CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 DOC-24-795601 - Bijlage 3 : bestemmingsplan Molenbllik

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Molenblik (pfh. J. Broeders)30.342 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27

Luchtfoto (plangebied rood omkaderd), bron: Google Earth

Zicht over het plangebied en op de Windmoter Brakepolder vanaf de noordzijde (Patrijspoort)

28

Zicht over plangebied vanaf zuiden (Brakeweg), bron: Google Earth

29

30

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het stedenbouwkundig plan uiteengezet en beschreven aan de hand van een aantal aspecten. De plannen zullen na vaststelling van het bestemmingsplan verder uitgewerkt worden. De woningbouwplannen en de inrichting van de openbare ruimte zullen in overeenstemming zijn met de regels en de verbeelding (het juridisch bindende deel) van het onderhavige bestemmingsplan.

4.2

Stedenbouwkundig plan

In het stedenbouwkundig plan voor Molenblik is een heldere structuur neergelegd waarin water, ontsluiting en woongebieden zorgvuldig met elkaar in verband zijn gebracht. Hierbij is rekening gehouden met de uitgangspunten uit de kaderstellende notitie. Het ontwerp doet recht aan de bijzondere ligging in de Brakepolder. De kenmerkende polderstructuur met de opstrekkende verkaveling en langgerekte sloten vormt de basis voor het plan. Daarbij zijn doorzichten open gehouden naar de kop van de polder, waar nu een boerderij staat en ooit een poldermolen. Schuin tegenover de locatie bevindt zich de "Watermotor de Brakepolder". De kleine maar markante molen vormt een oriëntatiepunt langs de Brakeweg en is zichtbaar vanuit de woonwijk. De overgang naar het open landschap wordt eveneens met veel zorg vormgegeven.

Stedenbouwkundig plan Molenblik, bron: Vollmer & Partners Molenblik wordt een waterrijk woonmilieu. Het water is bevaarbaar en dooradert de wijk en staat in open 31

verbinding met de randsloot en de Braak. Deze lijnen zijn beeldbepalend en daarom is een goede inrichting van de oevers en erfafscheidingen en begeleiding door bomen en bebouwing van belang. Het nieuwe woongebied krijgt groene randen met natuurlijk ingerichte oevers en groen begroeide dijkjes. Tevens komen er mooie wandelpaden en worden er speelaanleidingen in het groen gerealiseerd. De aansluitingen op de omgeving worden op verschillende manieren gemaakt. Aan de noordzijde van het plangebied liggen de woningen in een karakteristiek milieu met natuurlijk groen en oeverbeplanting. Aan de oostkant vormt de waterstructuur de overgang naar het naastgelegen agrarische perceel. In de zuidoosthoek wordt de aansluiting op het lint van de Brakeweg gemaakt door het realiseren van een nieuw erf. Dit wordt zodanig ingepast en vormgegeven dat het past in het lint en de woningen buiten de geurcontour van de veehouderij aan de Brakeweg 65 blijven. Het dijklichaam aan de zuid- en westrand van het plangebied vormt de overgang naar de polder. De wijk wordt voor autoverkeer ontsloten vanaf de noordwestkant. De wegverbinding loopt met een knik door de polder, over de Schootsvel en sluit aan op de Almereweg. De woonwijk zelf krijgt een ringvormige hoofdontsluitingsweg waar verschillende straten op aangesloten worden om de woningen te bereiken.

Voor voetgangers en fietsers zijn er direct verbindingen naar de andere wijken en naar de stad. Er komen twee fietsbruggen over het water richting Schepenwijk II en een doorsteek voor fietsers naar de Brakeweg. Eén van de fietsbruggen zal ook gebruikt worden voor calamiteitenverkeer.

4.2.1

Landschappelijke inpassing

Het plangebied valt binnen het ensemble West-Friesland Midden. De historische verkaveling is met de ruilverkaveling van de tweede helft van de twintigste eeuw verdwenen. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de kern, op de overgang tussen stad en landschap. De ontwikkeling van dit gebied maakt het mogelijk om de stad verder te verankeren in de karakteristieke landelijke omgeving. De structuur van het omliggende landschap wordt met name bepaald door de historische watergangen, landwegen en lintbebouwing. Ze dooraderen stad en landschap en verbinden deze met elkaar. De harde stedelijke elementen als de provinciale weg N240 en de spoorlijn doorsnijden het landschap, maar voegen zich wel binnen het kenmerkende haakse patroon van het polderlandschap. Het plangebied grenst aan enkele van de historische structuurlijnen. In het ontwerp van Molenblik wordt op deze lijnen aansluiting gezocht om zo het gebied te verankeren in zijn omgeving. Het gaat daarbij zowel om verbindingen over land, met name bij de aansluiting op de Brakeweg aan de oostzijde, als om verbindingen over het water, zoals bij de aansluiting op de randsloot en de Braak aan de westzijde. De openheid van het landschap is goed beleefbaar.

Schuin tegenover de locatie bevindt zich de "Watermotor de Brakepolder". In de woonbuurt is een zichtlijn open gehouden op deze kleine maar karakteristieke molen. Iets verderop bevindt zich ook een beeldbepalende stolpboerderij. De landschappelijke inpassing van het plan als geheel is op een aantal karakteristieken van het landschap gebaseerd. Het ontwerp doet recht aan de bijzondere ligging in de Brakepolder door de kenmerkende polderstructuur met de opstrekkende verkaveling en langgerekte sloten als basis te nemen voor het plan. Zowel de structuur voor de wegen, de bebouwing, het water als het groen zoekt aansluiting op de rechtlijnige, opstrekkende verkaveling van Polder de Brake, waardoor de relatie met het landschap wordt versterkt. Door toevoeging van streekeigen groenelementen als rietkragen, bomenrijen en dijkjes met wandelpaden wordt deze verankering verder onderstreept. De randen van het plan, die de overgang vormen naar de omgeving, worden op verschillende manier in de karakteristieken van het landschap ingepast.

32

Aan de noordrand, grenzend aan de bestaande woonbuurt Schepenwijk II, wordt er veel groen gerealiseerd zodat er een natuurlijke overgang tussen de bestaande en de nieuwe wijk ontstaat. Ten zuiden van de randsloot wordt een natuurlijk ingerichte groenstrook gerealiseerd met veel ruimte voor oeverplanten. Tussen het groen komen woningen met een vlonderterras aan het water. Aan de oostzijde wordt de overgang naar het agrarisch landschap gemaakt met een watergang. De Brakeweg heeft een heel eigen sfeer als oude lintstructuur. Op de overgang tussen het nieuwbouwgebied en het lint wordt een nieuw erf gerealiseerd. Het erf wordt met een stevige groene rand als windvang omgeven. Het erf wordt zodanig ingepast en vormgegeven dat het past in het lint en daar een mooie nieuwe bijdrage aan zal leveren. Het biedt kans voor een onderscheidend woonmilieu, met ruimte voor een CPO project of de ontwikkeling van een Knarrenhof. Het dijklichaam aan de zuid- en westrand van het plangebied vormt de overgang naar het open landschap van de polder. Er komt een groene kade met daarachter een kleinschalig woonmilieu. Over de groene kade loopt een wandelpad, waar je heerlijk kunt uitwaaien. Op deze manier wordt het plan verankerd en ingepast in het landschap.

4.3

Woningen

4.3.1

Woningtypen

Medemblik is een aantrekkelijke gemeente om in te wonen, waardoor er een grote vraag is naar extra woningen. Een van de aantrekkelijke punten is wonen aan het water. Een belangrijke kracht van het plan is de aantakking op het bestaande vaarnetwerk van Medemblik. Hierdoor grenzen veel woningen direct aan het water. Zo zijn er onder meer wooneilanden aan de zuidkant van het plan, terraswoningen aan de noordzijde en het boerenerf met zijn specifieke inrichting. Voor het stedenbouwkundig plan en in de kaderstellende notitie is er goed onderzocht naar welke woningtypes er vraag is en daar sluit het woonprogramma op aan. Hierdoor ontstaat een plan met een grote variatie aan woningtypologieën waarbij voor veel doelgroepen gepast aanbod gerealiseerd zal worden. Er komen zowel woningen in de koop- als huursector. Woningen voor starters, gezinnen en 55-plussers. Dit uit zich in een brede programmamix met beneden-bovenwoningen, rijwoningen, rug-aan-rug woningen, 2-onder-1-kap woningen, vrijstaande woningen, vrije kavels en levensloopbestendige woningen. Onderdeel hiervan is een aantal CPO woningen (collectief particulier opdrachtgeverschap). Op die manier wordt er tegemoet gekomen aan de brede vraag naar woningen in Medemblik en ontstaat er een gemixte wijk. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van circa 220 woningen mogelijk.

De woonwijk zal gefaseerd ontwikkeld worden, waarbij het streven is dat in elke fase aangesloten kan worden bij de actuele woonvraag en dat in elke fase voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.

33

4.3.2

Verantwoording ladder duurzame verstedelijking en PRV

In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale, regionale en gemeentelijke woonbeleid. In paragraaf 4.2 is gemotiveerd op welke manier de ontwikkeling is ingepast in het Westfriese landschap. Voor de ontwikkeling van Molenblik is een ladderonderbouwing opgesteld (Ladderonderbouwing Molenblik, Medemblik, Bureau Stedelijke Planning, 23 september 2021, bijlage 1). Hierin wordt geconcludeerd dat voor de komende 10 jaar in de gemeente Medemblik een groei van circa 7% wordt verwacht. In absolute zin neemt het aantal huishoudens toe met 1.370. Dit betekent dat er in de komende tien jaar een vraag naar 1.370 nieuwe woningen in de gemeente Medemblik bestaat. Voor de regio Westfriesland wordt een groei van 7% verwacht. In absolute zin neemt het aantal huishoudens toe met 6.510 huishoudens. In de woningwetregio Noord-Holland Noord is in 2021 een woningtekort geschat van 8.480 woningen (2,8%). Deze loopt de komende jaren op naar 9.950 woningen in 2025 (3,1%). Om het hoge woningtekort terug te dringen is het noodzakelijk om bovenop de huishoudensgroei te programmeren, ook omdat een deel van de plannen vaak niet tot realisatie komt. Op basis van het landelijke woonwensenonderzoek van het Ministerie van BZK en CBS (WoON2018) zijn de woonvoorkeuren in de regio afgeleid.

49% van de respondenten heeft een voorkeur voor een (centrum)dorps woonmilieu. Het plan voor Molenblik valt in deze categorie. Rekening houdend met een groei van 1.370 huishoudens in Medemblik en 6.510 huishoudens in de regio Westfriesland bedraagt de totale vraag naar woningen in het (centrum)dorps woonmilieu in Medemblik 671 woningen en in de regio 3.190 woningen. Op basis van de woonwensen in het onderzoeksgebied is vervolgens de vraag naar woningtype en eigendom berekend. 64% van de respondenten heeft een voorkeur voor een grondgebonden woning. 60% van de respondenten heeft een voorkeur voor koopwoningen. Het regionaal kwalitatief woningmarktonderzoek 'Westfries vooruitdenken en tempo maken' van Atrivé onderschrijft dat de grootste behoefte de komende jaren in de regio Westfriesland ligt bij de grondgebonden koopwoning in het goedkope en het (middel)dure segment. Daarnaast is er behoefte aan het toevoegen van levensloopbestendige woningen. Ook is er een zekere mate van interesse voor CPO, met name voor gezinnen. In het stedenbouwkundig plan bestaat het woonprogramma uit 24% sociale huur, 24% goedkope koop en 52% vrije sector. Het gevarieerde woningbouwprogramma van Molenblik sluit aan bij de woningbehoefte van Medemblik en de regio Westfriesland. Het totale planaanbod in gemeente Medemblik bestaat uit 2.274 woningen.

Het totale planaanbod in de regio Westfriesland bestaat uit 12.630 woningen. Van het totale planaanbod in gemeente Medemblik zijn 303 woningen opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan. In regio Westfriesland zijn 3.045 woningen planologisch vastgelegd. Dit vormt de harde plancapaciteit. Er zijn zachte plannen voor 1.971 woningen in de gemeente Medemblik en 12.630 woningen in de regio Westfriesland. Van de zachte plancapaciteit is het niet zeker of en wanneer deze woningen daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden. Daarom worden deze woningen niet meegenomen in de behoefteraming. In de gemeente Medemblik bestaat de volledige harde plancapaciteit uit een centrum-dorps woonmilieu. In de regio Westfriesland bestaat 41% van de harde plancapaciteit uit woningen in een (centrum)dorps woonmilieu. Dat zijn plannen voor 1.259 woningen. In de harde plancapaciteit in Medemblik zijn 259 grondgebonden woningen opgenomen (85%) en 44 appartementen (15%). In Medemblik zijn er 231 woningen (76%) opgenomen als koopwoning. De overige 72 woningen (24%) zijn huurwoningen. Hier ligt het zwaartepunt op het sociale huursegment. In de regio Westfriesland zijn 2.177 grondgebonden woningen (71%) en 846 appartementen (28%) opgenomen in harde plannen. Daarnaast zijn er 2.402 woningen opgenomen als koopwoning (79%).

Voor de kwantitatieve behoefte wordt daarom geconcludeerd dat op basis van de verwachte huishoudensgroei en het harde planaanbod de behoefte aan woningen tot 2031 in de gemeente Medemblik 1.067 woningen is. In de regio Westfriesland is een behoefte aan 3.465 woningen berekend.

34

Er blijkt in de gemeente Medemblik ruim voldoende behoefte voor de ontwikkeling van 220 woningen in het plan Molenblik. In 2021 zijn er verschillende plannen in de regio in voorbereiding. Op basis van provinciale cijfers zijn er circa 2.180 woningen in voorbereiding. Er is voldoende kwantitatieve regionale ruimte voor alle plannen die in voorbereiding zijn. Voor de kwalitaiteve behoefte is op basis van de plancapaciteit, de verwachte huishoudensgroei en het woonwensenonderzoek de woningbehoefte naar de geplande woningen in Molenblik berekend. Hierbij is uitgegaan van de vraag naar woningen naar een (centrum)dorps woonmilieu, woningtype en eigendomsverhouding. De 220 geplande woningen in een (centrum)dorps woonmilieu passen ruimschoots binnen de geconstateerde woningbehoefte in Medemblik (+368) en die in de regio Westfriesland (+1.931). De 220 geplande grondgebondenwoningen passen ruimschoots binnen de geconstateerde woningbehoefte in Medemblik (+618) en die in de regio Westfriesland (+1.978). Van de grondgebonden woningen bestaat circa 30% uit het goedkope segment goedkoop en is 13% middelduur. Dit sluit aan bij de ambitie betaalbare woningbouw en faciliteert de vraag van starters en jonge gezinnen. De levensloopbestendige woningen faciliteert de vraag van ouderen.

Het programma in Molenblik bestaat uit 52 huurwoningen (24%) en past hiermee ruimschoots binnen de behoefte van Medemblik (+476) en de regio Westfriesland (+1.974). De 24% sociale huurwoningen in het programma is als kader meegegeven van de gemeente Medemblik om te voldoen aan de vraag naar sociale huurwoningen in de gemeente Medemblik. De 164 woningen geplande koopwoningen (76%) passen ook ruimschoots binnen de constateerde woningbehoefte in Medemblik (+591) en die in de regio Westfriesland (+1.491) Op locatie Molenblik geldt in het vigerend bestemmingsplan de bestemming 'agrarisch'. De beoogde ontwikkeling van deze locatie vereist transformatie van deze gronden naar de bestemming 'wonen'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een uitbreiding van het stedelijk gebied nodig. Voor de Ladder betekent deze voorziene uitbreiding van het stedelijk gebied dat een motivering nodig is waarin wordt aangetoond dat bouwen buiten bestaand stedelijk gebied noodzakelijk is. Dit wordt gedaan door alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied in de regio Westfriesland te beoordelen.

Uit analyse van mogelijke alternatieve locaties, blijkt dat deze geen alternatief bieden voor locatie Molenblik omdat: de alternatieve locaties niet dezelfde omgevingskwaliteiten bieden als locatie Molenblik (aantrekkelijke duurzaam en waterrijke woonomgeving); een deel van de locaties bevinden zich in kernen of in linten met een zeer beperkt voorzieningenniveau; een deel van de locaties biedt een duidelijk ander concept aan dat gericht is op een specifieke doelgroep; op een enkele locatie vervangen de geplande woningen bestaand aanbod. Het plangebied biedt ruimte voor de ontwikkeling van 220 woningen in een (centrum)dorps woonmilieu. De combinatie van een (centrum)dorps woonmilieu met een aantrekkelijke woonomgeving op steenworp afstand van het dorpscentrum maakt deze locatie uniek. Elders in bestaand stedelijk gebied zijn de mogelijkheden voor ontwikkelingen op deze schaal en tijdsspanne nihil. Voor de 220 geplande woningen in een (centrum)dorps woonmilieu op locatie Molenblik in de gemeente Medemblik is op basis van de vereisten van de Ladder voldoende behoefte aangetoond. De geplande ontwikkeling is daarmee gebaseerd op een zorgvuldig gebruik van de ruimte. Hiermee wordt ook voldaan aan het woonbeleid van alle betrokken overheden.

35

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1

Verkeersstructuur

In het kader van het opstellen van het stedenbouwkundig plan is adviesbureau Antea Group gevraagd onderzoek te verrichten naar de beste ontsluitingsroute voor de nieuwe woonwijk (Ontsluitingsvarianten ontwikkeling Molenblik in Medemblik, Antea Group, 20 april 2023). Dit onderzoek is terug te vinden in Bijlage 2. In het onderzoek is ook de verkeergeneratie van de toekomstige woningen berekend. Om de toekomstige wijk aan te sluiten op het bestaande wegennet zijn er vier ontsluitingsvarianten die in het onderzoek verkeerskundig worden onderzocht en beoordeeld. Voor elke variant is in beeld gebracht welke verkeersbewegingen zullen ontstaan als gevolg van de nieuwe woningen, welke mogelijke effecten dit zal hebben op het omliggend wegennet (doorstroming en verkeersveiligheid) en welke route het meest aantrekkelijk is voor de gebruikers. Hierin is rekening gehouden met het huidige woningbouwprogramma van 220 woningen. De verschillende varianten zijn in onderstaande afbeelding weergegeven en betreffen: Variant A: ontsluiting via Schootsvel Variant B: ontsluiting via Voorhamer Variant C: ontsluiting via Schepenlaan - Voorhamer Variant D: ontsluiting via de Bolzijl

Ontsluitingsvarianten Molenblik

Een directe aansluiting op de Markerwaardweg (N240) is geen onderdeel van deze studie. In het

36

voorgaande rapport van Goudappel Coffeng is benoemd dat bij de eerste planvorming van deze ontwikkellocatie een quickscan is uitgevoerd naar een ontsluitingsmogelijkheid die direct aansluit op de Markerwaardweg (N240). Uit deze quickscan is gebleken dat dit niet haalbaar is. Provincie Noord-Holland wil ten behoeve van doorstroming geen extra rotonde in de N240 tussen de bestaande rotondes (Almereweg en Droge Wijmersweg). Variant D (via Bolzijl) is eveneens in een eerdere fase van het verkeersonderzoek beschouwd. De provincie Noord-Holland staat een directe aansluiting van een nieuwe ontwikkeling op parallelwegen niet toe vanwege de functie die deze wegen nu hebben. Het aansluiten van een nieuwe ontwikkeling op een parallelweg verandert de functie van die weg en zorgt voor verkeersonveiligheid en sluipverkeer. In het verkeerskundig onderzoek is variant D daarom niet meegenomen in de beoordeling. Voor de verkeergeneratie is gerekend met 220 woningen voor het plan Molenblik. Hierbij heeft elk type woning een eigen verkeersgeneratie. Uitgaande van 220 woningen en het gehanteerde programma ontstaat er een verwachte maximale verkeersgeneratie van 1.687 motorvoertuigbewegingen per weekdag etmaal (mvt/etm) en 1.873 motorvoertuigen per werkdag etmaal. De drie ontsluitingsvarianten A t/m C zijn beoordeeld op verkeerskundige aspecten. Dit zijn: Doorstroming: 1.

Kwantitatief: in welke mate wordt verwacht dat de doorstroming hinder zal ondervinden van een nieuwe ontsluitingsroute; 2. Kwalitatief: wat is het verwachte ervaren effect op de doorstroming als gevolg van de nieuwe ontsluitingsvariant; Verkeersveiligheid: in welke mate worden conflictpunten tussen auto – auto of auto – fiets vermeden c.q. gecreëerd; Aantrekkelijkheid: de mate van aantrekkelijkheid van een ontsluitingsroute; of het een stedenbouwkundig goede route is. De verkeersveiligheid is in alle varianten een aandachtspunt. Varianten A, B en C kruisen een tweerichtingenfietspad. Het risico van de kruising met het fietspad is in variant A het beste te beheersen door de inrichting van de weg daar op aan te passen. Bij variant B kan voor eenzelfde oplossing gekozen worden, maar daar speelt ook mee dat de route het fietspad op korte afstand van een ander kruispunt (Voorhamer) met het fietspad kruist. Dit is een aanvullend risico ten opzichte van variant A. In variant C zijn er aanvullend verkeersveiligheidsrisico's omdat er in de woonstraten extra verkeer wordt geïntroduceerd en er meer menging met langzaam verkeer is. Volgens de categorisering van erftoegangsweg kan dit, maar ten opzichte van varianten A en B kent variant C wel meer conflicten. Variant B kent een groter ruimtebeslag dan de andere varianten en doorsnijdt tevens de huidige BMX-baan.

Variant C kent naast verkeersveiligheidsnadelen ook het nadeel van een hogere omgevingsimpact op de bestaande huizen dan andere varianten. Voor variant A, B en C geldt dat de ontsluitingsroute via een industrieterrein verloopt en daarmee ruimtelijk gezien minder aantrekkelijk is. Dit is echter geen onderscheidend punt. De voorrangskruispunten van de ontsluitingsroutes met de Almereweg in variant A, B en C kennen in de plansituatie een voldoende verkeersafwikkeling, er ontstaan geen knelpunten op deze locaties en de verkeersafwikkeling is voor deze varianten dan ook niet onderscheidend

37

Overzicht scores ontsluitingsvarianten Er is gekozen voor variant A. de wijk wordt voor autoverkeer ontsloten vanaf de noordwestkant. De wegverbinding loopt met een knik door de polder, over de Schootsvel en sluit aan op de Almereweg. Het autoverkeer gaat dus niet door bestaande woongebieden, zowel niet door Schepenwijk II als de Brakeweg, om verkeerstechnische, duurzame en gezondheidsredenen. Om de aansluiting op de Schootsvel te realiseren is deze opgenomen in dit bestemmingsplan. De woonwijk zelf heeft een ringvormige ontsluitingsweg, met daarbinnen meerdere verbindingen tussen de woonstraten. De wooneilanden aan de zuidzijde zijn ook via de ringvormige ontsluitingsweg bereikbaar. Voor deze doodlopende wegen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de gestelde eisen uit de landelijke Handreiking Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019 van Brandweer Nederland. De wegen worden uitgevoerd als 30 km/uur gebied. Door de toepassing van plateau's wordt de verkeersveiligheid geborgd. Voor voetgangers en fietsers wordt de wijk goed verbonden met zijn omgeving. Er komt een aansluiting op het Boegbeeld en de Patrijspoort met fietsbruggen over het water. Er komt een doorsteek voor fietsers naar de Brakeweg. De fietsbrug naar het Boegbeeld zal ook gebruikt worden voor calamiteitenverkeer en daarvoor geschikt gemaakt worden.

Daarmee zijn zowel het centrum, het station, de woonomgeving en de omliggende plaatsen goed bereikbaar gemaakt. Omdat de wijk zelf ingericht zal worden voor 30 km/uur, kan de fietser over de rijbaan en hoeven er geen aparte fietspaden of fietsstroken te komen. Indien de gemeentelijke standaard wordt aangehouden, worden er ook veel trottoirs gerealiseerd. In het kader van de duurzaamheid wordt overwogen om in rustige straten uit te gaan van shared-space. Daardoor is er meer ruimte voor groen en water. Langs de west- en zuidrand loopt een recreatief wandelpad, bijvoorbeeld uitgewerkt als schelpenpad over een dijkje. Het Nieuwe Erf wordt voor langzaam verkeer ontsloten via de Brakeweg. Om het smalle dijkje niet verder te belasten, loopt de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer over de woonwijk. Alleen de woning direct aan het lint is bereikbaar via de Brakeweg.

4.4.2

Parkeren

In de woonwijk is voldoende ruimte opgenomen voor het parkeren. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is daarbij de gemeentelijke norm voor het aantal parkeerplaatsen per woningtype gehanteerd, waarvan minimaal 0,3 in het openbaar gebied ten behoeve van bezoekers (Nota Parkeernormen, gemeente Medemblik, 2021). Het parkeren wordt deels op eigen terrein en deels in het openbare gebied opgelost. Bij de woningtypen vrijstaand, twee-onder-een-kap- en geschakelde woningen en enkele hoekwoningen van rijen wordt er zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd. Voor de overige woningen wordt er in de openbare ruimte geparkeerd. Daar waar de bouwvormen compacter zijn en de parkeerdruk hoog is, wordt haaksparkeren

38

toegepast. Daar waar de parkeerdruk lager is, zijn de openbare parkeerplaatsen als langsparkeerplaatsen in de straat uitgevoerd. In het stedenbouwkundig plan is zorgvuldig gekeken naar de parkeerverdeling waarbij ervoor is gezorgd dat er steeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn in de directe nabijheid van de woning. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt het aantal en type van woningen definitief gemaakt. Hierbij zal dan worden voldaan aan bovenstaande uitgangspunten voor het parkeren. Er zal daarbij rekening worden gehouden met het dan geldende beleid van de gemeente, ook voor elektrische laadpalen. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van de nieuwe functie.

4.5

Groen- en speelvoorzieningen

Het nieuwe woongebied krijgt groene randen met natuurlijk ingerichte oevers en groen begroeide dijkjes. In de wijk komen ook een aantal groenstroken en plantsoenen waar wandelpaden en speelaanleidingen in het groen worden gerealiseerd. De straten zijn zo ontworpen dat er ruimte is voor bomen, hagen en groenstroken, waarmee het aanzien van de wijk niet stenig wordt maar groen. Langs de zuidrand van de wijk komt een dijk waar je overheen kunt wandelen en heerlijk kunt uitwaaien. Het idee is om deze te laten begroeien als een bloemenweide. Langs de slootkant van deze dijk komen aan de zuidwestelijke kant natuurlijk ingerichte oevers met riet. Ook langs de noordzijde komt er een natuurlijk ingerichte groenstrook met veel ruimte voor oeverplanten tussen terraswoningen. De groenvoorzieningen bestaan grotendeels uit inheemse bomen en planten. De natuurwaarde is hoog vanwege de vele natuurlijke oevermilieu's, bloeiende bermen en inheemse beplanting.

4.6

Waterstructuur

Molenblik wordt een waterrijke wijk. Een groot deel van het water in het nieuwe woongebied wordt bevaarbaar en aangesloten op het bestaande vaarnetwerk van Medemblik. Het water dooradert de wijk en staat in open verbinding met de randsloot en de Braak. De nieuwe woonwijk wordt daartoe nagenoeg op hetzelfde niveau gebracht als Schepenwijk II. In de wijk komen bruggen en doorvaarbare duikers. De randsloot zelf is onderdeel van het vaarroutenetwerk West-Friesland Oost. Aan de westkant kun je verder varen over de Braak naar de Twiskdijkersloot, langs de Brakeweg naar de Kleine en Grote Vliet. Via deze waterstructuur is het mogelijk om via de Westerhavensluis naar het IJsselmeer te varen en eventueel vandaaruit nog verder.

4.7

Duurzaamheid

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan de eisen voor duurzaam en klimaatneutraal bouwen te voldoen. Nieuwe wijken in de gemeente worden gasloos en de woningen worden bijna energie neutraal (BENG) opgeleverd. Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met extremere weersomstandigheden door klimaatverandering. Door de opzet van het plan met veel ruimte voor groen en water is er voldoende mogelijkheid tot waterbuffering wat de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid voor de toekomst groter maakt. Molenblik wordt een duurzame woonwijk. Dit blijkt onder andere uit: Een bijna energieneutrale wijk, dit geldt zowel voor de woningen als de openbare ruimte; Aardgasvrij bouwen; Bezonning van de woningen;

39

Het benutten van de daken voor zonnepanelen; Toekomstgericht bouwen met voldoende flexibiliteit en goed doordacht woningaanbod; Klimaatadaptieve maatregelen; De ruime dooradering van de wijk met water en groen; Het gebruik van streekeigen beplanting en oevermilieus met hoge natuurwaarde, dit komt ten goede aan de biodiversiteit; Een goed stelsel van voet- en fietspaden door de wijk en richting het centrum; Natuurlijk spelen en speelaanleidingen; Afkoppeling van het hemelwater; Natuurinclusief bouwen, waarbij rekening wordt gehouden met leef- en nestmogelijkheden nabij de woningen en in het openbaar gebied (bijvoorbeeld verblijfplaatsen voor vleermuizen onder bruggen); Gebruik van duurzame materialen; Plaatsing ledverlichting. Binnen de regels voor de bestemmingen van dit bestemmingsplan is er voldoende ruimte opgenomen voor het aanbrengen van zonnepanelen, zonnecollectoren, e.d. Ook is in de bestemmingsomschrijving kleinschalige duurzame energiewinning opgenomen.

4.8

Beeldkwaliteitsplan

Aan het bestemmingsplan is een beeldkwaliteitsplan gekoppeld. Het beeldkwaliteitsplan vormt het toetsingskader voor de welstandscommissie bij verdere uitwerking van het plan. In het stedenbouwkundig plan is een heldere structuur neergelegd waarin water, ontsluiting en woongebieden zorgvuldig met elkaar in verband zijn gebracht. In het beeldkwaliteitsplan wordt deze samenhang verder versterkt door middel van de architectuur van de woningen en de inrichting van de buitenruimte. In het beeldkwaliteitsplan worden landschapselementen en architectuurkenmerken aangereikt, die dienen als leidraad en toetsingskader voor het verdere ontwerptraject. Er wordt ingegaan op algemene kwaliteiten die gelden voor de gehele en op specifieke thema's voor deelgebieden. Ook worden specifieke, beeldbepalende plekken aangeduid die een bijzondere benadering verdienen bij de verdere uitwerking van het plan. Het plan kan in vijf verschillende woonsferen worden onderscheiden: de Terraswoningen, de Singelbuurt, de Kappenbuurt, de Wooneilanden en Het Nieuwe Erf. Voor elk van deze zones worden de aspecten benoemd die voor de beeldkwaliteit belangrijk zijn. Aan de noordzijde worden Terraswoningen gerealiseerd. Deze woningen worden geïntegreerd in een natuurlijk oevermilieu. De woningen hebben private terrassen die als vlonders in de groenzone liggen.

De uitwerking van de terrassen is onderdeel van het architectonische ontwerp van de woning. De woningen in het middendeel vormen de Singelbuurt. In de Singelbuurt dragen bomenlanen en groene hagen bij aan de groene de sfeer, samen met de groene oevers van het water rondom. Het talud van het dijklichaam aan de westzijde maakt een natuurlijk ingerichte oever met oeverbeplanting langs het water en een kruidlaag (bloeiende weide) op de dijk. Centraal in het plan ligt de Kappenbuurt, hier hebben de rijwoningen een karakteristieke kap met lage goot. Bomenlanen en hagen zorgen voor een groen straatbeeld. De bebouwing is sterk verwant aan de Singelbuurt. Aan de zuidzijde liggen drie Wooneilanden die met bevaarbare watergangen van elkaar zijn gescheiden. De woonstraten die de eilanden ontsluiten hebben een beëindiging in een groen uitgewerkt boomvak met boom, waar in het geval van het middelste wooneiland een voetpad doorheen loopt naar het dijkje.

40

Om de landschappelijke uitstraling van de randen van de wijk beeldbepalend te laten zijn vanaf openbaar toegankelijke routes, worden aan private oevers en erfafscheidingen aanvullende eisen gesteld. De bebouwing sluit aan op de architectuur van de Singelbuurt en heeft een eigentijdse uitstraling. Aan de oostzijde komt Het Nieuwe Erf aan de Brakeweg. De woningbouw is daar ontworpen als onderdeel van een collectief boerenerf, geïnspireerd op de streekeigen erven en rurale architectuur. Het erf krijgt een stolp aan de Brakeweg. Het erf als samenhangend geheel wordt benadrukt doordat het met water en een windsingel is omgeven en doordat het wordt uitgevoerd in onderscheidende klinkerverharding. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 1 van de Regels van dit bestemmingsplan en wordt aangehaald in de Regels, waarmee de juridische koppeling tussen beeldkwaliteitsplan en bestemmingsplan ontstaat. Daarmee is het beeldkwaliteitsplan geborgd in het bestemmingsplan.

41

42

Hoofdstuk 5 Milieu

5.1

Inleiding

Voor het bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten, van belang voor het plangebied, nader bekeken. Aandacht is besteed aan geluidhinder afkomstig van verkeer, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de aspecten ecologie, archeologie en is een waterparagraaf opgenomen.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Wet- en regelgeving

Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geur, stof, geluid en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

5.2.2

Situatie plangebied

Het plangebied vormt een uitbreidingsgebied van Medemblik. Gelet op de (directe) omgeving rondom het plangebied wordt het omgevingstype 'rustige woonwijk' gehanteerd. Voor het bestemmingsplan is onderzocht of wordt voldaan aan de handreiking Bedrijven en milieuzonering (Memo Bedrijven en milieuzonering, Antea Group, 24 januari 2022, bijlage 3). Rondom het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een schapenhouderij (Brakeweg 16). Ten zuiden van het plangebied is binnen de bestemming 'Bedrijf' een dierenpension gevestigd (Brakeweg 69). Ten zuidoosten van het plangebied is binnen de bestemming 'Agrarisch' een agrarisch grondgebonden bedrijf gevestigd (Brakeweg 65). Ten noordwesten van het plangebied zijn binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' verschillende bedrijvigheden gevestigd (bedrijventerrein Almere/Overleek). Voor al deze bedrijven geldt een maximale indicatieve hinderafstand van 100 meter. Voor het dierenpension (honden) geldt de maximale indicatieve hinderafstand vanuit het aspect geluid. De bestaande woningen in de directe omgeving van het pension (binnen deze hinderafstand) zijn maatgevend en staan dichterbij het pension dan de geprojecteerde woningbouw.

De afstand van het pension tot de geprojecteerde woningbouw bedraagt meer dan 200 meter, er worden derhalve geen belemmeringen voorzien in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Bij het melkveebedrijf aan de Brakeweg 65 volgt de hinderafstand ook uit de gemeentelijke geurverordening en Wet geurhinder en veehouderij. Binnen 100 meter van het bouwvlak van de Brakeweg 65 worden geen woningen mogelijk gemaakt met betrekking tot de ontwikkeling Molenblik. Er dient derhalve geconcludeerd te worden dat voldaan wordt aan de afstandseis en er sprake is van een

43

aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de schapenhouderij aan de Brakeweg 16 geldt dat de minimale afstand tussen geurgevoelig object en dierenverblijf van 25 meter, zoals geldt buiten de bebouwde kom, dient te zijn. Verdere toelichting voor deze richtafstand wordt onderbouwd in 5.8.2 Situatie plangebied. Op het bedrijventerrein Almere/Overleek ten noordwesten van het plangebied is bedrijvigheid toegestaan tot en met milieucategorie 3.2. Voor deze milieucategorie geldt een afstand van 100 meter. De afstand tussen het plangebied en de bouwvlakken van dit bedrijventerrein bedraagt meer dan 250 meter. Daarmee wordt voldaan aan de indicatieve hinderafstand. Bovendien worden bovengenoemde functies niet in hun milieuruimte beperkt door voorgenomen ontwikkelingen. Zo bevinden zich ten opzichte van alle functies reeds bestaande woningen op gelijke of kortere afstand dan vanuit het plangebied bekeken. Spuitzone Omdat het op agrarische percelen in de regel is toegestaan drift veroorzakende chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken ten behoeve van de bescherming van de op de agrarische gronden te telen gewassen, dient aandacht te worden geschonken aan de invloed van deze gewasbeschermingsmiddelen op de omliggende functies zoals wonen.

Om de bestemming Wonen mogelijk te maken is het noodzakelijk om een spuitvrije zone van 50 meter te realiseren tot de agrarisch percelen waar de drift veroorzakende chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan. Ten zuiden van de nieuwe woonwijk bevinden zich agrarische percelen die eigendom zijn van de ontwikkelende partij, waarmee afspraken zijn gemaakt om geen chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken binnen de zone van 50 meter. Aan de noordzijde is een bestrijdingsvrije zone vastgelegd in het bestemmingsplan. De agrarische gronden ten oosten van het plangebied bevinden zich op een afstand van meer dan 50 meter tot de bestemming Wonen. Over de bestrijdingsvrije zone zijn afspraken gemaakt met de eigenaar van het desbetreffende agrarische perceel. In het bestemmingsplan is een spuitzone opgenomen die betrekking heeft op het deel van het woongebied dat binnen de spuitzone valt, in het geval de bestrijdingsvrije zone geen doorgang vindt. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt in het bestemmingsplan voorkomen dat wonen gerealiseerd kan worden binnen de spuitzone, zolang het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen niet is beeïndigd.

5.2.3

Conclusie

Het plangebied betreft een woongebied. De bedrijven buiten het plangebied bevinden zich op voldoende afstand van de toekomstige woningen en vormen daardoor geen belemmering. De bedrijven worden niet in hun milieuruimte beperkt door voorgenomen ontwikkelingen. Vanuit de systematiek van 'Bedrijven en milieuzonering' wordt daarmee een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd. Ten aanzien van spuitzones is een afstand van 50 meter geborgd tot de bestemming Wonen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

44

5.3

Bodem

5.3.1

Wet- en regelgeving

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op voor woningbouw geschikte grond te worden gerealiseerd.

5.3.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een onderzoek naar bodemkwaliteit en de aanwezigheid van asbest uitgevoerd (Verkennend bodem- en asbestonderzoek plangebied Molenblik in Medemblik, Antea Group, 27 juli 2021, bijlage 4). Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 (Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond). Op basis van het vooronderzoek is voor de onderzoekslocatie de strategie voor een onverdachte, grootschalige, niet-lijnvormige locatie aangehouden (ONV-GR-NL). Voor het tracé aan de Bolzijl (wegberm) is de strategie voor een kleinschalige, lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging aangehouden (VED-HE-L). Het onderzoek ter plaatse van de (voormalige) dammetjes is uitgevoerd conform de NEN 5740 met als strategie een verdachte locatie met heterogeen voorkomende verontreiniging (VED-HE-L) en conform de NEN 5707+C2: 2017 'Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond', eveneens met de strategie VED-HE. Het onderzoek naar de slootdempingen is uitgevoerd conform de door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) aangeven opzet: het verrichten van een raai van 3-5 boringen haaks op de voormalige sloten.

Omdat uit historisch onderzoek blijkt dat de voormalige sloten relatief smal zijn (greppels), zijn de boringen op relatief korte afstand van elkaar verricht. In een 2e fase is verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op een deel van het plangebied. Dit onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2: 2017 'Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond'. Omdat tijdens de 1e fase alleen asbestverdacht materiaal is aangetroffen op het maaiveld van het westelijke (meer geroerde) terreindeel en niet in de opgeboorde /opgegraven grond, heeft het verkennend asbestonderzoek zich alleen gericht op het westelijke terreindeel.

Resultaten grond De bodemopbouw in de slootdempingen is, met uitzondering van een zwakke bijmenging met slib en baksteen, niet afwijkend ten opzichte van het overige terrein. In de zandige en kleiige ondergrond in de dempingen zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen gemeten (klasse AW2000). De dammetjes bestaan met uitzondering van één dammetje, uit zandig materiaal waarin sporen bakstenen zijn aangetroffen. In één dammetje is sprake van een geroerde bodemvreemde laag van slakken, lava/gravel en/of puin. De bodem bevat doorgaans geen of ten hoogste licht verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen. Op het maaiveld op het westelijk terreindeel zijn circa 70 asbesthoudende plaatjes aangetroffen. In het opgeboorde materiaal is geen asbest waargenomen. In de fijne fractie is plaatselijk sprake van verhoogde gehalten aan asbest maar de grenswaarde voor nader onderzoek wordt niet overschreden. Op

45

de overige deellocaties is zintuigelijk en analytisch geen asbest aangetoond. Geadviseerd wordt om de stukjes materiaal die nog het maaiveld liggen, ter voorbereiding op de herontwikkeling door middel van hand-picking te verwijderen en dubbel verpakt af te voeren naar een geëigende verwerker. Er dient rekening mee te worden gehouden dat tijdens de herontwikkeling dan wel het toekomstige gebruik van het westelijke deel mogelijk plaatselijk nog meer asbesthoudend plaatmateriaal kan worden aangetroffen. Aanbevolen wordt ook dit in voorkomende gevallen middels handpicking te verwijderen en dubbel verpakt af te voeren naar een erkend verwerker. Deze handpicking is inmiddels uitgevoerd. Uit het vooronderzoek (Vooronderzoek plangebied Molenblik in Medemblik, 15 maart 2022, bijlage 5) blijkt dat er van de voorgenomen ontsluiting onvoldoende representatieve onderzoeksgegevens bekend zijn. Daarnaast is nabij het gebied sprake van een demping met mogelijk verontreinigd materiaal. Voor de voorgenomen wijziging in ontsluiting is de uitvoering van bodemonderzoek noodzakelijk.

Resultaten grondwater Het grondwater is ten tijde van de veldwerkzaamheden aangetroffen op 0,4 á 1,6 m –mv. en bevat maximaal licht verhoogde concentraties aan onderzochte stoffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de bodem hooguit licht verhoogde gehalten aan onderzochte parameters bevat. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de toekomstige woonfunctie. Voor de voorgenomen herontwikkeling zijn geen maatregelen noodzakelijk in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Conform de richtlijnen van de CROW 400 is het niveau basishygiëne van toepassing. Asbestgehalten in de grond zijn niet verhoogd (ten opzichte van de norm) waargenomen. Er dient rekening te worden gehouden dat tijdens de herontwikkeling dan wel het toekomstige gebruik van het westelijke deel mogelijk nog plaatselijk asbesthoudend plaatmateriaal kan worden aangetroffen.

5.3.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan met de beoogde woonbestemming met infrastructuur.

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Wet- en regelgeving

De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten

46

Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo’n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen.

5.4.2

Situatie plangebied

Archeologie Het plangebied valt in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor het plangebied is een archeologische quickscan uitgevoerd (Archeologische Quickscan De Weeshuisgronden/Schepenwijk III, Medemblik, Archeologie West-Friesland, 23 september 2016, bijlage 6). Hierin wordt aangegeven dat op de concept-beleidskaart archeologie van de gemeente Medemblik de verwachting van het bestemmingsplan Buitengebied nader is gespecificeerd. Binnen het plangebied zijn drie verschillende zones te onderscheiden: hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie (met name de bronstijd) en een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit andere periodes met een vrijstellingsgrens van 1.000 m² (lichtoranje), middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie en een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit andere periodes met een vrijstellingsgrens van 2500 m² (geel) en lage verwachting voor alle perioden met een vrijstellingsgrens van 5000 m² (groen). Het plangebied grenst aan het plangebied ‘Schepenwijk II’ in het noorden. Hier is vooruitlopend op de woningbouw, in 2007 een nederzetting uit de Midden- en Late Bronstijd opgegraven.

Na het uitvoeren van het archeologisch onderzoek is het plangebied aangepast door een andere keuze voor de ontsluitingsweg en door het betrekken van agrarische grond aan de oostzijde. Op onderstaande kaarten wordt daarom een plangebied aangegeven dat niet geheel overeenkomt met het plangebied van dit bestemmingsplan. Er is door Archeologie West-Friesland een aanvullend advies gegeven over het nog niet onderzochte deel van het plangebied (Aanvullend Archeologisch Advies (versie 2022), Archeologie West-Friesland, 20 april 2022 , bijlage 8). Voor het nog niet onderzochte deel geldt dat de ruilverkaveling de meeste sporen heeft aangetast. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen in het niet onderzochte deel vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie.

47

Uitsnede Beleidskaart Archeologie

De geplande ingreep overschrijdt de vrijstellingsgrens. Op basis van de geplande ontwikkeling en de hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Midden- en Late Bronstijd is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen te worden opgesteld. Tijdens het inventariserend veldonderzoek (Medemblik Weeshuisgronden IVO-P, Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven, ADC ArcheoProjecten, april 2020, bijlage 7) zijn verspreid over het plangebied resten uit de Bronstijd aangetroffen. Het centrale deel van het plangebied wordt van oost naar west doorsneden door een smalle zandige rug. Ter hoogte van de rug is het sporenniveau uit de Bronstijd afgetopt en zijn sporen ernstig aangetast of verdwenen. Binnen het westelijke perceel (de moderne akker) is de bodemopbouw grotendeels verstoord, met uitzondering van het noorden. In het zuiden zijn hier nog enkele bronstijdsporen aangetroffen, maar de conservering hiervan was matig. De conservering en zeldzaamheid van de resten op twee plaatsen is echter uitzonderlijk en behoudenswaardig. De resten in het zuiden zijn het best geconserveerd en bijzonder te noemen.

48

Overzicht van de aard van de sporen van het proefsleuvenonderzoek

In het noordelijk deel zijn veel grondsporen uit de Midden-Bronstijd gevonden. Het gaat hierbij om greppels, kuilen, paalkuilen en stakenrijen. Wat bijzonder is aan dit deel van het plangebied, is enerzijds dat de bodemopbouw grotendeels intact is. Het bronstijd sporenvlak wordt afgedekt door een ca. 10 cm dikke zwarte laag. Dit betekent dat ook de kwetsbare sporen zoals bijvoorbeeld ploegsporen nog bewaard kunnen zijn gebleven. De aanwezigheid van vele staken geeft al aan dat de conserveringsomstandigheden zeer goed zijn. Wat deze locatie verder heel bijzonder maakt, is dat er in een van de proefsleuven een huisplaats is herkend. De combinatie met de goede conserveringsomstandigheden, maakt deze huisplaats een ideale locatie om onderzoeksvragen over huisplaatsen te beantwoorden.

49

In het zuidelijk deel is de spoordichtheid aanzienlijk lager dan in het noordelijk deel. Wat dit terrein bijzonder maakt, is de aanwezigheid van een ringsloot van een grafstructuur. Ongeveer de helft van de structuur is onderzocht tijdens het proefsleuvenonderzoek, graven werden niet aangetroffen. Ten noordwesten van de grafstructuur werd een cluster kuilen uit de Bronstijd aangetroffen. Vergelijkbare kuilclusters zijn een zeldzaam fenomeen, mogelijk houden ze verband met funeraire zaken in dit deel van het terrein.

Ligging behoudenswaardige terreinen

Deze twee terreinen (zone Noord met een omvang van ca. 15.300 m² en zone Zuid van 6.500 m²) zijn als behoudenswaardig bestempeld, de rest van het plangebied kan vrijgegeven worden. In het selectieadvies wordt geadviseerd dat, indien behoud in situ niet mogelijk is, beide terreinen door middel van een opgraving nader te onderzoeken. Dit selectieadvies is overgenomen door de bevoegde overheid, Archeologie West-Friesland namens de gemeente Medemblik. Voor het nog niet onderzochte deel onder de ontsluitingsweg geldt dat de ruilverkaveling de meeste sporen heeft aangetast. Het westelijke deel van het door middel van proefsleuven onderzochte deel kan daardoor worden geëxtrapoleerd naar het niet onderzochte zuidwestelijke deel. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen in het niet onderzochte deel vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. De voorgenomen ingrepen binnen het nieuwe deel van het bestemmingsplangebied zijn daarmee vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Ten behoeve van het doen van waarnemingen dient wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren. Dit geldt dan met name voor het graven van de waterpartij in het meest westelijke, niet onderzochte deel. Dit geldt dan met name voor

50

het uitgraven van het wegcunet in het noordelijke deel en het graven van de waterpartij in het meest westelijke, niet onderzochte, deel. Omdat in situ behoud niet mogelijk is, wordt er een onderzoek uitgevoerd naar het ex situ behouden van het archeologisch erfgoed. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd na het vaststellen van het bestemmingsplan. Om de bescherming van de archeologisch waardevolle delen te waarborgen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' voor de twee behoudenswaardige zones in dit bestemmingsplan opgenomen. In het bestemmingsplan zijn eveneens agrarische gronden meegenomen ten oosten van de nieuwe woonwijk. Deze krijgen de bestemming 'Agrarisch'. De gronden hebben in het bestemmingsplan Buitengebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Deze behoudenswaardige zone is eveneens in het bestemmingsplan opgenomen.

Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen Rijksmonumenten of beschermde Stads- of Dorpsgezichten aanwezig. Ook liggen er geen karakteristieke panden die door de gemeente beschermd worden vanwege cultuurhistorische eigenschappen. Ten zuidoosten van de ontwikkeling ligt de Windmotor Brakepolder, dit is een Rijksmonument. Het plangebied ligt op meer dan 200 meter, heeft een beperkte hoogte en kan gebruik maken van meerdere rotorbladen. Daarnaast is geen formeel beschermingsregime opgenomen voor de bijbehorende molenbiotoop in de Keur, provinciale verordening en het huidige bestemmingsplan. de woonwijk wordt verder een zichtlijn richting de Windmotor open gehouden. Er worden daarom geen wezenlijk negatieve effecten verwacht ten aanzien Windmotor Brakepolder. De Westfriese Omringdijk ten oosten van Medemblik is opgenomen als landschappelijke structuur in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is provinciaal beschermd als keringselement. Gezien de afstand van meer dan een kilometer tussen de woningbouwontwikkeling en het monument worden geen negatieve effecten verwacht op deze landschappelijke structuur. Ten westen van het plangebied ligt het Bijzonder Provinciaal Landschap 'Abbekerk en omgeving'. Dit landschap ligt aan de andere kant van de N240 en wordt niet aangetast door de ontwikkeling van Molenblik.

5.4.3

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.5

Ecologie

5.5.1

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving.

51

Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In de bescherming worden ook de gevolgen van de stikstofdepositie door de geplande ontwikkeling op de beschermde gebieden meegenomen. In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Vergunningen kunnen nu nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Met het programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. In de WNB is daarnaast de bescherming van houtopstanden (bossen, rijenbeplantingen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen) geregeld. Dit is van toepassing als er kap nodig is van een houtopstand die buiten de vastgestelde bebouwde kom houtopstanden ligt en die groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of voor bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer.

Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

5.5.2

Situatie plangebied

Er is een natuurtoets in het kader van de huidige natuurwetgeving voor het plangebied uitgevoerd (Natuurtoets Molenblik te Medemblik, Toetsing Wet natuurbescherming en NNN t.b.v. een bestemmingsplan, Antea Group, 7 april 2022, bijlage 9). Hierin is gekeken naar beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden.

Soortbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht

52

worden in het plangebied: Vogels met een jaarrond beschermd nest (buizerd, ransuil); Algemene broedvogels (zeer waarschijnlijk nestplaatsen); Vleermuizen (meervleermuis). Er is een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en bij verwijdering van de broedplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd. De aanwezigheid van nesten van de buizerd en ransuil in de directe omgeving van het plangebied is niet uit te sluiten. Voor deze soort geldt dat aantasting niet zonder meer toegestaan is. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen van de soort aanwezig is in bomen direct grenzend aan het plangebied, kunnen deze als gevolg van de werkzaamheden verstoord raken. Dit is een overtreding van gestelde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Voor de buizerd en ransuil geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van nestplaatsen van buizerd en ransuil in de directe omgeving noodzakelijk. Als blijkt dat de nesten in gebruik zijn door een soort met een jaarrond beschermde nestplaats, dient het effect van de werkzaamheden en de gebruiksfase op de geschiktheid van de broedlocatie getest te worden in het nader onderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=c917445b-f383-489e-86ae-51ac60462df1