CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-24-795046 - Bestemmingsplan Zuiderweg 12A

Gemeenteraad 4 april 2024, gemeente MedemblikBij agendapunt: Bestemmingsplan Zuiderweg 12A (pfh. J. Broeders)26.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Opperdoes - Zuiderweg 12A Medemblik

DATUM IMRO IDN

12-02-2024 NL.IMRO.0420.BPZuider12A-ON01

PROJECT PROJECTLEIDER

Opperdoes - Zuiderweg 12A C. Tasma

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20230666

AUTEUR STATUS

N.M. van 't Noordende vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Planologische regeling

7

1.4

Leeswijzer

9

Bestaande en voorgenomen situatie

10

2.1

Bestaande situatie

10

2.2

Voorgenomen situatie

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

12

3.1

Rijksbeleid

12

3.2

Provinciaal beleid

13

3.3

Regionaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

17

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

19

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

19

4.2

Ecologie

21

4.3

Bodem

23

4.4

Verkeer, ontsluiting en parkeren

23

4.5

Milieuzonering

24

4.6

Geluid (wegverkeerslawaai)

25

4.7

Externe veiligheid

27

4.8

Luchtkwaliteit

29

4.9

Water

30

4.10

Kabels en leidingen

30

4.11

Spuitzonering

31

Juridische toelichting

33

5.1

Toelichting op het juridisch systeem

33

5.2

Toelichting op de bestemmingen

33

Uitvoerbaarheid

35

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

3/119

6.1

Economische uitvoerbaarheid

35

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35

Bijlagen toelichting

39

Bijlage 1

Advies Archeologie West-Friesland

41

Bijlage 2

Watertoets

51

Bijlage 3

Vooroverlegreactie Gasunie

55

Bijlage 4

Advies Omgevingsdienst

57

Regels Hoofdstuk 1

64 Inleidende regels

65

Artikel 1

Begrippen

65

Artikel 2

Wijze van meten

70

Bestemmingsregels

71

Artikel 3

Wonen

71

Artikel 4

Waarde - Archeologie 2

75

Artikel 5

Waarde - Archeologie 3

77

Hoofdstuk 3

Algemene regels

79

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

79

Artikel 7

Algemene bouwregels

80

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

81

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

83

Artikel 10

Algemene aanwijzingsregels

84

Artikel 11

Overige regels

85

Overgangs- en slotregels

86

Artikel 12

Overgangsrecht

86

Artikel 13

Slotregel

87

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Bijlagen regels

89

Bijlage 1

Bedrijfsactiviteiten

91

Bijlage 2

Lijst met kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten

117

4/119

5/119

Toelichting

6/119

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Zuiderweg 12A te Opperdoes is een recreatiewoning gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens om deze woning als permanente woning in gebruik te nemen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014, omdat het plangebied de bestemming 'Recreatie' heeft. Het college van burgemeester en wethouders staat positief tegenover de beoogde ontwikkeling. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern van Opperdoes, in het buitengebied. Het plangebied omvat de kadastrale percelen KGL01-O-652, KGL01-O-494 en KGL01-O-654. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1

1.3

Ligging van het plangebied, rood omlijnd

Planologische regeling

Bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014 Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014, dat op 29 september 2016 is vastgesteld door de gemeente Medemblik. In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Recreatie', met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2 en 'Waarde - Archeologie 3' en de functieaanduiding 'recreatiewoning'. Binnen de bestemming 'Recreatie' zijn de aangewezen gronden bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen en

7/119

recreatiewoningen, met daaraan ondergeschikt kleinschalige duurzame energiewinning, nutsvoorzieningen, wegen en paden en water. Binnen deze bestemming is het gebruik en laten gebruiken van recreatiewoningen voor permanente bewoning in strijd met de gebruiksregels. Ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoningen' mag het aantal recreatiewoningen niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', wat in dit geval één is. De oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 60 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' zijn de aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,35 m onder het maaiveld plaatsvinden, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord. Ook binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn de aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.

Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord. In figuur 1.2 en figuur 1.3 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

Figuur 1.2

8/119

Uitsnede geldende bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014

Figuur 1.3

1.4

Uitsnede geldende bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014

Leeswijzer

Het bestemmingsplan voldoet aan de landelijke standaarden voor de opzet van (digitale) bestemmingsplannen. In deze plantoelichting wordt het plan beschreven en de uitgangspunten, die daaraan ten grondslag liggen, worden gemotiveerd. Na deze inleiding (hoofdstuk 1) worden in de volgende hoofdstukken beschreven: een beschrijving van de bestaande situatie en de voorgenomen ontwikkeling (hoofdstuk 2); een beschrijving van het geldende en van belang zijnde beleidskader (hoofdstuk 3); de effecten voor de omgeving en de te nemen maatregelen vanuit de omgeving (hoofdstuk 4); een planbeschrijving met daarin de hoofduitgangspunten voor de juridische regeling (hoofdstuk 5); een weergave van de uitvoerbaarheidsaspecten (hoofdstuk 6).

9/119

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande en voorgenomen situatie

Bestaande situatie

Het plangebied bevindt zich aan de Zuiderweg 12A in Opperdoes. In de huidige situatie staat hier een recreatiewoning centraal op het perceel. De recreatiewoning wordt inmiddels niet meer verhuurd. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 950 m2. De recreatiewoning heeft een oppervlakte van circa 75 m2 en bestaat uit één bouwlaag met kap. Het terrein rondom het gebouw is ingericht als tuin. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven, in figuur 2.2 een aanzichtfoto.

Figuur 2.1

10/119

Luchtfoto van de huidige situatie

Figuur 2.2

Aanzicht bestaande situatie (bron: Google Streetview)

Het plangebied ligt ten zuiden van Opperdoes, in het buitengebied. De Zuiderweg vormt een ontsluiting aan de zuidzijde van Opperdoes. De noordzijde van de Zuiderweg bestaat uit een bebouwingslint met woonbebouwing, met daarachter agrarische gronden. De initiatiefnemer is voornemens om het huidige pand te behouden en deze als reguliere woning in gebruik te nemen. De woning voldoet, na een interne verbouwing, aan de bouwbesluiteisen voor woningen (bestaande bouw).

2.2

Voorgenomen situatie

In de voorgenomen situatie wordt de bestaande (voormalige) recreatiewoning getransformeerd tot een reguliere woning, waarbij de recreatiebestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. Ten behoeve hiervan kan een interne verbouwing plaatsvinden, waarbij de hoofdvorm van het pand behouden blijft. De woning zal daarmee (blijven) bestaan uit één bouwlaag een kap. De gronden rondom het gebouw worden als erf bij de woning betrokken. Ruimtelijke inpassing Het pand blijft in zijn huidige vorm gehandhaafd. Om deze reden is een toelichting op de ruimtelijke inpassing niet aan de orde. Tevens bevinden zich aan de Zuiderweg louter woningen, waardoor de woning in de toekomstige situatie beter is ingepast dan in zijn huidige (recreatieve) vorm.

11/119

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Binnen het rijksbeleid zijn de Nationale Omgevingsvisie, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening van belang en de Ladder voor Duurzame verstedelijking van belang. 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost.

Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Noord-Holland Noord onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

12/119

Toetsing en conclusie De ontwikkeling in het plangebied raakt geen opgaves zoals bedoeld in de NOVI. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren is in het Besluit ruimtelijke ordening de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). Sinds 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder in werking getreden.

Voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en moet worden aangetoond of er behoefte is. De behoefte hoeft niet regionaal te worden bepaald, maar wordt afhankelijk van de ontwikkeling bepaald. Het ruimtelijke verzorgingsgebied waarbinnen de behoefte inzichtelijk moet worden gemaakt, kan dus verschillen. Toepassing Ladder voor duurzame verstedelijking en conclusie De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Met het planvoornemen wordt één woning gerealiseerd. Hierdoor is het niet noodzakelijk het voornemen te toetsen aan de Ladder.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 en Omgevingsverordening NH2020 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie 2050. In de omgevingsvisie geeft de provincie een toekomstbeeld waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik'.

13/119

In de Omgevingsverordening NH2020 (geldend tot 01-01-2024) zijn regels verbonden aan de provinciale hoofdbelangen. In artikel 6.3 is geregeld dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk kan maken als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De ontwikkeling is in overeenstemming met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Zie tevens paragraaf 3.3.1. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het provinciaal beleid. Ingevolge art. 6.62 bevat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. Thema's die besproken moeten worden zijn wateroverlast, overstroming, hitte en droogte. Met de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met een klimaatbestendige inrichting. Het huidige plangebied is groen ingericht en dit karakter blijft in de toekomstige situatie behouden. Het huidige pand blijft behouden en er worden geen bomen gekapt. Het handhaven van de bomen kan in warmere periode's voor verkoeling zorgen. Het nemen van compenserende maatregelen is niet nodig, omdat er geen toename van verharding plaatsvindt. Zie ook paragraaf 4.9. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de omgevingsvisie en -verordening.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Woonakkoord 2020-2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland Voor de regio West-Friesland is een Woonakkoord opgesteld. Deze zijn door alle gemeenteraden in de regio vastgesteld. Het Woonakkoord draagt samen met het afwegingskader Wonen West-Friesland 2019 bij aan de binnen het Pact van West-Friesland uitgesproken ambitie om tot de top 10 woonregio’s van Nederland te behoren. Samen met het Woonakkoord wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. In het Woonakkoord voor West-Friesland werken de Westfriese gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec samen met de provincie aan een evenwichtig en afgestemd woningbouwprogramma in de regio. Naast deze gemeenten hebben ook betrokken marktpartijen zoals woningcorporaties, zorgpartijen, bouwers, ontwikkelaars en huurdersvereniging input geleverd voor dit Woonakkoord. De speerpunten uit het woonbeleid zijn: Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen; Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern; Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten; Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen; Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

De beoogde ontwikkeling van één woning draagt bij aan het vitaal houden van de kernen in West-Friesland, door ook in de toekomst voldoende woongelegenheid te behouden voor de inwoners van Medemblik.

14/119

Afwegingskader Wonen Westfriesland 2021 De regio West-Friesland heeft een regionale woonvisie tot 2026. Ter uitvoering van de regionale woonvisie is de regio met de provincie een woonakkoord 2020-2025 overeengekomen. In het woonakkoord is afgesproken om het regionale afwegingskader voor wonen aan te passen aan de afspraken uit dit akkoord. Het afwegingskader is de basis voor de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwprogrammering. Alle uit te werken harde en zachte woningbouwplannen onderbouwen, beoordelen en stemmen de gemeenten regionaal af aan de hand van de criteria in dit afwegingskader. Om aan het afwegingskader te kunnen voldoen, dient aan minimaal vier van de acht criteria voldaan te worden. Uit onderstaande toetsing blijkt dat aan zes van de acht criteria wordt voldaan. Basisvereisten Ambitie of harde plancapaciteit De kwantitatieve behoefte zoals genoemd in de basis wordt bepaald door de ambitie van 16.000 woningen aan zachte plancapaciteit. Alle gemeenten dragen bij aan het ontwikkelen en uitvoeren van voldoende plannen. Dit plan voorziet in 1 woning en past binnen de ambitie van 16.000 woningen. Krachtige kernen Aansluitend op de regionale structuurschets zetten de gemeenten in op krachtige kernen in de regio. De gemeenten spreken af dat minimaal 70% van de woningbouwplannen in onderstaande krachtige kernen gebouwd worden.

Opperdoes, waarin het plangebied is gelegen, is geen krachtige kern. Woningbouw binnenstedelijk of landelijk gebied Uitgangspunt is dat woningbouw primair binnenstedelijk plaatsvindt, tenzij dit om uiteenlopende redenen niet mogelijk is. Het plangebied bevindt zich niet in stedelijk gebied, maar in landelijk gebied. Woningbouw in binnenstedelijk gebied is niet mogelijk, omdat het plan voorziet in bewoning van een bestaande recreatiewoning. Hierdoor wordt toch aan het criterium voldaan. Wel is het plangebied niet multimodaal ontsloten. De locatie is per auto goed bereikbaar, maar op minder dan 10 minuten fietsen bevinden zich geen openbare vervoersknooppunten. Aanvullende criteria Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen. Het plan voldoet hieraan doordat de permanente bewoning van een (voormalige) recreatiewoning mogelijk wordt gemaakt. Dit komt de leefbaarheid ten goede. Aan het criterium wordt voldaan. Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens. Eén van de ambities uit de regionale woonvisie is het voorzien in de woningbehoefte voor middeninkomens. In het plan komen geen vrije huursectorwoningen. Het plan voldoet niet aan dit criterium. Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen. Veel mensen willen zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen woonomgeving blijven wonen.

Met het planvoornemen gaat de initiatiefnemer de (voormalige) recreatiewoning permanent bewonen. Daarmee wordt aan dit criterium voldaan.

15/119

Het plan is circulair en energieneutraal. Duurzaamheid staat hoog in het vaandel op de nationale, provinciale en regionale agenda’s. Nieuwe woningen moeten worden gebouwd met oog op de energie en grondstoffen die zij gebruiken tijdens de bouw en in de gebruiksfase. Met het planvoornemen wordt een huidige (recreatie)woning permanent bewoond. Derhalve wordt geen woning gebouwd. Er worden geen extra materialen gebruikt bij de planontwikkeling. Derhalve is het plan circulair en energieneutraal. Het plan draagt bij aan klimaatadaptatie, een gezonde leefomgeving en verbetering van de natuur en het landschap. West-Friesland moet klimaatbestendig zijn om een aantrekkelijke en veilige plek te blijven voor bewoners. Klimaatverandering zorgt voor steeds extremere weersomstandigheden. Het wordt warmer, het wordt droger, het wordt natter en de kans op overstromingen neemt toe. Bij de planontwikkeling blijft het groen in het plangebied behouden. Dit biedt mogelijkheden voor natuurontwikkeling en zorgt tegelijkertijd voor verkoeling tijdens warme dagen. Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV-knooppunt. Aansluitend op de ambities m.b.t.

bereikbaarheid van het Rijk heeft de provincie Noord-Holland aanvullend beleid opgesteld met als primaire doel om binnen de gehele provincie gemiddeld 50% van nieuwe woningbouw binnen een straal van 1,2 km rondom OV-knooppunten te realiseren. Als secundair zoekgebied geldt een straal van 10 minuten fietsafstand van een OV-knooppunt, de zogenaamde 10-minuten fietsafstand-contour. Binnen een afstand van 4,9 kilometer bevindt zich het dichtstbijzijnde OV-knooppunt. Aan de voorwaarde wordt niet voldaan. Het plan draagt bij aan de versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland. Een woningbouwplan scoort op deze ambitie indien er afspraken zijn gemaakt om het plan binnen 3 jaar na initiatiefneming uit te voeren. Het plan bevindt zich in een concrete fase, na het doorlopen van de planologische procedure wordt de woning in gebruik genomen. Het plan voldoet aan de criteria. Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht van de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving. Een aantrekkelijke woonomgeving is de meest genoemde vestigingsfactor onder nieuwkomers van buiten de regio. Een aantrekkelijke woonomgeving willen de gemeenten blijven bieden. Onderscheidend bouwen is daarom een belangrijke ambitie die de regio West-Friesland heeft op het woonbeleid. Onderscheidend bouwen wil zeggen een toevoeging van het juiste type op de juiste plek.

Onderscheidend ten opzichte van de bestaande woningvoorraad, maar ook onderscheidend ten opzichte van andere regio’s. De kwaliteiten van het woningbouwplan kunnen onder meer betrekking hebben op het woonmilieu, de landschappelijke waarden, belevingswaarden of de specifieke typologie aan woningen. Een plan scoort op deze ambitie indien onderbouwd wordt waarom aan dit plan op deze plek behoefte is en een toevoeging vormt op type en doelgroep en er sprake is van een onderscheidend karakter. Met het plan wordt een bestaande recreatiewoning in gebruik genomen voor permanente bewoning. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, de recreatiewoning is de enige recreatieve voorziening in het gebied. Door de (voormalige) recreatiewoning in gebruik te nemen voor permanente

16/119

bewoning, wordt aangesloten bij het woonmilieu, de landschappelijke waarden en de belevingswaarden van het gebied. Het plan voldoet aan de criteria.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2012-2022 In de op 28 februari 2013 vastgestelde Structuurvisie 2012-2022 van de gemeente Medemblik 'Sterke kust en sterk achterland' is het nieuwe beleid van de gefuseerde voormalige gemeenten Medemblik, Wervershoof en Andijk vastgelegd. Doel van deze structuurvisie is een harmonisatie van het beleid van de drie voormalige gemeenten tot één beleid. Momenteel is nog geen nieuwere versie van kracht. Medemblik wil de komende jaren het vestigen in de gemeente zo aantrekkelijk mogelijk maken. Met oog voor realiteit stimuleert de gemeente dorpsvernieuwingen en geeft ruimte om nieuwe woningen te bouwen. Deze ruimte vult de gemeente als volgt in: Er zijn voldoende woningbouwlocaties aanwezig, waarbij de gemeente de vinger aan de pols houdt bij het op gang brengen van de ontwikkeling van de locaties. Daarbij biedt de gemeente ruimte om programmatisch af te wijken van de oorspronkelijke plannen voor een locatie. In de afweging van de locaties vormt de herontwikkeling van de kwaliteitslocaties (dorpsvernieuwing) een belangrijke rol om verpaupering in de dorpen tegen te gaan. Het aantal woningen dat de komende jaren werkelijk wordt gebouwd is afhankelijk van de actuele vraag. Dit kan per dorp verschillen. Uitvoering van de plannen geschiedt in goed overleg tussen gemeente en marktpartijen, waarbij de gemeente zo mogelijk nodig een initiërende rol kan spelen.

Met het onderhavige ontwikkeling is sprake van een actuele vraag vanuit de markt. Ook vormt het plan een belangrijke rol om verpaupering van dorpen tegen te gaan, doordat een recreatiewoning die niet langer verhuurd wordt, in gebruik wordt genomen voor permanente bewoning in een omgeving waar overwegend de woonfunctie aanwezig is. De gemeente heeft aangegeven aan de ontwikkeling te willen meewerken. 3.4.2 Programma Wonen 2018 t/m 2026 Op 22 februari 2018 heeft de gemeenteraad het Programma Wonen 2018 t/m 2026 vastgesteld. In dit programma wordt gesteld dat West-Friesland een goedkoper en rustiger alternatief is voor de woningvraag in metropoolregio Amsterdam. Gemeente Medemblik heeft daarom de ambitie om zich hard te maken voor het realiseren van meer bouwvolume. Extra woningbouw is goed voor onze economie en vergroot het draagvlak voor onze lokale en regionale voorzieningen. In Medemblik is contingent beschikbaar voor 1.200 woningen in de periode tot 2026. Nieuwbouw vindt plaats in alle kernen. De gemeente maakt in het programma onderscheid tussen 'harde plannen', die niet meer beïnvloedbaar zijn, en de 'zachte plannen', die veelal nog gemakkelijker aangepast kunnen worden. Daarnaast kent het programma woningen 'tussendoor'. Na het aftrekken van het aantal woningen binnen de harde en zachte plannen wijst uit dat er nog marge is voor 75 woningen 'tussendoor'.

Voor de verdeling van de woningen 'tussendoor' zijn beleidsregels gemaakt. Kernpunt is het bouwen voor kleine huishoudens (starters en senioren). Daarnaast moeten de woningen

17/119

levensloopbestendig en aardgasloos zijn. Ruimtelijke criteria zijn het open houden van de doorkijkjes in de linten, het saneren van locaties met milieuproblematiek en het voor wonen geschikt maken van gebouwen die van oorsprong een andere functie hebben (transformatie). De ontwikkeling maakt ten opzichte van de capaciteit uit de planning 1 extra woning mogelijk en is daarmee passend binnen het woningbouwprogramma van de gemeente Medemblik. 3.4.3 Welstandsnota Medemblik, herziening 2019 Het welstandsbeleid van de gemeente Medemblik is vastgelegd in Welstandsnota Medemblik, herziening 2019, die is vastgesteld op 11 juli 2019. Het plangebied bevindt zich in het welstandsgebied 20 'Buitengebied'. Het buitengebied van Medemblik bestaat uit polders met weiden en akkers. Her en der in het open landschap liggen enige fruitkwekerijen. Structuur- en beeldbepalend zijn de dwarssloten en afwateringssloten die diep in het land snijden. Deze sloten werden gegraven voor de ontginning van het gebied. De bebouwing in de polder bestaat vooral uit agrarische bedrijven van recente datum. Het woonhuis verschilt niet wezenlijk van andere typen vrijstaande woonhuizen of villa's. Woonhuizen zijn individueel en afwisselend. Ze staan met de korte of lange gevel naar de weg. Het buitengebied in de gemeente Medemblik is regulier welstandsgevoelig.

In het landelijk gebied wenst de gemeente een hoge kwaliteit van natuur, milieu en landschap. Duurzaamheid staat centraal. Met het planvoornemen wordt het groene karakter van het plangebied niet aangetast. Bomen blijven behouden. Daardoor blijft de hoge kwaliteit van natuur, milieu en landschap in het gebied behouden. Toetsing aan de welstandscriteria is niet noodzakelijk, nu met het planvoornemen niet nieuw wordt gebouwd. 3.4.4 Nota Parkeernomen 2021 De gemeente heeft in 2021 de Nota Parkeernormen Gemeente Medemblik 2021 vastgesteld (hierna: nota). Het doel van de parkeernormen is de leefbaarheid en de bereikbaarheid van de openbare ruimte bevorderen. Door voldoende parkeerplaatsen te creëren, wordt overlast van foutgeparkeerde auto’s voorkomen. De parkeernota geeft de kaders waaraan plannen moeten voldoen om aantasting van de leefbaarheid en bereikbaarheid te voorkomen. De nota is van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Medemblik, daar waar het betreft nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van een functie. De nota is niet van toepassing op bestaande situaties. Indien verbouwen gepaard gaat met een functiewijziging van een bestaand pand, wordt het benodigde extra parkeerplaatsen uitsluitend bepaald op basis van de toename van de parkeervraag. De parkeernormen zijn opgenomen in tabel 4.2 in paragraaf 4.4.

Daarin is onderbouwd dat aan de gemeentelijke parkeernorm wordt voldaan.

18/119

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over in de Omgevingswet wanneer deze in 2024 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Toetsing In het bestemmingsplan zijn twee bestemmingen voor de bescherming van archeologische waarden opgenomen. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' zijn een aanvulling op de geldende enkelbestemming 'Recreatie'. Op basis van deze bestemmingen is archeologisch onderzoek aan de orde bij ontwikkelingen groter dan 100 m2 of 500 m2 en dieper dan 0,35 of 0,40 m onder het maaiveld. Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Medemblik een beleidskaart archeologie opgesteld. Deze beleidskaart is op 28 februari 2019 vastgesteld.

Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Voor de beleidskaart zijn de waarde en de begrenzing van de historische dorpslinten nader gespecificeerd, onder andere aan de hand van verschillende historische kaarten. Het westelijk deel van het plangebied in een zone met een hoge waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden. Voor het oostelijke deel geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Voor dit deel geldt een vrijstellingsgrens van 1.000 m2, zie figuur 4.1. Met de ontwikkeling wordt de drempelwaarde uit de dubbelbestemming niet overschreden. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 950 m² en de bodem wordt met de ontwikkeling niet geroerd, omdat het huidige pand behouden blijft en hoogstens een interne verbouwing plaatsvindt. De archeologische dubbelbestemming blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd.

19/119

Figuur 4.1

Ligging plangebied op de Beleidskaart Archeologie

Advies Archeologie West-Friesland In augustus 2023 heeft Archeologie West-Friesland een advies uitgebracht omtrent het aspect archeologie. Dit advies is opgenomen in Bijlage 1. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Geadviseerd wordt om de vrijstellingsgrenzen van de beleidskaart over te nemen in de vorm van dubbelbestemmingen of de huidige dubbelbestemming te behouden. De huidige dubbelbestemmingen blijven in de toekomstige situatie gehandhaafd. Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.1.2 Cultuurhistorie Toetsingskader De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt. Onderzoek Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Het is niet noodzakelijk om regels op te nemen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie is geen belemmerende factor voor de voorgenomen ontwikkeling in dit gebied.

20/119

Conclusie Vanuit het omgevingsaspect cultuurhistorie is er geen belemmering voor het plangebied.

4.2

Ecologie

Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 4.2.1 Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Onderzoek Stikstofdepositie Het plangebied ligt op circa 3,7 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied het IJsselmeer. In het plangebied

21/119

wordt een recreatiewoning getransformeerd tot een reguliere woning. De toename van de verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.4) is van dermate geringe omvang dat op voorhand kan worden gesteld dat het plan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Een stikstofdepositieberekening wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 4.2.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Er vinden geen sloop-, kap- of dempingswerkzaamheden plaats binnen het plangebied. Het bestaande gebouw wordt slechts verbouwd tot woning. Op voorhand kan daarom worden gesteld dat er geen beschermde soorten worden aangetast. Ecologisch onderzoek is hier daarom niet aan de orde. Wel geldt ten allen tijden de zorgplicht.

Er kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten. Aan de zorgplicht kan worden voldaan door zo te werk te gaan dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden of door dieren naar dergelijke habitat te verplaatsen.

22/119

Conclusie Het aspect ecologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.3

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij een functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De gronden zijn in de huidige situatie bestemd en in gebruik voor recreatieve doeleinden. Gezien dit gebruik wordt verwacht dat de bodem eveneens geschikt is voor permanente bewoning. Een verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.4

Verkeer, ontsluiting en parkeren

Verkeer en ontsluiting Binnen het plangebied wordt een woning mogelijk gemaakt. In de huidige situatie bevindt zich hier een recreatiewoning. De toekomstige verkeersgeneratie is berekend op basis van de gemiddelde kentallen die afkomstig zijn van CROW (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren). Gemeente Medemblik betreft een weinig stedelijke gemeente en het plangebied ligt in buitengebied. Aldus bedraagt de verkeersgeneratie in de huidige situatie 2,7 mvt/etmaal. In de toekomstige situatie bedraagt dit 8,2 mvt/etmaal. In totaal neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie met 5,5 mvt/etmaal toe. Het plangebied wordt ontsloten op de Zuiderweg, dat aansluit op de Dorpsweg, richting de N239. Het plangebied wordt daarmee goed ontsloten. De toename van verkeersgeneratie is daarnaast dusdanig gering dat de toename zonder problemen kan worden opgevangen. Parkeren Voor de woning zijn op basis van het gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de Nota Parkeernormen gemeente Medemblik 2021, 3 (2,4) parkeerplaatsen nodig, zie tabel 4.2. In het gebied buiten de bebouwde kom dienen de parkeerplaatsen allemaal op eigen terrein te worden aangelegd. Parkeren kan in het buitengebied namelijk gevaarlijke situaties voor de weggebruikers opleveren. Er zijn over het algemeen daar geen openbare parkeerplaatsen aanwezig. In het plangebied is ruimte voor drie auto's op het eigen terrein.

Er hoeven geen parkeerplaatsen in de openbare ruimte te worden gerealiseerd. Derhalve wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Tabel 4.2

23/119

Parkeernormen gemeente Medemblik

Parkeernormen wonen Functietype Koop, vrijstaand Koop, twee onder één kap Koop, tussen/ hoek Koop, appartement, duur Koop, appartement, midden Koop, appartement, goedkoop Huurhuis, vrije sector Huurhuis, sociale huur Huur, appartement, duur Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

Binnenstad Medemblik* 1,8 1,7 1,5 1,6 1,4 1,3 1,5 1,3 1,4 1,1

Overige kernen* Buiten gebied 2,3 2,4 2,2 2,2 2,0 2,0 2,1 2,1 1,9 1,9 1,6 1,6 2,0 2,0 1,6 1,6 1,9 1,9 1,4 1,4

Eenheid Woning Woning Woning Woning Woning Woning Woning Woning Woning Woning

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.5

Milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden/rustige buitengebieden en gemengde gebieden. Onderzoek In de directe omgeving van het gebied komt overwegend de agrarische functie met daaraan ondergeschikt de woonfunctie voor. Derhalve wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als 'gemengd gebied'. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied bevinden zich woningen, waarvoor geen richtafstand hoeft te worden aangehouden. Verder ten noorden zijn een sport- en massagebedrijf een fysiotherapeut gevestigd.

Dergelijke functies vallen in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter moet worden aangehouden. Met een afstand van circa 185 meter wordt hier ruimschoots aan voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

24/119

4.6

Geluid (wegverkeerslawaai)

Toetsingskader Wet geluidhinder Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 1 weergegeven. Tabel 1: schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken breedte van de geluidzone [m] buitenstedelijk gebied stedelijk gebied 5 of meer 600 350 3 of 4 400 350 1 of 2 250 200 De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied.

Deze definities luiden: stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB.

Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB bedraagt; • 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB bedraagt;

25/119

•

2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting.

De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbelastingen toegepast, tenzij anders vermeld. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied.

Voor de als permanente woning in gebruikt te nemen recreatiewoning aan de Zuiderweg 12a geldt dat deze binnen de wettelijke zone ligt van de Zuiderweg en dat er sprake is van een binnenstedelijke situatie. De voorkeursgrenswaarde bedraagt Lden = 48 dB en de de maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB. Omdat de recreatiewoning wordt bestemd als woning, wordt formeel uitgegaan van een nieuwe situatie. Onderzoek De recreatiewoning en de Zuiderweg zijn ingevoerd in een beknopt SRMII rekenmodel. Op basis van verkeerstellingen in 2021 (1.258 mvt/etmaal bedraagt op basis van jaarlijks 1% autonome groei de etmaalintensiteit op de Zuiderweg afgerond 1.450 mvt/etmaal in 2033 (10 jaar na plandatum). in het model/berekening is verder uitgegaan van standaard voertuig- en etmaalverdelingen, een klinkerverharding en een rijsnelheid van 50 km/uur. Het beknopte rekenmodel en de berekende geluidbelasting is weergegeven in onderstaande figuur.

26/119

Toetsing en conclusie Uit de wegverkeerslawaaiberekening blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Zuiderweg ten hoogste Lden = 50 dB bedraagt op de voorgevel (inclusief 5 dB aftrek art. 110g Wgh). Dit is (gering) hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB, maar niet hoger dan de grenswaarde van Lden = 63 dB. Binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder kan het plan worden uitgevoerd. Wel dient er een hogere waarde te worden vastgesteld. Maatregelen zijn in dit geval niet mogelijk (aanpassing wegdek niet mogelijk, afscherming niet gewenst vanuit stedenbouwkundig oogpunt) en niet kosteneffectief. Wanneer wordt getoetst aan de nieuwbouw eisen van het Bouwbesluit 2012, zou de geluidwering op basis van de geluidbelasting ex 5 dB aftrek moeten voldoen aan 55-33 = 22 dB(A). Gezien de opbouw van de voorgevel en het relatief gering raamoppervlak kan worden gesteld dat hieraan wordt voldaan. Conclusie Het aspect geluid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar)

27/119

en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10- 6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Toetsing Voor het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.

Op circa 2,5 km afstand bevindt zich de A7 (afrit 9), waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het invloedsgebied is 1.500 m. Omdat het plangebied buiten het invloedsgebied is gelegen, is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Verder bevindt zich op circa 72 m afstand een buisleiding. Het gaat hier om een aardgastransportleiding van Gasunie. Gasunie heeft in zijn overlegreactie aangegeven (zie Bijlage 3) dat het plangebied binnen de 1% effectafstand van de transportleiding ligt, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om zijn taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt omsloten via de Zuiderweg. Deze weg sluit aan op het overige wegennetwerk van Het Westeinde en Twisk.

Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie wordt één woning gerealiseerd. De aanwezigen zullen zelfredzaam zijn. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als tijdige alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de

28/119

blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het landelijke waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kunnen worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt één woning mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen die is

29/119

vrijgesteld voor toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A7 ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021 14 µg/m³ voor NO2, 14,17 µg/m³ voor PM10 en 6,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM 10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9

Water

Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Toetsing In het kader van het planvoornemen is de digitale watertoets doorlopen bij het Hollands Noorderkwartier. Hieruit blijkt dat de er geen procedure moet worden doorlopen, omdat er geen waterschapsbelang is. De watertoets is opgenomen in Bijlage 2. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

30/119

4.11 Spuitzonering Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht worden toegepast en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het algemeen een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd (ECLI:NL:RVS:2015:1698 en ECLI:NL:RVS:2017:1353). Echter door latere jurisprudentie kunnen zowel de PRI-onderzoeken als het in het gehanteerde EFSA-model niet meer ten grondslag worden gelegd aan een locatie specifiek onderzoek (ECLI:NL:RVS:2020:3018 en ECLI:NL:RVS:2022:3023). In een recente uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160): is geoordeeld “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=666332ef-1b01-48fb-832a-13160bcb8423