01 DOC-24-795046 - Bestemmingsplan Zuiderweg 12A
Tekst van het document
En ook in een recente uitspraak van maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd (ECLI:NL:RBMNE:2023:1048). Toetsing De woning in het plangebied (inclusief de bijbehorende tuin) geldt als een gevoelige functie in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het plangebied bevindt zich in een bebouwingslint langs de Zuiderweg. Aan de westzijde van het bebouwingslint bevindt zich een agrarisch perceel waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Het plangebied ligt op een afstand van 15 meter van dit een agrarisch perceel en de woning in het plangebied op een afstand van 30 meter. Dit betekent dat niet kan worden voldaan aan de afstand van 50 meter. Het agrarisch perceel is overwegend in gebruik als grasland. Bij dit
31/119
gebruik worden geen of nauwelijks gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Alleen in 2018 en 2023 is het perceel gebruikt voor de kweek van tulpen. Bij de teelt van gewassen op het agrarisch perceel moet vanwege de watergang rekening worden gehouden met een teeltvrije zone waar geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Deze zone is gewasafhankelijk. Hierdoor wordt de afstand tussen de woning en de spuitzone groter dan de gemeten afstand tussen de woning en het agrarisch perceel. Om een goed woon- en leefklimaat te bewerkstelligen kunnen bomen een driftreducerende werking hebben. Het plangebied is dicht bebost, waardoor de bomen een goede en dichte bescherming bieden tegen drift als gevolg van eventuele toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het westelijk gelegen agrarisch perceel. Het grootste gedeelte van de bomen is echter bladverliezend, waardoor de driftwerende werking wordt gereduceerd tijdens de herfst- en winterperiode. In deze periode worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast, waardoor het geen problemen geeft dat de driftreducerende werking van de bomen minder is. Het plangebied kent in de huidige situatie reeds een gevoelige functie ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Zo bezien verandert de milieutechnische relatie ten opzichte van de agrarische gronden niet.
Dit wordt ook ondersteund door een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2023:3128) waarin gesteld wordt dat wanneer een agrariër al belemmerd wordt door een bestaande situatie en door aangrenzende gevoelige functies, er geen sprake is van extra belemmeringen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende agrarische gronden. Op gelijke afstand van de agrarische gronden zijn voorts reeds andere woonpercelen gelegen, de gemeente heeft deze situatie met het vaststellen van het vigerend bestemmingsplan aanvaardbaar geacht vanuit het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er met de komst van de woonfunctie geen extra belemmering voor het agrarisch gebruik wordt opgeworpen.
32/119
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Toelichting op het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Het plangebied is in onderhavig bestemmingsplan opgedeeld in één enkelbestemming en twee dubbelbestemmingen. In deze paragraaf is per bestemming toelichting gegeven. Met de gekozen wijze van bestemmen is aangesloten bij de gemeentelijke standaard. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. Een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd, zoals weergegeven op de verbeelding. De dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen. Afwijken van de bouw- en gebruiksregels is onder voorwaarden mogelijk. Waarde - Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.
Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,35 m onder het maaiveld plaatsvinden, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord. Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
33/119
bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 950 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord.
34/119
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bestemmingsplan eerst voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. De overlegreacties zijn opgenomen in Bijlage 3 en Bijlage 4. Vervolgens wordt het plan voor zes weken voor een ieder ten inzage gelegd. Archeologie Naar aanleiding van het advies van Arnpcheologie West-Friesland is paragraaf 4.1 aangepast. De oorspronkelijke figuur 4.1 is vervangen door een andere afbeelding van de beleidskaart van Archeologie West-Friesland. Aan de toetsing is toegevoegd dat het westelijk deel van het plangebied in een zone ligt met een hoge waarde voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden, in tegenstelling tot de vrijstellingsgrens van 1.000 m2 in het overige gedeelte van het plangebied. Externe veiligheid Naar aanleiding van de vooroverlegreacties van Gasunie en de Omgevingsdienst is paragraaf 4.7 aangepast. Aanvankelijk werd gedacht dat voor de aardgastransportleiding een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk was. Dit was niet correct. Naar aanleiding hiervan is een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Bodem De Omgevingsdienst heeft ten aanzien van het aspect bodem geadviseerd een bodemonderzoek conform de
35/119
NEN 5740 uit te laten voeren. Dit advies is niet overgenomen. Zoals de Omgevingsdienst in zijn advies op pagina 2 aangeeft, is een onderzoeksplicht ten aanzien van functiewijzigingen alleen redelijk als de locatie een gevoeligere functie krijgt. Daarvan is geen sprake, nu zowel een recreatiewoning als een reguliere woning onder de bodemfunctie 'wonen met tuin' vallen en beide gevoelige functies betreffen. Zodoende verandert er juridisch-planologisch niets. De Omgevingsdienst geeft tevens aan dat dwars over het perceel een sloot heeft gelegen die in 1979 is gedempt. Om die reden moet volgens de Omgevingsdienst worden aangetoond dat deze demping geen bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Dit advies wordt niet overgenomen, nu het college van burgemeester en wethouders de bodem van het plangebied destijds geschikt hebben geacht voor de bouw van de recreatiewoning. Nu de planontwikkeling slechts op een functiewijzing ziet en de bodemfunctie van het plangebied niet verandert, is de bodem ook geschikt voor het toekomstig gebruik. Tevens spreekt de Omgevingsdienst in haar wettelijk kader over bouwen: ''De Woningwet d.d. 13 juni 2018 (artikel 8, tweede lid) verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond.
Of sprake is van verontreinigde grond kan met een bodemonderzoek worden aangetoond.'' Bij de toekomstige ontwikkeling is geen sprake van bouwen, maar van een functiewijziging. Aan het uiterlijk van de woning verandert niets. Bodemonderzoek wordt ook daarom niet noodzakelijk geacht. Geluid Naar aanleiding van de overlegreactie van de Omgevingsdienst is paragraaf 4.6 aangepast. Hierbij werd aangegeven dat de woning in de 56-60 dB-contour van de Zuiderweg ligt. Op basis van deze gegevens is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit de wegverkeerslawaaiberekening blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Zuiderweg ten hoogste Lden = 50 dB bedraagt op de voorgevel (inclusief 5 dB aftrek art. 110g Wgh). Dit is (gering) hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB, maar niet hoger dan de grenswaarde van Lden = 63 dB. Binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder kan het plan worden uitgevoerd. Wel dient er een hogere waarde te worden vastgesteld. Spuitzonering Naar aanleiding van de overlegreactie van de Omgevingsdienst is paragraaf 4.11 toegevoegd. Hierin is aangetoond dat ondanks dat het plangebied op minder dan 50 meter van een agrarisch gebied is gelegen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ontwerpfase en zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd.
Gedurende deze zes weken wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Voorafgaand aan en gedurende de periode van ter visieligging van het ontwerpbestemmingsplan wordt door de wettelijke overlegpartners gereageerd. Alle reacties worden uiteengezet in een reactienota en toegevoegd aan het definitieve bestemmingsplan. Hierin wordt ook aangegeven of, en zo ja, op welke wijze, het bestemmingsplan is aangepast. Vaststelling Het plan wordt gewijzigd vastgesteld. Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter
36/119
inzage gelegd. Tijdens deze periode is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
37/119
38/119
Bijlagen toelichting
39/119
40/119
Bijlage 1
41/119
Advies Archeologie West-Friesland
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Document
Archeologisch Advies
Plangebied
Zuiderweg 12a, Opperdoes, gemeente Medemblik
Adviesnummer
23138
Opsteller(s)
C.M. Soonius (senior archeoloog) & A.S. de Groot (archeoloog)
Datum
16-08-2023
Advies
Vervolgtraject
-
Geen bezwaar. De eventueel aanwezige archeologische waarden worden niet aangetast.
-
Figuur 4.1 vervangen door afbeelding 2 uit dit document
-
Overnemen vrijstellingsgrenzen beleidskaart archeologie of handhaven dubbelbestemming. Indien gewenst kan de beleidskaart archeologie digitaal worden aangeleverd. De juiste regels staan onderaan dit document verwoord.
Geen.
Archeologisch Advies 1. Inleiding Op verzoek van de gemeente Medemblik (contactpersoon: Arthur Diepersloot) is gekeken naar het aspect archeologie met betrekking tot conceptbestemmingsplan Zuiderweg 12a in Opperdoes, gemeente Medemblik.1 Het bestemmingsplan betreft een juridisch-planologische regeling voor transformatie van de bestemming recreatie naar wonen. Het plangebied heeft een omvang van ca. 500 m2. De recreatiewoning heeft een oppervlakte van ca. 75 m2 en zal worden getransformeerd naar een woning waarbij de hoofdvorm van het pand behouden blijft. Hierbij is geen noemenswaardige bodemroering beoogd. Onder kopje 3 van dit document wordt een tekstvoorstel gedaan voor paragraaf 4.1.1.
1 Rho Adviseurs 2023.
Pagina 1 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Afbeelding 1. Ligging plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK).
2. Bestemmingsplan en beleidskaart archeologie In het vigerend bestemmingsplan Dorpskernen II (vastgesteld 29-09-2016) ligt het plangebied in een zone met een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 en 3. Dit betekent dat bij ontwikkelingen groter dan resp. 100 en 500 m2 en dieper dan 0,4 meter rekening gehouden dient te worden met mogelijk aanwezige archeologische waarden. Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Medemblik een beleidskaart archeologie opgesteld.2 Deze beleidskaart is op 28 februari 2019 vastgesteld. Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Voor de beleidskaart zijn onder andere bodemkaarten gebruikt om de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie nader te specificeren. Volgens de beleidskaart ligt het westelijk deel van het plangebied in een zone met een hoge waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden. Voor het oostelijke deel geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Voor dit deel geldt een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 (afb. 2).
Aangezien met het initiatie geen bodemroering beoogd is, worden de vrijstellingsgrenzen van het bestemmingsplan en de beleidskaart archeologie niet overschreden.
2
Soonius & van Leeuwen 2018. Pagina 2 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Afbeelding 2. Ligging plangebied op de Beleidskaart Archeologie.
3. Tekstvoorstel paragraaf 4.1.1 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over in de Omgevingswet wanneer deze in 2024 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Toetsing In het bestemmingsplan zijn twee bestemmingen voor de bescherming van archeologische waarden opgenomen. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' zijn een aanvulling op de geldende enkelbestemming 'Recreatie'. Op basis van deze bestemmingen is archeologisch onderzoek aan de orde bij ontwikkelingen groter dan 100 m 2 of 500 m2 en dieper dan 0,35 of 0,40 m onder het maaiveld. Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Medemblik een beleidskaart archeologie opgesteld. Deze beleidskaart is op 28 februari 2019 vastgesteld.
Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Voor de beleidskaart zijn de waarde en de begrenzing van de historische dorpslinten nader gespecificeerd, onder andere aan de hand van verschillende historische kaarten. het westelijk deel van het plangebied in een zone met een hoge waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden. Voor het oostelijke deel geldt
Pagina 3 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Voor dit deel geldt een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 (zie afb. 2). Met de ontwikkeling wordt de drempelwaarde uit de dubbelbestemming niet overschreden. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 500 m² en de bodem wordt met de ontwikkeling niet geroerd, omdat het huidige pand behouden blijft en hoogstens een interne verbouwing plaatsvindt. De archeologische dubbelbestemming blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. 4. Conclusie & advies Voor de locatie Zuiderweg 12a in Opperdoes is een conceptbestemmingsplan opgesteld. Hierbij is geen bodemroering beoogd. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Geadviseerd wordt om de vrijstellingsgrenzen van de beleidskaart over te nemen in de vorm van dubbelbestemmingen of de huidige dubbelbestemming te behouden. Indien gewenst kan de beleidskaart digitaal worden aangeleverd. Onderaan dit document staan de juiste regels WaardeArcheologie verwoord. Deze corresponderen met de vrijstellingsgrenzen van de beleidskaart archeologie. 5. Bronnen RHO Adviseurs, 2023. Toelichting Concept bestemmingsplan Opperdoes - Zuiderweg 12A, Medemblik . Opdrachtnummer 20230666 (17-07-2023). Soonius, C.M. & J. van Leeuwen, 2018. Toelichting Beleidskaart Archeologie gemeente Medemblik.
West-Friese Archeologische Notities 6. Archeologie West-Friesland, Hoorn.
Pagina 4 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Regels dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie Artikel ** Waarde – Archeologie 3 **.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. **.2 Bouwregels **.2.1 Vergunningplicht Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m², moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. **.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid **.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden.
**.2.3 Voorwaarden Indien uit het in lid **.2.1 genoemde rapport of de in lid **.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. **.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden **.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van overige grondbewerkingen; c.
het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; Pagina 5 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
d.
het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
**.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid **.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen (incl. sleufloos draineren); b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 100 m² beslaan. **.3.3 Toetsingscriteria De in lid **.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. **.3.4 Archeologisch rapport Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
**.3.5 Voorwaarden Indien uit het in lid **.3.4 genoemde rapport of de in lid **.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. **.4. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘WaardeArcheologie’ wordt verwijderd, indien uit deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
Artikel ** Waarde – Archeologie 5 **.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. **.2 Bouwregels
Pagina 6 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
**.2.1 Vergunningplicht Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m², moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. **.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid **.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. **.2.3 Voorwaarden Indien uit het in lid **.2.1 genoemde rapport of de in lid **.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. **.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden **.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van overige grondbewerkingen; c. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; d. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen. **.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid **.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen (incl.
sleufloos draineren); b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 0,4 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m² beslaan. Pagina 7 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
**.3.3 Toetsingscriteria De in lid **.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. **.3.4 Archeologisch rapport Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. **.3.5 Voorwaarden Indien uit het in lid **.3.4 genoemde rapport of de in lid **.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. **.4.
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘WaardeArcheologie’ wordt verwijderd, indien uit deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
Pagina 8 van 8 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 30, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
50/119
Bijlage 2
51/119
Watertoets
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Geen belang procedure
Op basis van onderstaande locatie
11-07-2023 16:10
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging betreft van bestaande bebouwing zonder dat de bebouwing wordt uitgebreid?
ja
11-07-2023 16:10
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Geen belang procedure Wat moet ik doen? U kunt de volgende tekst in uw ruimtelijke plan opnemen:
De initiatiefnemer heeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is niet nodig. Het hoogheemraadschap geeft een positief wateradvies.
Waar moet ik op letten? -
11-07-2023 16:10
3
https://dewatertoets.nl
Bijlage 3
55/119
Vooroverlegreactie Gasunie
Bijlage 4
57/119
Advies Omgevingsdienst
Onderwerp:
Zuiderweg 12A te Opperdoes Advies bestemmingsplan t.b.v. herbestemming naar Wonen
Aan:
Gemeente Medemblik Afdeling Ruimte t.a.v. Arthur Diepersloot
Datum advies:
1 september 2023
Kenmerk OD NHN:
OMG-014337
Kenmerk gemeente:
-
Contactpersoon:
Klaas Verduin
Doorkiesnummer:
088-1021767 / 06-44760886
kverduin@odnhn.nl
Bijlagen:
-
Paraaf afdelingsmanager:
Dit document is automatisch gegenereerd en daarom niet ondertekend.
Samenvatting advies bestemmingsplan Bodem
Externe veiligheid
Natuur Lucht Geluid
Spuitzonering
Tekst bestemmingsplan niet akkoord. Verder wordt geadviseerd om in verband met mogelijke verontreiniging een bodemonderzoek te laten uitvoeren. In tegenstelling tot is aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing, blijkt het plangebied wel te zijn gelegen binnen het invloedsgebied van de nabijgelegen hogedruk aardgasleiding. De ruimtelijke onderbouwing dient hierop aangepast te worden. Tekst is akkoord. Tekst is akkoord. Tekst bestemmingsplan is niet akkoord. Geadviseerd wordt om in verband met de bestemmingsplan wijziging minimaal een akoestische berekening uit te laten voeren naar vaststelling van de gevelbelasting. Paragraaf ontbreekt, zie algemene notitie.
Pagina 1 van 6
Melding of vergunning Wet milieubeheer
1.
Melding Activiteitenbesluit is niet noodzakelijk.
Inleiding
Op 3 augustus 2023 is aan de OD NHN om advies gevraagd over de milieu aspecten m.b.t. het bestemmingsplan Opperdoes - Zuiderweg 12A (status: conceptontwerp). De gemeente Medemblik heeft de OD NHN verzocht te adviseren met betrekking tot een ingediend plan voor het herbestemmen van een perceel met de bestemming Recreatie. Er is een recreatiewoning aanwezig op de locatie. De wens is de bestemming Wonen te geven aan het perceel t.b.v. permanente bewoning. De stukken die zij betrokken bij dit advies zijn de volgende: De bijlagen die zullen behoren bij de toelichting van het bestemmingsplan van Rho adviseurs met projectnummer 20230666 d.d. 17 juli 2023;
2.
Milieuadvies Ruimte
2.1 Inleiding Het bestemmingsplan is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging, waarbij ook alle milieuonderwerpen worden meegewogen. Welke milieu onderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld worden gebracht. 2.2 Bedrijven en milieuzonering Er zijn geen bedrijven of bestemmingen in de directe omgeving waarop richtafstanden van toepassing zijn vanuit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ van de VNG. De opgenomen tekst in paragraaf 4.5 is akkoord. 2.3 Bodem Wij kregen van u een verzoek om advies uit te brengen voor het aspect bodem voor de locatie Zuiderweg 12A te Opperdoes U vraagt ons te beoordelen of de bodem in het kader van de bestemmingswijziging geschikt is voor het beoogd gebruik. Bij de aanvraag is een concept bestemmingsplan Opperdoes - Zuiderweg 12A van RHO Adviseurs, , d.d. 17 juli 2023 toegevoegd. U vraagt ons dit document inhoudelijk te beoordelen. Wettelijk kader In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. In de toelichting van een bestemmingsplan, ruimtelijke onderbouwing, e.d. moeten de overwegingen hierover zijn opgenomen. Als blijkt dat de bodemkwaliteit niet direct geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet hiervoor een nadere afweging worden gemaakt.
Als sprake is van een functiewijziging kan een bodemonderzoek worden geëist. De onderzoeksplicht is alleen redelijk als het de locatie een gevoeligere functie krijgt. De Woningwet d.d. 13 juni 2018 (artikel 8, tweede lid) verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Of sprake is van verontreinigde grond kan met een bodemonderzoek worden aangetoond. Resultaten Bodemkwaliteit Van de locatie zelf en in de directe omgeving is geen bodemonderzoek beschikbaar. In dit stadium is derhalve alleen globaal iets aan te geven over de geschiktheid van de bodem voor het voorgenomen gebruik, op basis van de bodemkwaliteitskaart, en eventuele historisch verdachte activiteiten op of in de omgeving van de locatie. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Regio West Friesland (2016) is de locatie ingedeeld in deelgebied B2/O2, “Wonen voor 1980”. De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is hier gemiddeld gelijk aan klasse Wonen.
OMG-014337
Pagina 2 van 6
In het historisch bodembestand zijn op en in de directe omgeving van de locatie geen meldingen opgenomen. Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal op topotijdreis blijkt dat dwars over het perceel een sloot heeft gelegen die in 1979 is gedempt. Een dergelijke sloot kan zijn gedempt met bodemvreemd materiaal en kan dus mogelijk ook bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Tekst bestemmingsplan De opgenomen tekst voor het aspect bodem is niet akkoord. In de tekst is namelijk aangegeven dat wegens het huidige gebruik voor recreatieve doeleinden de bodem waarschijnlijk ook geschikt is voor permanente bewoning. Uit historische kaarten blijkt echter dat dwars over het perceel een sloot heeft gelegen die in 1979 is gedempt. Een dergelijk kan zijn gedempt met bodemvreemd materiaal en dus mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat er op basis van de beschikbare informatie (gedempte sloot) er geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. In dit stadium is het derhalve niet bekend of er een belemmering aanwezig is voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Advies Aangezien er geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden omtrent de bodemkwaliteit wordt geadviseerd de initiatiefnemer in een brief te informeren dat een bodemonderzoek conform de NEN 5740 moet worden uitgevoerd.
Indien op de locatie vermoedens zijn dat asbest in de bodem aanwezig is dient het onderzoek tevens te voldoen aan de NEN 5707. Voor het leveren van de onderzoek(en) adviseren wij u een termijn van 6 weken te stellen. 2.4 Geluid Verzocht is om advies uit te brengen voor het aspect geluid voor de locatie Zuiderweg 12A te Opperdoes in het kader van de bestemmingsplanwijziging van de bestemming ‘’ recreatie’ naar ‘wonen’. Bij de aanvraag is een concept bestemmingsplan Opperdoes - Zuiderweg 12A van RHO Adviseurs, d.d. 17 juli 2023 toegevoegd. Wettelijk kader In de bestaande situatie is de recreatie woning geen geluidgevoelige bestemming en geldt geen verplichting tot het voldoen aan de geluidnormering als opgenomen in de Wet geluidhinder. Bij een omzetting van de bestemming van ‘recreatie naar de bestemming ‘wonen’ dient aangetoond te worden dat voor de woning voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. De locatie ligt in de geluidzone van de Zuiderweg waar een verkeerssnelheid geldt van 50 km/h en voorzien is met een klinker verharding. Als sprake is van een functiewijziging kan een akoestisch onderzoek worden geëist. De onderzoeksplicht is alleen redelijk als het de locatie een gevoeligere functie krijgt. Resultaten In de opgenomen tekst van het bestemmingsplan is opgenomen dat wordt verwacht dat aan de voorkeursgrenswaarde van Lden van 48 dB zal worden voldaan.
Gesteld is dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk wordt geacht. Dit is gebaseerd op een gemeentelijke geluidsniveaukaart waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 48 dB of minder bedraagt. Op basis van de geluidniveaus aangegeven op de website van Atlas Leefomgeving is op te merken dat de woning in de 56-60 dB contour van de weg ligt. Op basis van deze gegevens is akoestisch onderzoek noodzakelijk.
OMG-014337
Pagina 3 van 6
Conclusie Gelet op het feit dat de woning in de geluid zone ligt van de met klinkerbestrating verharde weg en er geen betrouwbare uitspraak kan worden of op de gevel voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Advies Geadviseerd wordt om het concept bestemmingsplan met recente verkeersgegeven aan te laten vullen met een eenvoudige berekening naar de gevelbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemming. 2.5 Externe veiligheid Wij kregen van u een verzoek om advies uit te brengen voor het aspect externe veiligheid voor de locatie Zuiderweg 12a. U vraagt ons de ruimtelijke onderbouwing met rapportnr. 20230666 van 17 juli 2023 te beoordelen. Het document is beoordeeld op juistheid en volledigheid met betrekking tot het aspect externe veiligheid. Wettelijk kader Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risico's bij industriële activiteiten en het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Het betreft risico's die verbonden zijn met onder meer de productie, de opslag, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen, voor zover deze stoffen als gevolg van een voorval vrij kunnen komen. De nadruk van het veiligheidsbeleid ligt op een kwalitatieve benadering en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken.
Enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (preventie), anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval te verkleinen (repressie). In het beleid voor externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijk stoffen. Voor kwetsbare objecten geldt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico bij een kans van 1 op 1 miljoen per jaar. Het gebied waarbinnen deze norm wordt overschreden wordt begrensd door de 10-6 contour. Voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers voorkomt. Tevens wordt het groepsrisico beschouwd als maat voor de maatschappelijke ontwrichting welke kan ontstaan ten gevolge van een incident. Het gebied waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd is het invloedsgebied. Het groepsrisico is niet ruimtelijk (met contouren) weer te geven.
Ruimtelijke besluiten worden met betrekking tot inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen getoetst aan de besluiten externe veiligheid; • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Beoordeling Het plan voorziet niet in de komst van een nieuwe risicorelevante activiteit naar het plangebied. In de nabijheid van het plangebied vinden geen risicovolle activiteiten plaats en evenmin is sprake van transport van gevaarlijke stoffen over de weg, waardoor deze aspecten niet aan de orde zijn. In de nabije omgeving van het plangebied zijn buisleidingen gelegen. Het betreft een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie.
OMG-014337
Pagina 4 van 6
Figuur: uitsnede Signaleringskaart ODNHN
Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 per jaar, waardoor geen sprake is van een belemmering. Omdat het plangebied buiten de 100% letaliteitsgrens ligt, kan worden volstaan met een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico. Conclusie In tegenstelling tot is aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing, blijkt het plangebied wel te zijn gelegen binnen het invloedsgebied van de nabijgelegen hogedruk aardgasleiding. Volgens onze gegevens bedraagt de diameter 8.6 inch waardoor het invloedsgebied (1% letaliteit) reikt tot maximaal 95 meter van de buisleiding. Hierdoor ligt het plangebied binnen het invloedsgebied waardoor alsnog toetsing aan het Bevb aan de orde is. Advies Geadviseerd wordt het document op bovenstaande punten te laten aanpassen. 2.6 Luchtkwaliteit De opgenomen tekst in de betreffende paragraaf is akkoord. Er zijn geen opmerkingen. 2.7 Natuur Soortenbescherming: Er worden geen structurele werkzaamheden verricht aan het dak of de buitenmuren. Een quickscan flora en fauna is daarom niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming: Op grond van artikel 2.7, lid 2 Wnb zijn projecten (of andere handelingen) met negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent.
Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
OMG-014337
Pagina 5 van 6
De ontwikkeling kan niet voor een vergunningplichtige situatie zorgen op grond van het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming. Een Aerius berekening is niet noodzakelijk.
3. Vergunning of melding milieu Bedrijfsmatige activiteiten, of activiteiten in een omvang alsof deze bedrijfsmatig zijn, kunnen onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer (Wm) vallen. Op de locatie is geen bedrijf bekend in het bedrijvenbestand van de OD NHN. Disclaimer: In dit advies wordt ingegaan op de aspecten, die onderdeel zijn van de Dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente en de OD NHN (oftewel: onderdeel zijn van door de gemeente overgedragen taken).
OMG-014337
Pagina 6 van 6
Regels
64/119
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Opperdoes - Zuiderweg 12A met identificatienummer NL.IMRO.0420.BPZuider12A-ON01 van de gemeente Medemblik; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.6 archeologisch monument: terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 door het Rijk is aangewezen als beschermd archeologisch monument; 1.7 archeologisch onderzoek: onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of graven en/of begeleiden) verricht door een daartoe bevoegde instantie; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken; 1.9 bedrijf: beroepsbezigheid, handwerk, en ook: onderneming die zich bezig houdt met het maken en/of verhandelen van bepaalde goederen en/of het leveren van bepaalde diensten; 1.10 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een woonfunctie die wordt gebruikt voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
65/119
1.11 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.12 bestaand: ten aanzien van de aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan; 1.13 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.14 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijbehorend bouwwerk: een uitbreiding van een hoofdgebouw/bedrijfswoning dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd gebouw, of overkapping; 1.16 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.18 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19
bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.21 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
66/119
1.23 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.24 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond; 1.25 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 gebruiksmogelijkheden: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen, indien deze daardoor kunnen worden beïnvloed; 1.27 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.28 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en geen bouwwerk is waarvoor ingevolge de Woningwet een bouwvergunning is vereist; 1.29 kap: een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt; 1.30 kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten: de in Bijlage 2 genoemde beroepen en bedrijvigheid, dan wel naar de aard
en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroepen en bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en/of de werknemers; 1.31 landschappelijke waarden: de cultuurlandschappelijke en de visuele waarden van het landschap; 1.32 logies: een mogelijkheid om te overnachten; 1.33 logiesverstrekking: het tegen vergoeding verstrekking van logies, waaronder begrepen bed and breakfast. Onder logiesverstrekking wordt niet verstaan overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamperverhuur;
67/119
1.34 milieusituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient bij de situering en omvang van milieubelastende functies erop te worden gelet dat de mogelijke uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; 1.35 natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied.
Onderdeel van de natuurlijke waarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Wet natuurbescherming; 1.36 nutsvoorzieningen: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.37 ondergronds: beneden peil; 1.38 overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.39 paardrijbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijdactiviteiten, voorzien van een zandbed of daarmee vergelijkbaar materiaal, en al dan niet voorzien van een omheining; 1.40 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.41 recreatieve bewoning: het gebruik dat plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie door personen die elders hun hoofdverblijf hebben; 1.42 sociale veiligheid: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient voorkomen te worden dat een ruimtelijke situatie ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is;
68/119
1.43 standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen, verstrekken of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, wagen of tafel; 1.44 straat- en bebouwingsbeeld: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient gestreefd te worden naar het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een, in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. In het algemeen zal bij bebouwing worden gestreefd naar: a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte; b. een goede hoogte-/breedte-verhouding tussen de bebouwing onderling; c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is; 1.45 theeschenkerij/theetuin: een ondergeschikte horecavoorziening die uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen, niet zijnde maaltijden; 1.46 verkeersveiligheid: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een verkeersveilige situatie; 1.47 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Bij een afzonderlijk huishouden moet het gaan om personen of een groep personen waarbij er sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling zoals een traditioneel gezin; 1.48 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden; 1.49 woonsituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. garanderen van een redelijke lichttoetreding en een redelijk uitzicht, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy.
69/119
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens: de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
70/119
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten; met daaraan ondergeschikt: b. wegen en straten; c. paden; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. speelvoorzieningen; g. nutsvoorzieningen; h. waterlopen en waterpartijen; met de daarbijbehorende: i. tuinen, erven en terreinen; j. andere bouwwerken. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. het aantal woningen bedraagt ten hoogste 1; d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3,00 m bedragen; e. de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 7,00 m bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 12,00 m; f. een hoofdgebouw zal worden afgedekt met een kap; g. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen. 3.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken zullen ten minste 2,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q.
het verlengde daarvan worden gebouwd, tenzij de bestaande afstand minder is, dan wel de bestaande bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel zijn gebouwd, in welk geval de bestaande afstand de maximale afstand is; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 60 m² per hoofdgebouw bedragen;
71/119
c. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, en minus de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen; d. de goothoogte van een aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet hoger zijn de goothoogte van de woning waartegen wordt gebouwd, met een maximum van 3,50 m; e. de bouwhoogte van een aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 6,50 m bedragen; f. de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 3,00 m respectievelijk 6,00 m bedragen; g. de goot- en bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,00 m respectievelijk 6,00 m; h. bij vrijstaande hoofdgebouwen worden bijbehorende bouwwerken op ten minste 1,00 m afstand van de erfgrens gebouwd; i. voor een uitgebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorzijde van het hoofdgebouw geldt een maximale bouwhoogte van 3,25 m, een diepte van maximaal 1,50 m en een breedte van maximaal 2/3 van de oorspronkelijke voorgevel; j. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen 50 meter van de voorgevel of voorgevelrooilijn van de woning worden gebouwd. 3.2.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan ten hoogste 1,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, een goede milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. 3.4 Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b in die zin dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak tot een oppervlakte van ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt gebouwd; b. het bepaalde in lid 3.2.1 sub d in die zin dat de afstand van een hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelgrens wordt verkleind; c. het bepaalde in lid 3.2.1 sub g in die zin dat de dakhelling van een hoofdgebouw wordt verlaagd c.q.