CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 DOC-24-795601 - Bijlage 3 : bestemmingsplan Molenbllik

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Molenblik (pfh. J. Broeders)30.342 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In het plangebied kunnen nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten in het weidegebied. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in de algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door sloop- en realisatiewerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Verwacht wordt dat het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied vormt gezien de geringe (natuurlijke) omvang, het monotone karakter en de afwezigheid van unieke groene/natuurlijke elementen ten opzichte van de omgeving, naar verwachting geen essentieel foerageergebied (d.w.z. van essentieel belang voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen in de omgeving). In de omgeving is voldoende en alternatief foerageergebied aanwezig (zoals verder in het buitengebied). De ontwikkeling van de nieuwe woningen zorgt ook niet voor een effect op mogelijke vliegroutes in de omgeving.

Er worden immers geen lijnvormige structuren doorbroken. Wel dient er rekening gehouden te worden met lichtverstoring, in de realisatiefase en gebruiksfase. Indien er tijdens de realisatiefase tussen zonsondergang en zonsopgang geen lichtbron richting de watergangen wordt gericht, is er geen sprake van lichtverstoring. In de gebruikersfase is verstoring door licht ook van belang. De meervleermuis is zeer gevoelig voor verstoring door licht en is een zwaar beschermde soort. Vliegroutes van de meervleermuis mogen niet onder invloed komen van verlichting. Geadviseerd wordt om in het lichtplan op te nemen dat verlichting van het water af, naar de bebouwing wordt gericht (eventueel met aanvullende armaturen om het licht te sturen). Indien verlichting op de watergang onvermijdelijk is zal alsnog onderzoek moeten worden gericht om eventuele effecten in beeld te brengen. Indien volgens voorgestelde werkwijze wordt gewerkt, zijn er voor wat betreft vleermuizen geen belemmeringen ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. De toekomstige inrichting met groenelementen en gebouwen kan bovendien de foerageer- en verblijfmogelijkheden in het plangebied verhogen.

53

Nader onderzoek Voor de buizerd en ransuil is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest binnen de invloedssfeer van het plangebied (Nader onderzoek jaarrond beschermde nesten Molenblik te Medemblik, Antea Group, 12 mei 2021, bijlage 10). Hiervoor zijn in de periode maart t/m april 2021 vier veldbezoeken uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken is gelet op waarnemingen waaruit het gebruik van het nest blijkt en/of het nest een jaarrond beschermd nest betreft. Hierbij is gelet op nest indicerende waarnemingen door vogelgedrag te observeren, bijvoorbeeld broedgedrag, nestindicatief gedrag, nestbouw/aansleep van nestmateriaal, aanwezigheid op het nest of territoriaal gedrag. Daarnaast zijn indirecte waarnemingen, zoals prooiresten en verse takken (oplichtend breukvlak van nest) op het nest goede aanwijzingen om te bepalen of het nest bezet is.

Weergave van de actuele nesten: nest één is geel aangegeven, nest twee met blauw en nest drie roze. De ster geeft het huis met huismus aan Tijdens alle terreinbezoeken is ekster waargenomen rond en op het eerste nest (gele stip). Er kan met zekerheid geconcludeerd worden dat het eerste nest geen jaarrond beschermd nest is. Het nest wordt gebruikt door de ekster, wat geen jaarrond beschermde soort is. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Tijdens het tweede, derde en laatste bezoek is zwarte kraai waargenomen op het tweede nest (blauwe stip) . Dit nest is geen jaarrond beschermd nest. Er kan met grote zekerheid worden gezegd dat het

54

nest in gebruik is door zwarte kraai. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Tijdens alle terreinbezoeken is zwarte kraai waargenomen rond het derde nest (roze stip). Er kan met zekerheid gezegd worden dat het derde nest geen jaarrond beschermd nest is. Het nest wordt gebruikt door zwarte kraai. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Tijdens het tweede, derde en vierde terreinbezoek is huismus waargenomen rond het huis grenzend aan het plangebied (oranje ster). De soort toonde binding met de woning en broed vermoedelijk onder de dakpannen. De nesten bevinden zich vermoedelijk 15 à 20 meter van het plangebied. De huismus is een soort met een jaarrond beschermd nest. Echter, is de huismus relatief weinig gevoelig voor verstoring. Wanneer werkzaamheden die de meeste verstoring opleveren (zoals heien) worden uitgesteld tot na het broedseizoen, is er geen sprake van verstoring van huismus. Ook blijven er voldoende groenelementen zoals struiken en bomen bestaan in de tuinen van de omliggende percelen. Effecten op de soort zijn dan uitgesloten. Tot slot zijn alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Het plangebied is zeer geschikt voor weidevogels (zoals grutto) om tot broeden te komen.

Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door werkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli1) indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde.

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'IJsselmeer' ligt op circa 1,2 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Als gevolg van de relatief grote afstand kunnen effecten op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van bijvoorbeeld versnippering, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht en verstoring door trillingen op voorhand worden uitgesloten. Enkel de effecten ten gevolge van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Er is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd. In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is op circa 500 meter ten zuidoosten van het plangebied gelegen. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing wat betreft NNN-gebieden.

Stikstof Er is een toetsing uitgevoerd om te zien of de toename van stikstofemissie (significante) gevolgen kan hebben voor de Natura 2000-gebieden in de omgeving (Stikstofdepositieonderzoek Bestemmingsplan Molenblik, Antea Group, 7 december 2023, bijlage 11). Het plangebied ligt op ongeveer 20 kilometer van het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied waar voor stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, het betreft Natura 2000-gebied de 'Waddenzee'. In de Natura 2000-gebieden 'IJsselmeer' en 'Markermeer & IJmeer' zijn geen voor stikstofgevoelige habitats aanwezig. In het Natura 2000-gebied 'Waddenzee' is sprake van een overbelaste situatie doordat op

55

verschillende habitats de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) van dat habitat. De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma Aerius Calculator (2022). Uit de berekening blijkt dat de maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof op Natura 2000-gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat nadere besluitvorming niet in de weg.

Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Ook voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting (bijzondere houtopstand). Overtreding van art. 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming is uitgesloten.

5.5.3

Conclusie

De werkzaamheden zullen buiten het broedseizoen van vogels plaatsvinden. Het aspect ecologie vormt verder geen belemmering voor het voorgenomen plan.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer.

Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld.

56

Het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is in de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (nota Rnvgs) opgenomen. In de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is dit beleid verder uiteengezet. Dit beleid is waar mogelijk overeenkomstig het Bevi. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn.

5.6.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd (Externe veiligheid Molenblik Medemblik, Antea group, 31 mei 2021, bijlage 12). Hierin wordt aangegeven dat in de omgeving van het plangebied zich twee risicobronnen bevinden, de provinciale weg N240 en meerdere hoogspanningsverbindingen. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die gevaarlijke stoffen aanwezig hebben en gebruiken op een wijze en in een omvang zodanig dat er relevante gevaarlijke effecten zijn te verwachten nabij de nieuw op te richten kwetsbare objecten. N240 De N240 is niet opgenomen in de Regeling basisnet, het landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Rijkswegen en provinciale wegen (zoals de N240) zijn in principe opengesteld voor alle transport van gevaarlijke stoffen. In de bijlage van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen om te bepalen of er sprake is van een PR 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico. Hieruit blijkt dat er voor de N240 ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een PR 10-6-contour (minder dan 500 transporten GF3 per jaar). Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Voor het groepsrisico geldt dat voor het trajectdeel ter hoogte van het plangebied de gemiddelde personendichtheid op 150 meter van de weg hoger moet zijn dan 500 personen per hectare (op basis van eenzijdige bebouwing). Op basis van de omgevingskenmerken (woningbouw en agrarisch) wordt geconcludeerd dat de personendichtheid zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager is. Het groepsrisico van de N240 is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie (inclusief voorgenomen ontwikkeling) lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en zal in de toekomstige situatie toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) conform het Bevt verplicht. Binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N240 kan een plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of toxisch scenario optreden. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. Het effect dat optreedt bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen is vooral warmtestraling door een (plas)brand. Het invloedsgebied is circa 45 meter, uitgaande van een calamiteit waarbij de gehele wagen- of tankinhoud vrijkomt. De omvang van het effect wordt beïnvloed door de oppervlakte van de plasbrand.

De afstand tussen de geprojecteerde woningen en de weg bedraagt meer dan 150 meter, het plasbrandscenario is daarmee niet relevant voor deze groepsrisicoverantwoording. Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, dat na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Met de 'Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens' zijn tankauto's voorzien van een hittewerende bekleding die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt.2

57

De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel (de dood veroorzakend) optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Op basis van de stedenbouwkundige structuur zijn er mogelijkheden om het plangebied via de Bolzijl te verlaten (voor alle verkeer) en via de Patrijspoort, het Boegbeeld en Brakeweg tevens voor fietsers en voetgangers (langzaam verkeer).

Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. Vanwege de maatregelen uit de Safety Deal (hittewerende bekleding) wordt een warme BLEVE bij LPG-tankwagens gedurende ten minste 75 minuten voorkomen. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario.

Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Binnen het plangebied zijn geen specifieke functies voorzien die de langdurige aanwezigheid van (groepen) verminderd zelfredzame personen (zoals kinderen, ouderen) faciliteren. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hoogspanningsleidingen Ten oosten van het plangebied bevindt zich de hoogspanningsleiding Enkhuizen – Medemblik (50 kV). Daarnaast is ter hoogte van de N240 een ondergrondse 150 kV-verbinding. Hoewel een hoogspanningsleiding formeel niet aan te merken is als risicobron vanuit het aspect externe veiligheid, worden beide leidingen volledigheidshalve beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen de dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' van de 50 kV-leiding Enkhuizen – Medemblik. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding' is in principe geen bebouwing toegestaan.

Daarnaast geldt rondom de hoogspanningsleiding Enkhuizen – Medemblik een zogenaamde indicatieve zone van 50 meter aan weerszijden van de leiding. Binnen deze indicatieve zone moet voor nieuwe situaties in beginsel worden vermeden dat gevoelige bestemmingen hier worden gerealiseerd. Nieuwe woningbouw (inclusief voor- en

58

achtertuin) moet in principe ook worden vermeden binnen deze indicatieve zone. Uit nader onderzoek blijkt dat de werkelijke magneetveldzone van deze leiding kleiner dan 20 meter is en daarmee niet reikt tot het plangebied. Deze magneetveldzone levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkelingen. Voor de 150 kV-verbinding ter hoogte van de N240 geldt dat via de ruimtelijke procedure geborgd is dat de magneetveldzone op maaiveld 0 meter bedraagt. Voor deze ondergrondse leiding geldt daarmee geen ruimtelijke beperkingen in de omgeving vanwege de aanwezigheid van een magneetveldzone. Het plangebied wordt voorzien van voldoende en toereikende bluswatervoorzieningen overeenkomstig de landelijke Handreiking Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019 van Brandweer Nederland.

5.6.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.7

Geluid

5.7.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

59

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt 48 dB. De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB. Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB.

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A). Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

5.7.2

Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bouwplan Molenblik te Medemblik, Antea Group, 9 maart 2022, bijlage 13). De te realiseren woningen zijn gelegen binnen de zones van de Markerwaardweg (N240), de Bolzijl en de Brakeweg. Op de Markerwaardweg geldt een maximumsnelheid van 80 km/uur. Op de Bolzijl en de Brakeweg geldt een maximumsnelheid van 60 km/uur. De wegen zullen worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Met behulp van het rekenmodel is op alle ontvangerspunten de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de gevels van de nieuw te realiseren woningen voor het zichtjaar 2031 berekend. De geluidbelasting van het wegverkeer op de Markerwaardweg op de te beoordelen gevels bedraagt ten

60

hoogste 45 dB inclusief 2 dB aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder en ligt daarmee ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Als gevolg van deze weg zijn er geen akoestische belemmeringen voor het plan. De geluidbelasting van het wegverkeer op de Bolzijl op de te beoordelen gevels bedraagt ten hoogste 30 dB inclusief 5 dB aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder en ligt daarmee ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Als gevolg van deze weg zijn er geen akoestische belemmeringen voor het plan. De geluidbelasting van het wegverkeer op de Brakeweg op de te beoordelen gevels bedraagt ten hoogste 40 dB inclusief 5 dB aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder en ligt daarmee ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Als gevolg van deze weg zijn er geen akoestische belemmeringen voor het plan.

5.7.3

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van Molenblik. Een goed akoestisch binnenklimaat wordt door maatregelen aan de woning gewaarborgd. Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai, industrielawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.

5.8

Geur

5.8.1

Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wgv) in werking getreden. De Wgv is het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder afkomstig van dierenverblijven bij (vergunningplichtige) veehouderijen. De Wgv stelt normen voor maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten of minimaal vereiste afstanden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten. Binnen de Wgv zijn geurgevoelige objecten onderverdeeld in twee categorieën, te weten objecten gelegen binnen de bebouwde kom en objecten gelegen buiten de bebouwde kom. Eenzelfde werkwijze wordt gehanteerd voor meldingsplichtige veehouderijen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) De gemeente Medemblik is op grond van bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een zogenaamd concentratiegebied. Buiten een concentratiegebied geldt een geurbelasting op een geurgevoelig object welke is gelegen binnen bebouwde kom van maximaal 2,0 ouE/m3. In geval het geurgevoelige object is gelegen buiten de bebouwde kom mag de geurbelasting maximaal 8,0 ouE/m3 bedragen. Naast bedrijven waar dieren gehouden worden waarvoor geuremissiefactoren gelden zijn er bedrijven waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien of paarden). Voor deze bedrijven gelden vaste (minimum) afstanden tot woningen van derden.

Tussen dergelijke bedrijven en objecten gelegen in de bebouwde kom geldt een (minimum) vaste afstand van 100 meter. De minimale afstand tot een object gelegen buiten de bebouwde kom bedraagt 50 meter. De afstand dient hierbij te worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf (zie hieronder) en de gevel van het voor geurgevoelige object (een woning van derden). In de praktijk wordt vaak het bouwvlak gehanteerd, zodat een eventuele groei van de betreffende veehouderij ook in de toekomst mogelijk blijft. Tevens geldt een minimumafstand van 25 meter (buiten de bebouwde kom) of 50 meter (binnen de bebouwde kom) tussen de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object.

61

Omgekeerde werking In de Wgv en het Activiteitenbesluit wordt niet expliciet ingegaan op de gevolgen van geuremissie voor ruimtelijke planontwikkeling. Vanuit het principe van 'goede ruimtelijke ordening', zoals genoemd in de Wet ruimtelijke ordening, is het echter noodzakelijk bij de beoordeling van de gevolgen voor het plangebied en zijn omgeving, rekening te houden met de milieubelasting die (agrarische) bedrijven veroorzaken. Er moet immers sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en mogen partijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belasting vloeit voort uit de rechtsgeldige Omgevingsvergunning (Wet milieubeheer vergunning) of melding Activiteitenbesluit en rekening houden met eventuele uitbreidingen. In beginsel mag niet binnen geurhindercontouren van (bestaande) veehouderijen worden gebouwd. Voor de beoordeling van de geurinvloed op het plangebied worden daarom de normen uit de Wgv of het Activiteitenbesluit (art. 3.115 en 3.116) omgekeerd gehanteerd. Met andere woorden: er wordt beoordeeld of betreffende agrarische bedrijven na realisatie van het plan (nog steeds) kunnen voldoen aan het gestelde in de Wgv/het Activiteitenbesluit en hun (mogelijke) uitbreidingsplannen niet worden beperkt. Als dit niet het geval is, dan kan het plan niet zondermeer doorgang vinden. Deze beoordelingswijze wordt ook wel omgekeerde werking genoemd.

5.8.2

Situatie plangebied

De gemeente Medemblik heeft in het verleden een geurverordening opgesteld: de "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014". Deze heeft vervolgens een plek gekregen in artikel 6.1 en 6.2 van de "Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche" (hierna: de verordening) en geeft de gemeente extra regels omtrent veehouderijen en ruimtelijke inpassing. De gemeente Medemblik is in de verordening opgedeeld in twee gebieden binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De gebieden binnen de bebouwde kom zijn weer opgedeeld in twee deelgebieden (A1 en A2). Deze twee deelgebieden zijn te onderscheiden in binnen de bebouwde kom met een stedelijk karakter (A1) en een landelijk karakter (A2). Hierin is vastgelegd dat voor woningen in deelgebied A2 een minder grote afstand kan worden gehanteerd (50 meter t.o.v. 100 uit de Wgv) voor veehouderijen. Hierbij zijn vervolgens voor rundveehouderijen aanvullende eisen gesteld aan de afstand ten opzichte van deelgebied A1 met meer dan 200 stuks rundvee (exclusief bijbehorend rundvee). Voor het bestemmingsplan is een onderzoek naar geur uitgevoerd (Memo geur omgeving Molenblik Medemblik, Antea Group, 24 februari 2022, bijlage 14). Hierin is de geuremissie gemodelleerd, waarbij gebruik is gemaakt van het programma V-stacks vergunning 2020.

V-Stacks vergunning berekent de geurbelasting van een individuele veehouderij op omliggende woningen. In de omgeving van de beoogde woningbouwlocatie Molenblik zijn twee veehouderijen gelegen, waarvan moet worden bepaald wat de impact is op het plan. Het betreft ten eerste een veehouderij aan de Brakeweg 16. De veehouderij aan de Brakeweg 16 kan ongeveer 250 ooien huisvesten. De tweede veehouderij is een veehouderij aan de Brakeweg 65. Op de veehouderij aan de Brakeweg 65 is geconstateerd dat alleen sprake is van dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor. Het bedrijf heeft op dit moment 112 melkkoeien en 65 stuks vrouwelijk jongvee (minder dan 200 stuks rundvee). Hiervoor zijn in de verordening geen hogere afstanden opgenomen ten opzichte van deelgebied A1. Op basis van de berekeningen uitgevoerd met V-stacks vergunning is geconstateerd dat op alle rekenpunten kan worden voldaan aan de geurnormeringen zoals voorgeschreven in de Wgv ten gevolge van het houden van 250 ooien aan de Brakeweg 16. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 1. De hoogst berekende geurbelasting is 2,5 ouE/m3 op Brakeweg 18 (buiten de bebouwde kom, oftewel

62

geurnorm bedraagt 8,0 ouE/m3). Op alle andere rekenpunten is de berekende geurbelasting lager (ter hoogte van het plangebied maximaal 1,1 oue/m3). De minimale afstand van 25 meter vanaf het dierenverblijf van Brakeweg 16 wordt gehandhaafd en verandert niet. Voor Brakeweg 65 is met behulp van ArcMap twee bufferzones van 50 en 100 meter in kaart gebracht. Hiervoor is het bouwvlak van Brakeweg 65 aangehouden als maximaal mogelijk binnen het huidige bestemmingsplan. Deze kaart is opgenomen in bijlage 2. Hieruit is op te maken dat de buffer van 100 meter het beoogde bouwvlak niet overschrijdt. Hiermee wordt voldaan aan de voorgeschreven richtafstanden zoals opgenomen in de Wgv, zowel voor objecten binnen als buiten de bebouwde kom. Ter plaatse van de gevel van de beoogde woningen worden de geurnormen als gevolg van de veehouderij aan de Brakeweg 16 (schapen) en zoals voorgeschreven in het Activiteitenbesluit niet overschreden. De minimale gevelafstanden voor Brakeweg 16 kunnen tevens worden gehandhaafd. Tevens worden binnen de richtafstanden (gemeten vanaf het bouwvlak) van de veehouderij aan de Brakeweg 65 (rundvee) geen geurgevoelige objecten ontwikkeld en wordt ook hier aan de afstandsnormen voldaan. Beide veehouderijen worden niet belemmerd in de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Er is bij beide geen sprake van concrete uitbreidingsplannen.

Hierdoor worden de twee veehouderijen niet onevenredig in hun belangen geschaad. Voor de toekomstige bewoners voldoet het bouwplan aan de wettelijke geurregels en is hiermee een goed woon- en verblijfklimaat voor de bewoners gegarandeerd. Nu niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad is sprake van een goede ruimtelijke ordening, waarbij het plan niet in strijd is met het recht.

5.8.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.9

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. In het plangebied is een hoogspanningsleiding aanwezig. Deze is op de verbeelding opgenomen. Voor het overige zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

63

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wet- en regelgeving De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Gelijktijdig met het in werking treden van de nieuwe Wet luchtkwaliteit is de AMvB 'Niet in betekende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling 'niet in betekende mate' (Regeling NIBM) in werking getreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen; 2.

Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen; 3. Bepaalde landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen . Bovenstaande projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

5.10.2 Situatie plangebied Molenblik maakt maximaal 220 woningen mogelijk en valt daarmee onder de projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen). Er is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In het naastgelegen bestemmingsplan 'Medemblik Woongebieden' wordt een onderzoek naar de luchtkwaliteit in de gemeente beschreven. Hierin wordt geconcludeerd dat er binnen de gemeente geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof (PM10), stikstofdioxide (NO2) , benzeen en koolstofmonoxide. Ook uit de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) - een webapplicatie die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort - blijkt dat direct langs de maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wlk wordt voldaan. Op de kaart van de luchtkwaliteit van het RIVM (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het plangebied binnen de grenswaarden blijft. Er is uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.10.3 Conclusie Het onderhavige bouwplan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit en er zijn op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.

64

5.11

Water

5.11.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen.

Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

5.11.2 Situatie plangebied Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Er is een watertoets uitgevoerd voor het plangebied (Watertoets Molenblik, Toelichting op de watertoets Molenblik te Medemblik, Antea Group, 28 april 2022, bijlage 15). Hierbij is contact gezocht met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Watercompensatie Om het basisniveau voor preventie van wateroverlast te behouden is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende waterberging wordt aangelegd en de opgave niet afgewenteld wordt op de omgeving (waterneutraal bouwen). De beleidsregels dragen bij aan het voorkomen van achteruitgang van het basisniveau en bieden daarnaast de flexibiliteit om te komen tot voor de omgeving gedragen en klimaatbestendige oplossingen. Bij een toename aan verharding van meer dan 2.000 m² wordt de compensatieopgave door het hoogheemraadschap bepaald middels een maatwerkberekening. Voor het plangebied is de compensatie-opgave vastgesteld op 15% van de toename aan verharding. Na het verrichten van de Watertoets is een beperkte wijziging doorgevoerd in het stedenbouwkundig plan, waarbij een extra woning en extra water is gerealiseerd. Het overschot aan open water is daardoor toegenomen. In de onderstaande berekening is de wijziging doorgevoerd. De berekening van de watercompensatie is: Bebouwing

15.355 m²

50% resterend uitgeefbare kavel

17.625 m²

Infrastructuur

23.915 m²

Totaal

56.895 m²

65

15% = 8.534,25 m²

In het stedenbouwkundig plan is circa 11.613 m² oppervlaktewater opgenomen. Dit betekent dat het stedenbouwkundig ontwerp meer dan voldoende oppervlaktewater heeft om de toename aan verharding van de ontwikkeling Molenblik te compenseren. Het plan voorziet voor de eigen ontwikkeling in een overschot van circa 3.078,25 m². Vanuit de ontwikkeling van de woonwijk Schepenwijk II resteert echter ook nog een watercompensatie opgave van 3.950 m². Het overschot aan open water kan daarom worden aangewend om invulling te geven aan deze resterende opgave. Het resterend tekort dient opgenomen te worden in de waterbank van de gemeente. Hierover dienen afspraken gemaakt te worden met de gemeente.

Afwatering/riolering De wijze waarop de afwatering wordt gerealiseerd is nog niet bekend. Het schone hemelwater wordt uiteraard afgevoerd naar het oppervlaktewater, maar of dit met een bovengronds systeem of met behulp van HWA riolering gaat is nog niet uitgewerkt. Gelet op de inrichting van het plangebied met de vele watergangen ligt een bovengronds afvoersysteem voor de hand. Om het plan klimaatrobuust te maken dient bij aanleg van het HWA stelsel ook rekening te houden met extreme neerslag, waardoor wateroverlast in de woningen te voorkomen. Het vuilwater wordt middels een vuilwater rioolstelsel (DWA) afgevoerd op het bestaande rioolstelsel van Medemblik. Hiervoor zal te zijner tijd een rioleringsplan voor moeten worden opgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat dan de DWA afgevoerd zal worden naar het gemeentelijk rioolstelsel in de bestaande Schepenwijk. Hierbij zal de primaire watergang (Brakesloot) moeten worden gekruist met een leiding. Naar verwachting zal er dan een rioolgemaal moeten komen in Molenblik, omdat afvoer onder vrij verval onder deze sloot door waarschijnlijk niet mogelijk is. Voor het aan te leggen rioleringssysteem zal te zijner tijd ook een watervergunning voor moeten worden aangevraagd.

Watergangen De watergangen binnen het plangebied betreffen wateren van de categorie secundair water. In het gebied ten noorden van het plangebied ligt primair oppervlaktewater. Twee duikers liggen aangrenzend op de scheiding van het plangebied. Langs zowel de primaire als secundaire watergangen zijn beschermingszones opgenomen.

66

Oppervlaktewater in en rondom het plangebied

Van belang is dat de toekomstige watergangen onderhoudbaar zijn. Conform de beleidsregels worden de toekomstige watergangen in het stedelijk gebied varend onderhouden. De breedte van de watergangen is afgestemd op het varend kunnen onderhouden. Alle watergangen hebben een minimale breedte van 6 meter op de waterlijn. Voor de watergang aan de zuidoostzijde van het plangebied komt daar de natuurvriendelijke oever nog bij op. Om te kunnen keren met een onderhoudsboot is een draaicirkel van minimaal 8 meter noodzakelijk. Daarom krijgt de watergang aan de noordoostzijde van het plangebied aan het uiteinde een draaikom met een straal van 8 meter om met een onderhoudsboot te kunnen keren. Voor de natuurvriendelijke oever langs de sloot aan de westzijde van het plangebied dient onderhoud bovendien te worden afgestemd tussen HHNK en de gemeente. Een watervergunning is hiervoor vereist. Voor de natuurvriendelijke oever aan de noordzijde wordt de inrichting van de oeverzone in nadere afstemming met gemeente en het hoogheemraadschap ingericht. In het kader van het vooroverleg voor de watervergunningen zullen te zijner tijd tekeningen met maatvoeringen en dwarsprofielen worden overlegd. Bij de nadere uitwerking van het ontwerp van het plan zal rekening gehouden moeten worden met onder andere de aanleg van locaties om de maaiboot te water te kunnen laten.

Tevens zal ongeveer per 200 meter watergang een laad-/losplaats voor uitkomend slootvuil (maaisel, drijfvuil, diepvuil, bagger enz.) beschikbaar moeten zijn. Langs het merendeel van de watergangen ligt een groenstrook in de openbare ruimte. Het ontwerp biedt voldoende mogelijkheden om te water laat plaatsen te realiseren en om locaties in te passen waar maaisel uit de watergang kan worden gehaald.

67

Momenteel wordt door de gemeente Medemblik en HHNK gewerkt aan het project overname onderhoud stedelijk water (OSW) Medemblik. Hierbij zullen afspraken gemaakt worden over het in de toekomst door HHNK in samenspraak met de gemeente onderhouden van de bestaande watergangen binnen de bebouwde gebieden van de hele gemeente. Daarop vooruitlopend is het uitgangspunt dat nieuw stedelijk water ook in onderhoud zal komen bij HHNK, in samenspraak met de gemeente. Dus ook het natte profiel van de watergangen binnen Molenblik. De droge, bovenwateroevers komen in onderhoud bij de aanliggend eigenaren. Over het onderhoud van natuurvriendelijke oevers zullen ook afspraken gemaakt moeten worden tussen gemeente en HHNK.

Peilwijzigingen Binnen het plangebied wordt een dynamisch waterpeil gehanteerd van NAP -3,7 m. Dit peil ligt lager dan de omliggende gebieden rondom het plangebied waar dynamische streefpeilen zijn gedefinieerd van NAP -2,2 m (noordelijk) en NAP -2,90 m (ten oosten). In de toekomstige situatie is een inrichting voorzien waarbij woningen grenzen aan water dat doorvaarbaar is vanaf de Brakesloot, waar een streefpeil wordt gehanteerd van NAP - 2,2 m. Het uitbreidingsgebied waar water wordt ingepast bevindt zich momenteel binnen een gebied met een streefpeil van NAP - 3,7 m. De te graven watergangen krijgen een waterdiepte van minimaal 1 meter (bodemhoogte NAP -3,2 m). Om vanaf de bestaande watergang zonder sluisconstructie door het plangebied te kunnen varen dient het water hetzelfde peil te hebben. Om de benodigde ontwateringsdiepte en drooglegging te behalen wordt het plangebied opgehoogd en is een wijziging van het waterpeil noodzakelijk. Om deze peilwijziging mogelijk te maken is een partiele herziening van het peilbesluit Vier Noorder Koggen noodzakelijk. Hiervoor wordt een separate procedure doorlopen bij het hoogheemraadschap. De gronden binnen het plangebied worden opgehoogd om voldoende drooglegging te garanderen voor de toekomstige situatie.

In de onderbouwing voor de peilwijziging (Partiële herziening peilbesluit, Toelichting op peilwijziging voor plan Molenblik te Medemblik, Antea Group, 1 april 2022, bijlage 16) wordt geconcludeerd dat de voorgenomen peilwijzigingen geen nadelige gevolgen hebben voor de aangrenzende percelen. Aan de noordoostzijde worden de nadelige effecten gecompenseerd door mitigerende maatregelen in de vorm van ophoging. Aan de zuidoostzijde is een peil scheidende dam van voldoende breedte aanwezig om geen negatieve effecten te verwachten. De lage doorlatendheid van de kleibodem resulteert in zeer beperkte vernattende effecten van de watergangen. Bovendien zijn de gronden aan de zuidwestzijde in eigendom van de ontwikkelende partij die deze effecten accepteert. Op basis van bovenstaande punten wordt geconcludeerd dat de voorgenomen peilwijzigingen geen nadelige gevolgen hebben voor de aangrenzende percelen.

5.11.3 Conclusie De waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied vormt geen knelpunt om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, daarbij het voorbehoud dat onder meer de nog door HHNK te voeren procedure tot partiële herziening peilbesluit VNK wordt doorlopen. Het plangebied bevat voldoende ruimte voor waterberging en de inrichting van het watersysteem vormt geen knelpunten voor wat betreft het onderhoud en de waterkwaliteit.

68

5.12

Milieueffectrapportage

5.12.1 Wet- en regelgeving Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in kolom 2 'gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Voor deze activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.,om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden.

Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

5.12.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de bouw van maximaal 220 woningen, een toename ten opzichte van de bestaande situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Met de bouw van maximaal 220 woningen wordt hier ruimschoots onder gebleven. Het plan is daarmee niet planMER-plichtig, maar er dient een vormvrije m.e.r. -beoordelingsbesluit genomen te worden. Voor het bestemmingsplan is een aanmeldingsnotitie opgesteld (Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling, Molenblik te Medemblik, Antea Group, 12 april 2022, bijlage 17) met daarin de informatie op basis waarvan het bevoegde gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan nemen. Uit de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse.

Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.

69

5.12.3 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

70

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Er blijft een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan bestaan. Bestemmingsplan 'Molenblik' bestaat uit een verbeelding, de regels (inclusief bijlagen) en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Bij de regels is het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Molenblik, Vollmer & Partners, 24 november 2023 toegevoegd als Bijlage 1. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Molenblik' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.2

Opzet en toelichting van de planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels zijn alle gehanteerde begrippen nader omschreven (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de artikelen 3 t/m 7 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouwregels opgenomen. De bestemming 'Agrarisch' (artikel 3) heeft betrekking op het agrarisch perceel aan de oostzijde. Binnen deze bestemming is agrarisch grondgebruik mogelijk. De bestemming 'Groen' (artikel 4) omvat de groene buffer aan de zijde van het open landschap en cruciale groenstroken in het plan. De aanleg van diverse speelvoorzieningen is mogelijk binnen deze bestemming.

71

De bestemming 'Verkeer' (artikel 5) bevat de aansluiting via Schootsvel waar aanpassingen nodig zijn om de nieuwe woningen via deze route te kunnen ontsluiten, inclusief de aansluiting op de Almereweg. De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' (artikel 6) heeft betrekking op de nieuwe hoofdontsluitingsweg door Molenblik. Deze bestemming is uitgebreider dan de bestemming Verkeer en bevat naast de wegen ook de mogelijkheid voor de aanleg van voetpaden en (vrijliggende) fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. Alle grote waterlopen zijn opgenomen binnen de bestemming 'Water' (artikel 7). Met de bestemming 'Wonen' (artikel 8) worden de woningen mogelijk gemaakt. Hierbij is het mogelijk om behalve woningen ook de bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, groen en water mogelijk te maken. Binnen de bestemming Wonen wordt een aantal randvoorwaarden meegegeven zoals de maximaal toegestane bouwhoogte, de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrenzen, het maximum aantal woningen en de typen woningen die toegestaan zijn. Binnen deze randvoorwaarden kunnen verschillende plannen uitgevoerd worden, waardoor het stedenbouwkundig plan flexibel uitgewerkt kan worden. Ter bescherming van de hoogspanningsleiding is de dubbel-bestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding' (artikel 9) opgenomen.

Ter bescherming van archeologische waarden in de bodem is de dubbel-bestemming 'Waarde Archeologie -2' (artikel 10) en de dubbel-bestemming 'Waarde Archeologie -3' (artikel 11) opgenomen. Voor de bescherming van deze waarden is een archeologisch onderzoek nodig waarbij duidelijk moet zijn wat de gevolgen voor deze waarden zijn voor een omgevingsvergunning voor bouwen verleend kan worden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 12), algemene gebruiksregels (artikel 13), algemene afwijkingsregels (artikel 14) en algemene wijzigingsregels (artikel 15), algemene aanduidingsregel (artikel 16) en overige regels (artikel 17). In de algemene gebruiksregels wordt aangegeven wat er onder strijdig gebruik wordt verstaan. In de algemene afwijkingsregels staat vermeldt welke algemene afwijkingen ten opzichte van het bestemmingsplan zijn toegestaan. De algemene wijzigingsregels zijn opgenomen om wijzigingen voor het beloop of profiel van wegen indien noodzakelijk mogelijk te maken. De algemene aanduidingsregel is opgenomen om in het agrarische gebied een spuitvrije zone aan te houden. In de overige regels is de toepassing van de parkeernormen opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hierin zijn de overgangsregels ten aanzien van bouwwerken en ten aanzien van het gebruik opgenomen (artikel 18). De regels eindigen met de slotregel, waarin de titel is opgenomen waaronder de regels kunnen worden aangehaald (artikel 19).

72

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden vastgelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten. De gronden zijn in eigendom van de gemeente Medemblik, BPD Gebiedsontwikkeling en Zeeman Real Estate. De gehele woonwijk Molenblik wordt ontwikkeld in samenwerking tussen de gemeente Medemblik en BPD en Zeeman. Over deze samenwerking zijn nadere afspraken gemaakt. Deze zijn uitgewerkt in een anterieure overeenkomst. Het kostenverhaal ten aanzien van het gehele plan is verzekerd door de afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar.

Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld, aangezien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemaakte afspraken bieden inzicht in de economische uitvoerbaarheid van de plannen. Er kan worden geconcludeerd dat de voorliggende plannen in beginsel financieel uitvoerbaar zijn.

73

74

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zal het voorontwerp van het bestemmingsplan 'Molenblik' naar verschillende overleginstanties gezonden. In bijlage 18 zijn de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon opgenomen.

8.2

Inspraak

Het stedenbouwkundig plan is in een vroegtijdig stadium voorgelegd aan de omwonenden en de gemeenteraad tijdens een inloopavond (september 2019) en een (digitale) informatiebijeenkomst (maart en juli 2021). Daarnaast is er op 8 juli 2021 nog een informatiebijeenkomst geweest specifiek voor de bewoners van de aangrenzende woningen in Schepenwijk II. De aandachts- en verbeterpunten die uit deze bijeenkomsten naar voren kwamen zijn verwerkt in het stedenbouwkundig plan.

8.3

Ter inzage legging

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, ook in de Staatscourant te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Na de zienswijzeperiode zijn de zienswijzen verzameld en voorzien van een gemeentelijke reactie. De zienswijzenota is opgenomen in bijlage 19. De zienswijzen zullen door de gemeenteraad worden meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=c917445b-f383-489e-86ae-51ac60462df1