk inpassingsplan Motivatie volgens gestelde ontwikkelprincipes en uitgangspunten uit hoofdstuk 4
3. Voor het werelderfgoed de Hollandse Waterlinies is een Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies vastgesteld m. b. t. de inpasmogelijkheden van duurzame energie binnen dit wereld
erfgoed. 22
Ruimtelijke handreiking wind
Stap 4b
op land | Provincie Noord-Holland
Opstellen beeldkwaliteitsplan
Zie onderstaand kader over beeldkwaliteitsplan
vervolg Stap 4 Algemene info constructie en technische tekening microturbine, dit kunt u vragen aan de fabrikant Plattegrond 1: 1000 / 1: 1500; Overzichtskaart 1: 10. 000
Visualisaties van het windpark op ooghoogte vanuit verschillende invalshoeken en belangrijkste zichtlijnen uit de omgeving.
Stap 5
Plaatsingsadvies
Informele voorbespreking met gemeentelijk adviseur en / of gemeentelijke adviescommissie.
Stap 5
Plaatsingsadvies
Informele voorbespreking met gemeentelijk adviseur en / of gemeentelijke adviescommissie.
Inwinnen advies bij de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) (verplicht) Stap 6
Start vergunningsprocedure
Beeldkwaliteitsplan Voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing is een beeldkwaliteitsplan van grote waarde. Om een volledig beeld te schetsen van de (ruimtelijke) impact van een windturbine of windpark met de bijbehorende inpassingsmaatregelen zal een dergelijk beeldkwaliteitsplan in ieder geval de volgende onderdelen moeten bevatten: 1.
2. 3. 4.
5.
6.
Ruimtelijke analyse van de relatie projectlocatie tot de (brede) omgeving. Hierbij wordt in ieder geval ingegaan op: Landschappelijke context, zie hiervoor de Leidraad L&C. Relatie tot bestaande windturbines en/of windparken in de omgeving (indien van toepassing) : Een beschrijving van de ruimtelijke uitgangspunten van de bestaande turbines, maar ook de leeftijd van de turbines. Wanneer een windturbine of windpark binnen enkele jaren gesaneerd wordt is het goed om na te gaan wat de vervolg plannen hiermee zijn. Variantenstudie Motivatie over de plaatsing en inpassing van de windopstelling volgens de gestelde uitgangspunten en ontwikkelprincipes in hoofdstuk 3. Plattegrond met inrichtingsplan binnen de kavel (s) waarop naast de windturbines in ieder geval de volgende elementen staan aangegeven: Omvormers en transformatoren Eventuele hekwerken en bewakingsapparatuur Andere inpassingsmaatregelen Plattegrond van het windpark op schaal van de landschappelijke eenheid. Visualisaties van het windpark op ooghoogte vanuit verschillende invalshoeken en belangrijkste zichtlijnen uit de omgeving. Deze visualisaties helpen een optimale ruimtelijke situatie te bewerkstelligen. ,
23
Ruimtelijke handreiking wind
op
land
| Provincie
Noord-Holland
COLOFON Provincie
Noord-Holland
Postbus 3007 2001
DA Haarlem
Tel:
(023)
514 31 43
Internetadres: E-mailadres:
www.noord-holland.nl
post@noord-holland.nl
Eindredactie Provincie
Noord-Holland
Foto's
beelden
Omslag:
en
Provincie
Getekende
Overige
beelden
31 augustus
Noord-Holland
eanonimiseerd) Provincie Noord-Holland |
illustraties:
2021
(tenzij
anders
vermeld):
Provincie Noord-Holland
Ruimtelijke handreiking wind
op land | Provincie Noord-Holland
:| ; RENGINEERS Gemeente
Medemblik
t.a.v. Gemeenteraad
/ Wethouder
H.
Nederpelt
Postbus 45 1687 ZG
Wognum
Barneveld,
4 maart
2024
Betreft: raadsvoorstel Pilot erfmolens Geachte
gemeenteraad, wethouder,
aanleiding van de raadscommissievergadering van donderdag 29 februari, willen we graag onze input geven over de keuze en de bespreking van het raadsvoorstel ‘Pilot erfmolens’. We konden niet bij de vergadering aanwezig zijn en hebben de vergadering online gevolgd. Hierbij willen wij als Rengineers, leverancier van de kleine BestWatt (erf}molens onze ervaring delen. Naar
BestWatt
is leverancier
brochure in de
van
bijlage},
3 type
erfmolens met
een
vermogen
van
10, 45 of 80kW (zie 120.000 kWh per jaar
opbrengsten variërend vanaf 20.000 tot (afhankelijk type windlocatie). We hebben inmiddels ca. 300 kleine (erf}molens gerealiseerd. Er is 1 initiatiefnemer die met onze molen een aanvraag voor de pilot heeft ingediend (geanonimiseerd) ||(geanonimiseerd) met de BestWatt45). van
met
en
(de 2-wieker van WES) voor de pilot is geselecteerd. Om een goede pilot te doen lijkt het ons juist belangrijk een beeld te krijgen van de verschillende
Wij
zien dat slechts
turbines
en
1 type
de invloed
molen
deze turbines op de omgeving. Door de punten uit de beslisboom ‘het niet mogen terug leveren’ konden uiteindelijk alleen
van
‘volledig zon op dak’ en grootverbruikers kans maken op de pilot. Het is echter zo dat bijvoorbeeld een akkerbouwer die grotendeels in de wintermaanden continu energie verbruikt, hierdoor vaak nog wel een 100.000kWh aan grijze stroom van het net nodig heeft. Een windmolen zorgt er niet direct voor dat veel op het net wordt terug geleverd, omdat de windenergie vooral in de en en nacht wordt Deze herfst/winter dag opgewekt. opgewekte stroom kan direct op het bedrijf gebruikt worden. Daarnaast kan de windmolen zo worden afgeregeld dat zodra de spanning op het net te hoog wordt, er minder wordt opgewekt en niet wordt terug geleverd. Dit zoals ook uitgelegd in de vergadering door EAZ-Wind. Tijdens de vergadering ging het ook over de keuze voor de 2-wieker versus 3-wieker. Online was het niet mogelijk de presentaties van de insprekers te zien en weten we niet welke beelden werd gedeeld. Er werd wel verwezen naar het onderzoek in Zuid-Holland zie bijlage). Daarin wordt duidelijk aangegeven dat (uitgevoerd door WING en Rom3D turbines met twee wieken een onrustiger beeld geven, doordat ze sneller (lijken te} draaien dan windturbines met drie wieken. In het filmpje via deze link ziet u een visualisatie daarvan. —
E{ BEST
<: RENGINEERS
In de
ruimtelijke handreiking Wind
de provincie NH wordt dit ook benoemd. 2-wieker altijd sneller draait en een onrustiger beeld geeft. Alle op
Land
van
ervaring is ook dat een type windmolens zijn dan ook 3-wiekers, omdat dit een rustiger beeld geeft in de omgeving. De vragen wat betreft geluid begrijpen wij, waar de molen ook geplaatst wordt er zal altijd aan de landelijke normen moeten worden voldaan en ingepast moeten worden aan het omgevingsgeluid. Bij het ontwerp van onze molens hebben wij erg gelet op het Onze
nieuwe
geluidsniveau, de vorm
van
onze
wiek is daar erg
bepalend
in.
vergadering niet naar voren kwam is de hoofdvorm van de molen. In de ruimtelijke handreiking Wind op Land NH wordt deze benoemd, met daarbij o.a. een evenwichtige verhouding tussen masthoogte tot rotordiameter (richtlijn 1:1}. Hoe wordt daar mee omgegaan? Een
ander punt wat in de
Wij hopen dat
u
als gemeenteraad
raadsvoorstel. Mocht lichten. We
hebben
Vriendelijke
groet
onze
informatie wil
meenemen
meer
(geanonimiseerd)
Coördinator Vergunningen
Rengineers 3771
MC
5
Barneveld
Nederland
Bijlage (s}: -
-
-
E{ BEST
Onderzoek Zuid-Holland: Naar grotere kleine windturbines? Ruimtelijke handreiking wind op land OV NH2020 Brochure BestWatt
beslissing
over
dit
informatie wensen, dan zijn we graag bereid dit verder toe te hierin veel ervaring met andere gemeentes. u
(geanonimiseerd) Amerikalaan
in de