CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 DOC-24-795601 - Bijlage 3 : bestemmingsplan Molenbllik

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Molenblik (pfh. J. Broeders)30.342 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Molenblik

Gemeente Medemblik 8 februari 2023 Vastgesteld

Gemeente Bestemmingsplan Voorontwer

Plannummer: NL.IMRO.0420.BPKMEDMOLENBLIK-va01 -

Toelichting Regels Verbeelding

Vastgesteld 8 februari 2024 Projectnummer 2420-400

Gemeente Medemblik Toelichting, deel uitmakende van het Bestemmingsplan Molenblik Vastgesteld

Plannummer: NL.IMRO.0420.BPKMEDMOLENBLIK-va01 Vastgesteld door de gemeenteraad op ..-..-…. Plan onherroepelijk per ..-..-….

Inhoudsopgave Toelichting

Toelichting

5

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk2 Beleid 2.1 Inleiding 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Regionaal beleid 2.5 Gemeentelijk beleid

9 9 9 10 16 19

Hoofdstuk3 Huidige situatie 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Huidige situatie plangebied

23 23 27

Hoofdstuk4 Planbeschrijving 4.1 Inleiding 4.2 Stedenbouwkundig plan 4.3 Woningen 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Groen- en speelvoorzieningen 4.6 Waterstructuur 4.7 Duurzaamheid 4.8 Beeldkwaliteitsplan

31 31 31 33 36 39 39 39 40

Hoofdstuk5 Milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.3 Bodem 5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.5 Ecologie 5.6 Externe veiligheid 5.7 Geluid 5.8 Geur 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Water 5.12 Milieueffectrapportage

43 43 43 45 46 51 56 59 61 63 64 65 69

Hoofdstuk6 Juridische vormgeving 6.1 Plansystematiek 6.2 Opzet en toelichting van de planregels

71 71 71

2

Hoofdstuk7

Economische uitvoerbaarheid

73

Hoofdstuk8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Inspraak 8.3 Ter inzage legging

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Ladderonderbouwing

Bijlage 2

Onderzoek ontsluiting

Bijlage 3

Bedrijven en milieuzonering

Bijlage 4

Bodem

Bijlage 5

Bodem bureau

Bijlage 6

Archeologie

Bijlage 7

Archeolgie veldonderzoek

Bijlage 8

Archeologie aanvullend advies

Bijlage 9

Ecologie

Bijlage 10

Ecologie nader onderzoek

Bijlage 11

Stikstof

Bijlage 12

Externe veiligheid

Bijlage 13

Geluid

Bijlage 14

Geur

Bijlage 15

Watertoets

Bijlage 16

Watergebiedsplan

Bijlage 17

Aanmeldingsnotitie m.e.r.

Bijlage 18

Reactienota provincie & gemeente

Bijlage 19

Zienswijzennota

3

75 75 75 75

4

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1

Aanleiding

De gemeente Medemblik wil aan de zuidzijde van de kern Medemblik de woonwijk Molenblik realiseren, in samenwerking met BPD Gebiedsontwikkeling en Zeeman Real Estate. Hierbij is het de bedoeling een woonwijk te ontwikkelen met maximaal 220 woningen. Voor de ontsluiting wordt het ten westen van het plangebied gelegen deel van de polder bij het plangebied betrokken. In 2019 is een kaderstellende notitie met daarin de uitgangspunten voor de nieuwbouwwijk vastgesteld door de gemeenteraad. Deze uitgangspunten vormen de basis voor de verdere uitwerking van de wijk. De afgelopen jaren is een stedenbouwkundig plan gemaakt voor Molenblik. Het vigerende bestemmingsplan laat het beoogde gebruik en de bouw van woningen niet toe. Het gemeentebestuur heeft besloten onderhavig bestemmingsplan in procedure te brengen om de beoogde functies, bouwwerken en de aanleg hiervan mogelijk te maken. Het stedenbouwkundig plan voor Molenblik is vertaald naar dit bestemmingsplan.

1.2

Plangebied

De locatie Molenblik ligt in de Brakepolder, ten zuiden van de woonwijk Schepenwijk II. Het nieuwe woongebied is gelegen tussen de boezemsloot van de Brakepolder en de erven langs de Brakeweg. Aan de zuidwestzijde grenst het nieuwe woongebied aan de open polder en aan de noordoostzijde aan een weide die doorkruist wordt door een hoogspanningslijn (en om die reden onbebouwd moet blijven). De hoofdontsluiting van het nieuwe woongebied gaat via Schootsvel. Dit is een klein bedrijventerrein met tankstation dat aansluit op de Almereweg. Daarnaast komt er een aantal langzaamverkeersverbindingen naar Schepenwijk II. Deze vallen ook binnen het plangebied van het bestemmingsplan. Het plangebied is ca. 11 hectare groot.

5

Ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld) bron: Google Earth

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De gronden in het nieuwe bestemmingsplan zijn onderdeel van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Het vigerende bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Medemblik op 22 februari 2018.

6

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omrand, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

In het vigerende bestemmingsplan hebben de gronden voor het grootste deel de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Verder heeft de Bolzijl de bestemming 'Verkeer' en liggen de nieuwe langzaamverkeersverbindingen in de bestemming 'Water' in het bestemmingsplan 'Medemblik - Schepenwijk II'. De nieuwe ontwikkelingen passen niet binnen deze bestemmingen en/of de begrenzing daarvan. Er is daarom een nieuw bestemmingsplan nodig. Daarnaast valt het plangebied binnen het 'Parapluplan Parkeren Medemblik', vastgesteld op 19 september 2019. Dit plan regelt dat de parkeerbeleidsregels over parkeernormen in de ruimtelijke plannen van de gemeente worden opgenomen. Deze regels zullen in dit plan worden overgenomen.

1.4

Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 is de toetsing van het project aan het beleid van het Rijk, provincie en gemeente beschreven; in hoofdstuk 3 wordt de bestaande situatie weergegeven; in hoofdstuk 4 is de beschrijving van het plan opgenomen; in hoofdstuk 5 zijn alle aspecten op het gebied van het milieu en leefkwaliteit beschreven; hoofdstuk 6 omvat de juridische planbeschrijving; hoofdstuk 7 beschrijft de economische uitvoerbaarheid; in hoofdstuk 8 zijn de resultaten opgenomen van inspraak en overleg.

7

8

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1

Inleiding

Op bestuurlijk niveau zijn beleidsuitspraken geformuleerd die onder meer betrekking hebben op het plangebied. Dit hoofdstuk bevat een korte samenvatting van de voor het bestemmingsplan van belang zijnde nota's en studies. Het milieubeleid, dat is vastgelegd in diverse wetten en waarvoor specifiek onderzoek moet worden uitgevoerd, is opgenomen in hoofdstuk 5 (Milieu).

2.2

Rijksbeleid

2.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Daarmee is het nieuwe nationale ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van kracht geworden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De rijksoverheid richt zich op nationale belangen. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; De bereikbaarheid verbeteren; Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Voor het verbeteren van de milieukwaliteit gaat de nota uit van de (internationaal) geldende normen. Verder gaat de nota uit van ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten, het gaat daarbij om de (herijkte) EHS (inmiddels Natuurnetwerk Nederland geheten) en Natura 2000-gebieden. Voor het plangebied zijn geen specifieke opgaven bepaald. De ontwikkeling heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

9

2.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Ecologische Hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Geen van deze nationale belangen speelt een rol binnen de begrenzing van het plangebied.

2.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en moet overprogrammering worden voorkomen. Om beide te bereiken wordt een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waardoor artikel 3.1.6 lid 2 Bro aangeeft dat: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.2.4

Conclusie

Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijksbeleid.

2.3

Provinciaal beleid

2.3.1

Omgevingsvisie NH2050

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan, het Milieubeleidsplan 2015-2018, de Watervisie 2021 en de Agenda Groen. De hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is het relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vasthouden door te richten op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare

10

provincie draagt bij aan economische vitaliteit. De provincie staat voor een gezonde en veilige leefomgeving, goed voor mens, plant en dier, en daarmee ook goed voor het economisch vestigingsklimaat binnen de provincie. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die nu gemaakt worden. De sturingsfilosofie is het principe 'lokaal wat kan, regionaal wat moet'. Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit aan regio's, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking.

Onder de hoofdambitie zijn voor een drietal aspecten samenhangende ambities geformuleerd: Leefomgeving Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit betreft bodem, water, lucht, omgevingsveiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten; Wonen en werken: vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming laten zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends; Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden; Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

In het Visiedeel zijn de ambities uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen hanteert de provincie meerdere ontwikkelprincipes. Deze ontwikkelprincipes geven houvast naar de toekomst toe omdat ze op hoofdlijnen beschrijven hoe de provincie de ontwikkelingen voor zich ziet. Het gaat om de volgende vijf bewegingen: Dynamisch schiereiland: het benutten van de unieke ligging, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. 11

Metropool in ontwikkeling: hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van en samenhangend metropolitaan systeem wordt de agglomeratiekracht vergroot. Sterke kernen, sterke regio's: de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.

Het plangebied draagt met de ontwikkeling van de woningen bij aan woningbouw aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Het plan wordt ingepast in het landschap.

Het plan is niet in strijd met de provinciale omgevingsvisie.

2.3.2

Omgevingsverordening NH2020

In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De provincie Noord-Holland wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Hierbij wordt gezocht naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De provincie wil dat er meer ruimte komt voor woningbouw in Noord-Holland Noord. De nieuwe omgevingsverordening regelt dat in landelijk gebied woningbouwprojecten tot 11 woningen gebouwd kunnen worden aan de rand van kernen en dorpslinten. Grootschalige woningbouw (meer dan 11 woningen) was onder voorwaarden altijd al mogelijk in landelijk gebied.

De plannen moeten wel worden opgenomen in een woonakkoord, gemeenten moeten aantonen waarom woningbouw op die locatie nodig is en het goed inpassen in het landschap. De 32 meest waardevolle en kwetsbare landschappen in de provincie zijn aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (BPL). Op deze gebieden is de provincie extra zuinig vanwege hun bijzondere waarde voor mens en dier. Per gebied is aangegeven welke bijzondere kernkwaliteiten aanwezig zijn. Dat kunnen ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden zijn. Hieronder vallen: het leefgebied voor weidevogels, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere bodemopbouw. Als deze kernkwaliteiten niet aangetast worden, is bijvoorbeeld woningbouw onder voorwaarden mogelijk. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels opgesteld over hoe toegestane ontwikkelingen ingepast kunnen worden in deze gebieden.

12

Om de energietransitie te versnellen is het in de Metropoolregio Amsterdam mogelijk om nieuwe windturbines te bouwen. De regels zijn versoepeld, waardoor het mogelijk is om 3 windturbines op een rij te bouwen, waar dit voorheen minimaal 6 windturbines waren. Dit maakt het makkelijker om plannen te maken. Het plangebied valt binnen het werkingsgebied agrarische bedrijven. Aangezien de functie verandert naar wonen is dit niet meer van belang. Het plangebied valt binnen de aanduiding Bodemsanering, waarvoor regels m.b.t. sanering zijn opgenomen. Aangezien binnen het plangebied geen bodemsanering van toepassing is heeft dit geen gevolgen voor het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen Landelijk gebied en Noord-Holland Noord landelijk gebied. Hierbij wordt aangegeven dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Het plangebied valt daarmee buiten het bestaand stedelijk gebied waar wonen is toegestaan, het sluit wel aan op de bestaande bebouwing. Hiermee draagt het bij aan het provinciale streven naar woningbouw aansluitend aan de bestaande verstedelijkte gebieden. Van belang is artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied.

Hierin wordt geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied voldoen aan de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Voor de verantwoording hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Het plangebied valt binnen Terreinen binnen de vastgestelde kritische afstand van Natura2000. Dit heeft betrekking op het al dan niet nodig zijn van een ontheffing voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik helikopters of andere luchtvaartuigen of het gebruik van een ontbrandingstoestemming. Dit is voor het bestemmingsplan voor deze locatie niet van belang. Wat betreft de verdere bescherming van natuurgebieden in de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 5.5 Ecologie van deze toelichting. Het plangebied valt tot slot binnen het werkingsgebied peilbesluit. Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen dit werkingsgebied. Dit zal in paragraaf 5.11 Water van deze toelichting behandeld worden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Bijzonder Provinciaal Landschap. Het plangebied zal vanwege de ligging in Landelijk Gebied voor de transformatie naar wonen moeten voldoen aan de Ruimtelijke Kwaliteitseis en de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening NH2020. Er zijn verder geen andere beschermingsregimes van toepassing.

Met de onderbouwing in de genoemde paragrafen wordt aangetoond dat het plan niet in strijd is met de provinciale omgevingsverordening.

2.3.3

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018)

Aandacht voor behoud en ontwikkeling van landschap en cultuurhistorie is sterk verankerd in het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland. In de afgelopen jaren is het beleid sterk ontwikkeld en heeft het een duidelijke plek gekregen in de Structuurvisie Noord-Holland 2040. Voor het opstellen van ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen is de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018) vastgesteld. Ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn alleen mogelijk indien de Leidraad daarbij wordt toegepast. Deze Leidraad is een vernieuwde versie van de Leidraad uit 2010. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (Leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische

13

bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte en ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. Ruimtelijke kwaliteit is lastig te definiëren of kwantificeren. Het gaat niet om mooi of lelijk, of behouden tegenover ontwikkelen. Ruimtelijke kwaliteit draait om het samenspel van nieuw en oud en de balans tussen behoud en ontwikkeling bij het maken van keuzen over de toekomst van het landschap. Zonder behoud geen verleden, maar zonder ontwikkeling geen toekomst. Kortom ruimtelijke kwaliteit ontstaat als nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aansluiten op de huidige kwaliteiten van het landschap. Zodat, waar mogelijk, eenieder het landschap in kan, het kan beleven en ervan kan genieten – ook in de toekomst.

Volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018) dient bij ruimtelijke plannen verantwoording te worden afgelegd van de manier waarop nieuwe functies rekening houden met de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap, de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken en de bestaande kwaliteiten van het gebied. De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Het plangebied valt binnen het ensemble West-Friesland Midden. De Westfriese Omringdijk vormt een herkenbare omlijsting van het oude zeekleilandschap van West-Friesland. Hierin liggen diverse droogmakerijen. In het Westfriese landschap zijn lokale landschappelijke verschillen ontstaan door de ontstaansgeschiedenis, de strijd tegen het water, de ligging en vooral de groei van de steden, de mate van ruilverkaveling en de huidige dynamiek. Het oostelijk deel van West-Friesland heeft landschappelijk gezien veel verwantschap met West-Friesland Midden en West, maar heeft wel deels een eigen ontstaansgeschiedenis en karakteristieken. Dit oostelijk deel vormt tevens de kust van het IJsselmeer en het Markermeer.

In dit ensemble herinneren de karakteristieke binnensteden van Medemblik, Enkhuizen en Hoorn aan het Zuiderzee- en VOC-verleden. Deze steden zijn de grotere kernen, waarvan Hoorn nog enigszins in de invloedsfeer van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) ligt. De spoorlijnen vanuit Alkmaar en Amsterdam via Hoorn naar Enkhuizen, de snelweg A7, de Houtribdijk en de toekomstige Westfrisiaweg verbinden dit gebied met de omgeving. West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). Waterlopen als de Kadijk, de Gouw, de Groote Vliet en de Molensloot zijn enkele relicten van het ooit waterrijke landschap. De kronkelende dijken en de braken en wielen zijn het resultaat van de lange strijd tegen het buitenwater. Langs de IJsselmeerkust tussen Medemblik en Enkhuizen, aan de Westfriese Omringdijk, liggen buitendijkse gebieden, die behoren tot het voormalig Zuiderzeelandschap. Samen met de kleinschalige gebieden binnendijks vormt dit een afwisselende kustzone, waar binnen- en buitendijks land een duidelijke relatie met elkaar hebben. Aan de binnenzijde van de Omringdijk liggen kernen als Medemblik, Wervershoof en Andijk.

Tussen de kernen ligt lintbebouwing en hier liggen de recreatiegebieden aan De Groote Vliet en de Kleine Vliet. Het gebied ten oosten van Twisk (beschermd dorpsgezicht), Oostwoud en Hauwert bestaat nog uit historisch, niet ruilverkaveld landschap.

14

Dit oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. De Westfriese Omringdijk vormt door zijn hoogte en herkenbare dijkprofiel een duidelijke begrenzing van de meer open gebieden in West-Friesland (Oost). Vanaf de dijk tussen Hoorn en Enkhuizen is de grote open maat van het IJsselmeer en het Markermeer goed te beleven, tussen Enkhuizen en Medemblik wordt het zicht soms belemmerd door een tussenzone van buitendijks land, beplanting en recreatievoorzieningen. Verspreid door West-Friesland Oost staan enkele molens als markante objecten in het landschap. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. De lintdorpen zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de ruimtelijke dragers van verstedelijking en van stolpenreeksen. Daarnaast is de Westfriese Omringdijk een provinciaal monument en een ruimtelijke drager van regionale betekenis. De hoger gelegen historische spoorlijn tussen Hoorn en Medemblik en de stations (onder andere Twisk en Opperdoes) vormen samen ook een ruimtelijke drager. Voor het plangebied geldt dat de historische verkaveling met de ruilverkaveling van de tweede helft van de twintigste eeuw is verdwenen.

De openheid van het landschap is goed beleefbaar. De Windmoter Brakepolder uit 1927 is een rijksmonument en vormt een baken in het landschap. De molen is vanuit delen van het plangebied zichtbaar. Het plangebied grenst aan het oude lint van de Brakeweg aan de zuidoostzijde. Hier wordt in het plan op aangesloten door het creëren van een nieuw erf op de plek waar het plangebied de Brakeweg raakt. Het ontwerp doet recht aan de bijzondere ligging in de Brakepolder door de kenmerkende polderstructuur met de opstrekkende verkaveling en langgerekte sloten als basis te nemen voor het plan. Voor de verdere verantwoording van de inpassing en de ruimtelijke kwaliteit van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.3.4

Woonagenda 2020-2025

De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. De speerpunten van de Provinciale Woonagenda 2020-2025 zijn: De vraag naar passende en betaalbare woningen in de provincie is groot en neemt onder alle doelgroepen toe. De provincie vindt het belangrijk om in de woonbehoefte te voorzien en daartoe de woningbouwproductie aan te jagen. Tegelijk wil de provincie de transitie maken naar een volledig klimaatneutrale, circulaire en klimaatadaptieve bouw én de bestaande woningvoorraad verduurzamen. Een goede ruimtelijke inpassing van woningbouwprojecten, rekening houdend met andere randvoorwaarden voor verstedelijking en beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie, is daarvoor essentieel. De richtinggevende principes die de provincie daarbij heeft geformuleerd zijn: 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst; 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw; 3.

De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of

15

5. 6. 7. 8.

in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen.

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking en de behoefte van de regio West-Friesland. Samen met andere in- en uitbreidingslocaties levert het een goede bijdrage aan een evenwichtige en een gevarieerde opbouw van de woningvoorraad in de regio. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.3.5

Conclusie

Op basis van de bovenstaande samenvattingen en de motivering in hoofdstuk 4 kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid. Het stedenbouwkundige plan dat de onderligger vormt voor dit bestemmingsplan is besproken (d.d. 28 oktober 2020 en 30 maart 2021) in de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (d.d. 14 juli 2021) van de provincie. Met aanpassingen is het plan akkoord bevonden.

2.4

Regionaal beleid

2.4.1

Regionale Woonvisie West-Friesland

De 7 gemeenten in de regio West-Friesland werken nauw samen op het gebied van woningbouw en volkshuisvesting. Het woningbouwbeleid is vastgelegd in de regionale Woonvisie West-Friesland 2017. Hierin is de ambitie uitgesproken om tot de top 10 woonregio’s van Nederland te gaan behoren en de woonvisie draagt bij aan het realiseren van die ambitie. De woonvisie zet in op de volgende speerpunten: Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen; Vitale kernen: richten op kansrijke producten en locaties; Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten; Scheiden wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen; Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven. Het speerpunt voor nieuwbouw, inzetten op onderscheidende en complementaire producten, heeft de volgende uitgangspunten: De vraag staat centraal: naar woning en woonomgeving; Landschappelijk onderscheidend vermogen van Westfriesland benadrukken: 'groen, rust, ruimte, water'; Betreft gemengde woonmilieus met meer aandacht voor bijvoorbeeld duurzaamheid en

16

zelfvoorzienendheid, mengvormen met landelijk wonen en stadslandbouw; Toepassen van nieuwe woonvormen met geïncorporeerde vormen van domotica en 'the internet of things' en een nieuwe bouwopzet van nieuwbouw: seniorenwoningen, collectieve bouw, tiny houses, grote landschapskavels et cetera; Bewoners-initiatieven over vormgeving van zorg voor hun ouders en/of kinderen (familiedomeinen, woongroepen en wonen met gelijkgestemden); Nieuwe vormen van opdrachtgeverschap, zoals (collectief-)particulier opdrachtgeverschap, mede-opdrachtgeverschap en doe-het-zelf planologie. De voorgenomen ontwikkeling van ca. 220 woningen draagt bij aan de kwaliteit van de woningvoorraad waarbij invulling wordt gegeven aan de aanwezige woningbehoefte. Voor de verdere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.4.2

Woonakkoord 2020-2025en Afwegingskader wonen West-Friesland 2019

De uitvoering van de regionale woonvisie vindt plaats via het Woonakkoord 2020-2025. In het Woonakkoord staat per speerpunt welk beleid en welke instrumenten hiervoor worden ingezet. Onderdeel van het Woonakkoord is een regionale woningbouwprogrammering met een regionaal afwegingskader wonen. Het afwegingskader vormt de basis voor nieuwe woningbouwplannen en licht deze toe. Het woningbehoefteonderzoek dat in 2018 door Atrivé is uitgevoerd heeft tot een aantal nieuwe inzichten geleid, waaronder de conclusie dat er een grote behoefte aan woningen is en dat de huidige plancapaciteit ontoereikend is. De woningbouwproductie dient versneld uitgebreid te worden en er moet een accent gelegd worden op het prijssegment goedkope koop. Hiervoor zijn een aantal uitgangspunten benoemd: Zet in op diversiteit in het woningbouwprogramma en nut de binnenstedelijke potentie van Hoorn uit. Ook in andere centrumdorpen en steden is ruimte om de binnenstedelijke capaciteit uit te breiden; Bouw grootschalig rondom OV-knooppunten (conform provinciaal- en Rijksbeleid); Maak gebruik van laaghangend fruit, voer locaties die tijdens de crisis zijn afgevallen weer op; Benader dit alles regionaal en leg de focus op diversiteit en onderscheidend karakter. Bovenstaande uitgangspunten hebben als basis gediend voor het aangepaste afwegingskader en voor de aangepaste woningbouwprogrammering.

Het toepassen van de ladder is in de regio West-Friesland vastgelegd in het Afwegingskader wonen West-Friesland 2019 (AWF 2019). Daarin zijn de minimumvereisten vastgelegd waaraan elk plan moet voldoen (Westfriese basis). Aan de hand van de stappen in deze basis kan worden beoordeeld of een nieuwbouwplan wel of niet kan worden gerealiseerd. Hierin is onder meer van belang dat een plan moet passen in de vastgelegde woningbouwbehoefte. Daarnaast zijn er een aantal vereisten waar minstens voor de helft aan voldaan moet worden (Westfries vooruitdenken). De minimumvereisten van de Westfriese basis waaraan elk plan moet voldoen zijn: Het plan past binnen de indicatieve regionale woningbehoefte (incl. de buffer) en blijft in principe binnen de gemeentelijke behoeften; Het plan voldoet aan de voorwaarde dat 70% van de woningbouwplannen in West-Friesland worden gerealiseerd in de krachtige kernen; Er is getoetst of het plan voldoet aan de regionale behoefte: kwantitatief (past binnen de regionale prognose); kwalitatief (woningtype, woonmilieu, kwaliteit etc.); Het plan kan gerealiseerd worden binnen BSG. Wanneer het plan buiten BSG gelegen is, is

17

getoetst of realisatie binnen BSG mogelijk is; Als realisatie past binnen de regionale behoefte, maar realisatie binnen BSG niet mogelijk is, is getoetst of het plan zich binnen een provinciaal beschermingsregime bevindt en multimodaal ontsloten is. De ambities voor het Westfries vooruitdenken bestaan uit: Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen (huur onder de liberalisatiegrens / goedkope koop); Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen; Het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen; Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens; Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV- knooppunt; Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht op woningzoekenden van buiten de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving; Het plan draagt duurzaam bij aan de benodigde versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland en past binnen de woningbehoefte; Het plan vormt een toevoeging vanwege het type woningen waarin het voorziet; Het plan vormt een toevoeging vanwege de doelgroep woningzoekenden waarvoor het wordt gebouwd; Het plan vormt een toevoeging vanwege de onderscheidenheid in samenhang met woonmilieu en programma waarin het voorziet.

Vanwege de ligging van de locatie in Landelijk Gebied moet er worden voldaan aan de provinciale voorwaarden bij een dergelijke ontwikkeling en is er een onderbouwing voor de ladder voor duurzame verstedelijking nodig, moet het voldoen aan de Ruimtelijke Kwaliteitseis en de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening NH2020. Er zijn verder geen andere beschermingsregimes van toepassing. Voor de ontwikkeling van Molenblik is een ladderonderbouwing opgesteld (Ladderonderbouwing Molenblik, Medemblik, Bureau Stedelijke Planning, 23 september 2021, bijlage 1). Hierin is in bijlage 2 een toetsing aan de vereisten van het AWF 2019 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan alle punten van de Westfriese basis en aan minimaal 8 van de 10 uitgangspunten voor het Westfries Vooruitdenken. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking en de vereisten zoals is vastgelegd in het AWF 2019. Onderdeel van deze beleidsstukken is onder andere de ontwikkeling van Molenblik, in het Woonakkoord opgenomen onder de naam Weeshuis Medemblik met 218 woningen. Voor de verdere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Het plan is afgestemd in de Regionale kerngroep wonen.

In het verslag van de VVRE staat: Door de gemeente Medemblik is voor dit overleg, in het kader van een goede regionale afstemming, informatie verstrekt over nieuwbouw Medemblik Weeshuisgronden en Kop Nieuwstraat en over nieuwbouw Abbekerk Gemeentewerf-ijsbaan. De overige gemeenten hebben geen bezwaar tegen de plannen.

2.4.3

Conclusie

Onderhavig plan is regionaal afgestemd, past in het regionale beleid en draagt samen met de andere inen uitbreidingslocaties bij aan een evenwichtige en een gevarieerde opbouw van de woningvoorraad in de regio.

18

2.5

Gemeentelijk beleid

2.5.1

Structuurvisie 2012 - 2022

De structuurvisie 'Sterke kust en sterk achterland' geeft een beeld van waar de gemeente Medemblik voor staat en welke strategische en ruimtelijke keuzes voor de toekomst worden gemaakt. De gemeente Medemblik is in 2011 ontstaan uit een samenvoeging van de gemeenten Andijk, Medemblik en Wervershoof. Andijk, Wervershoof en de voormalige gemeente Medemblik hebben tot dat moment ieder voor zich een adequaat en bijdetijds ruimtelijk beleid gevoerd. In de Structuurvisie 2012-2022 vindt een harmonisatie maar ook heroverweging van bestaande beleidsuitgangspunten van het ruimtelijk beleid van de drie fusiepartners plaats. De structuurvisie is een basis voor het beleid en de projecten die de komende jaren worden ontwikkeld. Bekende en nog onbekende projecten en initiatieven kunnen aan de structuurvisie worden getoetst. Bestemmingsplannen worden gebaseerd op deze structuurvisie. De basis voor de ruimtelijke koers van Medemblik zijn de aanwezige kwaliteiten en potenties, specifieke kenmerken en eigenschappen van het grondgebied van de gemeente Medemblik en de verschillende kernen: sterke kust en sterk achterland. De landschappelijke kwaliteiten die Medemblik uniek en bijzonder maken vormen de krachtige basis voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen: sterke kust en sterk achterland. De kwaliteit van het landschap is de sterke identiteit van het gebied.

Deze identiteit wordt gevormd door de landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische kernkwaliteiten en de bestaande dorpsprofielen. De recreatieve kustzone, het agrarisch achterland en de natuurlijke verbindingszones vormen samen de landschappelijke diversiteit en aantrekkelijkheid van dit gebied voor wonen, leven, werken en recreatie. Duurzaamheid op het gebied van landschappelijke, economische en sociale ontwikkeling is een belangrijk vertrekpunt bij beslissingen. Uitgangspunt is het vertrouwen in de eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van de Medemblikker samenleving. De strategische keuzes in de structuurvisie zijn: 1. De belangrijkste pijler van de structuurvisie is het in stand houden van de leefbaarheid in de kernen. Beslissingen op het gebied van woningbouw, voorzieningen, werkgelegenheid kunnen bijdragen aan het in stand houden van deze leefbaarheid. 2. De gemeente stimuleert en faciliteert het opstellen van een leefbaarheidsplan voor elke kern door de verschillende dorpskernraden. Ingrediënten voor het leefbaarheidsplan zijn de beschrijving van de ruimtelijke en functionele karakteristieken en sociale samenhang, wat voor kern het wil zijn en wat de wensen en (noodzakelijke) acties voor de komende tien jaar zijn. Daarbij zal ook over de grenzen heen naar de omliggende kernen worden gekeken, om zo samen sterk te staan. 3.

Het woningbouwprogramma is ambitieus en regionaal afgestemd. Er wordt gekozen voor een dynamische in plaats van een statische kernenhiërarchie. Dit betekent onder meer dat indien er in andere kernen (meer) behoefte ontstaat aan nieuwbouw, afwijking van het woningbouwprogramma mogelijk is. Deze flexibiliteit is er, binnen kwalitatieve randvoorwaarden, ook voor de invulling van het programma op basis van actuele behoeften. Stedelijke vernieuwing (inbreilocaties) heeft prioriteit boven uitbreiding van de dorpen. 4. De 4 karakteristieke gebieden die in het landschap te onderkennen zijn vormen de basis voor toekomstige ontwikkelingen. 5. De werkgelegenheid binnen de gemeente Medemblik is zeer divers en van oorsprong agrarisch. Naast het vergroten van de werkgelegenheid ambieert de gemeente Medemblik het verbeteren van de kwaliteit van de economische structuur (passend bij hoog opgeleide beroepsbevolking). 6. Medemblik wil de kernen verkeersveilig en de voorzieningen bereikbaar houden. 7. Het grijpen van kansen vindt niet alleen op het gebied van woningbouw, voorzieningenniveau en bedrijvigheid plaats. Zo kunnen bijvoorbeeld mogelijke maatregelen ten behoeve van de peilstijging

19

van het IJsselmeer zodanig vorm krijgen dat de bestaande natuurwaarden en recreatieve vaarroutes worden behouden en waar mogelijk worden versterkt. In de structuurvisie zijn Schepenwijk fase 3 en 4 benoemd als uitbreidingslocaties voor de kern Medemblik. De nieuwe woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt dragen bij aan de opgave van nieuwe woningbouw in de kernen of aansluitend aan bestaande woongebieden en het in stand houden van de kernvoorzieningen. Het stedenbouwkundig plan is afgestemd op de landschappelijke kwaliteiten van de Brakepolder en houdt zo rekening met de unieke kwaliteiten van de omgeving.

2.5.2

Programma Wonen 2018 - 2026

De gemeente heeft het beleid geformuleerd in het Programma Wonen 2018 - 2026. Hierin wordt aangegeven dat bekend is dat de woningvraag in de metropoolregio Amsterdam vele malen groter is dan het aanbod. De prijs van huizen stijgt daar explosief. Mensen zoeken een oplossing in gebieden waar het wonen rustiger en goedkoper is. Contacten met de bouwwereld bevestigen dat het een goede optie is meer bouwvolume in West-Friesland te realiseren. De gemeente gaat zich daarvoor hard maken, samen met de andere Westfriese gemeenten. Extra woningbouw is goed voor de economie en vergroot het draagvlak voor de lokale en regionale voorzieningen. Op basis van de verwachte huishoudensgroei en het harde planaanbod is de behoefte aan woningen tot 2031 in de gemeente Medemblik 1.067 woningen. In het Programma Wonen 2018 - 2026 is Molenwijk (onder de naam Weeshuis) opgenomen als te ontwikkelen locatie. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking, de behoefte van de regio West-Friesland en het gemeentelijk woonbeleid. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.5.3

Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan

De beleidsnota voor het gemeentelijk verkeer en vervoer is op 13 december 2011 vastgesteld. De vertrekpunten voor de mobiliteitsvisie worden gevormd vanuit de peilers duurzaam, groen, veilig en bereikbaar. De gemeente maakt evenwichtige keuzes waarbij de volgende uitgangspunten meespelen: Een leefbare en aantrekkelijke gemeente zowel in het buitengebied als in de dorpskernen, lintdorpen en in de stad Medemblik; Een robuust en veilig verkeerssysteem voor alle modaliteiten waarbij de kans op ongevallen tot een minimum wordt beperkt en waarbij alle weggebruikers zich veilig voelen en/of zich bewust zijn van een onveilige situatie; Het op een evenwichtige manier aansluiten van alle dorpskernen, bedrijventerreinen en recreatiegebieden en economisch belangrijke gebieden in gehele gemeente op het beschikbare nationale, regionale wegennet; Het stimuleren van zowel recreatief als utilitair fietsgebruik door een veilig en comfortabel en snel fietsnetwerk aan te bieden; Het bereikbaar houden van bedrijventerreinen, centra, dorpskernen en een verantwoorde bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden zijn belangrijke aspecten; Een duurzame mobiliteit en een robuust verkeerssysteem voor alle modaliteiten: fiets-, en voetverkeer, auto- en vrachtverkeer en openbaar vervoer; Een evenwichtige wegencategorisering die herkenbaar en begrijpelijk is voor de eigen bewoners als ook voor het

toeristische verkeer.

20

Bij de inrichting van de wegen binnen het plangebied zal rekening worden gehouden met het beleid uit het GVVP. Fietsen en wandelen wordt gestimuleerd door voor deze categorieën rechtstreekse verbindingen te maken met de omgeving, terwijl er met de auto een langere route nodig is.

2.5.4

Welstandsnota Medemblik 2019

De huidige gemeente Medemblik is in 2011 ontstaan uit een samenvoeging van de vroegere gemeenten Andijk, Medemblik en Wervershoof. Met de fusie is het groene gebied met een stad en zestien dorpen en buurtschappen één gemeente geworden. In de welstandsnota Medemblik van 2011 zijn de nota's van deze gemeenten samengevoegd tot één. In de Welstandsnota 2013 werden de criteria geactualiseerd, aangepast aan de actuele wetgeving en waar mogelijk verruimd. In de actualisatie van 2019 zijn nieuwe woningbouwlocaties ingepast en zijn de criteria voor een aantal duurzame maatregelen aangepast (o.a. plaatsing van zonnepanelen, criteria voor zonneweides). De kern van de welstandsnota is hetzelfde gebleven. Het welstandsbeleid van Medemblik is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. Het doel van het welstandstoezicht is om een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de aanwezige cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. Door een gebieds- en objectgerichte aanpak wil de gemeente de belangrijke karakteristieken van de bebouwing beschermen en zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen.

De gebiedsgerichte aanpak zal eveneens een bijdrage kunnen leveren aan een bewustere omgang met de gebouwde omgeving. Door het opstellen van welstandsbeleid wil de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht inrichten. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken (met uitzondering voor nieuwe woongebieden, die als er geen specifieke criteria voor worden opgesteld worden beoordeeld aan de hand van de beschrijving en criteria voor 'woongebied recent en nieuw'). Het opstellen van welstandscriteria voor een nieuw gebied is in zo’n geval een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Zodra zo’n (her)ontwikkelingsproject aan de orde is zal de gemeenteraad de welstandscriteria daarvoor vast moeten stellen, als aanvulling op de welstandsnota. Voor Molenblik is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van het stedenbouwkundig plan. Hierin worden de welstandscriteria voor de nieuwe ontwikkeling vastgelegd. Dit beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van de regels van dit bestemmingsplan.

2.5.5

Programma Duurzaam Medemblik

De gemeente Medemblik streeft naar een klimaatneutrale toekomst. Onder het motto 'Duurzaam Medemblik' neemt de gemeente extra maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en naar meer klimaatvriendelijke vormen van energie en producten over te gaan. Daarnaast zet de gemeente zich actief in om bewustwording en energiebesparing bij inwoners, bedrijven en instellingen te stimuleren. De doelen uit het Programma Duurzaam Medemblik zijn: In 2040 wordt 100% van het elektriciteitsverbruik in de gemeente duurzaam opgewekt; In 2020 gebruikt de gemeente 20% minder energie, stoot de gemeente 20% minder CO2 uit en wordt 20% van het energieverbruik duurzaam opgewekt; Nieuwbouwprojecten worden gasloos ontwikkeld;

21

In 2035 zijn 50% van de bestaande woningen aardgasloos; In 2050 zijn alle woningen aardgasloos; In 2017 neemt de gemeente circulair inkopen op in de inkoopvoorwaarden; In 2020 koopt de gemeente 100 procent circulair in; In 2020 neemt de gemeente circulaire randvoorwaarden op in de omgevingsvisie; In 2030 kunnen gebieden in de gemeente grote hoeveelheden regenwater opvangen; In 2030 beheert de gemeente 27 terreinen op een wijze waarmee de biodiversiteit toeneemt (Kadernotitie Biodiversiteit); Nieuwe wijken scoren een voldoende op de duurzaamheidscheck. Dit geldt ook voor de her in te richten wijken; In 2028 komen tot emissieloos openbaar vervoer in onze gemeente.

Voor het plangebied geldt dat Molenblik gasloos zal worden aangelegd. Het wordt een bijna energieneutrale wijk, met ruimte op de daken voor zonnepanelen. Er is rekening gehouden met een goede bezonning van de woningen en er zal waar mogelijk natuurinclusief gebouwd worden. Hiermee ontstaat een wijk met kwalitatief goede woningen en een goede woonomgeving. Daarnaast is de wijk klimaatadaptief door de ruimte voor groen en met name water in de wijk. De oevers worden daarbij zoveel mogelijk natuurlijk ingericht. Daarnaast bestaan de groenvoorzieningen grotendeels uit inheemse bomen en planten en wordt de dijk een bloemrijke weide. Bij de inrichting van de wijk wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat er bovengronds regenwater wordt afgevoerd en een gescheiden waterafvoersysteem. Molenblik sluit aan bij het duurzaamheidsbeleid van de gemeente.

2.5.6

Conclusie

Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

22

Hoofdstuk 3 Huidige situatie

3.1

Ontstaansgeschiedenis

Regio West-Friesland West-Friesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing van zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met in de bodem relicten van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, IJzertijd en Romeins tijd (zie ook archeologie). Vooral de resten uit de Midden- en Late-Bronstijd uit oostelijk West-Friesland zijn uniek. Vanaf de IJzertijd vernatte het gebied waardoor er veen tot ontwikkeling kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het veen in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen in gegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden. Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen.

Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen. De zandbanen zijn met zand opgevulde restanten van voormalige getijgeulen. Er zijn twee hoofdtakken. De noordelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Abbekerk, Twisk en Opperdoes naar Medemblik. De zuidelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Wognum ten noorden langs Hoorn naar Wijdenes en verder richting Enkhuizen. De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Veel plaatsnamen in West-Friesland eindigend op –woud, -woude en –broek (zoals Westwoud en Grootebroek) herinneren nog aan het onontgonnen landschap en de veenvegetatie. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. Dit noemt men reliëfinversie. Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken één geheel: de Westfriese Omringdijk. Door de gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af.

De Omringdijk onderging na aanleg nog flinke veranderingen door de vele doorbraken en achter zwakke dijktracés werden inlaagdijken (reservewaterkeringen) aangelegd. In de late middeleeuwen trachtte Graaf Floris V West-Friesland aan zich te onderwerpen door dwangburchten – waaronder kasteel Radboud bij Medemblik– te bouwen langs de dijk. Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte en als scheiding tussen landschapstypen die in verschillende periode zijn ontstaan, de markante begrenzing van het oude zeekleigebied. West-Friesland lag lange tijd aan zee en aan meren. Na de drooglegging van onder andere de Beemster en de aanleg van de Wieringermeerpolder werd de Westfriese Omringdijk steeds meer de scheiding tussen oud en nieuw land. In dit ensemble doet vrijwel de gehele Westfriese Omringdijk nog dienst als primaire waterkering voor het IJsselmeer en het Markermeer. Rond 800 was Medemblik al een belangrijke havenstad langs het Vlie op de vaarroute naar Dorestad. In

23

de periode tussen 1400 en 1600 was de handel en scheepvaart op het Oostzeegebied (hout en graan) en het Middellandse Zeegebied (zout) van groot belang voor West-Friesland. De Verenigde Oostindische Compagnie, opgericht in 1602, zorgde voor een bloei van de handel. Zuiderzeesteden als Hoorn, Enkhuizen en Medemblik groeiden in die periode uit tot vooraanstaande havensteden. Vanaf 1800 zakte deze handel in en verloren de steden deels hun betekenis. Het gebied kende lang vooral een agrarisch gebruik (akkerbouw en fruitteelt). Het grootste deel van het transport ging over water. Polder het Grootslag was bijvoorbeeld een ‘vaarpolder’ met een zeer beperkt aantal wegen. Als onderdeel van de intensivering en structuurverbetering van de Nederlandse landbouw vonden in de tweede helft van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen en daarmee schaalvergroting plaats. Het landschap werd getransformeerd, maar dat gebeurde niet overal op dezelfde manier of in dezelfde mate. In polder Het Grootslag is het landschap in de jaren 80 bijvoorbeeld ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd. De ecologische zone in de polder verwijst nog naar de vaarpolderstructuur die er vroeger was. Langs de Markermeerdijk tussen Hoorn en Enkhuizen is het historische landschap nog zichtbaar.

Sindsdien is het beeld van het agrarisch landschap onder invloed van schaalvergroting van agrarische bebouwing verder gewijzigd. In delen van polder het Grootslag bijvoorbeeld begint het agrarisch platteland meer de verschijningsvorm van een bedrijventerrein te krijgen. Het gebied ten zuiden van Andijk is ingericht als glastuinbouwgebied. Andere delen van het ensemble zijn in de laatste decennia van de vorige eeuw flink verstedelijkt, bijvoorbeeld bij Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Hoogkarspel, Bovenkarspel en Wervershoof.

Medemblik Parallel aan de ontwikkeling van het landschap is het gebied door mensen in gebruik genomen en zijn karakteristieke bebouwingsstructuren ontstaan, die de cultuurhistorische waarde en eigenheid van het landschap benadrukken. In de gemeente is lintbebouwing op de kreekruggen en langs de dijken de oorspronkelijke bebouwingsvorm. Medemblik is als enige als stad aan de Zuiderzee ontstaan. Medemblik, Wervershoof en Andijk waren via de dijk met elkaar verbonden. Buiten de sloten waren er nauwelijks verbindingen met het achterland, op de spoorlijn en de Banneweg na. Zowel de oude kern van Medemblik als de dorpslinten zijn min of meer langzaam gegroeid en hebben een bijzonder cultuurhistorische waarde. De planmatig opgezette woongebieden, sportvelden en bedrijventerreinen die zich na de Tweede Wereldoorlog achter het lint hebben ontwikkeld hebben een inrichting die gericht is op basiskwaliteiten van de (woon)omgeving. In de verschijningsvorm van het landschap, zijn de oorspronkelijke kreekruggen nog steeds als hogere delen in het landschap herkenbaar. De lintbebouwing in dit gebied volgt nog steeds in hoofdlijnen deze natuurlijke hoogtes.

24

Kaart Medemblik en omgeving in ca. 1878 (plangebied rood omcirkeld), bron: www.topotijdreis.nl

Plangebied Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de Twiskerdijksloot, een middeleeuwse ontginningssloot van cultuurhistorische waarde. Een groot gedeelte van de oostkant van het plangebied wordt begrensd door een sloot die onderdeel uitmaakt van een ringsloot van cultuurhistorische waarde. Deze ringsloot begrenst polders De Braeck, De Poel en De Wijmers. Op 3 juni 1630 werd door de Staten van Holland en West-Friesland de vergunning verleend voor het bedijken van "de Brake, Poel en Wymers". Waarschijnlijk zijn de werkzaamheden kort daarna uitgevoerd. Het plangebied ligt in het noordoostelijke gedeelte van de droogmakerij de Braeck. Door het plangebied loopt, parallel aan de ringsloot, de dijk die de grens van polder de Braeck vormt. Tijdens de ruilverkaveling in de 20ste eeuw is de oorspronkelijke verkaveling binnen het plangebied veranderd, waardoor de ringsloot geen cirkel meer vormt.

25

Kaart Medemblik en omgeving in ca. 1990 na de ruilverkaveling (plangebied rood omcirkeld), bron: www.topotijdreis.nl

Op basis van de ontstaansgeschiedenis en de huidige structuur van Medemblik, is de zuidzijde een logische locatie voor de uitbreiding. Ontwikkeling in dit gebied sluit aan op de meest recente uitbreidingen van Medemblik. Het plangebied staat al vele jaren op kaart als een beoogde nieuwbouwontwikkeling. Het is als zodanig aangeduid in de structuurvisie Medemblik en veelvuldig benoemd bij de realisatie van Schepenwijk II. In ruimtelijk en functioneel opzicht vormt structuurvisie Medemblik ook een logische stadsuitbreiding. Op hoofdlijnen heeft de stad zich ontwikkeld tussen het spoor, de Brakeweg en het IJsselmeer. De randen zijn daarmee aan de noord-, oost- en westzijde helder gedefinieerd. De realisatie van structuurvisie Medemblik is een logische vervolgstap in de afronding van de kern. De cultuurhistorisch waardevolle sloten langs de randen van het plangebied en de Brakeweg blijven behouden.

26

3.2

Huidige situatie plangebied

Het plangebied is geprojecteerd in het agrarisch gebied in noordwesten van de bebouwde kom. De randen van het plangebied hebben elk hun eigen karakteristieken. In deze paragraaf worden de belangrijkste kenmerken van het gebied en zijn directe omgeving beschreven.

Ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl

Het plangebied zelf bestaat in de huidige situatie uit akkerland en weiland met in het midden een sloot. Ten noorden van het plangebied ligt de recente uitbreidingswijk Schepenwijk II. De bebouwing bestaat hier grotendeels uit woningen van één of twee lagen met kap. Aan de oost-, zuid- en westzijde wordt het plangebied omgeving door agrarisch gebied met langs de Brakeweg aan de zuidkant een aantal boerenerven met opgaande beplanting rondom. De bebouwing op de erven bestaat over het algemeen uit één laag met (hoge) kap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=c917445b-f383-489e-86ae-51ac60462df1