01 Onderzoek Huisvesting Arbeidsmigranten Medemblik
Tekst van het document
Deze aanbeveling wordt door de motie als volgt gewijzigd: “Laat de uitvoering van de regels, inclusief de beoordeling van principeverzoeken en vergunningaanvragen over aan het college” (Motie Aanvulling op aanbevelingen 5 en 6, 19 december 2019).
3.2.2
De beleidsregels vanaf 2020
In 2020 wordt vervolgens een kwantitatief onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van het aantal buitenlandse werknemers sinds 2010 (Decisio, 22 maart 2020, Beleidsregels Huisvesting buitenlandsee werknemers, p. 10). Daarnaast is een prognose opgesteld naar de ontwikkeling van het aantal buitenlandse werknemers tot 2030, welke in 2021 wordt geactualiseerd (Decisio, 6 juli 2022). Uit deze kwantitatieve onderzoeken blijkt, dat van de 9.700 in Westfriesland werkzame buitenlandse werknemers, er in 2019 ruim 3.500 werken in Medemblik. Daar staan 1.015 vergunde werkplekken binnen Medemblik tegenover (Beleidsregels Huisvesting buitenlandse werknemers, p. 10). Zowel het evaluatierapport als de kwantitatieve onderzoeken geven aanleiding om het beleid te herzien. 27 oktober 2020 besluit het college om het ontwerpbeleid ter vaststelling voor te leggen aan de raad. Op 26 november 2020 stelt de raad het ontwerpbeleid Huisvesting buitenlandse werknemers vast. Dit beleid wordt vervolgens van 10 december 2020 tot 4 februari 2021 ter inzage gelegd (Raadsvoorstel, 26 november 2020). In de bijlagen behorende bij dit raadsvoorstel is tevens het onderzoek van Decisio opgenomen. Tijdens deze inzageperiode worden 17 zienswijzen ingediend.
Bij het collegevoorstel en het raadsvoorstel ter vaststelling van de definitieve beleidsregels wordt een nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers als bijlage gevoegd, waarin wordt ingegaan op de ingediende zienswijzen.
3
De Agrarische Beoordelings Commissie is een stichting die door gemeenten kan worden ingeschakeld om advies uit te brengen op vergunningaanvragen. Gemeenten zijn hiertoe niet verplicht. In de beleidsregels wordt deze commissie als volgt omschreven: “De Agrarische beoordelingscommissie (ABC) is een stichting, die in opdracht van de gemeente onafhankelijk, objectief en deskundig agrarische verzoeken en vergunningaanvragen beoordeelt. De gemeente vraagt de ABC om, bij initiatieven voor huisvesting bij agrarische bedrijven, een advies uit te brengen over de (tijdelijke) arbeidsbehoefte van het agrarisch bedrijf. De aanvraag wordt vervolgens door de gemeente getoetst aan de hand van dit advies van de ABC (Beleidsregels, p. 3).
28
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en onderbouwd door het onderzoek van Decisio, wordt de voorwaarde geschrapt dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Een goede landschappelijke inpassing en het voldoen aan het SNF keurmerk zijn zowel op tijdelijke als permanente vergunningaanvragen van toepassing en in het geval van tijdelijke vergunningen worden duidelijke afspraken met de initiatiefnemers over de instandhoudingstermijn en het beëindigen van de huisvesting na afloop van de termijn gemaakt (Nota Zienswijzen, 2021, p. 1 en 2). Op basis van de ingediende zienswijzen van zowel LTO als de provincie wordt de mogelijkheid dat ook buiten het agrarisch bouwvlak huisvesting mag plaatsvinden geschrapt. De regel met betrekking tot huisvesten op bedrijventerreinen wordt duidelijker geformuleerd (Nota Zienswijzen, 2021, p. 3). Een aantal zienswijzen hebben betrekking op de verplichte inschrijving en registratie. Over het algemeen wordt daarbij gesteld dat dit tot onnodige administratieve lasten zal leiden. Tevens wordt gesteld dat 50% 1-persoonskamers zodanig duur is, dat het voor bedrijven niet realiseerbaar is. In het ontwerpbeleid is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee initiatieven die niet passend zijn binnen het beleid met een onderbouwing worden voorgelegd aan de raad.
De afwijkingsregel uit de Algemene wet bestuursrecht (4:84 Awb) maakt het opnemen van deze afwijkingsregel echter overbodig. Bovendien heeft de gemeenteraad op 19 december 2019 ingestemd met de aanbevelingen uit het rapport Huisvesting van buitenlandse werknemers in Medemblik. Eén van de aanbevelingen luidt om de uitvoering van de regels, inclusief de beoordeling van principeverzoeken en vergunningaanvragen over te laten aan het college. De afwijkingsregel uit 4:84 Awb sluit beter aan op deze aanbeveling. Het kan echter voorkomen dat zich initiatieven voordoen die een groter aantal te huisvesten werknemers bevatten. Omdat het dan gaat om voorzienbare afwijkingen van het beleid, kan de algemene afwijkingsbevoegdheid van 4:84 Awb niet toegepast worden. Daarom is in het beleid ook een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om af te kunnen wijken van maximale aantallen te huisvesten werknemers, waarbij geopteerd wordt voor een nee-tenzij formulering. Deze afwijkingsmogelijkheid is niet van toepassing op huisvesting in woningen (Nota Zienswijzen, 8 juli 2021, p. 31). Tevens wordt in deze periode advies ingewonnen van Stibbe. Op 25 november 2020 brengt Stibbe advies uit met betrekking tot het conceptbeleid huisvesting arbeidsmigranten. Stibbe concludeert dat het ruimtelijke ordeningsrecht zich niet verzet tegen het hanteren van de kernensystematiek voor de toepassing van spreidingsregels.
Wel zal voor iedere categorie van huisvesting een ruimtelijk relevante onderbouwing moeten worden gegeven waarom regulering nodig is. Daarbij kan het gebruik van standaardfactoren (adressendichtheid, centrumvoorzieningen, ontsluitingsmogelijkheden) behulpzaam zijn (Stibbe, 25 november 2020, p. 2). Het beheerplan en de daarin opgenomen vereisten dienen ruimtelijk relevant te zijn, maar in de jurisprudentie wordt dit begrip ruim uitgelegd. Stibbe adviseert om het beheerplan zowel uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te koppelen aan het planologisch besluit, als met het oog op de openbare orde te koppelen aan een exploitatievergunning. Gelet op de ervaring die de afdeling openbare orde heeft in het handhaven van de openbare orde, werkt dit tevens een adequate handhaving in de hand (Stibbe, 25 november 2020, p. 3). Onderbouwd kan worden dat de eisen die gesteld worden aan het beheerplan ruimtelijk relevant zijn, zodat het beheerplan als geheel inderdaad als voorschrift aan het betrokken ruimtelijk besluit kan worden verbonden (Stibbe, 25 november 2020, p. 21). 29
Op basis van de jurisprudentie constateert Stibbe, dat het niet eenvoudig zal zijn om een beperking in de omvang of locatie voor huisvesting vanuit het motief van het voorkomen van de aantasting van het woonen leefklimaat te onderbouwen. Algemene gevoelens en opvattingen over de huisvesting van arbeidsmigranten doen hier namelijk niet ter zake. Er dient een onderbouwing te worden gegeven op grond van ruimtelijke motieven, waaruit de noodzaak van spreidingsregels volgt (Stibbe, 25 november 2020, p. 3). Stibbe verwijst in zijn advies naar relevante jurisprudentie. Zo dient volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderbouwd te worden op welke wijze het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen door de huisvesting van meer dan het maximum aantal arbeidsmigranten zal worden aangetast. Inzichtelijk moet worden gemaakt waarom uit ruimtelijk oogpunt een bepaald maximaal aantal arbeidsmigranten op een terrein mogen worden gehuisvest. Geuite zorgen van omwonenden kunnen ten grondslag liggen aan een maximeringsregel, maar dan is wel vereist dat concrete gegevens kunnen worden overlegd die deze zorgen onderbouwen. Het wijzen op maatschappelijke onrust en verlies aan sociale cohesie is op zichzelf niet voldoende om in het kader van een goede ruimtelijke ordening arbeidsmigrantenhuisvesting onmogelijk te maken.
Het enkele argument dat draagvlak ontbreekt voor een initiatief kan geen basis zijn voor het weigeren van planologische medewerking, aldus de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Stibbe, 25 november 2020, p. 6). Hoewel deze overwegingen wel aanleiding kunnen zijn om een standpunt in te nemen, dient gemotiveerd te worden waarom de beoogde arbeidsmigrantenhuisvesting in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Uit de jurisprudentie blijkt verder, dat een verblijf tot zes maanden in planologische zin afwijkt van wonen met als gevolg dat het gebruik van arbeidsmigrantenhuisvesting apart kan worden gereguleerd. Een beperking op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters is enkel toegestaan indien aan artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn wordt voldaan. Een dergelijke beperking is enkel toegestaan als de beperking non-discriminator4 is, noodzakelijk en daarmee gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang en tot slot geschikt is om de verwezenlijking van het doel te bereiken en niet verder gaat dan nodig is, terwijl dat doel niet met een andere, minder beperkende, maatregel kan worden bereikt (Stibbe, 25 november 2020, p. 8). Stibbe concludeert dat aangezien de ruimtelijke ordeningsregels voor iedereen in gelijke mate gelden, de beperkingen non-discriminator zijn.
Volgens de considerans bij de Dienstenrichtlijn vormt de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening, een dwingende reden van algemeen belang. Wel zal dan moeten worden toegelicht waarom die dwingende reden van algemeen belang in het geding is. Het valt Stibbe op, dat in de toelichting op de beleidsregels niet wordt toegelicht waarom de beleidsregels nodig zijn. Het noodzakelijkheidsvereiste vergt op dit punt echter wel, dat de weigering van planologische medewerking aan huisvesting van arbeidsmigranten uit een oogpunt van de bescherming van het woon- en leefklimaat grondig wordt onderbouwd. Verder dient te worden toegelicht waarom de beperking van de vestigingslocaties bijdraagt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of er geen andere maatregelen denkbaar zijn die een vergelijkbaar effect hebben, maar minder ingrijpend zijn. Te denken is dan aan intensiever beheer ter voorkoming van overlast en een 4
Dit houdt kort gesteld in, dat geen sprake mag zijn van directe of indirecte discriminatie.
30
mobiliteitsplan. Het voldoen aan deze laatste eis vergt, dat inzichtelijk wordt gemaakt waarom deze alternatieve maatregelen niet effectief zijn (Stibbe, 25 november 2020, p. 10). Stibbe concludeert uiteindelijk op dit punt dat het noodzakelijkheidsvereiste van de spreidingsregels grondig onderbouwd dient te worden. Ook de onderbouwing waarom die spreidingsregels geschikt zijn om het doel te bereiken en of er geen andere, minder beperkende maatregelen zijn dan een beperking van de vrijheid van vestiging, waarmee een vergelijkbaar effect kan worden bereikt, vergt bijzondere aandacht van de gemeente (Stibbe, 25 november 2020, p. 10). Op 18 november 2020 brengt de Afdeling advisering van de Raad van State advies uit over de regulering van het vrije verkeer van personen en diensten. Logischerwijs is dit advies nog niet betrokken bij de conceptbeleidsregels. 21 april 2021 brengt juridisch adviesbureau SWDV advies uit aan de gemeente, waarin het advies van de afdeling advisering van de Raad van State is betrokken (SWDV, 21 april 2021). Tevens wordt de ingediende zienswijze van Schenkeveld Advocaten in dit advies betrokken (SWDV, 21 april 2021, p. 6).
SWDV concludeert dat een goede ruimtelijke onderbouwing van het ontwerp beleid duidelijk kan maken dat een beperking van het vrije verkeer van personen en diensten gerechtvaardigd is wanneer het gaat om de huisvesting van arbeidsmigranten. Het is namelijk verdedigbaar dat de huisvesting van arbeidsmigranten een andere impact heeft op de woon- en leefomgeving dan bij één huishouden (SWDV, 21 april 2021, p. 1). SWDV constateert dat in de toelichting op het ontwerp beleid de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende naar voren komt, zodat er een risico bestaat dat bij een rechtelijke procedure over een vergunning wordt geoordeeld dat vanuit een goede ruimtelijke ordening onvoldoende gemotiveerd is waarom een bepaalde maximering geldt (SWDV, 21 april 2021, p. 3). Uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State blijkt verder dat de Verblijfsrichtlijn niet toe staat dat de eerste drie maanden van het verblijf van unieburgers in een andere lidstaat afhankelijk wordt gesteld van een registratievoorwaarde. Enkel voor verblijf van langer dan drie maanden mogen unieburgers worden verplicht zich bij de bevoegde autoriteiten in te schrijven (SWDV, 21 april 2021, p. 6). Een verplichting voor werkgevers om arbeidsmigranten tijdig in te laten schrijven in de RNI verhoudt zich daartoe minder goed.
SWDV stelt dan ook voor om die registratie enkel te vermelden, maar niet als verplichting op te nemen voor het verkrijgen van een vergunning om huisvestingsplaatsen mogelijk te maken. Daarnaast geldt dat op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht een verblijfsregister moet worden bijgehouden bij een nachtverblijf dat wordt aangeboden aan arbeidsmigranten. Tevens constateert SWDV dat een RNI-registratie nodig is om een BSN nummer te verkrijgen, wat een werkgever ook nodig heeft voor de loonadministratie en de loonheffingen. Ook voor personen die minder dan drie maanden komen werken zal RNI-registratie dan ook in de praktijk plaatsvinden. “Anders werken die personen illegaal”, zo stelt SWDV in dit verband (SWDV, 21 april 2021, p. 7). SWDV wijst erop, dat gezien de jurisprudentie er een risico bestaat dat met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing van de spreidingsregels voor de kernen en ook voor de andere beperkingen/maximering, onvoldoende duidelijk is waarom er bij die kern maximaal 2 huisvestingslocaties kunnen zijn die ieder maximaal 300 arbeidsmigranten kunnen huisvesten. In navolging van het advies van Stibbe bestaat dan het gevaar dat het beleid onverbindend kan worden verklaard (SWDV, 21 april 2021, p. 9). SWDV adviseert om de term buitenlandse werknemer te vervangen door de term arbeidsmigrant (SWDV, 21 april 2021, p.
10), daarbij aansluitend op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. 31
Tevens wordt geadviseerd om de achtergrond en het doel van het beleid beter naar voren te laten komen. Het onderscheid tussen arbeidsmigranten en één huishouden brengt een andere impact met zich mee op de woon- en leefomgeving, zoals uit de jurisprudentie blijkt. Tevens kan bezien worden in hoeverre de huisvesting van arbeidsmigranten te verenigen is met de omliggende bestemmingen. SWDV meent dat ruimtelijke aspecten, zoals inpassing in de omgeving, het maatschappelijk draagvlak van een locatie, de handhaafbaarheid, de invloed op de woningmarkt, maar ook de parkeervoorzieningen, overlast, bereikbaarheid, verandering van de wijk en sociale cohesie, ook benoemd kunnen worden in het beleid om daarmee te onderbouwen dat op grond van ruimtelijke overwegingen beoordeeld wordt hoeveel huisvestingsplaatsen worden toegestaan en dat daarbij een maximum geldt (SWDV, 21 april 2021, p. 13 en 15). Op basis van een dergelijke ruimtelijk afweging kan dan besloten worden of vergunning verleend kan worden voor een bepaald aantal huisvestingsplaatsen. De invloed van de huisvesting op de woningmarkt kan als argument dienen om huisvesting in woongebieden minder wenselijk te achten (SWDV, 21 april 2021, p. 16).
Voor wat betreft bedrijfsterreinen dienen de milieugevolgen in aanmerking te worden genomen en er dient op gelet te worden dat bij de oprichting van een huisvestingscomplex een nieuw gevoelig object kan ontstaan dat de uitbreiding of verandering van aanwezige bedrijven kan verhinderen (SWDV, 21 april 2021, p. 20). SWDV stelt dat het er uiteindelijke om gaat in hoeverre de specifieke functie van huisvesting passend is in de kernen. SWDV meent dat ruimtelijk relevant onderbouwd kan worden dat een maximum aantal huisvestingslocaties per kern wordt gesteld waarbij een maximaal aantal huisvestingsplaatsen van 300 geldt. Het zou het mooist zijn als dit aantal zelf ook te onderbouwen is (doordat het bijvoorbeeld verband houdt met de bebouwing ter plekke, het aantal inwoners, etc.) (SWDV, 21 april 2021, p. 20). Op basis van deze adviezen en het advies van de Raad van State wordt het ontwerpbeleid op enkele onderdelen aangepast. Het gaat dan om het nader duiden van de relatie met de Unierechtelijke regels en een uitgebreidere onderbouwing van de ruimtelijke aspecten die een rol spelen bij de inpassing van huisvesting van buitenlandse werknemers. Aangezien de Verblijfsrichtlijn de mogelijkheid beperkt om gedurende de eerste drie maanden de registratie van werknemers die uit andere lidstaten afkomstig zijn, verplicht te stellen, wordt de verplichte registratie in de RNI geschrapt.
Overigens is deze registratie wel nodig om een burgerservicenummer te kunnen krijgen, wat een werkgever nodig heeft voor de loonadministratie. Registratie in de RNI zal dus ook plaatsvinden voor personen die minder dan drie maanden komen werken, anders werken die personen illegaal (Nota Zienswijzen, 8 juli 2021, p. 4). Met betrekking tot de rapporten van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten wordt geconstateerd dat veel zaken vooruitgeschoven worden naar het volgende kabinet. Gezien de urgentie en het huidige tekort aan goede huisvestingsplekken is het echter onverantwoord om het beleidsvormingsproces nu stil te leggen. “Wij volgen de ontwikkelingen in Den Haag op de voet. We bouwen een evaluatiemoment in als het nieuwe beleid twee jaar in werking is” (Nota Zienswijzen, 8 juli 2021, p. 5). Het college stemt vervolgens op 11 mei 2021 in met het nieuwe beleid Huisvesting buitenlandse werknemers en besluit dit beleid ter vaststelling voor te leggen aan de raad (Collegevoorstel Vaststellen beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers, Raadvoorstel, 8 juli 2021). Het doel van dit beleid is het faciliteren van een goede huisvesting voor buitenlandse werknemers. Gesteld wordt in het collegevoorstel, dat dit beleid duidelijke regels bevat en is opgesteld op basis van de kaders waarover de raad zich heeft uitgesproken.
Aan de totstandkoming van dit beleid gaat een interactief proces vooraf, 32
waarbij input wordt geleverd door buitenlandse werknemers, huisvesters en werkgevers, kernraden en de eigen organisatie. Het nieuwe beleid vervangt de vier kaders die op dat moment gelden (Collegevoorstel Vaststellen beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers). 8 juli 2021 bespreekt de raad de beleidsregels. Daarbij wordt één amendement aangenomen dat betrekking heeft op het percentage huisvestingsplekken. Aangezien de stemmen bij een tweetal andere amendementen staken, wordt de besluitvorming verdaagd naar een volgende vergadering (Besluitenlijst raad van 8 juli 2021). Op 9 september 2021 vindt deze raadsvergadering plaats. Daarbij wordt één van de twee eerder onbesliste amendementen aangenomen, zodat de raad het volgende besluit: “Het beleid ‘Huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik’ vast te stellen met dien verstande dat: - Het in de voorwaarden genoemde percentage van huisvestingsplekken dat ingericht moet worden als eenpersoons slaapkamer wordt verlaagd van 50% naar 40%. De toelichting op het beleid hier op aanpassen.
- De tekst onder de kop ‘Afwijkingsmogelijkheden’ wordt geschrapt en vervangen door: ‘Aanvragen om omgevingsvergunning die afwijken van de beleidsregels en niet in eerste instantie worden afgewezen, kunnen door het college ter advisering voorgelegd worden aan de raad.’ - Zo nodig de bij het beleid behorende toelichting hier op aan te passen” (Besluitenlijst raad van 9 september 2021). De beleidsregels worden als volgt vormgegeven:
33
34
Voor alle vormen van huisvesting gelden de volgende voorwaarden. De huisvesting moet minimaal voldoen aan de SNF-norm. 40% van de huisvestingsplekken moet worden ingericht als eenpersoons slaapkamers bij short- en mid-stay. De initiatiefnemer draagt zorg voor een goed beheer en toezicht. Hiertoe stelt de initiatiefnemer een door de gemeente goed te keuren beheerplan op. In aanvulling op de minimale eisen die vanuit de SNF-normen worden gesteld, dient in het beheerplan tevens te worden aangetoond dat een aanspreekpunt 24/7 bereikbaar is voor vragen of meldingen uit de omgeving. De beheerder is contact persoon voor bewoners, gemeente en verhuurder. Bij agrarische bedrijven, bedrijventerreinen, grootschalige en niet-grootschalige locaties dient een beheerder aanwezig te zijn op het moment dat buitenlandse werknemers ter plaatse verblijven. In geval van nieuwbouw moet voldaan worden aan een goede landschappelijke inpassing, hetgeen door de gemeente getoetst kan worden. Er moet sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid conform vastgesteld gemeentelijk beleid. De initiatiefnemer en de gemeente sluiten een planschadeverhaalsovereenkomst en/of een anterieure overeenkomst als een exploitatieplan voor het verhalen van de gemaakte kosten noodzakelijk wordt gevonden. Tevens kan de gemeente een Bibob toets uitvoeren. Bij short-stay is een verblijfsregister verplicht.
Bij mid-stay is inschrijven in BRP verplicht. Het initiatief is milieutechnisch inpasbaar. Huisvesting in kampeermiddelen is niet toegestaan (Beleidsregels Huisvesting buitenlandse werknemers, p.5). Bij short-stay wordt voor een periode van maximaal 4 maanden huisvesting aangeboden, bij mid-stay wordt voor ten minste 4 maanden tot maximaal 36 maanden huisvesting aangeboden (Beleidsregels, p. 6 en 7). Het beleid heeft geen betrekking op long-stay (langer dan 3 jaar). Long-stay valt onder het normale woningmarktbeleid van de gemeente (Beleidsregels, p. 10). De gemeente streeft naar beëindiging van short- en mid-stay huisvesting in woningen in woongebieden (Beleidsregels, p. 5). Huisvesting van buitenlandse werknemers heeft immers een andere impact op de woon- en leefomgeving dan gebruik door een gezamenlijk huishouden en is daarmee dus niet gelijk te stellen. Short-stay huisvesting in woningen in woongebieden is niet toegestaan, met uitzondering van huisvesting van maximaal 8 buitenlandse werknemers per woning in plattelandswoningen. De gemeente telt 22 woningen die van een aanduiding plattelandswoning zijn voorzien. Daarvan ligt 1 woning binnen woongebieden. De overige plattelandswoningen liggen buiten woongebieden.
Mid-stay huisvesting voor maximaal 8 buitenlandse werknemers per woning is alleen toegestaan in plattelandswoningen en in woningen die niet in woongebieden liggen (Beleidsregels, p. 11). De huisvesting van buitenlandse werknemers voor agrarische bedrijven vindt plaats in een bestaande tweede bedrijfswoning of in een ander hiervoor bedoeld gebouw binnen het bouwvlak. Per agrarisch bedrijf is short- en mid-stay huisvesting van maximaal 60 buitenlandse werknemers toegestaan, waarvan maximaal 8 werknemers in een bestaande tweede bedrijfswoning gehuisvest mogen zijn (Beleidsregels, p. 12). Naast het huisvesten 35
van de buitenlandse werknemers die voor het betreffende agrarisch bedrijf werken, mag de huisvesting maximaal 4 aaneengesloten maanden per jaar worden gebruikt voor buitenlandse werknemers van andere bedrijven. De reden hiervoor is om piekbelasting bij andere bedrijven op te kunnen vangen in bestaande huisvestingsvoorzieningen bij agrarische bedrijven. Ook is huisvesting van buitenlandse werknemers op een bedrijventerrein mogelijk. Per huisvestingslocatie is short-stay huisvesting van maximaal 50 buitenlandse werknemers toegestaan. De huisvesting is uitsluitend bedoeld voor personeel dat werkzaam is bij het bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt, waarbij sprake moet zijn van een nevenactiviteit. Het is niet wenselijk dat panden worden opgekocht om deze vervolgens volledig om te zetten in huisvesting voor buitenlandse werknemers (Beleidsregels, p. 13). Mid-stay huisvesting op bedrijventerreinen is niet toegestaan. De gemeente streeft ernaar maximaal 2 grootschalige huisvestingsvoorzieningen per kern toe te staan, die zowel voor short- als mid-stay huisvesting gebruikt kunnen worden. Onder grootschalige huisvesting wordt het huisvesten van meer dan 60 personen op 1 huisvestingslocatie verstaan, waarbij een maximum geldt van 300 werknemers per grootschalige locatie.
Niet-grootschalige huisvestingsvoorzieningen betreft een restcategorie: deze voorzieningen vallen niet onder woningen, agrarische bedrijven, bedrijventerreinen of grootschalig. Deze niet-grootschalige voorzieningen voor minder dan 60 personen mogen enkel worden ingezet voor mid-stay huisvesting. Nieuwe ontwikkelingen van niet-grootschalige voorzieningen mogen enkel plaatsvinden op locaties waar al een stedelijke functie is toegestaan. Dit kan zowel binnen als buiten woongebieden zijn (Beleidsregels, p. 14). Niet vitale vakantieparken kunnen vallen onder de categorie grootschalige en niet-grootschalige huisvesting. Het eventueel omzetten van een niet vitaal vakantiepark naar grootschalige of nietgrootschalige huisvesting vereist maatwerk, aldus de beleidsregels (Beleidsregels, p. 13). In de vormgeving van het beleid is het advies van de Raad van State, d.d. 18 november 2020, betrokken. Het beleid ziet op het mogelijk maken van meer huisvestingsplaatsen, in afwijking van de vigerende bestemmingsplannen/omgevingsplannen, waarbij geen onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt. De gemeente betrekt het standpunt dat sprake is van een algemeen belang dat een rechtvaardiging geeft om maatregelen te treffen, namelijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening het woon- en leefklimaat te beschermen.
Dit belang van een goede ruimtelijke ordening wordt ook als een dwingende reden van algemeen belang gezien. De huisvesting van buitenlandse werknemers heeft een andere impact op de leefomgeving dan de huisvesting van huishoudens. De maatregelen die zien op het aantal huisvestingsplekken strekken niet verder dan nodig is om dat doel (een goede inpassing in de omgeving) te bereiken. Daarmee wordt volgens de gemeente voldaan aan de eisen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en proportionaliteit (Beleidsregels, p. 10). Het proces van huisvesten wordt in de beleidsregels als volgt beschreven. De initiatiefnemer dient zich eerst aan te melden bij het ondernemersspreekuur voor een eerste gesprek. Daarbij wordt bezien in hoeverre het initiatief kansrijk is. Dit eerste gesprek is gratis, zo vermelden de beleidsregels (Beleidsregels, p. 16). Als de initiatiefnemer na een eerste gesprek weet hoe de huisvesting gerealiseerd kan worden, dan kan een principeverzoek worden ingediend. Hiervoor moet een formulier principeverzoek huisvesting buitenlandse werknemers worden ingevuld. Vervolgens doet de gemeente een principe-uitspraak en op basis hiervan kan een aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. Dit kan echter alleen als de principe-uitspraak positief is. Bij de beoordeling van het initiatief neemt de gemeente verschillende aspecten mee.
Zo wordt gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locatie, milieuaspecten, veiligheidsaspecten en duurzaamheidsaspecten. Werknemers die in een periode van zes maanden langer dan vier maanden in 36
Nederland verblijven, dienen zich in te schrijven in de gemeentelijke Basisregistratie Personen. Als werknemers korter dan vier maanden verblijven, dan wordt geadviseerd dat zij zich registreren als nietingezetene. De toelichting vermeldt in dit verband het volgende: “Komen uw werknemers vanuit het buitenland en verblijven ze korter dan vier maanden in Nederland? Dan vragen wij u om uw werknemers erop te wijzen dat zij zich registreren als niet-ingezetene (RNI). De Verblijfsrichtlijn beperkt de mogelijkheid om, gedurende de eerste drie maanden, de registratie van werknemers die uit andere lidstaten afkomstig zijn, verplicht te stellen. Registratie in de RNI is echter nodig om een Burgerservicenummer te kunnen krijgen, wat een werkgever nodig heeft voor de loonadministratie en de loonheffingen van de belastingdienst” (Beleidsregels, p. 10). De verblijfsbieder dient gegevens van gasten te registreren in een verblijfsregister. Op basis van dit verblijfsregister moet bij de gemeente een aangifte verblijfsbelasting gedaan worden van het aantal werkelijke overnachtingen. De gemeente hanteert de SNF-normen die betrekking hebben op ruimte en privacy, sanitair, veiligheid en hygiëne, voorzieningen, informatievoorziening, brandveiligheid en goed werkgeverschap.
De gemeente heeft de SNF-normen voor huisvesting van buitenlandse werknemers aangescherpt in die zin, dat minimaal 40% van de huisvestingsplekken ingericht moet zijn als eenpersoons slaapkamer. Tevens dient de initiatiefnemer een beheerplan op te stellen. Hierin staat vermeld hoe toezicht wordt gehouden en orde wordt gehandhaafd. Ook met betrekking tot het beheer heeft de gemeente de SNF normen aangescherpt. Zo dient in het beheerplan te worden opgenomen dat een aanspreekpunt 24/7 bereikbaar is. Tevens dient het beheerplan een paragraaf over mobiliteit te bevatten (Beleidsregels, p. 19). De voorgestelde beleidsregels bevatten een tweetal afwijkingsmogelijkheden: 1. “Afwijken van aantallen die genoemd staan in het beleid In het beleid zijn maximale aantallen te huisvesten buitenlandse werknemers opgenomen. Het kan echter voorkomen dat zich initiatieven voordoen die een groter aantal te huisvesten werknemers bevatten. Hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Het college is hierin zeer terughoudend en werkt in beginsel niet mee aan deze initiatieven (nee, tenzij). Uit een goede ruimtelijke onderbouwing moet blijken dat dit passend is binnen de betreffende leefomgeving. Deze afwijkingsbevoegdheid is niet van toepassing op huisvesting in de categorie woningen. 2.
Afwijking op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) In landelijke wetgeving is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen (artikel 4:84 Awb). Dit artikel geldt algemeen en is daarmee ook van toepassing op dit beleid: het college handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het gaat hier in beginsel om gevallen die niet voorzienbaar waren, of voorzienbaar maar nu onevenredige gevolgen met zich brengen die de gemeente ook niet heeft kunnen voorzien” (Beleidsregels, p. 7). Uiteindelijk wordt de eerste afwijkingsmogelijkheid geschrapt en vervangen door de volgende passage: “Aanvragen om omgevingsvergunning die afwijken van de beleidsregels en niet in eerste instantie worden afgewezen, kunnen door het college ter advisering voorgelegd worden aan de raad” (Brochure beleid huisvesting buitenlandse werknemers, p. 14).
37
In een reactie op een ingediende zienswijze (reclamant 9) wordt gesteld, dat de handhaving geen onderdeel van de beleidsnota is. De gemeente verwerkt de handhaving in een jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma (Nota Zienswijzen, 8 juli 2021, p. 14). Ook later wordt in de nota Zienswijzen gerefereerd naar dit handhavingsuitvoeringsprogramma: “Het handhaven op huisvestingslocaties van buitenlandse werknemers is een prioriteit in het huidige handhavingsuitvoeringsprogramma. Na vaststelling van dit beleid gaan wij aan de slag met het actualiseren en doorontwikkelen van de handhavingsstrategie. Dit doen wij samen met onze toezichtpartners” (Nota Zienswijzen, 8 juli 2021, p. 29).
3.2.3
Beleid vergunningsverlening, toezicht en handhaving vanaf 2022
Op 16 februari 2022 wordt de evaluatie van het uitvoeringsprogramma 2021 Handhaving en Veiligheid ter informatie aangeboden aan de raad. Hierin wordt nog geen specifieke aandacht besteed aan het toezicht op en de handhaving van beleid met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten (Informatienota, 16 februari 2022, Evaluatie uitvoeringsprogramma 2021, februari 2022). 13 december 2021 wordt het beleid met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling en vergunningverlening, toezicht en handhaving (het RO VTH beleid) 2022-2024 en het uitvoeringsprogramma 2022 ter informatie aangeboden aan de raad, nadat het beleid en het uitvoeringsprogramma is vastgesteld door het college. Het oordeel van de provincie is op dat moment dat de gemeente niet voldoet aan de kwaliteitscriteria omgevingsrecht zoals die wettelijk zijn vastgelegd (Informatienota, 13 december 2021). Om wel aan deze criteria te voldoen is het noodzakelijk dat de in het strategisch beleid opgenomen doelen en instrumenten één op één worden vertaald naar de activiteiten in het uitvoeringsprogramma. Voor 2022 en volgende jaren beoogt de gemeente hier een verbeterslag in te maken. Dit impliceert, dat het strategisch RO VTH beleid voor de periode 2022-2024 is geactualiseerd en aangepast.
In het beleid 2022-2024 wordt aangegeven, dat het voor burgers inzichtelijk moet zijn waar eventueel woningbouw mogelijk is en waar huisvesting van arbeidsmigranten kan plaatsvinden. Men beoogt meer verleende vergunningen voor woningbouw en huisvesting van arbeidsmigranten en procentueel meer positieve besluiten op principeverzoeken (Beleid 2022-2024, p. 11). Onaangekondigde controles worden uitgevoerd als het vermoeden bestaat dat illegale huisvesting van arbeidsmigranten plaatsvindt (Beleid 2022-2024, p. 31). Het toezicht op de ruimtelijke ordening vindt in het geval van huisvesting van arbeidsmigranten plaats op basis van specifieke projecten (Beleid 2022-2024, p. 34). Met betrekking tot bedrijfspanden wordt het volgende gesteld: “We constateren dat bij leegstand, verhuur én bij bewoning van panden die niet voor bewoning geschikt zijn, de kans op ondermijnende activiteiten groter is, zoals belastingontduiking, fraude met energiemeters, hennepteelt, productie van synthetische drugs en uitbuiting van (arbeids)migranten. Een regionale aanpak van ondermijning is gewenst in verband met verschuiving van de problematiek naar gemeenten die beperkt toezien op mogelijk illegale situaties” (Beleid 2022-2024, p. 51).
Ook bij vakantieparken en campings constateert men een risico op arbeidsuitbuiting, maar gesteld wordt dat het handhaven van niet-recreatief gebruik op vakantieparken zeer arbeidsintensief is (Beleid 2022-2024, p. 54). Het uitvoeringsprogramma 2022 stelt met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten het volgende: “Op 15 november 2021, met een rectificatie op 17 november 2021, heeft de gemeenteraad beleidsregels voor huisvesting buitenlandse werknemers in de gemeente vastgesteld. In de beleidsregels 38
stelt de gemeente kaders in welke gevallen de gemeente wil meewerken aan huisvesting en welke voorwaarden daaraan zijn gekoppeld. De bedoeling van het beleid is om te zorgen voor meer kwalitatief goede huisvesting” (Uitvoeringsprogramma 2022, p. 6). In het uitvoeringsprogramma 2022 wordt het aantal integrale controles op de huisvesting van buitenlandse werknemers als volgt weergegeven: Werkelijk 2020 Integrale controles huisvesting buitenlandse werknemers
Raming 2021 48
60
Raming 2022 60
(Uitvoeringsprogramma 2022, p. 12)
Op 14 december 2022 wordt een informatienota verzonden aan de raad. In deze informatienota wordt het uitvoeringsprogramma RO VTH 2023 omgevingsrecht toegelicht, dat als bijlage bij de informatienota is opgenomen. In de informatienota wordt daarbij het volgende aangegeven: “Voor een deel is dit uitvoeringsprogramma een kopie van 2022, met één uitzondering: een aantal stappen die we willen zetten in de aanpak van illegale bewoning in woonwijken en op recreatieparken en de toetsing en controle van evenementen. Deze twee thema’s komen uit het beleid waaraan we nu werken, en bestemd voor de komende jaren, maar we willen ze in 2023 al oppakken” (Informatienota, 14 december 2022). Tevens wordt in deze informatienota gesteld dat de gemeente al enkele jaren niet voldoet aan de kwaliteitscriteria die in het Besluit omgevingsrecht op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) zijn opgenomen. Daarom staat de gemeente onder verzwaard toezicht en wordt samen met de provincie bezien hoe de gemeente kan voldoen aan de gestelde criteria. Tot 1 juli 2023 heeft de gemeente de tijd om een en ander te realiseren. In de begroting voor 2023 is een financiële impuls gegeven aan het fysieke domein om extra personeel te werven voor de VTH-taken en het overige beleid te actualiseren (Informatienota, 14 december 2022).
Op grond van artikel 7 .3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is de gemeente verplicht jaarlijks een uitvoeringsprogramma vast te stellen. Hiermee wordt de programmering van beleid ruimtelijke ordening, vergunningverlening, toezicht en handhaving vastgesteld. Dit programma wordt door het college vastgesteld (Uitvoeringsprogramma 2023, p. 4). Ten aanzien van het toezicht en de handhaving met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten wordt het volgende gesteld: “De komst van buitenlandse werknemers, maar ook de toename van asielzoekers met een verblijfsstatus, leidt tot een extra vraag naar huisvesting. Buitenlandse werknemers verblijven over het algemeen relatief kort in kleinere ruimten met beperkte voorzieningen. Woonruimtes voor buitenlandse werknemers zijn onvoldoende beschikbaar, waardoor huisvesting op andere plekken plaatsvindt. De huidige huisvesting van buitenlandse werknemers leidt tot oneigenlijk strijdig gebruik van de objecten met de volgende bijkomende risico’s: slechte brandveiligheid (zeker in combinatie met overbewoning), parkeeroverlast, gezondheidsrisico’s door beperkt ventileren, slechte sanitaire voorzieningen en verslechtering van de waterkwaliteit (door bij gebrek aan riolering lozing op 39
oppervlaktewater). Het illegaal gebruik heeft vooral tot gevolg dat overlast in de buurt ontstaat (onder meer parkeren en vervoerbewegingen), bedrijven worden beperkt in hun groeimogelijkheden (door bewoning van bedrijfswoningen) en branden sneller kunnen ontstaan en uitbreiden en vluchtmogelijkheden worden beperkt (met name bij splitsing en overbewoning)” (Uitvoeringsprogramma, 2023, p. 9). In het uitvoeringsprogramma worden de volgende acties opgenomen:
40
(Uitvoeringsprogramma 2023, p. 9 en 10) Het aantal integrale controles op de huisvesting van arbeidsmigranten wordt als volgt weergegeven:
2021 Integrale controles huisvesting buitenlandse werknemers
2022 55
2023 60
75
(Uitvoeringsprogramma 2023, p. 13)
Op 8 december 2022 publiceert de gemeente de verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting gemeente Medemblik 2023. Het betreft hier een directe belasting die geheven wordt voor het houden van verblijf met overnachting tegen een vergoeding door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven (artikel 1, verordening). De belastingplichtige is degene die de gelegenheid biedt tot verblijf en deze belastingplichtige is bevoegd de belasting te verhalen op degene die verblijf houdt. De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen en dit aantal wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten dat zij verblijf houden (artikel 4, verordening). In beginsel moet aangifte worden gedaan, maar de belasting wordt bij wege van aanslag geheven. De belastingplichtige dient, voordat hij voor de eerste keer gelegenheid tot overnachten verschaft, dat schriftelijk te melden aan de door het college aangewezen ambtenaar. In 2023 wordt volgens de respons gewerkt aan een nieuwe woonvisie die begin 2024 opgeleverd moet worden. Deze visie zal vermoedelijk raakvlakken kennen met de huisvesting van arbeidsmigranten. De inschatting is, dat de gemeente vermoedelijk strenger beleid zal voeren met betrekking tot het huisvesten van arbeidsmigranten in woonwijken.
Daarentegen wordt het beleid voor huisvesting op bedrijventerreinen en agrarische bedrijven vermoedelijk soepeler. Zeker is dit echter niet (Interview, 12 juni 2023).
41
Hoofdstuk 4:
4.1
Hoe verloopt de uitvoering van dat beleid in de praktijk?
Inleiding
In dit hoofdstuk zal de uitvoering van het gemeentelijk beleid in de praktijk in beeld worden gebracht. Dit beeld is gebaseerd op interviews die zijn afgenomen bij ambtenaren en arbeidsmigranten, maar tevens op een documentenanalyse. De documenten betreffen overzichten, rapportages en voorstellen, maar tevens verslagen van gesprekken die eerder in dit verband zijn gevoerd door de gemeente. Daarnaast is een casestudie uitgevoerd, waarbij de afhandeling van een vergunningaanvraag nader is geanalyseerd. Dit beeld bevat geen eigen meningen van de rekenkamercommissie en is ter ambtelijk hoor en wederhoor voorgelegd aan de ambtelijke organisatie. De reacties vanuit de ambtelijke organisatie zijn nadien verwerkt in dit hoofdstuk.
4.2.1
Overzicht verstrekte vergunningen
In de jaren 2021 tot en met 2023 worden de volgende vergunningen verstrekt met betrekking tot het huisvesten van arbeidsmigranten:
(Overzicht verstrekt door ambtelijke organisatie)
42
4.2.2
Gesprekken uit 2020
In 2020 zijn in het kader van de nieuwe ontwerpbeleidsregels door de gemeente op verschillende momenten enkele gesprekken gevoerd met arbeidsmigranten, huisvesters, werkgevers en LTO. Tijdens deze gesprekken wordt duidelijk, dat de arbeidsmigranten meer gerespecteerd willen worden. Daarnaast wordt aangegeven dat zij willen integreren, de Nederlandse taal willen leren en zoveel mogelijk tussen de Nederlanders willen wonen (Gespreksverslag, 1 september 2020). Op dit moment vindt echter weinig integratie plaats. Tijdens een gesprek beheerst geen van de aanwezige respondenten de Nederlandse taal actief (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). De arbeidsmigranten willen niet in grote enclaves en of achteraf wonen (Gespreksverslag, 1 september 2020 en 18 februari 2020). Men is ronduit negatief over hele grote locaties. Het merendeel van de arbeidsmigranten vindt 20 of 30 plaatsen bij agrarische bedrijven het maximum (Gespreksverslag, 1 september 2020), hoewel men voor andere bedrijven ook wel 30 tot 60 plaatsen noemt (Gespreksverslag, 18 februari 2020) of 35 maximaal (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). Daarboven wordt het teveel en onpersoonlijk en bestaat ook de kans dat het aantal buitenlandse werknemers voor een dorp te groot wordt.
Daarnaast zijn deze locaties te groot voor controle en komen er teveel groepen op één locatie met een verschillende nationaliteit en mentaliteit die niet goed met elkaar kunnen samenleven. Tevens wordt opgemerkt dat grote locaties voor Nederlanders niet toegankelijk zijn en dat men liever meer zou integreren in de Nederlandse samenleving. De indruk bestaat verder dat huisvesting een business model aan het worden is. Tevens willen de arbeidsmigranten beter geïnformeerd worden over hun rechten en plichten. Zo is het geen van de respondenten bekend dat uitzendbureaus of huisvesters volgens de wet maximaal 25% van het minimum inkomen voor de huisvesting in aftrek van het loon mogen brengen (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). Daarnaast is niet bekend dat men zich moet inschrijven als men langer in Nederland verblijft. Vier van de dertien bij een gesprek aanwezige arbeidsmigranten hebben zich bij de gemeente ingeschreven. De rest geeft aan dat zij niet wisten dat ze zich moesten inschrijven en dat zij van de uitzendbureaus of verhuurders te horen hebben gekregen dat dit niet nodig is (Gespreksverslag, 1 september 2020). In een ander gesprek worden de gemeentelijke heffingen als oorzaak opgevoerd om zich niet in te schrijven. Men is bang dat inschrijven leidt tot problemen op fiscaal terrein.
De respondenten zijn zich niet bewust van eventuele belastingvoordelen (Gespreksverslag, 18 februari 2020). In weer een ander gesprek wordt gesteld dat het uitzendbureau of de verhuurder soms geen toestemming geeft aan de arbeidsmigranten om zich in te schrijven. Tevens komt voor dat huisvesters of uitzendbureaus actief communiceren dat men zich niet moet inschrijven. Daarnaast wordt aangegeven dat niet altijd vooraf bekend is hoelang men zich wil vestigen. In eerste instantie opteert men dan voor short-stay, waarbij inschrijven niet verplicht is. Mocht het verblijf dan langer duren, dan is men bang dat alsnog inschrijven tot problemen leidt. Een online inschrijving zou de inschrijvingen vergemakkelijken. Het voorstel dat registratie in verblijfregisters per locatie wordt bijgehouden, vindt men een goed voorstel (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). In een ander gesprek geeft de gemeente aan dat een nachtregistratie zal worden ingevoerd. Dit zou gelden voor geheel West-Friesland. Dit gebeurt dan online en is gebaseerd op het Westlandmodel. Door de registratie krijgt de gemeente inzicht in aantallen, krijgt de handhaver mogelijkheden om te controleren, komen mogelijke misstanden eerder aan het licht en krijgt de gemeente inkomsten uit verblijfsbelasting omdat deze registratie op iedereen die nog niet in het BRP register staat, van toepassing is. Enkele werkgevers en 43
huisvesters spreken de zorg uit dat deze registratie een grote administratieve taak bij de werkgevers legt (Gespreksverslag, 8 september 2020). In algemene zin wordt gesteld dat de gemeente de arbeidsmigranten beter moet proberen te bereiken (Gespreksverslag, 1 september 2020). Dit zou bijvoorbeeld via facebook of andere social media kunnen. Men komt niet op het gemeentehuis en weet niet waar welke informatie te verkrijgen is. Met zou het op prijs stellen als de gemeente direct aan de arbeidsmigranten onafhankelijke en objectieve informatie geeft zonder tussenkomst van de verhuurder en of de werkgever (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). De arbeidsmigranten geven aan dat zij het merken als er een controle is aangekondigd. Dan wordt alles snel in orde gebracht. Unaniem wordt verteld over ervaringen waarin arbeidsmigranten de avond van tevoren opdracht kregen ervoor te zorgen dat alles netjes is (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). Een onaangekondigde control zou in dit verband veel effectiever zijn. Ook in het dorp zijn overtredingen zichtbaar, maar hier wordt niet op gehandhaafd. Eén respondent stelt dat al tien jaar sprake is van een gebrek aan handhaving. Ook wordt niet toegezien op de gehanteerde huurprijs. Die mag eigenlijk maximaal 25% van het inkomen zijn. Dit geldt ook voor het toezicht op het onderhoud van de woningen en de tuin.
Ook dit toezicht ontbreekt in de ogen van de respondenten. Het belang van handhaving is veel groter dan nu wordt uitgevoerd, zo stellen de respondenten (Gespreksverslag, 1 september 2020). Vanuit de huismeesters wordt wel controle ervaren. Er wordt bijvoorbeeld met regelmaat gecontroleerd of er wel goed schoongemaakt wordt. Het gebeurt regelmatig dat geld ingehouden wordt voor schoonmaak op grond van zulke controles. De respondenten vinden dit vaak onrechtmatig (Gespreksverslag, 18 februari 2020). Ook de werkgevers en huisvesters zelf zouden betere handhaving adviseren: “Er moet meer gehandhaafd worden om de slechte huisvesting aan te pakken, niet de goede. Het beleid moet zo zijn dat het de goede initiatieven faciliteert”, wordt wel opgemerkt in dit verband (Gespreksverslag, 8 september 2020). Daarnaast wordt privacy zeer belangrijk bevonden en wordt unaniem als belangrijkste wens opgevoerd tijdens de gesprekken met arbeidsmigranten. Het beleid waarbij wordt ingezet op 1 persoon per slaapkamer, zowel voor short- als voor mid-stay, tenzij sprake is van een duurzame relatie tussen twee personen, wordt positief ontvangen. De respondenten hebben het liefst een eigen slaapkamer, een eigen badkamer en een eigen keuken, zo wordt in ieder gesprek aangegeven.
Als er een kamer gedeeld moet worden, wordt dat het liefst gedaan met een persoon die ze vooraf al kennen (Gespreksverslag, 18 februari 2020). Het delen van een kamer met een onbekende wordt niet als wenselijk ervaren. Wel wordt daarbij aangegeven dat ‘hokken’ om kosten te besparen mogelijk moet blijven (Gespreksverslag, 1 september 2020). Aanvullend zou men willen dat de deur op slot mag en derden niet zonder toestemming in de slaapkamer kunnen komen. Het komt nu voor dat huisvesters, werkgevers en andere bewoners zonder goedkeuring van de arbeidsmigranten de verblijven inlopen. Er wordt veel gestolen en dit element van inbreuk op de privacy wordt als uiterst onprettig ervaren (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). In de praktijk wordt echter veelal een kamer gedeeld met een persoon die doorgaans niet bekend is, soms zelfs met twee andere personen (Gespreksverslag, 18 februari 2020 en 31 augustus 2020). Men vindt de huisvesting in de eerste jaren ondermaats. In een enkel geval moet een kamer gedeeld worden met twee andere personen, terwijl zo’n kamer geen raam heeft dat open kan (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). Ook komt het voor dat er niet altijd toegang is tot warm water of dat sanitaire voorzieningen enkel beschikbaar zijn in een bedrijfshal.
Na verloop van tijd, als de arbeidsmigranten langer en of vaker terugkomen, slagen ze er voor zichzelf in een betere woonplek te vinden. Dit is echter niet makkelijk 44
(Gespreksverslag, 31 augustus 2020). Het gesprek met de werkgevers levert het inzicht op, dat huisvesting waar de werkgever geen zicht heeft op de huisvesting, tot problemen leidt. “Werkgevers zorgen voor goede huisvesting, maar huisjesmelkers zorgen voor de grootste problemen”, wordt wel gesteld in dit verband (Gespreksverslag, 8 september 2020). Het gesprek met de werkgevers en huisvesters levert ook andere inzichten op. Eén persoon per slaapkamer is een zaak van de bedrijven zelf en dat hoeft de gemeente niet in beleid te regelen. Het is immers in het belang van werkgevers zelf om te handelen naar de wensen van werknemers. Doet een werkgever dit niet, dan vertrekken arbeidsmigranten en kampt het bedrijf met een tekort aan arbeidskrachten. Bovendien heeft dergelijk beleid tot gevolg dat er nog drie keer zoveel huisvesting nodig is. Daarnaast komt het voor dat vrienden of partners geen bezwaar hebben om een slaapkamer te delen. De grootste problemen doen zich niet voor bij bedrijfshuisvesting, maar eerder bij grootschalige huisvesting, aldus de respondenten in dit verband (Gespreksverslag, 8 september 2020).
Hoewel het merendeel van de respondenten de stelling onderschrijft dat het een goede zaak is om arbeidsmigranten een eigen slaapkamer te bieden, is het merendeel ook van mening dat de gemeente niet mag verplichten dat er maar 1 persoon per slaapkamer slaapt (Gespreksverslag, 8 september 2020). Het onderscheid tussen short-stay en mid-stay klinkt op papier logisch, maar is dat in de praktijk niet altijd. Vaak weten arbeidsmigranten namelijk niet hoelang zij zullen verblijven dan blijkt pas na enkele maanden dat ze niet short-stay verblijven. Soms is een huismeester aanwezig, soms niet. Over het algemeen wordt de aanwezigheid van een huismeester als positief ervaren. De huismeester maakt nieuwe mensen wegwijs, zorgt ervoor dat gezamenlijke ruimtes schoongehouden worden en dat overlast wordt geminimaliseerd (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). De huurprijs bedraagt ongeveer € 95 per week per persoon (Gespreksverslag, 18 februari 2020). Het komt voor dat arbeidsmigranten zonder overleg van de ene locatie naar de andere worden verhuisd (gekoppeld aan het feit dat ze bij een andere werkgever gingen werken). Het heersende gevoel is, dat er over de arbeidsmigranten wordt beschikt. Ze hebben er niets over te zeggen waar ze komen te wonen.
Zonder overleg en zonder voorinformatie krijgen ze de avond van tevoren te horen dat ze de volgende dag worden verhuisd naar een andere locatie, bijvoorbeeld om reden van transportkosten. Het gevoel dat hen niets gevraagd wordt en dat anderen beslissen hoe en waar zij wonen, wordt als uiterst onprettig ervaren (Gespreksverslag, 31 augustus 2020). De respondenten willen het liefst dichtbij het werk en dichtbij voorzieningen wonen. Als er geen vervoer is, dan is 2 km. naar de supermarkt acceptabel. De kwaliteit van de huisvesting bepaalt mede, hoe ver men bereid is te reizen naar het werk en naar de voorzieningen. Aangegeven wordt, dat lang niet iedere arbeidsmigrant beschikt over eigen vervoer (Gespreksverslag, 31 augustus 2020).
45
4.2.3
Bevindingen vanuit handhaving en toezicht 2023
Tijdens het onderzoek zijn gesprekken gevoerd met ambtenaren en zijn geleverde dossiers nader geanalyseerd. Dit levert met betrekking tot het gebied van handhaving en toezicht het volgende beeld op. Op het gebied van toezicht en handhaving kampt de gemeente in 2023 met de nodige vacatures:
(Uitvoeringsprogramma 2023, p. 14)
Op basis van de afgenomen interviews, kunnen de volgende bevindingen worden gedaan. De gemeente Medemblik heeft de ambtelijke organisatie in 2023 gereorganiseerd, met als gevolg dat vergunningen en handhaving nu binnen één team zijn ondergebracht. Een respondent vult hierop aan, dat eind 2023 het toezicht op de huisvesting van arbeidsmigranten vermoedelijk wordt ondergebracht bij openbare orde en veiligheid. Dit lijkt volgens de respondent inhoudelijk logischer, gelet op de raakvlakken met ondermijning. Daarnaast kan dan beter worden samengewerkt met de BOA’s die ook al zijn ondergebracht bij openbare orde en veiligheid. Vanaf september 2023 zijn de vacatures op het gebied van toezicht en handhaving ingevuld, hoewel men zich wel realiseert dat nieuw personeel eerst ingewerkt moet worden (Interview, 21 juni 2023). Een andere respondent stelt evenwel, dat de capaciteit voor handhaving en toezicht op dit onderwerp zeer beperkt is. Feitelijk wordt slechts door één fte. toezicht uitgeoefend op dit onderwerp. Daarnaast dient men rekening te houden met het gegeven, dat één toezichthouder werk oplevert voor twee juristen, aldus de respons (Interview, 21 juni 2023). In de tijd van dit onderzoek (zomer 2023) zijn ongeveer 600 adressen bekend bij de gemeente waar vermoedelijk illegaal gewoond wordt.
De inschatting hiervan is gebaseerd op de lijst van meldingen van omwonenden in combinatie met een lijst van “verdachte gevallen” die de gemeente al eerder had opgesteld. Dit levert een lijst op van 588 adressen, maar het is mogelijk dat er een zekere overlap bestaat tussen beide lijsten en in dat geval zal het aantal adressen waar vermoedelijk onvergund wordt gehuisvest uitkomen op ongeveer 500 adressen. Dit zijn de adressen die bekend zijn bij de gemeente. Men vermoedt echter dat het eigenlijke aantal onvergunde adressen waar gehuisvest wordt hoger ligt, aldus de respons (Interview, 21 juni 2023).
46
Nu vindt controle veelal plaats op basis van ingeplande controle of meldingen die inwoners via Fixi (het meldingssysteem van de gemeente) kunnen doen. Tijdens de controles stuit men vrij vaak op kleine ruimtes waar meerdere personen worden gehuisvest. Doorgaans gaat het om huizen waar 6 tot 8 bewoners leven en waarbij slaapkamers gedeeld moeten worden. De indruk bestaat dat deze arbeidsmigranten gehuisvest worden door uitzendbureaus die veelal in het land van herkomst zijn gevestigd. Daarnaast is de brandveiligheid vaak onvoldoende geborgd en vindt huisvesting plaats in panden die daar niet voor geschikt zijn. Een andere respondent vult hierop aan, dat voor “gewone” huisvesting men al snel voldoet aan de voorwaarden voor brandveiligheid. Vaak is een rookmelder al voldoende en deze wordt over het algemeen wel geplaatst. Aangezien er veel personen in een relatief kleine woning worden gehuisvest, wordt nogal veel gebruik gemaakt van stekkerdozen, hetgeen een brandgevaar kan opleveren. Ook is een woning aangetroffen waarbij de bedrading open lag en ook dit is uiteraard niet zonder risico. Ook wordt soms een hoge huur voor de huisvesting gevraagd. Er is een geval bekend, waarbij drie arbeidsmigranten in een zeer kleine ruimte werden gehuisvest, terwijl men voor die ruimte € 2.600 per maand moest betalen.
Hier wordt in het ambtelijk wederhoor het volgende op aangevuld: “Ik vind 2600 huur per maand ook erg veel, maar ik weet niet waarop gebaseerd dat dit ‘te hoog’ is, oftewel: met welke regel is dit in strijd. Er is wel een puntensysteem voor wonen (niet voor verblijf) maar ook daarbinnen staat het iedereen vrij om de huur te vragen die je wilt (pas als de huurder naar de huurcommissie stapt wordt die huur mogelijk verlaagd, maar is het nog steeds geen ‘overtreding’” (Ambtelijk wederhoor, 31 augustus 2023). In sommige gevallen wordt vanuit toezicht en handhaving contact op genomen met het team dat zich richt op openbare orde en veiligheid. Dit is met name aan de orde als men criminele activiteiten vermoedt. Het toezicht en de handhaving bestaat doorgaans uit een bezoek ter plekke. Er wordt dan gesproken met de huisvesters, maar zeker ook met de arbeidsmigranten. Bezien wordt dan of de huur niet te hoog is en of het loon niet te laag is. Naast arbeidsmigranten uit Polen komen de arbeidsmigranten in toenemende mate uit Bulgarije en Wit-Rusland. Indien men huisvesting zonder vergunning aantreft, kan de gemeente een last onder dwangsom of bestuursdwang opleggen. Indien geen acuut gevaar bestaat, wordt in sommige gevallen gepoogd om alsnog een vergunning te verstrekken. Dit is echter niet altijd mogelijk.
Op sommige locaties staat het beleid of andere bepalingen huisvesting van arbeidsmigranten immers niet toe. Een andere respondent vult hierop aan. In de meeste gevallen bestaat niet echt een acuut gevaar en legt men een last onder dwangsom op. De huisvester heeft dan 8 weken de tijd om te voldoen aan de gestelde eisen (vaak ontruiming). In alle gevallen vindt dan na deze periode hercontrole plaats. Mocht de situatie niet verbeterd zijn, dan is de dwangsom verbeurd. Bij acuut gevaar kan direct bestuursdwang worden toegepast, maar dit gebeurt zelden. Onvergunde huisvesting vindt overal plaats (in het buitengebied, de lintbebouwing en de kernen), maar logischerwijs komen vanuit de kernen de meeste meldingen binnen. De huisvesting in het buitengebied gaat over het algemeen beter, aangezien werkgevers aldaar eigen huisvesting realiseren en hier ook een vergunning voor aanvragen. Ook de vergunde huisvesting wordt gecontroleerd, soms in samenwerking met de brandweer. De brandweer controleert vergunde huisvesting standaard eens per jaar, aldus een andere respondent. Op 47
deze locaties wordt doorgaans veel beter voldaan aan de wettelijke voorschriften en aan de overige voorwaarden die verbonden zijn aan de vergunning. Dit geldt met name op het gebied van brandveiligheid. Wel komt het voor, dat in buitengebieden andere arbeidsmigranten aldaar wonen, terwijl zij niet op dat adres staan geregistreerd. Ook bij vergunde huisvesting heeft het merendeel geen nachtregister. Daarnaast is ook lang niet altijd een beheerder aanwezig, aldus de respons in dit verband. De ambtenaren die belast zijn met het verstrekken van vergunningen en met het toezicht en de handhaving, kunnen over het algemeen goed uit de voeten met de beleidsregels. Op sommige punten zijn de regels echter wat minder logisch. Zo komt het voor, dat een agrarisch bedrijf een naastgelegen of een verder gelegen agrarisch bedrijf opkoopt. De Agrarische Beoordelings Commissie (Abc) en de gemeente merken de twee bedrijven dan aan als één bedrijf, met als gevolg dat het maximum aantal arbeidsmigranten 60 bedraagt, ook in de gefuseerde situatie. Desgevraagd wordt in dit verband het volgende toegelicht: “En het klopt inderdaad dat de wanneer een agrariër een ander agrarisch perceel koopt, zijn bedrijf wordt gezien als één bedrijf dat is gevestigd op meerdere percelen. Het maximum blijft dan ook 60.
Het kan natuurlijk wel zo zijn dat de agrariër door de koop van het tweede perceel, meer huisvestingsplekken kan realiseren. Bijvoorbeeld: in de oorspronkelijke situatie oordeelt de Abc dat er een behoefte is aan 30 huisvestingsplekken. Het bedrijf koopt een tweede agrarisch perceel, het bedrijf wordt daardoor groter, meer behoefte aan (buitenlandse) arbeidskrachten, waardoor de Abc oordeelt dat er na koop een behoefte is aan in totaal 45 huisvestingsplekken. Dan mag de agrariër na koop van het tweede perceel maximaal 45 huisvestingsplekken realiseren” (Ambtelijke reactie, 22 juni 2023). Doorvragen leert, dat bij het opkopen van een ander bedrijf, de bedrijfswoning van het opgekochte bedrijf in het bestemmingsplan de status houdt van eerste bedrijfswoning. Er wordt echter gekeken naar het bedrijf. “Het bedrijf kan meerdere agrarische percelen in eigendom hebben met bedrijfswoningen, maar dit blijft 1 bedrijf. Dus wat de behoefte aan huisvestingsplekken ook is, het maximaal te realiseren plekken is 60 per bedrijf”. De redenatie is dus, dat een bedrijf volgens het bestemmingsplan meerdere eerste bedrijfswoningen kan hebben, maar het maximum aantal arbeidsmigranten dat gehuisvest mag worden blijft 60. LTO heeft hierover vragen gesteld.