CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

02 DOC-21-375426 - Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadscommissie 29 april 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Realiseren zonnepark Zwaagdijk 141 Zwaagdijk-Oost (pfh. H. Nederpelt)23.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In deze periode staat de prijs van de geproduceerde elektriciteit vast (binnen een bandbreedte, de overheid vergoed geen negatieve prijzen) en is het risico op de investering relatief laag. In deze periode wordt ook de lening afbetaald, de installatie financieel afgeschreven. Het rendement volgt in de tweede fase van de levensduur.

4.2.2

De periode na de SDE++ Subsidie

Na de SDE++ periode moet de productie-eenheid op de vrije markt ten minste zijn vaste en variabele kosten terugverdienen. De grootste kostenpost voor een zonneweide zijn de financieringslasten. Die zijn in de eerste periode afbetaald. Dat is ook een eis van de financierende instellingen. In de periode na de SDE++ wordt het rendement behaald. Voor de participerende burgers als ook de ontwikkelaar is het van belang dat deze periode zo lang mogelijk duurt. De omvormers worden rond het 15e jaar vervangen. Daarom wordt in deze vergunning een periode van 25 jaar aan als operationele termijn van de zonneweide, ingaande vanaf de ingebruikname van de zonneweide.

4.2.3

Verwijderen van de zonneweide

Het is onduidelijk wat de kosten gaan zijn van het verwijderen van een zonneweide in de toekomst. In de opstalakte met de grondeigenaar maakt Chint Solar hierover een aantal afspraken om te garanderen dat de zonneweide verwijderd kan worden en de grond weer kan worden opgeleverd onafhankelijk van de financiële prestaties van de zonneweide. Ook in geval van een faillissement moet het verwijderen van de zonneweide geborgd zijn. Voor het einde van de SDE++ periode worden de ontmantelingskosten geïnventariseerd door een ter zake doende expert. Dit bedrag wordt via een bankgarantie aan de grondeigenaar vastgelegd. De expert-inschatting wordt iedere 5 jaar herhaald, en de bankgarantie wordt op het nieuwe bedrag bijgesteld. De bankgarantie stelt de grondeigenaar in staat om aanspraak te maken op dit bedrag wanneer het recht van opstal is beëindigd en Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

28 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

de installatie niet (volledig) is verwijderd. Deze mogelijkheid blijft behouden zelfs als de juridische entiteit van de zonneweide of haar eigenaar niet meer bestaat.

4.2.4

Financiële haalbaarheid van participatie

Vanuit de gesloten intentieovereenkomst tussen de ZCWF en Chint Solar wordt er een gezamenlijke werkgroep geformeerd om een vorm van financiële participatie op te zetten die haalbaar en wenselijk is. De kosten van de participatie moeten door het project gedragen worden. Vanuit de concurrentiedruk die de SDE++ veiling op duurzame-energieprojecten legt is kunnen er geen extra verplichtingen op de zonneweide worden gelegd. De financiële participatie zal ervoor zorgen dat de inwoners van Zwaagdijk-Oost, de naaste omgeving, de gemeente Medemblik of alle inwoners van West-Friesland de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan het project en daar een financieel rendement op te behalen. De hoogte van het rendement is nog onbekend. Dit hangt samen met onder andere het resultaat op de SDE++ veiling, de precieze uitwerking van de financiële participatie, de rente stand ten tijde van financiering etc.. etc. In de periode voorafgaand aan de realisatie zal dit duidelijk worden en ook aan de deelnemers worden gecommuniceerd volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving.

4.2.5

Netaansluiting

Liander heeft een offerte uitgebracht voor het realiseren van een aansluiting op station Westwoud. Wanneer de vergunning in behandeling is genomen zal Chint Solar de eerste aanbetaling verrichten. Er is op station Westwoud nog voldoende aansluit- en transportcapaciteit beschikbaar.

4.2.6

Anterieure overeenkomst

Aspecten die buiten de vergunning van de zonneweide vallen kunnen vastgelegd worden in een anterieure overeenkomst.

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

29 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

5

CONCLUSIE

Duurzame energie in het algemeen, als ook het kunnen voorzien in eigen behoefte op zowel nationaal als gemeentelijk niveau, wordt maatschappelijk breed gedragen. Ook in de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik ziet men de voordelen van het efficiënt opwekken van energie middels zonneweides. En bieden de huidige RES doelstellingen, het provinciale en gemeentelijke beleid mogelijkheden om de doelstellingen ten aanzien van duurzame energie in te vullen. In deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het initiatief inpasbaar is met Europees en Rijksbeleid. Daarnaast past het in het provinciaal beleid voor zonneweides en is de locatie het opgenomen in de concept-RES. De zonneweide past echter niet in het bestemmingsplan van de gemeente, op de betreffende plek rust momenteel de bestemming agrarisch waar de zonneweide niet ten dienste voor staat. Echter is de voorgenomen activiteit in lijn met de gemeentelijke ambitie en blijkt uit de bovenstaande ruimtelijke onderbouwing dat op de voorgenomen locatie de realisatie van een zonneweide van genoemde omvang goed inpasbaar is. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt er gevraagd medewerking te verlenen aan de volgende vergunningen: • •

omgevingsvergunning; watervergunning.

De omgevingsvergunning is vereist vanwege vier activiteiten. Op de beoogde locatie rust de bestemming “agrarisch” waardoor er sprake is van strijdig gebruik wat betreft de realisatie van de zonnepanelentafels. Daarnaast is er sprake van bouwen, zonnepanelentafels, hekwerk en een duiker. Vanwege het aanbrengen van ondiep wortelende beplanting in de dubbelbestemming “Leiding- Hoogspanningsverbinding” is er sprake van werken en/of werkzaamheden uitvoeren. Als laatste zal er een nieuwe uitrit gerealiseerd worden ter ontsluiting van het zonnepark voor de aanleg en voor hulpdiensten. De watervergunning is vereist voor het realiseren van de duiker en het gedeeltelijk dempen en ontgraven van de watergang. Voor de milieuaspecten natuur, archeologie, bodem, water, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, conventionele explosieven en de m.e.r. beoordeling is voorts aangetoond dat deze geen belemmering vormen voor de voorgenomen activiteiten op deze locatie. Voor landschap is er een inpassing en opstelling gekozen die past en vooral ook aansluit bij de omgeving, zowel op de agrarische omgeving als het naastliggende bedrijventerrein. Voor de ontsluiting van de zonneweide wordt een duiker gerealiseerd die een nieuwe uitweg krijgt op de openbare weg (Zaadmarkt). Ook is de zonneweide zo opgezet dat eventuele nieuwe uitwegen van het bedrijventerrein niet op voorhand uitgesloten worden.

Ondanks in strijd met het bestemmingsplan, is bij deze zonneweide sprake van een impuls van de ruimtelijke kwaliteit van deze locatie. De grondeigenaar is voornemens de fruitteelt te staken en fruitbomen grotendeels te verwijderen. De ecologische inpassing van de zonneweide (zoals het doortrekken van de windsingel en het realiseren van twee groene zones) biedt een ecologische en landschappelijke toegevoegde waarde. In deze ruimtelijke onderbouwing hebben wij beschreven waarom deze locatie geschikt is voor het realiseren van een zonneweide. Dit betekent dat op deze locatie een tijdelijke functie (25 jaar, ingaande vanaf de datum van inwerkingtreding van het zonnepark) wordt toegevoegd. Wij verzoeken de gemeente dan ook om de ontwikkeling van deze zonneweide mogelijk te maken.

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

30 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE A QUICKSCAN ECOLOGIE

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

31 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE B AANVULLENDE INFORMATIE T.B.V. VLEERMUIZEN EN KLEINE MARTERACHTIGEN

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

32 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE C QUICKSCAN NGE

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

33 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE D VERSLAG BIJEENKOMST KLANTBORDGROEP

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

34 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE E ADVIES PRINCIPEVERZOEK ODNHN

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

35 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE F TECHNISCHE UITEENZETTING ONDERHOUDSWEGEN

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

36 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE G TECHNISCHE TEKENING ZONNEPARK

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

37 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE H ONTWERP DUIKER

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

38 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE I LANDSCHAPSONTWERP

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

39 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BIJLAGE J AERIUS BEREKENING

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

40 van 41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

COLOFON RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ZONNEPARK ZWAAGDIJK

KLANT Chint Solar AUTEUR Bram Ravestein PROJECTNUMMER C05026.619009 ONZE REFERENTIE D10003965:150 DATUM 2 april 2021 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR

Frank Gierman

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com

Onze referentie: D10003965:150 - Datum: 2 april 2021

41 van 41

QUICKSCAN ECOLOGIE QUICKSCAN ZONNEWEIDEECOLOGIE ZWAAGDIJK ZONNEWEIDE Chint Solar / AstronergyZWAAGDIJK Chint Solar / Astronergy 16 JUNI 2020

15 AUGUSTUS 2019

Contactpersoon JENNIFER VAN KOLCK

Arcadis Nederland B.V. Postbus 4205 3006 AE Rotterdam Nederland

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

2 van 29

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.1

Leeswijzer

5

PLANGEBIED EN INGREEP

6

2.1

Huidige situatie

6

2.2

Voorgenomen ingreep

6

WET NATUURBESCHERMING

8

3.1

Gebiedsbescherming

8

3.2

Soortbescherming

8

3.2.1

Methode

8

3.2.2

Aanwezigheid beschermde soorten

9

3.2.3

Effectbeschrijving

11

3.2.4

Toetsing

12

3.2.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

12

3.2.4.2

Overtreding verbodsbepalingen

12

3.2.5

Vervolg

13

3.2.5.1

Soortgericht onderzoek

13

3.2.5.2

Mitigerende maatregelen

14

3.2.6

Kansen

15

3.2.7

Deelconclusie soortbescherming

16

NATUURNETWERK NEDERLAND

17

4.1

Methode

17

4.2

Ligging

17

4.3

Effecten

18

4.4

Conclusie

18

CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

19

3 van 29

BIJLAGEN BIJLAGE A WET NATUURBESCHERMING

20

Gebiedsbescherming

20

Soortbescherming

21

BIJLAGE B KADESTRALE KAART

25

BIJLAGE C FOTO’S VELDBEZOEK

26

COLOFON

29

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

4 van 29

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Chint Solar/Astronergy is voornemens om in Zwaagdijk, kadestraalperceel S. 267 en 851, Wervershoof, een zonneweide aan te leggen. Figuur 1 geeft de globale ligging van het plangebied weer. Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of (kwalificerende waarden) van beschermde gebieden. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vormt het kader voor bescherming van Natura 2000-gebieden en soortenbescherming. Daarnaast zijn wezenlijke kenmerken en waarden van het beschermd in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). In Bijlage A is een beschrijving van het wettelijk kader van de soort- en gebiedsbescherming Wnb opgenomen. Chint Solar/ Astronergy heeft Arcadis gevraagd een QuickScan Ecologie op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in beeld te brengen.

Figuur 1. Plangebied in Zwaagdijk. De gele omkadering geeft een indicatie van initiële het plangebied. De blauwe omkadering geeft perceel 851 weer; Dit betreft een waterpartij.

1.1

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 3 betreft de Wnb, hierin is een beschrijving van de ligging en effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen, evenals een beschrijving van aanwezigheid van beschermde soorten met effectbeschrijving en toetsing. In hoofdstuk 4 is beschreven waar het NNN is gelegen en of sprake is van negatieve effecten. Hoofdstuk 5 betreft de samenvatting en de conclusie van dit onderzoek. Bijlage A beschrijft het wettelijk kader van de Wnb. In Bijlage B is de kadastrale kaart opgenomen en in Bijlage C zijn foto’s van het veldbezoek opgenomen met een impressie van het plangebied.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

5 van 29

2

PLANGEBIED EN INGREEP

2.1

Huidige situatie

Het plangebied betreft percelen 267 en 851 te Zwaagdijk, in de gemeente Wervershoof (zie Figuur 1). Perceel 851 betreft een wateroppervlakte en perceel 267 is agrarische grond (fruitboomgaard) (zie Bijlage B voor de kadastrale kaart) en is circa 5 ha groot. De huidige fruitbomen betreft peren en pruimen. De bomen worden aan het eind van het jaar gerooid. Op een deel van het plangebied zijn de bomen reeds gerooid. Rondom perceel 267 is een windhaag aanwezig (zie groene lijn in Figuur 2). Aan de zuidoost zijde is een conifeerhaag aanwezig, in plaats van de windhaag (zie gele arcering in Figuur 2). Rondom het plangebied loopt een watergang (zie blauwe lijn in Figuur 2). Aan de west en zuidzijde is langs de oevers riet aanwezig. De watergang aan de westzijde is deels overgroeid met kroos. Ten zuiden van het plangebied ligt de N302, ten oosten ligt een industrieterrein en ten westen van het plangebied ligt agrarisch land (bloemkool en broccoli).

Figuur 2. Indicatie van het plangebied. De groene lijn geeft de windhaag weer, de blauwe arcering geeft de watergangen weer en de gele lijn geeft de conifeerhaag weer. De oranje omkadering geeft een indicatie van het plangebied.

2.2

Voorgenomen ingreep

Voornemen Chint Solar/Astronergy is voornemens om binnen het plangebied een zonneweide aan te leggen. De zonnepanelen op perceel 267 worden op stellages geplaatst. Hiervoor wordt de aanwezige vegetatie verwijderd en worden de palen van de stellages in de grond geslagen. Zie Figuur 3 voor een voorbeeld van de onderconstructie van de zonneweide. De aanwezige fruitbomen op perceel 267 worden begin 2020 door de grondeigenaar gerooid. De zonnepanelen op perceel 851 worden op vlonders worden geplaatst. Hiervoor hoeft de waterpartij niet gedempt te worden. De toegangsweg naar de zonneweide wordt aangelegd in de watergang naar de Zaadmarkt. Hiervoor wordt een klein deel van de watergang gedempt.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

6 van 29

Figuur 3. Voorbeelden van de onderconstructie voor de zonneweide.

Werkzaamheden In deze QuickScan Ecologie gaan wij ervan uit dat de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: • • • • • • •

Verwijderen van de aanwezige vegetatie; inclusief windhaag (oostzijde) en conifeerhaag. De fruitbomen worden begin 2020 door de grondeigenaar gerooid. De coniferenhaag wordt vervangen door een windsingel. De windsingel rondom de zonneweide blijft behouden. Heiwerkzaamheden voor het plaatsen van de stellages. Aanleggen van vlonders in de waterpartij van perceel 851. Realiseren van een toegangsweg naar perceel 267 via de oostzijde. Hiervoor dient een deel van de watergang gedempt te worden.

In deze QuickScan Ecologie gaan wij ervan uit dat er GEEN werkzaamheden worden uitgevoerd aan: • Gebouwen; • Windsingel aan de west- en zuidzijde van het plangebied; • Watergang aan de west en zuidzijde van het plangebied.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

7 van 29

3

WET NATUURBESCHERMING

Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) en beschermde soorten (hoofdstuk 3 Wnb). In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de Natura 2000-gebieden in § 3.1 en vervolgens op de soortbescherming in § 3.2. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage A.

3.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op aanzienlijke afstand van Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 4,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied IJsselmeer en circa 6,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Markerkeer & IJmeer (zie Figuur 4). Door de afstand van het plangebied tot aan deze Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten op de kenmerkende natuurwaarden van deze gebieden op voorhand uitgesloten. Een nadere effectbeoordeling wordt niet verder uitgewerkt.

Figuur 4. Ligging plangebied (rode arcering) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron; Synbiosys.alterra.nl. Geraadpleegd 18-07-2019.

3.2

Soortbescherming

3.2.1

Methode

Er is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf (2014-2019) jaar. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

8 van 29

• • • •

www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vlinderstichting.nl www.sovon.nl

Het veldbezoek is uitgevoerd op 26-07-2019 09:30 door ir. J. van Kolck, ecoloog van Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren 27°C, windkracht 4, volledig onbewolkt. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.

3.2.2

Aanwezigheid beschermde soorten

In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het projectgebied per relevante soortgroep. Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek De aanwezigheid van Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde strikt beschermde soorten (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019) flora kan worden uitgesloten. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen strikt beschermde soorten waargenomen. Het plangebied wordt regelmatig gemaaid en rondom de stammen van de fruitbomen wordt gesproeid om onkruid tegen te gaan. Broedvogels Bureauonderzoek De aanwezigheid van nest In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van broedvogels (nest beschermd o.a. houtduif, huismus, huiszwaluw, kauw, knobbelzwaan, koolmees, gedurende het gedurende merel, meerkoet en scholekster (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). broedseizoen het beschermd) kan niet broedseizoen Veldbezoek worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek is het nest van een duif waargenomen en zijn mezen, merel, Vlaamse gaai, lijsters en witte kwikstaart. Ook zijn watervogels, zoals meerkoet en wilde eend, waargenomen.

In de coniferenhaag is een nest van een houtduif waargenomen. Broedvogels Bureauonderzoek De aanwezigheid van met jaarrond In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van broedvogels met een beschermd buizerd en torenvalk (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). jaarrond beschermd nest nest kan worden Veldbezoek uitgesloten. De fruitbomen zijn laag en zijn hierdoor niet geschikt voor een buizerd of torenvalk om een nest in te maken. Buizerd en torenvalk jagen in open terrein. Doordat de fruitbomen dicht op elkaar staan, biedt het plangebied geen geschikt foerageergebied voor deze roofvogels. GrondBureauonderzoek De aanwezigheid van gebonden Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn waarnemingen van haas binnen het zoogdieren mol, konijn, haas, egel en muisachtigen (huisspitsmuis, bosspitsmuis, plangebied is dwergmuis en veldmuis) bekend (NDFF, 23-07-2019). vastgesteld. De Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van kleine aanwezigheid van marterachtigen, zoals wezel en bunzing. konijn, bunzing en muisachtigen kan niet Veldbezoek worden uitgesloten. Binnen het plangebied is een haas waargenomen. Het plangebied biedt geschikt habitat voor konijn en muisachtigen. Door het ontbreken van ondergroei onder de fruitbomen, windsingel en coniferenhaag biedt het plangebied geen geschikt habitat voor egel en wezel.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

9 van 29

Soortgroep

Vleermuizen

Reptielen

Amfibieën

Vissen

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat De watergang aan de west- en zuidzijde van het plangebied heeft een rietoever. Dit rietland biedt geschikt leefgebied voor de bunzing. Daarnaast kunnen marterachtigen (bunzing en wezel) binnen het plangebied worden verwacht om te foerageren. Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied is een gewone dwergvleermuis waargenomen (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de meervleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis (verspreidingsatlas.nl geraadpleegd 18-07-2019). Het plangebied kan gebruikt worden als verblijfplaats, foerageergebied en/of migratieroute voor vleermuizen. De waterpartij in perceel 851 kan gebruikt worden als foerageergebied en/of migratieroute. Veldbezoek Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen met holten aanwezig om verblijfplaats voor vleermuizen te dienen. Het plangebied (zowel de watergang als de fruitboomgaard) kan door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. De watergang ten zuiden van het plangebied fungeert mogelijk als vliegroute voor vleermuizen. De windhaag en fruitbomen zijn te laag om als vliegroute voor vleermuizen te dienen.

Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). Ook ligt het plangebied niet binnen het verspreidingsgebied van strikt beschermde reptielen (Verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd 23-07-2019). Veldbezoek Het plangebied biedt geen geschrikt habitat voor reptielen. Door het ontbreken van heide, hoogveen en uitbundige ondergroei is de aanwezigheid van levendbarende hagedis en hazelworm uitgesloten. Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de groene kikker (soort onbepaald), meerkikker en kleine watersalamander (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). Veldbezoek De watergangen binnen het plangebied beiden geschikt leefgebied voor amfibieën zoals meerkikker en kleine watersalamander. Door het ontbreken van veen, heide en de aanwezigheid van ontwikkelde oevervegetatie en vissen bieden de watergangen geen geschikt leefgebied voor strikt beschermde soorten zoals de rugstreeppad, poelkikker en heikikker. Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bittervoorn, blankvoorn, kleine modderkruiper en tiendoornige stekelbaars (NDFF, geraadpleegd 23-07-2019). Het plangebied valt niet binnen het verspreidingsgebied van strikt beschermde vissoorten (verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd 23-07-2019).

Veldbezoek De watergang biedt geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende vissoorten zoals blankvoorn en tiendoornige stekelbaars.

Conclusie

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. Het gebruik als vliegroute en foerageergebied is niet uitgesloten.

De aanwezigheid van strikt beschermde reptielen wordt niet verwacht.

De aanwezigheid van algemeen beschermde amfibieën kan niet worden uitgesloten.

De aanwezigheid van algemeen voorkomende vissen kan niet worden uitgesloten.

Door het ontbreken van verharde oeverbeschoeiing is de aanwezigheid van de rivierdonderpad uitgesloten. Doordat de watergang voedselrijk is en onderwatervegetatie ontbreek, is de aanwezigheid van strikt beschermde soorten uitgesloten. Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

10 van 29

Soortgroep Overige soorten

3.2.3

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Bureauonderzoek Het plangebied valt niet binnen het verspreidingsgebied van strikt beschermde vlinder- en libellesoorten. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn vlinders en libellen (soorten onbekend) waargenomen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden binnen het plangebied, waar kruidenrijke vegetaties grotendeels ontbreken, is geen geschikt biotoop voor beschermde soorten aanwezig. De verspreiding van deze soorten beperkt zich tot bijzondere milieus, zoals hoogvenen, kalkgraslanden, voedselarme vennen en oude eikenbossen.

Conclusie Binnen het plangebied zijn algemeen voorkomende vlinders en libellen aanwezige. De aanwezigheid van strikt beschermde vlinder- en libellesoorten worden niet verwacht.

Effectbeschrijving

In de onderstaande tabel is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Tabel 2: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Soortgroep Mogelijke effecten

Toetsing vereist?

Broedvogels nest beschermd gedurende broedseizoen beschermd

Als vegetatie wordt verwijderd gedurende het broedseizoen (15 maart – 1 september) kunnen nesten van soorten zoals merel en koolmees worden aangetast en verstoord. Werkzaamheden in het water, gedurende het broedseizoen, kan leiden tot aantasting en verstoring van nesten van watervogels, zoals meerkoet en knobbelzwaan. Daarnaast kunnen aanwezige legsels en jonge dieren gedood worden.

Ja

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren

Het verwijderen van vegetatie kan leiden tot verwonden en doden van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, zoals haas, muisachtigen en kleine marterachtigen. De werkzaamheden kunnen leiden tot het verwijderen van foerageergebied van kleine marterachtigen. Doordat er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergangen met rietland aan de zuid- en westzijde van het plangebied, blijft leefgebied van de bunzing behouden. Door behoud van de windsingel en het vervangen van de coniferenhaag door een windsingel zijn effecten op vliegroute uitgesloten.

Ja

Vleermuizen

Ja

Het verwijderen van vegetatie, fruitboomgaard en het plaatsen van zonnepanelen op water kan leiden tot afname van foerageergebied. Er is nog weinig bekend over de effecten van zonnepalen op de echolocatie van vleermuizen. De zonnepanelen hebben waarschijnlijk een negatief effect op de echolocatie van vleermuizen, doordat de zonnepanelen de echo’s van de vleermuizen diffuus weerkaatsen (spiegel). Hierdoor is het plangebied niet langer geschikt als foerageergebied. Daarnaast kan ook het aanleggen van drijvende zonnepanelen in de waterpartij in perceel 851 leiden tot het aantasten van foerageergebied. Er is weinig bekend over de effecten van zonnepanelen op water op de aquatische flora en fauna. In het water leiden de vlonders waarschijnlijk tot negatieve effecten als gevolg van de schaduwwerking waardoor een afname aquatisch flora en fauna ontstaat. Samen met de fysieke barrière en de diffuse echolocatie die de zonnepanelen veroorzaken, kan de zonneweide leiden tot een afname van foerageergebied. Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

11 van 29

Algemeen voorkomende amfibieën

Werkzaamheden in de watergangen kunnen leiden tot het verwonden en doden van algemeen voorkomende amfibieën, zoals kleine watersalamander, meerkikker en groene kikker (soort onbekend).

Ja

Algemeen voorkomende vissen

Werkzaamheden in de watergangen kunnen leiden tot het verwonden en doden van algemeen voorkomende vissen, zoals kleine modderkruiper, bittervoorn en tiendoornige stekelbaars.

Nee, voor deze soorten geldt de zorgplicht

Overige soorten

Door het verwijderen van vegetatie en werkzaamheden in de watergangen gaat leefgebied voor algemeen voorkomende vlinder en libellen soorten verloren.

Nee, voor deze soorten geldt de zorgplicht.

3.2.4

Toetsing

3.2.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

In onderstaande tabel is per soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten. Beschermingscategorie Soort/ soortgroep Vogelrichtlijnsoorten Broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd) Habitatrichtlijnsoorten Vleermuizen Andere soorten zonder vrijstelling Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) Andere soorten met vrijstelling Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (muisachtigen, haas) en algemeen voorkomende amfibieën (zoals kleine watersalamander, groene kikker en meerkikker). Zorglicht Algemeen voorkomende vissen, vlinders en libellen

Er geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zie Bijlage A. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten en voor algemeen voorkomende vissen, libellen en vlinders, geldt de zorgplicht, zie verder in paragraaf 3.2.5.2.

3.2.4.2

Overtreding verbodsbepalingen

In de onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf. Tabel 4: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.

Soort Broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd)

Lid 1 X

Lid 2 X

Lid 3

Lid 4

Als gevolg van Verwijderen vegetatie en oevervegetatie. Werkzaamheden in watergangen.

Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

12 van 29

Tabel 5: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.

Soort Vleermuis

Lid 1|5

Lid 2 X

Lid 3

Lid 4 X

Als gevolg van Verwijderen vegetatie en aanleggen van drijvende zonnepanelen op water

Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Er is nog weinig bekend over de effecten van zonnepalen op de echolocatie van vleermuizen en van de effecten op aquatische flora en fauna. Hierdoor is niet bekend wat de effecten zijn op foeragerende vleermuizen. In het water leiden de vlonders waarschijnlijk tot negatieve effecten als gevolg van de schaduwwerking wat leidt tot afname van aquatisch flora en fauna en door het optreden van een fysieke barrière waardoor vleermuizen minder goed midden op het water kunnen foerageren. De zonnepanelen hebben daarnaast waarschijnlijk een negatief effect op de echolocatie van vleermuizen, doordat de zonnepanelen de echo’s van de vleermuizen diffuus weerkaatsen. Tabel 6: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten.

Soort Kleine marterachtigen

a

b X

c

Als gevolg van Verwijderen vegetatie

Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Door het verwijderen van de fruitbomen verdwijnt foerageergebied voor de kleine marterachtigen (bunzing en wezel). Doordat er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergangen met rietland aan de zuid- en westzijde van het plangebied, blijft leefgebied van de bunzing behouden.

3.2.5

Vervolg

In deze paragraaf zijn een aantal vervolgstappen beschreven. Het gaat hierbij om soortgericht onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen.

3.2.5.1

Soortgericht onderzoek

Op basis van de QuickScan Ecologie kan de aanwezigheid van vleermuizen niet worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Het soortgericht onderzoek voor vleermuizen dient conform het Vleermuisprotocol 2017 van het Netwerk Groene Bureaus (hierna NGB) uitgevoerd te worden. Hiervoor dienen vijf veldbezoeken tussen 15 mei en 15 september uitgevoerd te worden. Dit onderzoek is gericht naar foerageergebied van vleermuizen. Dit onderzoek vindt plaats tussen zonsondergang en -opkomst. Een alternatief spoor is om er vanuit te gegaan dat vleermuizen binnen het plangebied foerageren en onderstaande maatregelen te treffen. Hiermee worden negatieve effecten op vleermuizen voorkomen; • •

Gebruik geen kunstlicht na zonsondergang en voor zonsopkomst richting de gevels. Scherm licht richting de gevels af om verstoring te voorkomen. Meer dan een kwart (27%) van het foerageergebied boven land blijft behouden doordat de fruitboomgaard nabij de woningen behouden blijft. Daarnaast worden zodanige inpassingsmaatregelen getroffen, dat het behoud van voldoende foerageerareaal is geborgd. De onderstaande inpassingsmaatregelen worden getroffen: • Aanleggen insecten hotels; • Behoud windsingel rondom zonneweide;

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

13 van 29

•

• Begrenzing met kruidenrijk grasland rondom zonneweide. • Aanleggen rommelhoekjes. Door op perceel 851 zonnepanelen aan te brengen verdwijnt het grootste foerageergebied boven water in de directe omgeving. Zonnepanelen hebben een drietal effecten op het foerageergebied van vleermuizen; 1. Zonnepanelen op water zijn een fysieke barrière voor foeragerende vleermuizen. 2. Zonnepanelen zorgen voor een diffuse echolocatie (spiegel), waardoor foerageren voor vleermuizen boven zonnepanelen niet mogelijk is. 3. Ten slotte zorgen zonnepanelen op water voor schaduwwerking in het water, waardoor minder planten en insecten op en rondom het water aanwezig zijn dan in de huidige situatie of zich ontwikkeld had in de situatie zonder externe ontwikkeling. Door de zonnepanelen op het water een ecologische invulling te geven kunnen negatieve effecten voorkomen worden. •

• •

3.2.5.2

Bij de inpassing van het zonnepark op water wordt voldoende water behouden zodat foerageergebied van vleermuizen behouden blijft. Exacte inpassing wordt in een later stadium vastgesteld. Hierbij wordt óf 7 meter afstand tot de oevers wordt behouden óf wordt circa 50 meter aan de noordzijde van de waterpartij behouden blijven en circa 3 meter van de oevers rondom. Bij de inpassing blijft een strook watergang behouden, zodat vleermuizen richting de waterpartij nabij de Tomatenmarkt kunnen foerageren. Deze watergang heeft een natuurvriendelijke oever en biedt geschikt foerageergebied. De afstand tussen de vlonders en zonnepanelen is dusdanig dat voldoende lichtinval in het water wordt geborgd. Daarnaast wordt substraat aan de vlonders gebracht waarop aquatische flora zich kan vestigen. Hiermee kan meer leefgebied voor insecten en vissen ontstaan, waardoor foerageergebied van vleermuizen behouden blijft.

Mitigerende maatregelen

Broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd) Om negatieve effecten op broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd) te voorkomen dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden. • Verwijder de vegetatie buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 1 september, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Voer de werkzaamheden in de watergangen uit buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 1 september, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. • Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Kleine marterachtigen Om negatieve effecten op kleine marterachtigen te voorkomen dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden: • Behoud foerageergebied voor kleine marterachtigen binnen het plangebied. Dit kan door onder de zonnepanelen kruidenrijk grasland en een rommelhoekje binnen het plangebied aan te leggen. • Zorg dat het hek rondom het plangebied passeer baar is voor kleine marterachtigen. Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht.

Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: •

Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van het water af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd zodat ze verdrinken.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

14 van 29

Het werken in de waterpartij in perceel 851 en het dempen van een deel van de watergang voor de toegangsweg dient zorgvuldig te worden uitgevoerd. Hiermee kunnen effecten op vissen (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) en amfibieën worden voorkomen. Denk hierbij aan de onderstaande maatregelen: • Voer de werkzaamheden buiten de kwetsbare periodes van de vissen en amfibieën uit. De overwintering periode loopt van november tot en met maart en de voortplantingsperiode loopt van april tot en met augustus. Echter, deze periode kan zowel eerder als later beginnen of eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en van de meteorologische omstandigheden voorafgaand en tijdens de werkzaamheden. De luchttemperatuur moet boven het vriespunt liggen en er mag geen ijs aanwezig zijn in de watergang. De watertemperatuur moet beneden de 25 graden Celsius liggen. • Werk in één richting en dan wel in de richting van open water, zodat aanwezige vissen en amfibieën kunnen vluchten. • Zorg voor diepere plekken in de watergangen waar niet gewerkt wordt. Zodat de vissen en amfibieën daar heen kunnen vluchten om (tijdelijke) minder gunstige omstandigheden te overbruggen of te overwinteren. • Zorg dat de na aanleg van de brug beide waterpartijen met elkaar bevonden blijven, zodat vissen en amfibieën naar andere delen van de watergangen kunnen migreren.

3.2.6

Kansen

Binnen het plangebied kunnen aanvullende maatregelen getroffen worden om een ecologie binnen het plangebied te behouden. Bodemleven Wanneer de bodem onder de panelentafels bijna volledig wordt afgeschermd van licht en regenwater (reductie van 75% of meer) zal de ondergroei afsterven en het bodemleven verstoken blijven van de aanvoer van verse organische stof. Zonnepanelen fungeren als parasol en weerkaatsen zonlicht, waardoor minder zonlicht op de vegetatie onder de panelen kan komen. Daarnaast fungeren de zonnepanelen als paraplu, waardoor minder regenwater op de vegetatie onder de panelen kan komen. Als gevolg daarvan neemt de bodemvruchtbaarheid af, almede de hoeveelheid organische stof en de opnamecapaciteit voor water. Andere risico’s betreft bodemdegradatie bij de aanleg door verdichting erosie en verslemping bij de aanleg. In hoeverre dit doorwerkt op het bodemleven zal afhankelijk zijn van grondsoort, de keuze van het soort grasland en beheer. Door de panelen zo in te delen dat de grond gedeeltelijk beschenen wordt en regenwater evenredig wordt verspreid, kan ook onder de panelen de kwaliteit van de bodem en vegetatie worden behouden Vleermuizen Leg natuurvriendelijke oevers (met riet en kruiden) en kruidenrijk grasland aan binnen het plangebied. Dit biedt leefgebied voor insecten, waardoor foerageergebied voor vleermuizen ontstaat.

Door deze foerageergebieden aan de randen van het plangebied aan te leggen, blijven de negatieve effecten van zonnepanelen op echolocatie van vleermuizen tot een minimum beperkt. Kleine marterachtigen Leg kruidenrijk grasland onder de zonnepanelen aan en natuurvriendelijke oevers met rietland en/of kruidenrijk grasland. Door deze natuurvriendelijke te beheren ontstaan hier faunarijke (met amfibieën, vissen en muizen) watergangen. Hierdoor biedt het plangebied geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen (zoals bunzing en wezel). Kleine marterachtigen geven de voorkeur aan cultuurlandschap met dekkingsmogelijkheden en water (zoals sloten). Door in een rommelhoekje met een insectenhotel, bosschages, houtstapels of heggen aan te leggen ontstaat geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. Grondgebonden zoogdieren Door onder de zonnepanelen kruidenrijk grasland in te zaaien wordt dit grasland geschikt leefgebied voor insecten, haas, muizen en konijnen. Doordat het omringende hekwerk dusdanig worden geplaatst zodat 30 cm aan de onderzijde vrij is, kunnen grondgebonden zoogdieren (zoals haas) het hekwerk passeren.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

15 van 29

Door in een rommelhoekje met insectenhotel, bosschages, houtstapels of heggen aan te leggen ontstaat geschikt leefgebied voor egels. Aquatische flora en fauna Door boven de waterpartij in perceel 851 zonnepanelen te realiseren, ontstaat er schaduwwerking in het water. Dit kan ertoe leiden dat er minder planten en insecten op en rondom het water aanwezig zijn dan in de huidige situatie of zich ontwikkeld had in de situatie zonder externe ontwikkeling. De afname aan planten en insecten in en rondom het water leidt tot een afname van vissen, (water)vogels en foerageergebied van vleermuizen. Door het ontwerp echter een ecologische invulling te geven, kunnen deze negatieve effecten niet alleen worden voorkomen, maar kan er mogelijk zelfs een positieve bijdrage worden geleverd aan de ecologische kwaliteit van het gebied. Zo kan geschikt substraat worden aangebracht op de vlonders waar de zonnepanelen op rusten waarop aquatische flora zich kan vestigen. Hiermee kan meer leefgebied voor insecten en vissen ontstaan, waardoor foerageergebied van vleermuizen behouden blijft. Het nemen van dergelijke maatregelen draagt, naast de ecologie, daarnaast bij aan de kennis over de ecologische effecten van zonnepanelen (als de maatregelen gepaard gaan met een monitoringsprogramma) en positieve signaal naar de omgeving.

3.2.7

Deelconclusie soortbescherming

Uit de QuickScan Ecologie is gebleken dat de aanwezigheid van beschermde soorten niet is uitgesloten. Het gaat hierbij om broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd), vleermuizen, kleine marterachtigen en algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën. Daarnaast komen algemeen voorkomende vissen, vlinders en libellen voor binnen het plangebied. Voor de broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd) en kleine marterachtigen dienen in het kader van de Wnb mitigerende maatregelen getroffen te worden. Voor de algemeen voorkomende zoogdieren, vissen, amfibieën, vlinders en libellen dienen maatregelen in het kader van de zorgplicht getroffen te worden. Indien deze mitigerende maatregelen getroffen worden zijn vervolgstappen voor deze soortgroepen niet aan de orde. Indien wordt afgeweken van deze mitigerende maatregelen vindt mogelijk conflict met de Wnb plaats. Bij de werkzaamheden kan niet voorkomen worden dat foerageergebied van vleermuizen verloren gaat. Deze negatieve effecten leiden tot een conflict met de Wnb. Vanwege de planning van dit project is het niet mogelijk om vervolgonderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Daarom wordt er vanuit te gegaan dat vleermuizen binnen het plangebied foerageren. Mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op vleermuizen voorkomen. Hiermee wordt conflict met de Wnb voorkomen.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

16 van 29

4

NATUURNETWERK NEDERLAND

4.1

Methode

Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN en daarnaast de aard van de ingreep, is door bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen.

4.2

Ligging

Het plangebied ligt op circa 1 kilometer afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Zie de gele gearceerde gebieden in Figuur 5. Het plangebied ligt tevens op circa 17 kilometer tot het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied (zie Figuur 6).

Figuur 5. NNN-gebieden en weidevogelgebied in de directe omgeving (gele arcering). De oranje arcering geeft het plangebied weer (Bron; provincie Noord-Holland, geraadpleegd 24-07-2019).

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

17 van 29

Figuur 6. Ganzenfoerageergebied in Noord-Holland (groene arcering, bron: provincie Noord-Holland, geraadpleegd 2407-2019). De rode stip geeft het plangebied weer.

4.3

Effecten

Door de afstand tussen het plangebied en de NNN-gebieden en weidevogelkerngebieden zijn effecten op NNN-gebieden uitgesloten.

4.4

Conclusie

Effecten op NNN-gebieden en weidevogelkerngebieden zijn uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

18 van 29

5

CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden zijn uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van Natura 2000 en NNN zijn niet noodzakelijk. Uit de QuickScan Ecologie is gebleken dat de aanwezigheid van beschermde soorten niet is uitgesloten. Het gaat hierbij om broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd), vleermuizen, kleine marterachtigen en algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën. Daarnaast komen algemeen voorkomende vissen, vlinders en libellen voor binnen het plangebied. Voor de broedvogels (nest gedurende het broedseizoen beschermd) en kleine marterachtigen dienen in het kader van de Wnb mitigerende maatregelen getroffen te worden. Voor de algemeen voorkomende zoogdieren, vissen, amfibieën, vlinders en libellen dienen maatregelen in het kader van de zorgplicht getroffen te worden. Indien deze mitigerende maatregelen getroffen worden zijn vervolgstappen voor deze soortgroepen niet aan de orde. Indien wordt afgeweken van deze mitigerende maatregelen vindt mogelijk conflict met de Wnb plaats. Het is niet zeker of vleermuizen foerageren in het gebied. Het is echter ook niet uit te sluiten. Indien het gebied wordt gebruikt als foerageergebied zullen de werkzaamheden (zonder mitigerende maatregelen) leiden tot een verlies aan foerageermogelijkheden.

Vanwege de planning van dit project is het niet mogelijk om vervolgonderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Daarom wordt ervan uitgegaan dat vleermuizen binnen het plangebied foerageren. Mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op vleermuizen voorkomen en daarmee wordt conflict met de Wnb voorkomen (zie paragraaf 3.2.5.)

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

19 van 29

BIJLAGE A WET NATUURBESCHERMING Gebiedsbescherming Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • • •

Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht.

Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4).

Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten.

1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura

2000-gebied. Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

20 van 29

Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden).

Soortbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3).

Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •

Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1) Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2) Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3)

Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).

Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • •

bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5)

Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.

Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

21 van 29

Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4).

Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder).

Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. De provincie NoordHolland heeft in Verordening vrijstellingen soorten een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten; Aardmuis Onze referentie: 083970222 D.1 - Datum: 16 juni 2020

Bosmuis

Dwergmuis 22 van 29

Dwergspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Egel

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Gewone bosspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Gewone pad

Haas

Veldmuis

Kleine watersalamander

Huisspitsmuis

Vos

Meerkikker

Konijn

Woelrat

Ondergrondse woelmuis

Molmuis

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=0bfd5db0-2a8b-44cd-8201-5cae9c9f4059