Zienswijze 3 BOBK (geanonimiseerd)
Tekst van het document
plannen ,
omdat
woningtypologie ,
aantallen
en
ruimtelijke
contouren
reeds vooraf zijn vastgelegd.
4. Enquête onder de omringende bewoners De BOBK doet eigenstandig een onderzoek onder de bewoners. Hieruit blijkt dat de bewoners zeker niet tegen bouw zijn en de noodzaak van extra woningbouw zeker begrijpen. 60% van de respondenten is voor het aanpakken van het woningtekort door (ook) bouw in het gebied Maassluis-West. Wel is er veel onbegrip over het feit dat ieder stukje groen in het gebied wordt volgebouwd. Omringende gemeentes laten het afweten , en de omliggende agrarische zones zijn kennelijk heilig. Veel mensen melden dat er in eerdere bestemmingsplannen sprake was van de bouw van slechts 100 woningen en de aanleg van een parkje bij de Koningshoek en dat zij ook met deze kennis een woning in het gebied hebben gekocht. Verder komt uit de enquête: -
Met name voor de mensen die direct tegen de nieuwbouw in Maasluis-West aan komen te wonen is het uitzicht op de nieuwbouw een bron van zorg. Waar nu wat land braak ligt gaat worden gebouwd , en dat is geen verrassing. Maar de wijze van bebouwing zoals het oprichten van een carré aan woonblokken tegen de randen van het grasveld Koningshoek en de andere grasvelden wordt zeer lelijk en zorgelijk gevonden.
-
De bouwhoogte tot 21 meter speelt daarbij vanzelfsprekend ook een grote rol. Tegen het bestaande karakter van de wijk en eerder gedane toezeggingen in wordt een tot 21 meter
hoge muur van appartementen gebouwd. Wat tijdens eerdere
inventarisaties van de gemeente nog een goed idee leek , een mooie wijkje aanbouwen met groen , wordt nu gewijzigd in een veel grootschaliger project. De
53
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
bewoners in deze enquête zien echter een rij van blokken beton , heel dicht bij de bestaande bebouwing gebouwd , dus met zeer weinig gevelafstand , soms beperkt tot 12 meter en minder. En let wel , we hebben het hier over hoogbouw. -
De Maassluise bewoners leven in één van de dichtstbevolkte gemeenten van Nederland , op de negende plaats (Bron: CBS , Inwoners per gemeente | CBS). En vervolgens in één van de dichtstbevolkte wijken met de laatste stukken groen in die wijk. En dan worden daar zo veel mogelijk woningen op gebouwd.
-
Groenvoorzieningen verdwijnen , hoe mooi het resterende groen op de plaatjes in het mooi ontworpen gebiedsvisie document ook is uitgelicht. 90% van de respondenten vinden dat er veel te weinig groen overblijft (162% vindt het een , probleem., 239% vindt het een groot probleem en 385% vindt het , ,
onaanvaardbaar). Men ziet als resultaat een muur van hoge bebouwing die de leefbaarheid van het hele gebied aantast en in de zomer zal kunnen zorgen voor de nodige hitte-stress. -
Uit de beantwoording wordt ook heel duidelijk dat de bewoners niet begrijpen waarom deze zeer dichtbevolkte stad en locatie nu ook deze aantallen woningen , tot 520 , moet gaan herbergen. Maak een foto van Maassluis en het is volslagen duidelijk dat de stad vrijwel vol is.
-
De bouwstrategie wordt bezongen door de provincie – want dit gebied leent zich er volgens deze overheid , zo lazen wij , perfect voor om zo dicht mogelijk vol te bouwen. Rotterdam aan de Waterweg.
Maar liefst 93% (!) van de respondenten vinden deze strategie helemaal niet passen bij onze stad. Zij vinden het een probleem (152%) , , groot probleem (335%) , of zelfs onaanvaardbaar (439%). , Parkeren , oftewel de oplopende parkeerdruk is een veelbesproken onderwerp. Veel bewoners , bijvoorbeeld aan de Van Beethovenlaan , zien nu al dat er regelmatig voor hun
flat door winkelpubliek wordt geparkeerd als het naastgelegen parkeerterrein vol is. Het is een
onderwerp dat heel Maassluis raakt , want mensen komen nu naar de Koningshoek om
te winkelen omdat ze hun auto gratis en goed kunnen parkeren. Maassluis
heeft hierdoor
ook , als één van de weinige steden , in dit winkelcentrum een bloeiende middenstand. Ruim 96% van de respondenten voorzien grote problemen met de voorgestelde plannen , en vinden het een groot probleem of vinden het simpelweg niet acceptabel dat de gemeente parkeerlocaties wil opofferen. Zij zien te weinig parkeerruimte terugkomen voor de nieuwbouw , parkeerplekken verdwijnen , op basis van aannames en parkeernormen die niet gaan stroken met de feitelijke uitwerking. Bij de Merellaan naast het metrostation staan flatgebouwen waarvan de parkeerterreinen regelmatig volstromen met metroreizigers. De bewoners vragen zich , in conclusie , af waarom de bestuurders dit plan willen uitvoeren , en waarom zij van mening zijn dat juist dit drukke gebied nog eens moet worden volgestouwd met hoogbouw. De BOBK ziet ook nog eens dat de gemeente zich vastlegt met
54
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
beloftes aan hogere overheden en andere partners als Waterweg Wonen. Bouw met deze hoge intensiteit en dichtheid lijkt daarmee een voldongen feit. De enquête is ingebracht in de participatie maar nooit door de gemeente geagendeerd of serieus genomen , doch nadrukkelijk genegeerd. Juridisch laat dit zich als volgt samenvatten: •
De gemeente heeft hiermee gehandeld zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb).
•
Art. 3:2 Awb (zorgvuldige voorbereiding) verplicht het bestuursorgaan om alle relevante feiten en belangen in kaart te brengen; Art. 3:46 Awb (deugdelijke motivering) vereist dat afwijkingen van breed gedragen participatie-inbreng worden gemotiveerd; Art. 16. 55 Omgevingswet verplicht tot participatie “in een open houding” , wat betekent dat het beeld over bewoners niet op onjuiste aannames mag berusten; Het fair play-beginsel brengt mee dat het bestuursorgaan geen besluitvormende houding mag aannemen op basis van een onjuist of negatief beeld van participanten.
•
•
•
in strijd met
de inspraakvereisten en het
5. Parkeeronderzoek Veel van de discussie gaat over de toenemende parkeerdruk in het gebied. Het winkelcentrum Koningshoek is een vitale voorziening in een stad die de ambitie heeft van 33. 000 naar 44. 000 inwoners te groeien. Op dit moment groeien de bezoekersaantallen al met 7% per jaar. De gemeente laat enkele parkeertellingen doen , laat mooie plaatjes zien van lege plekken , en meldt dat zij zich aan de CROW normering zal houden. De BOBK stelt dat de gemeente de plicht heeft de ontwikkelingen rond parkeren kwantitatief te onderzoeken en vast te stellen hoe de parkeerdruk zich zal ontwikkelen in de komende jaren. De gemeente weigert dit te doen. Wel is er overleg met Mobycon , het bureau dat de huidige parkeerdruk onderzocht
heeft en BOBK BOBK
en
gedurende
Mobycon zijn het gauw eens over de getelde aantallen. Dat kan omdat de twee
weken
een
grondig
en
grootschalig
onderzoek
doet
naar
de
parkeerbelasting. Maar dat is dan ook het enige waar wij het over eens zijn. Hierover schrijven wij aan de gemeente (brief 14 november 2024):
“Er is geen analyse van de situatie die ontstaat na realisatie van de plannen. Die analyse hebben wij wél gemaakt aan de hand van gedegen eigen onderzoek , en deze analyse geeft aan
dat er bij de Hoogvliet een groot probleem gaat ontstaan.
De gemeente spreekt steeds over normen. Een norm is een vastgesteld doel. Om daar te komen moet je als bestuur eerst berekenen wat de uitkomst is van de maatregelen die je neemt. Vervolgens kun je dan kijken of en met welke verdere maatregelen de normen kunnen
worden gehaald. Een goed en overwogen , door data ondersteund besluit met formulering van de daarbij horende maatregelen vereist analyse vooraf en die is niet uitgevoerd. ”
55
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
De gemeente bleef en blijft volharden in haar weigering om aan de hand van een geaccepteerd verkeersmodel te berekenen wat de bewoners te wachten staat bij de uiteindelijke groei met 33% van het aantal inwoners , en de sterke groei van winkelcentrum Koningshoek dat inmiddels een streekfunctie heeft gekregen. Wij bezien onze bezwaren in de volgende juridische context: •
ABRvS 2020:79 (verkeer): een plan moet verkeersgevolgen inzichtelijk en onderbouwd maken.
•
De gemeente beroept zich op recente normen en beroept zonder onderliggende
•
berekeningen , wat strijdig is met art. 3:46 Awb (deugdelijke motivering). Hieraan voegen wij nog toe dat het winkelcentrum in de wijk een streekfunctie voor detailhandel heeft , en daarom het gebruik van CROW-normen voor een standaard woonwijk niet reëel is.
6. Falende Participatie in eerste fase – Concept Gebiedsvisie De participatie Gebiedsvisie Maassluis-West ging van start. Een bureau werd ingehuurd en een strakke agenda opgesteld. Al gauw wordt de BOBK duidelijk dat de hele organisatie van de participatie zich richt op agendapunten die de gemeente welgevallig zijn en dat het aantal te
bouwen
woningen , bouwvolume , en
hoogte
absoluut
niet
bespreekbaar
zijn , in
tegenstelling tot het participatieplan. Op basis van door ons verstrekte informatie , een advies van het college van Rijksadviseurs en vermoedelijk ook verzet van andere bij in het openbaar vervoer betrokken organisaties en gemeenteraadsleden heeft de gemeente een appartementengebouw op het parkeerterrein bij metrostation Maassluis-West tijdens de participatie laten vervallen. Daarmee heeft de gemeente
naar ons
inzicht een groot toekomstig congestieprobleem voorkomen. Voor de
aanwonenden aan gebied Koningshoek , die hun auto’s daar niet hoeven te parkeren bleef de situatie voor de hun aanlandende bebouwing na het laten vervallen van dit gebouw verder ongewijzigd: de resterende bouw is nog steeds te veel , maakt het gebied te vol , is te hoog en onbesproken tijdens de participatie. De BOBK schrijft op 14 november 2024 een samenvattende brief over de uitkomst van het participatieproces met de volgende punten: -
Het raadsbesluit van 5 maart 2024 is niet nageleefd door de gemeente. Op geen enkele wijze kon de BOBK bouwkundige volumes , aantallen woningen bespreekbaar maken.
-
De gemeente ontloopt iedere discussie over parkeren (zie ook de vorige paragraaf). Het blijft onduidelijk waarom de gemeente niet zelf de ontwikkeling rond het parkeren vanwege
groei van de bezoekersaantallen van het winkelcentrum heeft onderzocht. Zij
ontloopt haar zorgplicht.
56
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
Op dit moment , aan het einde van deze participatiefase ontbreekt iedere modellering
-
van
de
ontwikkeling
gebiedsontsluiting
van
(verkeersstromen) , fijnstofuitstoot ,
geluidsbelasting en geluidsoverlast. Deze inspraak is slechts een doekje voor het bloeden geweest.
-
Er is door de gemeente ook al een participatieplan opgesteld voor de volgende fase. Het stelt dat eerst de Visie wordt vastgesteld , dat daar niet meer over gesproken kan worden , en dat we dan gaan participeren. Het benoemt de openstaande punten die de BOBK heeft gesignaleerd niet. Wij doen voorstellen om – als uitgangspunt voor de volgende fase – het aantal woningen te beperken , geen parkeerplaatsen te laten vervallen. Eerder deden wij een voorstel om de GSI
(Ground Space Index) te verminderen met 25% op basis van de laatste voorgestelde indeling. Hiermee zou de “footprint” van de bebouwing significant afnemen. Als bijlage bij de brief deden wij een feitenrelaas met alle contactmomenten die wij met de gemeente hebben gehad en verzoeken die wij hebben gedaan om over bouwvolumes , woningaantallen , en bouwhoogte te kunnen overleggen. Uit het feitenrelaas blijkt dat de gemeente steeds ieder overleg hierover uit de weg is gegaan en het relaas benoemt drie gesprekken met de gemeente , zes mails , twee brieven aan de Gemeenteraad , en divers commentaar op de door de gemeente ingeleverde participatieverslagen , alle zonder effect. Uiteindelijk volgt nog een laatste afrondende participatiesessie. In deze sessies wordt het openstaand commentaar van de participanten nog een keer doorlopen , doch er volgen geen materiële wijzigingen.
7. Besluit Gemeenteraad tot goedkeuring van de Gebiedsvisie Op 3 december 2024 vindt er een raadsvergadering plaats waar de Gebiedsvisie Maassluiswest
wordt
goedgekeurd.
woningblokken
te
laten
In de
vergadering wordt door
vervallen
parkeerplaatsen te beperken
en
tot 100.
het
aantal
bij
de raad de
besloten
Koningshoek
Er komt dan een maximaal
te
om
twee
vervallen
aantal te realiseren
woningen van 420 uit. De BOBK is blij met iedere beperking van het aantal woningen , maar stelt dat dit niet tegemoetkomt aan de rechten en de behoeften van de bewoners: het is geen participatie en steeds is de participanten de mogelijkheid ontnomen om over de volle breedte van het plan te kijken naar bouwkundige inrichting en daarover inspraak uit te oefenen. Op de nog
Uiverlaan gaan woningen nog steeds terug van volle zon naar twee uur bezonning per dag. Tijdens
de participatie wordt afgesproken om de openstaande punten in een nieuwe participatie door te nemen en de bewoners dan ook intensief te betrekken bij ontwerpen en bouwkundige uitgangspunten , alsook de uitwerking van het plan op de omgeving.
57
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
In een motie van de gemeenteraad wordt ook nog eens uitdrukkelijk aangegeven dat de participanten , waaronder de BOBK , zullen worden meegenomen in de onderzoeksopzet van alle uit te voeren onderzoeken.
8. Vervolg: BOBK niet als organisatie (meer) uitgenodigd In het hele traject tot aan de goedkeuring van het concept visie is er een kleine groep binnen de BOBK die rechtstreeks praat met de gemeente. Een bewoner is aangewezen binnen die groep
als coördinator van de communicatie met de gemeente.
De gemeente lanceert een participatieplan voor de nieuwe participatiefase. Al gauw wordt duidelijk dat de gemeente de inspraak in een strak keurslijf giet en dat personen met wie de gemeente voorheen sprak in het kader van de eerste participatieronde nu worden uitgesloten ,
waaronder de coördinator. Er was echter ook besproken en besloten in de raadsvergadering dat wij als BOBK ook tijdens de participatie in fase 2 een uitdrukkelijke rol zouden gaan krijgen. Tot onze grote verbazing doet de gemeente dus het omgekeerde. Zonder enig overleg heeft de gemeente besloten om de BOBK als organisatie uit te sluiten van de participatie. Sommige mensen die ook lid zijn van de BOBK zijn weliswaar uitgenodigd , maar uitsluitend op persoonlijke titel , en mogen zich niet laten vervangen. Als we het daar niet mee eens zijn dan moeten we maar wegblijven , vertelde de projectmanager. Wie er van de BOBK aanschuift en wanneer is verder volstrekt onbespreekbaar. Andere organisaties , zoals Waterweg Wonen en een sportvereniging , mogen wel zelf mensen afvaardigen en vervangen. De gemeente heeft zelf in vele raadsvergaderingen en documenten de BOBK erkend als partij en betrokken in eerdere participatie. Nu wordt dit teniet gedaan. De BOBK gaat hiertegen in verweer in de media en bij de gemeenteraad. Uiteindelijk , na de eerste participatiesessie van deze tweede
gemeenteraadsleden
fase die heel rumoerig verloopt en onder druk van
in een raadsvergadering , mag
de
BOBK
van
de verantwoordelijk
wethouder als organisatie een persoon afvaardigen. Dat wordt de coördinator. Deze ontwikkeling is nadrukkelijk een vormfout van de gemeente en is aan te merken als: -
Schending van het fair play-beginsel (art. 2:4 Awb)
-
Schending van de gelijkheidsbeginselen
-
Schending van art. 16. 55 Omgevingswet (participatieplicht)
9. Verloop van de participatie in tweede fase De participatie bood geen reële mogelijkheid om het ontwerp-omgevingsplan of de gebiedsuitwerking te beïnvloeden op de onderwerpen die de BOBK steeds als essentieel heeft
58
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
gezien en benoemd aan de gemeente. Hierdoor is niet voldaan aan de kernvoorwaarde van participatie onder de Omgevingswet: reële beïnvloedbaarheid van keuzes De participatie mondt juist uit in een worsteling van de zijde van de BOBK om de juiste
informatie te krijgen
daarover
en
samenvatting in de BOBK
te kunnen
spreken. Op 26
mei volgt hiervan een
nieuwsbrief. Alle nieuwsbrieven worden aan bewoners , B&W
en de
gemeenteraad verstuurd. Wij schrijven: Wij willen echte , inhoudelijke participatie. Concreet betekent dit bijvoorbeeld: •
Meepraten over de dimensionering van het plan: zoals bouwhoogtes en wat waar komt. De gemeente hanteert bijvoorbeeld nu een brede bandbreedte in bouwhoogte en
wij willen hierover tot afspraken komen.
•
Inhoudelijk overleg over kavel E (de sporthal): onder andere over het ontwerp , de afmetingen , de gevel , geprojecteerde hoogbouw , en de ligging.
•
Transparantie over de onderzoeken: wij willen meepraten over de aanpak en resultaten van bodemonderzoek , parkeerdruk , verkeersstromen , fijnstofmetingen en meer. De gemeente weigert hierover elk overleg.
•
Antwoorden op onze vragen en onze mails: wij willen dat de gemeente eindelijk ingaat op onze zorgen – in plaats van deze te negeren.
Ten aanzien van het bouwvolume en het aantal woningen geeft de gemeente in haar beantwoording aan dat de ruimte die de gebiedsvisie biedt maximaal zal worden benut. Voor Kavel D , de sporthal , worden enkele wel drie alternatieve ontwerpen gepresenteerd waar de bewoners uit mogen kiezen. In de sessies probeert de BOBK harde afspraken te maken ten aanzien van bouwhoogte en dergelijke. Dat blijkt niet mogelijk.
10. Onderzoeken en onderzoeksopzet Eerder schreven wij dat de gemeenteraad in een motie had besloten dat de participanten zouden worden meegenomen in de onderzoeksopzet. De gemeente doet niets met dit besluit , Het argument voor deze afwijzing is dat “alles al in de wet is geregeld en inspraak dus niet mogelijk is”. Zo zegt en schrijft de gemeente , Tijdens het begin van de tweede participatieronde op 16 februari 2024 heeft de BOBK een “Bevindingen besprekingsruimte van onderzoeken bij Participatie” geschreven en gedeeld met de gemeente.
59
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
In dit onderzoek wordt het volgende uitputtend onderzocht en aangetoond: -
-
Dat de gemeente volgens de geldende wet de volledige vrijheid heeft om zelf te bepalen hoe een onderzoek wordt opgezet , zolang het voldoet aan de wettelijke eisen. Dat
de
gemeente
daarbij
gebruik
kan
(laten)
maken
van
verschillenden
onderzoeksmethodes en voorspellende modellen. -
-
Dat de gemeente daarbij rekening kan houden mobiliteitstrends alsook stedelijke ontwikkelingen in
demografische
mat
het
onderzochte
en
gebied ,
bijvoorbeeld ten aanzien van de ontwikkeling van de parkeerdruk. De BOBK geeft ook aan dat ten aanzien van verkeerdruk , fijnstofbelasting , geluidsonderzoek modellen kunnen worden gebruikt waardoor er voor gemeente en inwoners een duidelijk beeld ontstaat hoe het gebied Koningshoek zich zal ontwikkelen in de volgende jaren met de ontwikkelingen ten aanzien van bewonersaantal (uiteindelijk +33%) , bezoekers van winkelcentrum Koningshoek (+7% per
jaar) en de geprojecteerde nieuwbouw.
De BOBK stelt vast dat de ruimte ten aanzien van onderzoeksopzet die de gemeente weigert te geven bestaat en ook door andere gemeentes wordt gebruikt. De gemeente beperkt zich bijvoorbeeld tot enkele parkeertellingen , maar doet geen voorspelling van de toekomstige ontwikkeling. Ten aanzien van de luchtverontreiniging doet de gemeente geen specifiek onderzoek , net als ten aanzien van de ontwikkeling van de verkeersdruk en de ontsluiting. Het rapport met voorbeelden , benoemde methodieken en alternatieven in de opzet en de scope van de onderzoeken wordt door de gemeente afgedaan door het herhalen van haar mantra: Alles ligt vast in de wet , alles is genormeerd , onderzoeksopzet en strekking is daarom
niet bespreekbaar in de participatie. Onze
conclusie
is na
eigen onderzoek
dat niet modellerende
onderzoeken
anterieur
toereikend zijn in een gebied met zeer sterk toenemende aantallen bewoners en een zich sterk ontwikkelende toestroom van bezoekers. Derhalve vormt bovenstaande:
-
Een schending van de zorgvuldigheidsplicht (3:2 Awb) Een schending van de motiveringsplicht (3:46 Awb)
-
Een
-
schending van de instructieregels
Omgevingsverordening
ZH
(lucht , geluid ,
mobiliteit) -
En een schending van de genoemde gemeentelijke motie waarin ruimte werd gegund aan de participanten om over de onderzoeksopzet te praten.
De weigering van de gemeente om participanten toe te laten tot de onderzoeksopzet leidt ertoe dat onderzoeken niet zijn afgestemd op de situatie ter plaatse , waardoor de besluitvorming onvoldoende is voorbereid (art. 3:2 Awb).
60
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
11. Conclusie van de tweede participatieronde Op 23 september vat het BOBK de gang van zaken en de uitkomst van de participatie als volgt in een mail samen aan het college van B&W en de gemeenteraad:
“Wij constateren allereerst dat het college inmiddels alle documenten , notulen en verslagen met betrekking tot de participatie in fase 2 eenzijdig heeft vastgesteld. Dat past in het dwingende en strak geregisseerde participatieproces , waarmee de gemeente de bewoners naar vooraf vastgestelde keuzes leidt. Wanneer wij het Overzicht van Vragen en Antwoorden naast onze ervaringen tijdens de sessies leggen , ontstaat een duidelijk en eenzijdig negatief beeld. Bijvoorbeeld op onze zorgen over bouwhoogtes bij de Uiverlaan waar bewoners in de schaduw komen te staan , noteert de gemeente slechts dat wij suggesties hebben gedaan , maar dat de maximale hoogtes uit de gebiedsvisie blijven gelden. De stedenbouwkundige kijkt er misschien nog naar en deze doet wellicht nog wat met hoogteaccenten , maar veranderen of aanscherpen doet men verder niet. Vragen en verzoeken over vervuilde grond , het gronddepot bij de Koningshoek en de aanpak daarvan worden niet door de gemeente beantwoord , maar doorgeschoven naar de projectontwikkelaar.
De gemeente doet daarmee haar verplichtingen dus af met een paragraaf in het tenderdocument. “De DCMR kijkt toch mee”, lezen wij , alsof er dan geen aanleiding meer is om onze zorgen serieus te nemen. Over de persleiding die onder de sporthal loopt , en waarvan het al dan niet verleggen stevige gevolgen kan hebben voor ligging , nabijheid en opzet , blijft het stil: zolang het maar “past”. En toen bewoners aangaven dat het hoge woongebouw bij de sporthal rommelig en onaantrekkelijk oogt , werd simpelweg gesteld dat de ontwikkelaar een plan maakt “binnen de kaders” gesloten is.
–
en
dat daarmee de discussie
Op de vraag of bewoners mogen worden meegenomen in de voorwaarden die in de tender worden gesteld , bleef het antwoord eveneens negatief. Die voorwaarden zijn geheim tot publicatie , overleg daarover is uitgesloten. Wij lezen dus alleen achteraf wat de gemeente
heeft besloten over zaken die grote impact hebben op ons leefklimaat. In de participatie zijn deze onderwerpen afgeschoven naar de ontwikkelaar. En de fundamentele discussie over de tekortschietende niet-modellerende onderzoeksopzet rond geluidsdruk , fijnstof en verkeersbewegingen is niet in de rapportage opgenomen. Onze zijn verzameld en gedeeld , maar dat is dan ook het enige dat de gemeente doet. Onze zorgen dat dit gebied nu al onder druk staat en dat de plannen die druk verder vergroten , werden eenvoudig weggewuifd met de redenering dat er slechts “een beetje” extra overlast vragen
en
vervuiling bijkomt , en dat deze problemen er nu toch al zijn (in het gebied , dus waar maken
wij ons druk om). Dit laatste argument van de gemeente is overigens niet in de rapportage
terechtgekomen…”
61
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
De conclusie van de bewoners is dat de participatie een lege huls was. De participatie is
feitelijk gereduceerd tot een eenzijdig informatief traject , waarbij input van bewoners slechts een zeer
beperkte invloed had.
12. Participatierapportages als bijgevoegd bij het omgevingsplan De rapportages van de gemeente over de twee participatiefases als bijgevoegd bij het Omgevingsplan worden door ons als volgt beoordeeld: De verslagen presenteren de participatie als breed , inclusief en representatief – maar de feiten wijzen op het tegendeel: Regie op samenstelling werkgroep: uitsluiting van direct belanghebbenden Het verslag van de participatie in tweede fase stelt expliciet dat de gemeente “regie heeft gevoerd” op de samenstelling van de werkgroep , om te voorkomen dat “een
belangengroep” Dit betekent feitelijk:
zou
domineren.
•
De gemeente heeft actief gestuurd op welke bewoners wel of niet mochten deelnemen.
•
Direct belanghebbenden (omwonenden die de grootste impact ondervinden) zijn niet centraal gesteld , maar gedegradeerd tot ‘stakeholders’ die ingeperkt moesten worden.
•
De selectie van niet-belanghebbenden (“stadsbrede vertegenwoordiging”) is gebruikt als tegenwicht tegen bewoners die daadwerkelijk met de gevolgen moeten leven.
Conclusie: Dit is geen participatie maar regie op uitkomst. De verslagen zelf erkennen dat de participatievormen onvoldoende diepgang boden voor cruciale onderwerpen zoals: •
Bouwvlakken
•
Bouwhoogtes
•
Afstanden
•
Parkeren
•
Bereikbaarheid
Citaat: “De reguliere participatie bood voor de BOBK onvoldoende ruimte voor de door hen gewenste diepgang” . Daaruit volgt: •
62
De participatievorm is onvoldoende passend gekozen.
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
•
Dat
betekent dat de gekozen methode
niet heeft voldaan aan art. 10. 2
Omgevingswet (passende participatievorm). Conclusie: De gemeente presenteert intensieve gesprekken als “extra service” , terwijl het verslag juist bewijst dat het gekozen traject onvoldoende en ondeugdelijk was. De rapportage wekt de indruk dat er veel voorstellen zijn overgenomen , maar de cijfers zijn misleidend: Het participatieverslag uit oktober 2024 claimt: •
68% overgenomen 11% gedeeltelijk
•
16% onderzoek
•
5% niet overgenomen Wat ontbreekt: • Geen enkele aanbeveling over het kernpunt van bewoners (bouwvolumes & bezonning Uiverlaan , duidelijke modellering van onderzoeken zoals die rond •
het parkeren) is overgenomen. •
Het verwijderen van Gebouw D en het verschuiven van afstanden aan de Logger zijn detailcorrecties , geen structurele beperkingen van bouwvolume.
•
Het
maximale
aantal
woningen
wordt
450/460 , maar dat is in werkelijkheid
een
gepresenteerd
als verlaagd
naar
beleidskeuze door de raad en niet
het gevolg van participatie. Conclusie: De genoemde percentages zeggen niets over de thema’s die voor bewoners het meest wezenlijk zijn , die er toe doen. Op die thema’s is 0% overgenomen. De gemeente presenteert het als een ‘knieval’ richting BOBK , maar de verslagtekst zelf toont dat het tegendeel waar is:
De participatieverslagen stellen dat: • De BOBK “een goed georganiseerde groep” is •
Dat er “frequent afstemming” was
Dat er “meer draagvlak” is ontstaan Maar nergens blijkt: • Dat de BOBK een cruciale eis gerealiseerd heeft gekregen; •
•
•
Dat de kernbezwaren over schaduwwerking , bouwvolumes , verkeersdruk , parkeerdruk en vervuilde grond structureel zijn verwerkt; Dat er participatie is geweest op het niveau van ontwerpprincipes zoals
afgesproken. Integendeel:
63
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
•
De grote terugkerende thema’s (“begrip & zorg”) worden wel benoemd , maar de bijbehorende oplossingen ontbreken.
•
De gemeente presenteert normaliter gewenste of verplichte optimalisaties (zoals het laten vervallen van Gebouw D) als “tegemoetkomingen”.
Conclusie: De positieve framing (“meer begrip” , “draagvlak”) staat volledig los van de feitelijke uitkomsten. De gehanteerde participatie-instrumenten geschikt voor planologische besluitvorming:
(straatinterviews , enquêtes)
zijn
niet
Uit het participatieverslag van Oktober 2024 blijkt: • Straatinterviews werden gehouden met passanten in het centrum , bij het Albeda College en bij Koningshoek (publiek zonder directe betrokkenheid). •
Online enquête stond open voor iedereen in Maassluis.
•
De diversiteit van deelnemers wordt geprezen , maar er is geen analyse van representativiteit.
•
De grootste groep woningbouwzoekers werd actief aangetrokken.
Waarom dit problematisch is: • Deze methode is niet geschikt voor het beoordelen van de effecten op directe •
belangen (schaduw , verkeersdruk , veiligheid , parkeerruimte , leefbaarheid). De Omgevingswet vereist “passende participatie” , wat betekent: participatie die aansluit bij het type besluit en de gevolgen voor belanghebbenden.
•
Het betrekken van willekeurige passanten kan niet dienen als juridisch valide input voor keuzes met directe ruimtelijke impact op bewoners van Koningshoek en Uiverlaan.
Conclusie: De gemeente presenteert kwantiteit als kwaliteit. De participatie vond grotendeels plaats zonder beschikbaarheid van- en dus ook inzicht in de daadwerkelijke effectstudies: Het verslag van de participatie in tweede fase toont: • Er zijn 6 werkgroep sessies geweest • •
De eerste drie bestonden uit toelichting op conceptteksten Aanbevelingen werden pas achteraf beoordeeld door
gemeentelijke
specialisten en stedenbouwkundigen Maar: •
64
Cruciale onderzoeken (schaduw , bezonning , verkeer , bodem , parkeren) waren niet beschikbaar tijdens de participatie.
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
•
De participanten mochten geen scenario’s vergelijken maar alleen reageren op een
•
voorkeursvariant.
Daarmee ontbrak de kern van echte participatie: keuzevrijheid op basis van
informatie. Conclusie: Dit voldoet niet aan de zorgplicht voor informatie volgens art. 4:8 Awb en art. 10. 2 Ow.
Kernobservatie: De participatie beschrijft vooral proceshandelingen , maar toont geen enkele materiële beïnvloeding van het plan door bewoners:
-
Uit het verslagen komt naar voren dat: De participatie vooral gaat over informeren (presentaties , excursies , toelichtingen). De reconstructie van aanbevelingen en keuzes volledig binnen de gemeentelijke organisatie plaatsvond.
-
Bewoners (en BOBK) geen gedeelde besluitvorming kregen over kernindicatoren: ▪ Bouwhoogtes ▪
Bouwmassa Oriëntatie
▪
Bezonningsnormen
▪
Afstandsnormen
▪
Verkeersintensiteiten
▪
Conclusie: De participatie had geen planologische betekenis en heeft de inhoud van de Gebiedsvisie niet wezenlijk gewijzigd. Samenvattend is het oordeel over de participatierapportages: De gemeente presenteert het participatieproces als breed , inclusief en succesvol , maar het participatieverslag toont juist aan
dat de gekozen methode onvoldoende passend was , dat direct belanghebbenden geen
volwaardige
invloed
hebben
kunnen
uitoefenen
op
de
planvorming , dat
essentiële
onderzoeken ontbraken tijdens het participatieproces en dat de aangebrachte wijzigingen marginaal zijn en niet tegemoetkomen aan de kernbezwaren. Daarmee voldoet de participatie participatie onder de Omgevingswet , schiet de informatievoorziening tekort onder de Awb en is de totstandkoming van de Gebiedsvisie procedureel en materieel gebrekkig. niet
aan
de
eisen
van
passende
13. Samenloop bezwaarprocedure GREX (Bijlage 2) en participatie In de beslissing op bezwaar inzake het raadsbesluit tot het openen van de grondexploitatie Station Maassluis-West heeft de gemeenteraad expliciet gesteld dat wezenlijke financiële en programmatische afwegingen uitsluitend thuishoren in de procedure van het
65
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
omgevingsplan. Daarmee erkent de gemeente dat dit het moment is waarop deze keuzes inzichtelijk , bespreekbaar en toetsbaar hadden moeten zijn. In de praktijk zijn bewoners echter geconfronteerd met een ontwerp-omgevingsplan waarin deze informatie ontbreekt of slechts zeer globaal is weergegeven. Hierdoor zijn bewoners pas laat en onvolledig geïnformeerd over de aard en gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling. Deze gang van zaken heeft ertoe geleid dat participatie feitelijk is uitgehold: bewoners konden niet tijdig en niet op basis van volledige informatie deelnemen aan het proces , terwijl de belangrijkste keuzes al richtinggevend waren vastgelegd. Dit staat haaks op het uitgangspunt van vroegtijdige en betekenisvolle participatie zoals beoogd onder de Omgevingswet.
14. Conclusies volgend uit deze bijlage In het participatie- en besluitvormingsproces blijkt dat de gemeente Maassluis reeds vóór en tijdens de planvorming materiële keuzes heeft vastgezet over bouwvolume , woningprogramma , parkeren , fasering en contractpartners , terwijl bewoners structureel zijn uitgesloten van invloed op deze kernpunten. Relevante onderzoeken zijn niet in samenhang , niet toekomstgericht en zonder betrokkenheid
van
participanten opgezet , en essentiële
informatie is pas achteraf of geheel niet beschikbaar gesteld. Daardoor
ontbreekt
een
zorgvuldige
voorbereiding
en
is het
ontwerp-omgevingsplan
onvoldoende transparant , toetsbaar en navolgbaar. Onder deze omstandigheden kan van indieners redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij een volledige en afgeronde zienswijze indienen. Vaststelling van het plan zou neerkomen op het formaliseren van vooraf vastgezette keuzes en het passeren van wezenlijke belangen van omwonenden.
15. Verzoek In het kader van het in deze bijlage gestelde verzoeken wij u om: 1.
Te erkennen dat deze zienswijze noodgedwongen onvolledig is , omdat: Participatie geen reële invloed heeft gehad op kernkeuzes (bouwvolume , hoogte , parkeren , fasering); -
Cruciale informatie en onderzoeken ontbraken of niet bespreekbaar waren; Eerdere vragen , brieven en inbreng van de BOBK structureel onbeantwoord zijn gebleven.
2.
In de Nota van Zienswijzen expliciet te motiveren: Waarom is afgeweken van raadsbesluiten , amendementen en toezeggingen over bespreekbaarheid van woningaantallen en bouwvolume; -
66
Waarom participatie op deze punten feitelijk is uitgesloten; Hoe dit zich verhoudt tot art. 16. 55 Omgevingswet en art. 3:2 en 3:46 Awb.
Bijlage 3– Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken
3.
Inzichtelijk te maken in hoeverre het ontwerp-omgevingsplan voortbouwt op vooraf vastgezette keuzes , waaronder:
4.
-
De intentieovereenkomst en/of SOK met Waterweg Wonen;
-
De geopende grondexploitatie en bijbehorende financiële kaders;
-
De tenderdocumenten en daarin vastgelegde randvoorwaarden.
De ontbrekende en ontoereikende onderzoeken te herstellen , door: Toekomstgerichte en modellerende onderzoeken naar verkeer , -
parkeren ,
luchtkwaliteit en geluid; -
5.
De mogelijkheid te bieden deze zienswijze aan te vullen , nadat: Alle planologisch relevante stukken openbaar zijn gemaakt; -
-
6.
Duidelijkheid is gegeven over de juridische en feitelijke doorwerking van eerdere besluiten; Inzicht is geboden in alternatieven en varianten die tot nu toe niet zijn onderzocht.
Het ontwerp-omgevingsplan niet vast te stellen voordat: Bovenstaande gebreken zijn hersteld; -
67
Inzicht in cumulatieve effecten bij groei van bewoners , bezoekers en functies; Herbeoordeling van milieueffecten in relatie tot bouwvolume en dichtheid.
Participatie aantoonbaar invloed heeft gehad op de kern van het plan; De gemeenteraad een open afweging heeft kunnen maken
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Bijlage 4 – Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
68
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Bijlage 4 – Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
1. Inleidende duiding – bodemkwaliteit en aangrenzende BUS-melding Deze bijlage bevat een inhoudelijke beschrijving en analyse van de bodemkwaliteit binnen het plangebied en de directe omgeving , in relatie tot de voorgenomen bouwontwikkeling in Maassluis-West. Daarbij wordt ingegaan op bekende en mogelijke bodemverontreinigingen , de aard en omvang daarvan , en de consequenties voor een veilige en milieuhygiënisch verantwoorde woonfunctie. In dit kader merken wij op dat voor een aangrenzend gebied , de Noord Nieuwlandse PolderZuid , door DCMR een BUS-melding is beoordeeld (zaaknummer 4190999). Deze beoordeling ziet uitsluitend op de procedurele aanvaardbaarheid van een saneringsmelding onder het Besluit uniforme saneringen en betreft uitdrukkelijk geen beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De betreffende sanering betreft een immobiele sanering , waarbij verontreiniging in de bodem achterblijft en wordt afgedekt met een leeflaag. Uit de BUS-beoordeling volgt geen inhoudelijk oordeel over de uiteindelijke bodemkwaliteit , noch over mogelijke verspreidingsrisico’s , restverontreiniging of effecten buiten de begrensde saneringscontour. Aan deze BUS-melding kunnen daarom geen conclusies worden verbonden over de bodemkwaliteit , milieuhygiënische geschiktheid of gezondheidsrisico’s voor het plangebied waarop deze zienswijze betrekking heeft.
Dit geldt temeer nu bodemverontreiniging , grondwaterstromen en cumulatieve effecten zich niet beperken tot kadastrale of planologische grenzen. Tijdigheid BUS-melding Daarbij is van belang dat de BUS-melding voor de aangrenzende locatie Noord Nieuwlandse Polder-Zuid pas in oktober 2025 is ingediend , terwijl de onderliggende bodemonderzoeken dateren uit 2022 en de bouwactiviteiten aan de Spechtstraat reeds in maart 2025 feitelijk zijn gestart. Deze volgorde wijst erop dat de BUS-melding niet is ingezet als voorafgaand en integraal onderdeel van de ruimtelijke en bodemkundige besluitvorming , maar als reactieve reparatiemaatregel nadat bodemingrepen en bouwactiviteiten reeds waren aangevangen. Een dergelijke late inzet kan eerdere tekortkomingen in de bodembeoordeling niet herstellen en kan geen dragende betekenis krijgen bij de beoordeling van nieuwe woningbouwontwikkelingen , waaronder Maassluis-West. Conclusie De late en reactieve inzet van een BUS-melding voor een aangrenzend gebied kan eerdere tekortkomingen in de bodembeoordeling niet herstellen en mag geen dragende betekenis krijgen bij de besluitvorming over de bouwontwikkeling Maassluis-West , waarvoor een zelfstandige , actuele en integrale beoordeling van bodemkwaliteit en milieurisico’s onmisbaar is.
69
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Daarbij ontbreekt iedere inhoudelijke motivering waarom een bodemverontreiniging die in het verleden aanleiding gaf tot een ontgraving tot circa 18, meter , thans zonder nadere inhoudelijke onderbouwing als beheersbaar wordt verondersteld via een immobiele saneringsbenadering. Het ontwerp-omgevingsplan maakt deze wijziging in benadering niet inzichtelijk en beperkt zich tot procedurele verwijzingen , hetgeen onvoldoende is vanuit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding en rechtszekerheid.
2. Feitelijke bodemopbouw en verontreiniging volgens beschikbare
onderzoeken Uit het verkennend bodemonderzoek Noord-Nieuwlandsepolder (Ingenieursbureau Land , 8 juli 2022) blijkt dat de gehele locatie Koningshoek/Station West op verschillende dieptes verdacht is op verontreinigingen met zink , organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) , arseen minerale olie. In de ondergrond (circa 05–27 , , m-mv) zijn op meerdere plaatsen interventiewaarde-overschrijdingen aangetoond van arseen , zink en OCB; de ondergrond is en
indicatief deels herbruikbaar en deels niet toepasbaar. De verontreinigingen zijn niet horizontaal en verticaal afgeperkt , zodat onbekend is of en waar sprake is van één of meer gevallen van ernstige bodemverontreiniging. In het grondwater worden overschrijdingen van de streefwaarden van zware metalen en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl)
aangetroffen. Het rapport concludeert dat vóór grondroerende werkzaamheden de verontreinigingen in de ondergrond nader moeten worden afgeperkt om vast te stellen of in een geval van ernstige bodemverontreiniging mag worden gegraven , en dat voor graafwerk in of onder de leeflaag steeds een melding bij het bevoegd gezag nodig is. In het voorafgaand bodemonderzoek van BMA Milieu (VBO.2024.0176 , 4 februari 2025) – opgesteld specifiek ten behoeve van de vijf bouwblokken A , B/C , E , F en G – wordt bevestigd dat de bouwlocaties zijn gelegen op een voormalig baggerspeciedepot (loswal 74) , opgebracht in de periode 1961–1967 met slib uit de petrochemische havens van Rotterdam en
destijds niet afgedekt. De latere bodemsanering is gerealiseerd door het aanbrengen van
leeflaag; de dikte daarvan varieert sterk per locatie. Waar de leeflaag dun is , wordt , , m-mv verontreinigd havenslib aangetroffen , onder meer bij de vanaf circa 04–07 bouwblokken A , B/C , E en G. een
De analyseresultaten in VBO. 2024. 0176 laten zien dat in de ondergrond (havenslib) onder meerdere bouwblokken sprake is van matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen , PCB en , plaatselijk , bestrijdingsmiddelen (drins) , waarbij de kwalificatie “matig verontreinigd” tot “sterk verontreinigd” wordt toegekend. De bovengrond/leeflaag valt overwegend in de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur , wonen of industrie , maar de kwaliteit daarvan is – mede door de sterk wisselende dikte – niet uniform.
70
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Voor bouwblok F geldt een afwijkend beeld: daar is een gronddepot/terp aanwezig van circa 1. 250 m³ , dat bij een eerdere aanleg van het parkeerterrein is vrijgekomen. Deze partij voldoet alleen aan functieklasse industrie; asbest is in die partij niet aangetroffen. Het
depot/terp maakt onderdeel uit van de huidige onderzoekslocatie. Samengevat volgt uit de bodemonderzoeken 2022 en 2025 dat: •
De locatie is gesitueerd op een voormalig baggerspeciedepot met sterk verontreinigd havenslib;
•
De leeflaag sterk in dikte varieert en in delen al vanaf 04–07 , , m-mv wordt “doorbroken” door verontreinigd slib;
•
In de ondergrond sprake is van matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen , drins , PCB , PAK , minerale olie en OCB;
•
In het grondwater diverse overschrijdingen van streefwaarden voor zware metalen en VOCl zijn vastgesteld.
3. De beperking in de (mogelijke) afgraving ten behoeve van parkeerdekken In de aanvullende grondbalansen van Bouwblok B , C en E (3 juni 2025) blijkt dat de bodemverontreiniging in het plangebied gebiedsdekkend is en niet beperkt blijft tot de bouwblokken. Alle profieltekeningen in deze bijlagen tonen dat de volledige ondergrond bestaat uit een combinatie van industriegrond (vaak 04–10 m dik) met daaronder een , , doorlopende laag vergronde baggerspecie vanaf circa NAP +380 tot +350 , , (bijv. Bouwblok B p. 3–14;
Bouwblok C p. 15–20; Bouwblok E p. 2–8 en p. 9–11 , 40748-VO-Grondbalans BC/E aanpassing oppervlakte parkeren). De buitenruimtes – waaronder trottoirs , binnenterreinen , plantsoenen en toekomstige verblijfsgebieden voor bewoners
–
blijken dezelfde
verontreinigde bodemopbouw te hebben als de bouwkuilen. Toch is voor deze nietbebouwde zones geen enkele saneringsmaatregel opgenomen. Buitenruimten zoals B-1c , B-1d , B-2b , B-3 (p. 5–8) , C-5b en C-7b (p. 17 , 20) en E-2b en E-5b
(p. 4 en 8) laten zien dat de vervuilde industrie- en baggerspecielagen volledig in stand blijven , terwijl daar slechts 006–010 , , m zandbed of verharding wordt aangebracht. Hiermee ontbreekt de wettelijk vereiste leeflaag van ten minste 05, meter boven verontreinigde bodem conform artikel 8. 13 en 8. 14 Bkl en de beschermingsregels van ZHOV Bijlage XXVI (grondwaterbescherming). Het project voorziet slechts in extra ontgraving en aanvulling onder de gebouwen (o. a. t. b. v. parkeerdekken) , maar dit is geen gebiedsbrede sanering en laat het merendeel van de verblijfsruimte voor bewoners en kinderen onbeschermd op vervuilde grond achter. Daarmee is het bodembeeld in de toelichting van het ontwerp-omgevingsplan onvolledig , onjuist en misleidend. Het plan presenteert geen saneringsstrategie voor de openbare
71
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
ruimte en geeft de raad geen inzicht in de werkelijke milieugevolgen. Dit vormt een schending van artikel 3:2 Awb (zorgvuldige voorbereiding) , artikel 16. 55 Ow (volledige en juiste informatieverstrekking) en de plicht tot het borgen van een veilig woon- en leefklimaat (art. 2. 1 Ow). Zonder een gebiedsdekkende saneringsopgave , correcte bodemrisicoanalyse en een
leeflaagplan kan het ontwerp-omgevingsplan niet in stand blijven.
4. Status als Wbb-locatie , DCMR en provinciaal voorbeschermingsregime Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat binnen de onderzoekslocatie eerder een sterk verontreinigde zone is vastgesteld in aangebrachte baggerspecie (gevalsnummer
AA055600279) , met sterke verontreinigingen met zware metalen , minerale olie , PAK , PCB en bestrijdingsmiddelen , afgedekt met een leeflaag. In het grondwater is daarbij sprake van sterke verontreiniging met barium en nikkel. Daarnaast wordt verwezen naar een eerder geval van ernstige bodemverontreiniging in de Noord Nieuwlandse Polder-Zuid
(AA055600368) met sterke verontreinigingen met arseen , cadmium , drins en PCB. De DCMR-gegevens , zoals opgenomen in de bodeminformatie en het dynamisch rapport in bijlagen bij VBO.2024.0176 , laten zien dat de locatie deels is aangewezen als “uitgesloten
gebied” op de bodemkwaliteitskaart voor de diepte 1–2 m , en dat meerdere Wbb-dossiers met nazorg- of vervolgplicht in het gebied actief zijn. Dit is precies het type situatie waarvoor de provinciale Omgevingsverordening een voorbeschermingsregime kent: eerdere saneringsbesluiten , BUS-saneringen en nazorgafspraken mogen door nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet worden ondergraven. Tegen deze achtergrond is relevant dat: •
De locatie (deels) is aangeduid als “uitgesloten gebied” voor hergebruik van grond , wat inhoudt dat hergebruik niet op basis van de generieke bodemkwaliteitskaart is toegestaan;
•
Er nog verplichtingen bestaan uit sanerings- en nazorgdossiers , waarin de
provincie/Omgevingsdienst toeziet op het in stand houden van de leeflaag en het beperken van grondverzet in de verontreinigde lagen. Wij stellen vast dat het ontwerp-Omgevingsplan nergens expliciet maakt hoe deze bestaande Wbb-status en de provinciale voorbeschermingsregels in de planvorming zijn betrokken en geborgd.
5. Onzekerheden en leemtes in de bodemonderzoeken Hoewel VBO. 2024. 0176 een grote hoeveelheid gegevens bevat , kent het rapport belangrijke beperkingen en onzekerheden:
72
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
•
De verontreinigingen in de ondergrond zijn – net als in 2022 – niet volledig horizontaal en verticaal afgeperkt; het rapport zelf bevestigt dat de leeflaagdikte sterk varieert en dat de havensliblaag met verontreinigingen op verschillende diepten begint.
•
Het verkennend onderzoek 2022 vermeldt expliciet dat niet is vastgesteld of ter plaatse sprake is van één of meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging; aanvullend onderzoek is pas voorzien bij concrete grondroerende werkzaamheden.
•
Onderhavig onderzoek heeft geen betrekking op asbest conform NEN 5707 , terwijl het verkennend onderzoek 2022 aangeeft dat asbest in de bodem niet kan worden uitgesloten bij aangetroffen puin en oudere bebouwing.
•
Voor grondwater is getoetst met behulp van de per 1 januari 2024 vervallen BoToVasystematiek; toetsingen zijn “vooralsnog uitgevoerd volgens tijdelijke kaders Omgevingswet… hieraan kunnen geen rechten worden ontleend” , aldus het rapport
zelf. Deze onzekerheden zijn inherent aan een verkennend/voorafgaand onderzoek en worden door de opstellers correct benoemd. Het probleem is echter dat het ontwerpOmgevingsplan deze onzekerheden niet vertaalt naar een passende planjuridische borging: er ontbreekt een integrale sanerings- en nazorgstrategie op planniveau , met toetsbare voorwaarden voor het bouwprogramma en grondverzet.
6. Grondbalans en praktische uitvoerbaarheid van de voorgestelde strategie In de bijlagen bij het Concept- Omgevingsplan is een grondbalans opgenomen waarin zover
–
voor
wij kunnen nagaan – wordt uitgegaan van het afvoeren van circa 1. 478 m³
verontreinigde grond en het aanvoeren van slechts circa 131 m³ schone grond.
Geconfronteerd met de bodemonderzoeken roept dit meerdere vragen op: •
Bij een gemiddelde ontgraving van circa 07, m is óf sprake van uitgraven in de verontreinigde sliblaag , óf de graafdiepte blijft zo beperkt dat onder de nieuw te bouwen woningen en parkeervoorzieningen nog steeds (sterk) verontreinigd havenslib achterblijft. In beide gevallen wordt de gewenste functiescheiding (leeflaag boven , verontreiniging veilig daaronder) op gespannen voet gezet met de voorgenomen
bebouwing (meerdere bouwlagen , funderingspalen , ondergrondse
infrastructuur). •
De beperkte aanvoer van schone grond (131 m³) is naar onze inschatting onvoldoende om na de bouw een nieuwe , continue leeflaag met voldoende dikte te realiseren boven de verontreinigde lagen , terwijl zowel eerdere saneringsplannen als
73
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
het verkennend onderzoek 2022 uitgaan van een leeflaag als essentieel onderdeel van
de sanering.
De grondbalans is daarmee niet alleen civieltechnisch maar ook milieuhygiënisch moeilijk te rijmen met de feitelijke verontreinigingssituatie , de eisen die voortvloeien uit eerdere Wbbbesluiten en nazorg , en het provinciale voorbeschermingsregime voor dergelijke saneringslocaties. Wij wijzen erop dat het verkennend onderzoek 2022 aangeeft dat de ondergrond deels “niet toepasbaar > interventiewaarde” is en dat de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan dienen voor het toepassen van grond afkomstig van de locatie. Het ontwerpOmgevingsplan maakt echter niet inzichtelijk hoe het geplande grondverzet (zowel binnen de locatie als mogelijke afvoer/toepassing elders) wordt afgestemd op deze beperkingen en op de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS.
7. Overtredingen bij het ingraven van ondergrondse containers ,
handhavingsverzoeken
en
gevolgen voor het vertrouwen
Binnen het plangebied heeft de gemeente Maassluis in 2025 werkzaamheden laten uitvoeren voor het ingraven van ondergrondse afvalcontainers. Deze werkzaamheden zijn verricht binnen de bekende verontreinigde havensliblaag die – zoals blijkt uit de bodemonderzoeken van 2022 en 2025 – matige tot sterke verontreinigingen bevat met zware
metalen , drins , PCB en PAK.
De uitvoering vond plaats zonder voorafgaand inzicht in een actueel sanerings- of graafplan. Ook een melding van graafwerkzaamheden in verontreinigde grond aan het bevoegd gezag ontbrak. Beschermende maatregelen voor werknemers en omgeving die passen bij werken in sterk verontreinigd havenslib werden niet getroffen en er ontbrak ook toezicht op naleving van eerder vastgestelde leeflaag- en nazorgverplichtingen. Dat deze werkzaamheden binnen de verontreinigde laag zijn verricht , wordt bevestigd door de dieptes van de graafactiviteiten en door de locatie van de containers ten opzichte van de bekende bodemopbouw. Als bewoners hebben wij hierover direct melding gedaan bij de DCMR , vergezeld van een verzoek tot handhaving. Vervolgens zijn door ons en andere bewoners Woo-verzoeken ingediend bij gemeente en DCMR met de vraag om alle relevante bodemrapporten , meldingen en toestemmingen voor graafwerk in verontreinigde grond , interne communicatie over toezicht , beoordeling en afhandeling , en eventuele adviezen van de Omgevingsdienst of provincie aan de gemeente ten aanzien van bodemberoering , bodemverzet en bouw in het gebied.
74
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Alle Woo-verzoeken , gedaan eind oktober 2025 , lopen nog steeds , wat op zichzelf illustreert dat de informatievoorziening over deze werkzaamheden niet transparant is en dat wettelijke kaders hierbij niet vanzelfsprekend gevolgd zijn. In de communicatie richting bewoners en gemeenteraad heeft de gemeente ontkend dat sprake zou zijn van een overtreding , ondanks het ontbreken van een melding en het nietnaleven van de voorwaarden uit eerdere Wbb-dossiers en saneringsplannen. Ook heeft de gemeente de zorgen van bewoners gebagatelliseerd en als “misverstanden” weggezet , terwijl later door de DCMR schriftelijk is bevestigd dat de eerdere informatie over de bodemopbouw en risico’s onjuist was en dat de werkzaamheden alsnog zijn stilgelegd door de afdeling handhaving van de DCMR. Op 20 november is er door een bewoner , BOBK lid , een mail naar de DCMR gestuurd met het verzoek om aan te geven op de provinciale voorbeschermingsregels grondwaterkwaliteit
(Bijlage XXVI Maassluis) door de gemeente Maassluis zijn gevolgd ten aanzien van MaassluisWest. Dit resulteerde in een nieuwe Woo-melding , die nog loopt. Juridisch kader en betekenis voor deze zienswijze De kern is dat de gemeente
–
als bevoegd gezag én initiatiefnemer – gehouden is aan:
•
Het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb): het bestuursorgaan moet bij de voorbereiding van besluiten de nodige kennis verzamelen;
•
Het motiveringsbeginsel (art. 3:46 Awb);
•
De zorgplicht voor bodem en gezondheid onder de Omgevingswet;
•
Naleving van bestaande Wbb-saneringseisen , nazorgafspraken en provinciale voorbeschermingsregels.
Het laten uitvoeren van graafwerkzaamheden zonder melding en zonder passende beschermingsmaatregelen betekent dat deze normen niet zijn nageleefd. Dit is extra problematisch omdat het om vervuilde grond op een historisch saneringslocatie gaat , waar het toezicht door de gemeente zelf juist scherp en betrouwbaar moet zijn. Het optreden van de gemeente in deze kwestie heeft het vertrouwen van bewoners aanzienlijk aangetast. Dit geldt des te sterker omdat De overtreding aantoonbaar is (werken in verontreinigde havensliblaag zonder melding/sanering) , de gemeente deze overtreding ontkent , en de DCMR de werkzaamheden uiteindelijk heeft stilgelegd. Rol van de DCMR De DCMR vervult in dit dossier een uitvoerende en toetsende rol binnen de door het bevoegd gezag gestelde kaders. Deze rol is primair procedureel en ziet op de aanvaardbaarheid van afzonderlijke meldingen en maatregelen , niet op een integrale bestuurlijke afweging van bodemkwaliteit , risico’s en gebiedsontwikkeling.
75
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Dat betekent dat aan beoordelingen van DCMR geen zelfstandige conclusies kunnen worden verbonden over de milieuhygiënische geschiktheid van het plangebied voor woningbouw , noch over de vraag of eerdere tekortkomingen in onderzoek , besluitvorming of participatie daarmee zijn hersteld. Nog steeds is er geen volledige openheid over de interne beoordeling , communicatie en besluitvorming. Dit alles gebeurt in een context waarin de gemeente bewoners juist vraagt te vertrouwen op zorgvuldigheid in het grote woningbouwproject.
8. Conclusies Onze eerste conclusie is dat het ontwerp-Omgevingsplan structureel te weinig borging bevat om te voorkomen dat fouten , zoals die bij de containerwerkzaamheden , zich in veel grotere schaal herhalen tijdens bouw van woningen , parkeervoorzieningen en infrastructuur.
Gelet op het voorgaande concluderen wij verder dat: •
De bodem onder het plangebied structureel en op aanzienlijke diepte verontreinigd is , met meerdere (historische) Wbb-gevallen en een status heeft als (deels)
“uitgesloten gebied”. •
De beschikbare onderzoeken 2022 en 2025 expliciet aangeven dat de verontreinigingen in de ondergrond niet zijn afgeperkt , dat aanvullend onderzoek en
graaf-/saneringsplannen per bouwblok noodzakelijk zijn en dat de beoordeling van grondwater deels op tijdelijke kaders berust. •
Het ontwerp-Omgevingsplan desondanks geen integrale bodemsanerings- en nazorgstrategie opneemt , geen concrete voorwaarden stelt aan de dieptes van ontgraving , de dikte en continuïteit van de leeflaag en het grondverzet , en niet inzichtelijk maakt hoe de provinciale voorbeschermingsregels en Wbb-verplichtingen worden nageleefd.
•
De gehanteerde grondbalans bovendien vraagtekens oproept over de praktische mogelijkheid om de voorgenomen bebouwing te realiseren zonder de saneringsdoelen , de leeflaag en het provinciale nazorgregime te schaden.
Dit klemt temeer nu het plangebied is bestemd voor wonen en de blootstelling aan verontreinigde bodem en buitenruimte met name gevolgen kan hebben voor kwetsbare groepen , zoals kinderen
die gebruikmaken van de openbare ruimte. Zonder een actuele en integrale beoordeling van deze gezondheidsaspecten kan geen sprake zijn van een zorgvuldig vastgesteld en gezond woon- en leefklimaat. M. e. r. -beoordeling
76
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Maassluis heeft op 28 oktober 2025 besloten dat voor het omgevingsplan Station Maassluis-West geen milieueffectrapport
(M. E. R. ) hoeft te worden opgesteld. Daarbij is erkend dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit en dat het omgevingsplan m. e. r. -beoordelingsplichtig is. Het college heeft op basis van een zogenoemde aanmeldnotitie geconcludeerd dat geen sprake zou zijn van aanzienlijke
milieueffecten. Gelet op de aard en omvang van het project , de beoogde woonfunctie (waaronder voor kwetsbare groepen) , de aanwezigheid van (ernstige) bodemverontreiniging en het feit dat essentiële milieu- en gezondheidsonderzoeken nog niet volledig of slechts gefaseerd zijn uitgevoerd , had het opstellen van een M. E. R. in de rede gelegen. Het besluit van het college
betreft uitsluitend een procedurele keuze om geen M. E. R. te verlangen en houdt nadrukkelijk geen inhoudelijke vaststelling in dat het project milieuhygiënisch aanvaardbaar is , dat gezondheidsrisico’s zijn uitgesloten of dat mitigerende maatregelen reeds concreet , afdwingbaar en juridisch geborgd zijn.
9. Verzoek In het kader van het in deze bijlage gestelde verzoeken wij u: 1.
Het ontwerp-Omgevingsplan niet ongewijzigd vast te stellen zolang geen integraal sanerings- en nazorgplan voor het gehele baggerspeciedepot (loswal 74 / Noord Nieuwlandse Polder-Zuid) beschikbaar is , waarin: -
De verontreinigingen horizontaal en verticaal zijn afgeperkt;
-
Het toekomstige grondverzet (per bouwblok én gebiedsbreed) kwantitatief is doorgerekend;
-
De vereiste leeflaagdikte voor een woonfunctie wordt geborgd;
-
De naleving van provinciale voorbeschermingsregels en bestaande Wbbbesluiten aantoonbaar is verzekerd.
2.
In de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend voordat: -
-
Voor het betreffende bouwblok een door het bevoegd gezag goedgekeurd graaf-/saneringsplan beschikbaar is , waarin de impact op de leeflaag , de havensliblaag en het grondwater is beoordeeld; DCMR/Provincie hebben bevestigd dat het plan in overeenstemming is met de geldende sanerings- en nazorgafspraken (Wbb) en het provinciale beschermingsregime.
77
Bijlage 4– Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling
3.
Aanvullend onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar: -
De aanwezigheid van asbest in de bodem (NEN 5707) , gezien de historische
-
bebouwing en aangetroffen puin; De gevolgen van het geplande bouwprogramma (bouwdieptes , funderingen ,
parkeervoorzieningen) voor de integriteit van de leeflaag en de verontreinigde havensliblaag , mede in relatie tot klimaatadaptatie
(grondwaterstanden) en kabels/leidingen. 4.
Het ontwerp-Omgevingsplan niet vast te stellen zolang niet volledig openheid is gegeven over: -
5.
-
De naleving van bodemregels door de gemeente zelf , De borging van sanerings- en leeflaagverplichtingen ,
-
De uitvoeringspraktijk rondom grondwerk binnen het gebied.
In de planregels op te nemen dat bouwactiviteiten pas kunnen plaatsvinden wanneer aantoonbaar is gemaakt dat: -
-
7.
De afhandeling van de lopende handhavingsverzoeken , De lopende Woo-verzoeken.
Een onafhankelijke beoordeling te laten uitvoeren van: -
6.
De overtreding bij het ingraven van containers , De beoordeling daarvan door de gemeente , provincie en DCMR ,
Alle meldingsplichten zijn nagekomen , Geen verontreinigde laag wordt aangegraven zonder voorafgaand saneringsplan , Toezicht door DCMR onafhankelijk en transparant is geregeld , Eerdere sanerings- en nazorgverplichtingen volledig worden nageleefd.
Verzoek met betrekking tot bodemverontreiniging en lopende Woo-verzoeken bij de DCMR In deze bijlage is uiteengezet dat sprake is van (mogelijke) bodemverontreiniging in en rond het plangebied Station Maassluis-West , dat beperkingen gelden voor
afgraving en grondverzet , en dat toezicht en handhaving in het recente verleden tekort zijn geschoten. In dat kader lopen ten tijde van deze zienswijze meerdere Woo-verzoeken bij de DCMR , onder meer met betrekking tot bodemonderzoeken , BUS-meldingen , toezicht , handhaving en naleving van milieuregels. De uitkomsten van deze Woo-verzoeken zijn rechtstreeks relevant voor de beoordeling van de milieuhygiënische situatie , de saneringsplicht en de feitelijke uitvoerbaarheid van het omgevingsplan. Zolang deze informatie niet volledig