RO-OP-624.124.70 Motivering Wijziging Omgevingsplan Maassluis - Station West
Tekst van het document
Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (kamerbrief 25 november 2022). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Om ‘water en bodem sturend’ te laten zijn in de ruimtelijke ordening en ruimtelijke keuzes over de inrichting van Nederland hanteert het Rijk de volgende uitgangspunten: - Niet afwentelen; - Meer rekening houden met extremen; - In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodem; - Meerlaagsveligheid; - Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen; - Integrale aanpak in de leefomgeving; - Comply or explain. Beleid waterbeheerder Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheer-programma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016- 2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027.
Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking weging van het waterbelang Delfland heeft een Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van weging van het waterbelang voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
39 van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisisen herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. De weging van het waterbelang is gebaseerd op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel: dit houdt in dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen in= elk geval niet mag verslechteren. Negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem moeten worden voorkomen; 2. Verbetering: veranderingen in de inrichting van een gebied bieden ook mogelijkheden om het watersysteem te verbeteren. Kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen worden benut. Standstill-beginsel Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt.
Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Waterschapsverordening en legger De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken die het waterschap binnen haar beheergebied stelt. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. De legger is een document dat beschrijft waaraan waterstaatswerken in beheer bij het waterschap moeten voldoen. Het gaat daarbij om de ligging, vorm, afmeting en constructie. Bij het wijzigen van een omgevings-plan dient rekening gehouden te worden met deze documenten, bijvoorbeeld met de legger van de beheerder van de waterkering en de aangewezen beperkingengebieden voor de waterkering, regels opstellen ten aanzien van bouwbeperkingen binnen deze beperkingengebieden.
Beleidsregel Delfandsedijk Aan de zuidzijde van het plangebied Station Maassluis West is de Delflandsedijk gelegen, een waterkering in beheer bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor deze waterkering geldt de Beleidsregel medegebruik Delflandsedijk, waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden medegebruik van de waterkering en de bijbehorende zones is toegestaan. Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat de waterkerende functie, de stabiliteit en de beheer- en onderhoudsmogelijkheden van de dijk niet mogen worden aangetast. 6.10.2 Onderzoek Bij de voorgestelde omgevingsplanwijziging voor Station Maassluis West is zorgvuldig rekening gehouden met het nationale, regionale en lokale beleid op het gebied van waterbeheer en klimaatadaptatie. Hierbij is aangesloten bij de vereisten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Nationaal Water Programma 2022– 2027 en de geldende beleidskaders van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Maassluis. De relevante beleidsdoelen en randvoorwaarden zijn integraal betrokken bij de opstelling van de toelichting en de planregels. In het kader van de Weging van het waterbelang is het stand-stillbeginsel gehanteerd. Dit betekent dat de waterhuishoudkundige situatie als gevolg van de omgevingsplanwijziging niet mag verslechteren.
Eventuele negatieve effecten op het watersysteem worden voorkomen en waar mogelijk worden kansen benut om het watersysteem te versterken, onder meer door het stimuleren van waterberging, infiltratie en klimaatadaptieve groenstructuren. Hemelwaterverordening en Rainproof-beleid De ontwikkeling van Station Maassluis West geeft invulling aan de Hemelwaterverordening Maassluis, die tot doel heeft wateroverlast door extreme neerslag te beperken en de belasting van het gemeentelijk rioolstelsel te verminderen. Uitgangspunt van deze verordening is dat hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt vastgehouden, Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
40 geborgen of geïnfiltreerd, alvorens het vertraagd wordt afgevoerd. Dit sluit aan bij de trits vasthouden – bergen – afvoeren. De planvorming houdt rekening met het afkoppelen van hemelwater van het vuilwaterriool bij nieuwe ontwikkelingen en het realiseren van voldoende waterbergings- en infiltratievoorzieningen bij een toename van verhard oppervlak. Daarbij wordt gestuurd op het voorkomen van wateroverlast, zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte, ook bij extreme neerslagsituaties. De hemelwaterverordening biedt het juridisch kader om hier bij verdere planuitwerking en vergunningverlening maatwerk in toe te passen, afhankelijk van locatie, bodemopbouw en maaiveldhoogte. Aanvullend hierop is het Rainproof-beleid van de gemeente Maassluis van toepassing. Dit beleid richt zich op een klimaatbestendige inrichting van de stad en stimuleert integrale oplossingen waarin wateropgaven worden gecombineerd met ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid. Binnen dit beleid wordt ingezet op vergroening van de openbare ruimte, toepassing van waterdoorlatende verharding en waterbergende voorzieningen zoals wadi’s, infiltratiestroken en groendaken. Ook wordt verantwoordelijkheid gelegd bij zowel publieke als private initiatiefnemers.
Groenpercentage en klimaatadaptieve inrichting Ter borging van de uitgangspunten uit de hemelwaterverordening en het Rainproof-beleid wordt in het omgevingsplan gewerkt met gebiedsgerichte groennormen. Deze normen zijn niet uniform, maar gedifferentieerd naar openbare ruimte en ontwikkelvelden, waarbij in de openbare ruimte een groenpercentage van circa 40–50% wordt gerealiseerd en binnen de ontwikkelvelden hogere percentages worden nagestreefd. Hiermee worden waterberging, infiltratie, verdamping, klimaatadaptatie en de kwaliteit van het groene woonmilieu structureel geborgd. Dit vormt een belangrijke randvoorwaarde voor waterberging, infiltratie, verdamping en het beperken van piekafvoeren richting het rioolstelsel. Het groenpercentage wordt berekend op basis van een gedifferentieerde systematiek, waarbij verschillende typen groen elk een eigen rekenfactor hebben. Hiermee wordt recht gedaan aan de uiteenlopende waterbergende en klimaatadaptieve werking van groen in de volle grond, groen in privétuinen en groen op daken en dekken. Door deze systematiek wordt geborgd dat binnen het plangebied voldoende ruimte ontstaat voor infiltratie van hemelwater, tijdelijke berging bij piekbuien, vertraagde afvoer en vermindering van hittestress, wat tevens bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit.
Hoewel de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland niet toepasbaar is vanwege de ligging van het plangebied buiten het poldergebied, wordt met deze aanpak aantoonbaar invulling gegeven aan het standstillbeginsel en de gemeentelijke kaders voor hemelwater en klimaatadaptatie. De nadere technische uitwerking van hemelwatermaatregelen vindt plaats bij de verdere planuitwerking en vergunningverlening, binnen de randvoorwaarden van het omgevingsplan. Delflandsedijk en waterveiligheid Aan de zuidzijde van het plangebied is de Delflandsedijk gelegen, een waterkering in beheer bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor deze waterkering geldt de Beleidsregel medegebruik Delflandsedijk, waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden medegebruik van de waterkering en de bijbehorende zones is toegestaan. Uitgangspunt is dat de waterkerende functie, de stabiliteit en de beheer- en onderhoudsmogelijkheden van de dijk niet mogen worden aangetast. Het omgevingsplan is opgesteld met inachtneming van deze uitgangspunten en maakt geen activiteiten mogelijk binnen het beperkingengebied van de waterkering die de waterveiligheid of het functioneren van het watersysteem kunnen schaden.
Binnen het plangebied worden geen ingrepen toegestaan die betrekking hebben op het aanleggen van oppervlakteverharding, het uitvoeren van ingrijpende grondbewerkingen, het indrijven van voorwerpen of het aanleggen, vergraven of dempen van watergangen in relatie tot de waterkering. Werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor normaal beheer en onderhoud van de waterkering blijven voorbehouden aan de waterbeheerder en worden niet planologisch verruimd. Indien in de toekomst werkzaamheden in de nabijheid van de Delflandsedijk noodzakelijk zouden zijn, kunnen deze uitsluitend plaatsvinden na toetsing door het bevoegd gezag voor waterbeheer, waarbij wordt beoordeeld of sprake is van Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
41 onevenredig negatieve gevolgen voor de waterkerende functie en het watersysteem en waarbij het advies van de waterbeheerder wordt betrokken. Borging bescherming afvalwatertransportleiding Binnen het plangebied zijn afvalwatertransportleidingen van het Hoogheemraadschap van Delfland aanwezig. Deze leidingen zijn van essentieel belang voor het doelmatig en veilig functioneren van de afvalwaterketen en vragen om een zorgvuldige ruimtelijke bescherming. Ter borging hiervan is in het omgevingsplan een restrictiegebied leiding – riool opgenomen. Binnen dit restrictiegebied zijn bouwactiviteiten uitsluitend toegestaan ten dienste van de leiding en gelden aanvullende beperkingen ten aanzien van bouwhoogte en situering. Afwijking hiervan is slechts mogelijk via een omgevingsvergunning, waarbij expliciet wordt getoetst of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding. Daarnaast is in de regels vastgelegd dat, zodra werkzaamheden plaatsvinden binnen of nabij het restrictiegebied, voorafgaand schriftelijk advies van de leidingbeheerder, zijnde het waterschap, moet worden ingewonnen. Hiermee wordt geborgd dat het waterschap tijdig wordt betrokken bij voorgenomen werkzaamheden en dat voorwaarden kunnen worden gesteld ter bescherming van de leiding, waaronder eisen ten aanzien van uitvoering, bereikbaarheid en veiligheid.
6.10.3 Met de vastgestelde regels en uitgangspunten in de omgevingsplanwijziging wordt voldaan aan de nationale, regionale en lokale kaders voor waterbeheer en klimaatadaptatie. De waterhuishoudkundige situatie wordt beschermd en waar mogelijk versterkt, waterkeringen worden geborgd en er wordt actief gestuurd op een klimaatbestendige, ecologisch waardevolle en toekomstbestendige inrichting van het plangebied. Daarmee wordt niet alleen voldaan aan de wettelijke verplichtingen, maar wordt ook bijgedragen aan een veilige, duurzame en leefbare omgeving op de lange termijn.Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit omgevingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding. In het kader van het vooroverleg wordt een concept van deze omgevingsplan-wijziging aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd.
6.11 Natuur en ecologie 6.11.1 Kader Omgevingswet en AMvB’s Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
42 houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van maatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplanwijzigingen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan op haar beurt beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. 6.11.2 Onderzoek Door Aqua Terra Nova B.V. is in 2024 een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek worden onderstaand kort samengevat. In bijlage 6 is de quickscan toegevoegd.
Soortenbescherming Vaatplanten In het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Nader onderzoek is niet benodigd. Vogels Binnen het plangebied is de huismus waargenomen. Echter is het niet bekend welke functies het plangebied biedt voor huismussen (kwetterplek, foerageergebied en/of schuilgebied). Om dit vast te stellen is nader onderzoek benodigd. Dit onderzoek dient alleen te worden uitgevoerd indien het groen en de heesters ter plaatse van de te slopen bebouwing worden verwijderd/aangetast. Grondgebonden zoogdieren Ter plaatse van het plangebied zijn geen beschermde diersoorten aangetroffen. Nader onderzoek is niet benodigd. Ter plaatse van de te slopen sportzaal en bijbehorend groen aan de Haydnlaan wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren of er egels in het gebied aanwezig zijn. Vleermuizen Het schoolgebouw aan de Haydnlaan is geschikt als verblijfsgebied voor verschillende soorten vleermuizen. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfsplaatsen, massawinterverblijfsplaatsen en winterzwermen is hier noodzakelijk. Amfibieën Het plangebied vormt geen geschikte habitat en gezien de ligging in stedelijk gebied worden hier geen beschermde soorten amfibieën verwacht. Voor mogelijke aanwezige soorten in groengebieden geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling. Nader onderzoek is niet benodigd.
Reptielen Het plangebied vormt geen geschikte habitat en gezien de ligging in stedelijk gebied worden hier geen beschermde soorten reptielen verwacht. Nader onderzoek is niet benodigd. Vissen Binnen het plangebied zijn geen watergangen of is geen water aanwezig. De aanwezigheid van beschermde Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
43 soorten vissen is uitgesloten. Nader onderzoek is niet benodigd. Overige beschermde soorten Voor overige beschermde soorten vormt het plangebied geen geschikt habitat. Deze soorten kunnen worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Beschermde natuurgebieden Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Met de ontwikkeling gaat dan ook geen oppervlakte aan Natura 2000- of NNN-gebied verloren.
Stikstofdepositie Het plangebied ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, te weten ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Gezien deze afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied niet volledig worden uitgesloten. Daarom is een nadere toetsing in het kader van de gebiedsbescherming mogelijk noodzakelijk om de ecologische integriteit van dit beschermde natuurgebied te waarborgen. In het kader van de omgevingsplanwijziging vormt deze onzekerheid geen directe belemmering voor het vaststellen van het plan. Het plan creëert namelijk een juridische basis voor de toekomstige ontwikkeling, maar de feitelijke realisatie van de woningen en bijbehorende werkzaamheden vereist nog een aparte vergunningverlening. Voor het aanvragen van de benodigde bouwvergunningen en andere omgevingsvergunningen geldt dat nader onderzoek naar de stikstofdepositie noodzakelijk is. Dit onderzoek moet aantonen dat de stikstofemissies tijdens de bouw- en gebruiksfase geen significante negatieve effecten veroorzaken op het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Indien uit deze toetsing blijkt dat negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dienen passende mitigerende maatregelen te worden genomen, dan wel een passende beoordeling te worden opgesteld.
Deze aanvullende toetsing maakt integraal onderdeel uit van het vergunningentraject van het bevoegd gezag. Pas nadat is voldaan aan de stikstofregelgeving en eventuele negatieve effecten zijn weggenomen of gecompenseerd, kan de vergunning worden verleend en kunnen de bouwactiviteiten daadwerkelijk starten. Het plangebied bevindt zich verder op circa 1,8 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de afstand en de aard van het plan kunnen negatieve effecten van stikstofdepositie op het Natuurnetwerk Nederland met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Daarom is een nadere toetsing ten aanzien van stikstofdepositie op het NNN in dit stadium niet noodzakelijk. 6.11.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovenstaande onderzoek(en) blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘natuur en ecologie’ geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.12 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 6.12.1 Kader Rijksbeleid Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
44 Omgevingswet en AMvB’s Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Bkl in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Voor enkele nationaal beschermde landschappen zijn instructieregels opgenomen. Voor overige landschappen zijn veelal kaders vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening, en mogelijk ook in lokaal beleid. Daarin is dan een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Omgevingswet, onder andere onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet.
Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal zijn regels opgenomen voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. 6.12.2 Onderzoek Door Vestigia Archeologie en cultuurhistorie is in juni 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van Station West. Het rapport is toegevoegd als bijlage 7. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit het rapport samengevat. Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het aantreffen van resten uit de periode van voor de bedijking (1661) laag is. Dit komt doordat oude lagen vermoedelijk zijn afgesleten. Wel is het mogelijk dat resten aanwezig zijn van een buitenplaats uit de Nieuwe Tijd, die begin 19e eeuw is verwoest door een overstroming en later gedeeltelijk is herbouwd als boerderij. Deze boerderij is in de jaren ’60 van de vorige eeuw gesloopt, waarna het gebied is opgehoogd met een pakketlaag van 240 tot 300 cm dik. Eventueel aan te treffen archeologische resten worden dieper dan deze pakketlaag verwacht. Geplande werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkeling zullen naar verwachting binnen de pakketlaag plaatsvinden en niet dieper reiken dan 1,5 m beneden het maaiveld.
Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) ligt het plangebied in ‘Archeologisch waardevol gebied 8’. Dat betekent dat archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 3 m. Op basis van de huidige inzichten wordt de archeologische verwachting naar beneden bijgesteld naar laag. Vestigia adviseert om de huidige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 8’ te handhaven, maar geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren tenzij er diepe grondontgravingen (zoals de aanleg van kelders of heiwerkzaamheden) worden gepland. In dat geval kan een aanvullend onderzoek worden overwogen in overleg met de gemeente. Tot slot blijft de wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten van kracht. Mocht tijdens de werkzaamheden onverwachts archeologisch materiaal worden aangetroffen, dan moet dit worden gemeld bij de gemeente Maassluis en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
45
6.12.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘landschap, cultuurhistorie en archeologie’ geen negatieve gevolgen voor deze omgevingsplanwijziging, tenzij werkzaamheden dieper dan 1,5 m plaatsvinden. In dat geval kan nader onderzoek noodzakelijk zijn.
6.13 Duurzaamheid 6.13.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.
Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame energieopwekking, energiebesparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving In 2023 heeft de Rijksoverheid de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht. Deze maatlat biedt doelen, richtlijnen en prestatie-eisen voor klimaatadaptief bouwen en inrichten, om de leefomgeving voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. De maatlat definieert wat onder klimaatadaptief bouwen en inrichten wordt verstaan voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De doelen, richtlijnen en prestatie-eisen zorgen voor een landelijk uniform referentiekader waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd.
Doordat de maatlat geen maatregelen voorschrijft, kunnen overheden samen met bouwende partijen zelf een goede afweging maken over te nemen maatregelen in een gebied of project en is er ruimte voor maatwerk en innovatieve oplossingen. De landelijke maatlat sluit nauw aan bij de diverse regionale afspraken die over klimaatadaptief bouwen gemaakt zijn. Deze regionale afspraken kunnen worden gezien als aanvulling op en in sommige gevallen nadere inkleuring van de richtlijnen uit de landelijke maatlat. Duurzaamheidsstrategie Maassluis De gemeente Maassluis heeft het Duurzaamheidsplan 2030 vastgesteld (2023), genaamd “Aan de slag voor een duurzaam Maassluis”. Dit plan richt zich op zes thema’s waarin 15 strategieën tot 2030 en 2050 zijn geformuleerd, met als hoofddoel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. De zes thema’s zijn: Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
46 1. 2. 3. 4. 5.
Wonen en bouwen; Economie en bedrijventerreinen; Mobiliteit en infrastructuur; Zorg en onderwijs; Gemeentelijke organisatie en vastgoed.
Voor deze omgevingsplanwijziging is met name het thema (1) wonen en bouwen relevant. Dit thema formuleert drie strategieën: 1. Groene tuinen: de gemeente richt zich op het vergroenen van de openbare ruimte door bij renovaties en nieuwbouw meer groen in de openbare ruimte te realiseren en actief te sturen op het ontharden van private tuinen. 2. Energietransitie samen doen: richt zich op de overgang naar fossielvrij (en collectief) energiesysteem. 3. Toekomstbestendig bouwen en renoveren: de gemeente zet in op stellen van normen voor klimaatadaptieve nieuwbouw door middel van de maatlat voor klimaatadaptief bouwen en materialenpaspoorten. Ook is het thema (3) Mobiliteit en infrastructuur relevant. Dit thema formuleert de volgende drie strategieën: 1. De groene route: de gemeente zet zich in op het uitbouwen van de groene route door de stad door meer ruimte voor groen vrij te maken bij nieuwbouw en renovaties en grijze wegen en gebieden te vergroenen, ten behoeve van de natuur en biodiversiteit en gezondheid van de mens. 2. Toekomstbestendige infrastructuur: richt zich op klimaatbestendige en toekomstbestendige infrastructuur door bewust en circulair gebruik van materialen bij aanleg, nieuwbouw en renovatie. 3.
Bewegen volgens de mobiliteitsladder: zet zich in op het verminderen van het autogebruik en bevorderen van langzame mobiliteitsvormen, met name gericht op fietsen en deelmobiliteit. Ook worden strengere parkeernormen gehanteerd. Maassluis Rainproof Door de toename aan extreme regenval door klimaatverandering is het van belang dat regenwater beter wordt afgevoerd en langer wordt vastgehouden in de bodem. De gemeente Maassluis treft maatregelen voor het inrichten van de openbare ruimte om dit mogelijk te maken. Maatregelen die worden getroffen zijn: - Aanbreng van afvoergoten (lijngoten); - Aanleg van wadi’s en verlagen van groenstroken; - Samenvoegen van speeltuinen. Ook stimuleert de gemeente haar inwoners maatregelen toe te passen op eigen terrein. Het gaat hierbij om maatregelen zoals het ontharden van private tuinen (verwijderen van tegels) en groen aan te leggen. Ook is het toepassen van groene daken een oplossing. Het toevoegen van groen op deze manieren zorgt voor verkoeling, helpt bij het opvangen van regenbuien en leidt ook tot een ‘prettige’ woonomgeving. 6.13.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders. Voor deze fase van het omgevingsplan is de ontwikkeling in lijn met de ambities van de gemeente.
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen die maatregelen beschrijven om dit juridisch te borgen.
6.14 Mobiliteit 6.14.1 Kader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
47
6.14.2 Verkeersstructuur en ontsluiting In opdracht van de gemeente Maassluis is door DataCount – Verkeersonderzoek de huidige verkeerintensiteiten in het plangebied inzichtelijk gemaakt, naar gemotoriseerd- en fietsverkeer door middel van pneumatische telslangen. De memo met de resultaten van deze tellingen is toegevoegd als bijlage 8 en 9. De wegen binnen het plangebied bestaan voornamelijk uit erftoegangswegen binnen de bebouwde kom. Op deze wegen kunnen in totaal circa 9.500 motorvoertuigen per etmaal verwerkt worden. De Uiverlaan is een gebiedsontsluitingsweg. Indicatief kan deze weg circa 10.0000 motorvoertuigen per etmaal verwerken. Op basis van de meetcijfers houdt dit in dat in dat in de huidige situatie circa 60% van de wegencapaciteit wordt bezet. Omdat het autoverkeer aanzienlijk hoger is op de wegen zijn op basis van de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV) van het CROW geen fietsstraten gescheiden van wegen benodigd. Toekomstige ontsluiting In het plangebied wordt geen nieuwe ontsluitingsweg toegevoegd. Het plangebied wordt ontsloten op het bestaande wegennetwerk. De werkingsgebieden Ruimtelijke reservering bouwveld A, Uiverlaan en Stationsgebied zijn gelegen aan de Uiverlaan. De Uiverlaan is een gemeenteweg en komt uit op de Westlandseweg (ook een gemeenteweg).
Deze weg is in noordelijke richting verbonden met de A20 richting het Westland (o.a. De Lier). De deelgebieden Koningshoek ll en Haydnlaan en Chopinstraat zijn ook verbonden aan de Westlandseweg. Voor Koningshoek ll is dit ook via de Van Beethovenlaan. De Haydnlaan via de Haydnlaan en de Mozartlaan. Vanwege de ligging van deelgebied Chopinstraat is het aannemelijk dat het verkeer met name via de Uiverlaan en Westlandseweg zich naar de A20 ontsluit. Op basis van het woningbouwprogramma vindt de grootste ontwikkeling plaats aan de Uiverlaan (ca. 8 blokken tot 7 bouwlagen en rijwoningen) en de Chopinstraat (sportzaal + 3 4 blokken woningen 7 bouwlagen) en (in de toekomst Koningshoek l (Ruimtelijke reservering bouwveld A) (2 blokken 3-6 bouwlagen). Hier is de toename aan verkeersbewegingen groter dan bij Koningshoek ll (twee bouwblokken 5 bouwlagen) en Haydnlaan (rijwoningen (niet meer dan 30)). Op basis van de woningaantallen schatten wij in dat 70% van het verkeer worden ontsloten via de Uiverlaan en 5% via de Beethovenlaan en 25% via de Haydnlaan en Mozartlaan. 6.14.3 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend op basis van de uitgangspunten uit de CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 2024).
Daarbij is rekening gehouden met de aard en omvang van de ontwikkeling, de stedelijkheidsgraad en de ligging binnen de bebouwde kom. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 400 woningen binnen het plangebied en een sporthal met een maximale bruto vloeroppervlakte van 2.000 m². De exacte verdeling naar woningtypen is in dit stadium nog niet vastgelegd. Om tot een representatieve verkeersgeneratie te komen, is daarom uitgegaan van een gemiddelde waarde per woning op basis van de CROW-kencijfers voor een mix van gestapelde en grondgebonden woningen, met een overwegend betaalbaar karakter. Voor woningen in een sterk stedelijke omgeving bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie circa 3,96 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal. Toepassing van dit kengetal op het planmaximum van 400 woningen resulteert in: • 400 woningen × 3,96 = 1.585 verkeersbewegingen per etmaal.
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
48 Voor de sporthal is uitgegaan van de CROW-categorie sportvoorzieningen (zonder zwembad), met een verkeersgeneratie van 9,45 verkeersbewegingen per 100 m² bvo. Voor een bruto vloeroppervlakte van 2.000 m² leidt dit tot: • 20 × 9,45 = 189 verkeersbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie bedraagt daarmee: • 1.585 (woningen) + 189 (sporthal) = circa 1.774 verkeersbewegingen per etmaal. De berekende verkeersgeneratie geeft een realistisch beeld van de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plan. De ontwikkeling genereert naar verwachting circa 1.774 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze toename kan, op basis van de capaciteit van het omliggende wegennet en de resultaten van recente verkeersmetingen in het gebied (Memo pneumatische tellingen project Station West), zonder knelpunten worden afgewikkeld. De ontwikkeling past daarmee binnen de verkeerskundige mogelijkheden van de bestaande infrastructuur. Verkeersgeneratie voor akoestisch onderzoek Bij het opstellen van de uitgangspunten voor het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een zogenoemd worstcase scenario. We zijn uitgegaan van een zogenoemd worst-case scenario. Hoewel het plan uitsluitend voorziet in de realisatie van 400 woningen, is in de berekeningen uitgegaan van 450 woningen.
Hiermee is bewust een ruime marge aangehouden om te waarborgen dat ook bij eventuele optimalisaties binnen het plan wordt voldaan aan de geldende normen. De resultaten van deze berekeningen zijn vervolgens als uitgangspunt genomen voor het akoestisch onderzoek. 6.14.4 Parkeren De parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling is bepaald op basis van de Beleidsregel parkeren Maassluis 2022. Het plangebied ligt binnen het gebiedstype ‘schil centrumgebied’, waarvoor de parkeernormen uit tabel 2 van de beleidsregel van toepassing zijn. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 400 woningen en een sporthal met een bruto vloeroppervlak van circa 2.000 m². Omdat de verdeling van de woningtypen (huur/koop, prijsklassen en woninggrootte) op dit moment nog niet vastligt, is gekozen voor een representatief gemiddelde parkeernorm die aansluit bij het stedelijke karakter van de locatie en de beleidsregel van de gemeente. Voor woningen in de schil van het centrumgebied is op basis van de beleidsregel uitgegaan van: • 1,45 parkeerplaats per woning voor bewoners, en • 0,30 parkeerplaats per woning voor bezoekers, wat resulteert in een totale parkeernorm van 1,75 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte voor de woningen bedraagt: • 400 woningen × 1,75 = 700 parkeerplaatsen.
Voor de sporthal (maximaal 2.000 m² bvo) geldt conform de beleidsregel een norm van 2,65 parkeerplaatsen per 100 m² bvo, hetgeen resulteert in: • 20 × 2,65 = 53 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte voor het plangebied bedraagt daarmee: • 700 (woningen) + 53 (sporthal) = 753 parkeerplaatsen. Mobiliteitscorrectie Binnen de Beleidsregel parkeren Maassluis 2022 is bepaald dat voor locaties die zich binnen een hemelsbrede afstand van 400 meter van een metrostation bevinden, een mobiliteitscorrectie van 25% op de parkeerbehoefte mag worden toegepast. Het plangebied Station West ligt binnen deze straal van het metrostation Maassluis West. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
49
Toepassing van deze correctie resulteert in een vermindering van: • 25% van 753 = 188 parkeerplaatsen. Na toepassing van de mobiliteitscorrectie bedraagt de totale parkeerbehoefte: • 753 – 188 = circa 565 parkeerplaatsen. De berekende parkeerbehoefte van circa 565 parkeerplaatsen vertegenwoordigt een realistische en robuuste inschatting van de parkeervraag die past bij het stedelijke karakter van de locatie en de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Omdat is uitgegaan van het maximale aantal woningen en representatieve gemiddelde normen, betreft dit een conservatief (voorzichtig hoog) uitgangspunt. In de verdere planuitwerking kan de feitelijke parkeerbehoefte nog nader worden bepaald op basis van de uiteindelijke woningtypologie en het mobiliteitsprofiel van de doelgroep. De ontwikkeling van maximaal 400 woningen en een sporthal van 2.000 m² bvo genereert een parkeerbehoefte van circa 565 parkeerplaatsen na toepassing van de mobiliteitscorrectie. Hiermee is de parkeeropgave helder en kan in de verdere planfase worden getoetst hoe deze binnen het plangebied doelmatig kan worden opgelost. De parkeernormen zijn in afdeling 5.1.2 van de omgevingsplanwijziging opgenomen.
De regeling in afdeling 5.1.2 is opgesteld om te waarborgen dat bij de realisatie en het gebruik van bouwwerken in het gehele werkingsgebied ‘Station West’ voldoende parkeervoorzieningen voor auto’s en fietsen aanwezig zijn. Dit draagt bij aan een veilige en goed bereikbare omgeving, in lijn met de stedelijke ambities voor Station West en het gemeentelijke parkeerbeleid
6.14.5 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘mobiliteit’ geen negatieve gevolgen voor deze omgevingsplanwijziging.
6.15 Overige aspecten Stedenbouwkundige opzet Met deze omgevingsplanwijziging worden voor Station West juridisch objectieve en begrensde maximale mogelijkheden vastgelegd voor aantallen, maat, schaal en situering van bebouwing. Deze regeling bepaalt welke ontwikkelingen maximaal toelaatbaar kunnen zijn, maar schept geen verplichting om deze maximale planruimte ook volledig te realiseren. Het omgevingsplan biedt ontwikkelingsruimte; de feitelijke invulling kan binnen deze bandbreedte soberder, kleinschaliger of minder intensief plaatsvinden. De in het omgevingsplan opgenomen maxima functioneren daarmee als juridische begrenzing van de planruimte, niet als ontwikkelingsnorm of realisatieplicht. Binnen deze begrenzing kunnen varianten ontstaan die minder intensief zijn dan de maximaal toegestane invulling, waarbij ruimte bestaat voor gefaseerde ontwikkeling en programmatische of architectonische verfijning, zolang de uitwerking past binnen de vastgestelde kaders en de cumulatieve effecten aantoonbaar aanvaardbaar blijven. Deze systematiek is in overeenstemming met het karakter van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Op planniveau wordt beoordeeld of de maximaal toegestane mogelijkheden, bezien in samenhang met de bindende beoordelingsregels, in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar zijn.
De concrete mate waarin van die ruimte gebruik wordt gemaakt, wordt pas bij vergunningverlening bepaald. Daarbij geldt dat een initiatief uitsluitend kan worden toegestaan indien wordt aangetoond dat de beoogde uitwerking, gelet op onder meer bezonning, schaduwwerking, maat- en schaalovergangen, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen, verkeer, geluid, leefkwaliteit en groeninpassing, leidt tot een aanvaardbare situatie, zoals opgenomen in de beoordelingsregels. De programmatische opzet, maat- en schaalopbouw en ruimtelijke hoofdstructuur sluiten aan op de eerder door de gemeenteraad vastgestelde Gebiedsvisie Station West Maassluis en zijn mede tot stand gekomen op basis van het participatieproces met omwonenden. De omgevingsplanwijziging verankert deze keuzes juridisch door Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
50 de maximale bandbreedte vast te leggen; de gebiedsvisie vormt daarbij de inhoudelijke onderlegger, terwijl de feitelijke invulling per initiatief nader wordt bepaald binnen het hierna geschetste tweestapskader van planvaststelling en vergunningverlening. Voor deze ontwikkeling wordt bewust gewerkt volgens een tweestapsmodel. In de planfase worden de maximale planologische bandbreedten vastgesteld en gemotiveerd en worden de randvoorwaarden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties juridisch begrensd. In de vergunningsfase vindt vervolgens de concrete, locatie-specifieke toetsing plaats, waarbij de voorgenomen uitwerking opnieuw en in samenhang wordt beoordeeld op onder meer bezonning, schaduwwerking, privacy, verkeer, geluid, effecten op de aangrenzende percelen en leefomgevingskwaliteit. Hiermee is geborgd dat het omgevingsplan kaderstellend is, terwijl de feitelijke inpassing per initiatief zorgvuldig en integraal wordt afgewogen. De sportzaal maakt functioneel en stedenbouwkundig integraal onderdeel uit van de ontwikkeling. De situering en oriëntatie zijn zodanig gekozen dat mogelijke hinder voor de omliggende woonomgeving zoveel mogelijk wordt beperkt, onder meer door positionering richting het stations- en metrogebied en het vermijden van direct aanliggende entrees en logistieke functies aan de zijde van de bestaande woningen.
Ter verdere borging geldt dat voorafgaand aan ingebruikname een akoestisch onderzoek moet aantonen dat de sportzaal voldoet aan de toepasselijke geluidsnormen; indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen. Deze verplichting is verankerd in de plan- en beoordelingsregels en wordt betrokken bij de vergunningverlening. Bezonning/ schaduw/ wind In de fase van de Gebiedsvisie Station West zijn voor de beoogde stedenbouwkundige opzet onderzoeken uitgevoerd naar bezonning en schaduwwerking, windklimaat en geluid. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn betrokken bij de ruimtelijke afweging die ten grondslag ligt aan deze omgevingsplanwijziging. Daaruit volgt dat de beoogde bebouwingsstructuur, maat- en schaalopbouw en situering van functies binnen de geldende normen en kwaliteitskaders kunnen worden gerealiseerd en in beginsel leiden tot een aanvaardbare woon- en leefomgevingskwaliteit. Deze onderzoeken vormen daarmee een inhoudelijke onderbouwing voor de vastgestelde maximale planruimte. Bij de verdere uitwerking van concrete bouwinitiatieven worden bezonning, schaduwwerking, wind en geluid, overeenkomstig de beoordelingsregels, op gebouwniveau opnieuw beoordeeld, zodat ook in de vergunningsfase een adequate borging van leefkwaliteit is verzekerd.
Cumulatieve effecten In de fase van de Gebiedsvisie Station West zijn voor de beoogde stedenbouwkundige opzet onderzoeken uitgevoerd naar bezonning en schaduwwerking, windklimaat en geluid. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn betrokken bij de ruimtelijke afweging die ten grondslag ligt aan deze omgevingsplanwijziging. Daaruit volgt dat de beoogde bebouwingsstructuur, maat- en schaalopbouw en situering van functies binnen de geldende normen en kwaliteitskaders kunnen worden gerealiseerd en in beginsel leiden tot een aanvaardbare woon- en leefomgevingskwaliteit. De verkeers- en parkeereffecten van de woningbouw en de sportzaal zijn in de planafweging integraal en cumulatief beschouwd. Daarbij is zowel gekeken naar de gebiedsontsluiting, verkeersveiligheid en benutting van parkeercapaciteit als naar de piekbelastingen die samenhangen met gebruikstijden van de sportzaal. Op basis hiervan is geconcludeerd dat binnen de vastgestelde kaders sprake is van een aanvaardbare verkeersen parkeerbelasting. In de vergunningsfase worden verkeer en parkeren opnieuw in samenhang beoordeeld, zodat wordt geborgd dat de feitelijke uitwerking ook op projectniveau uitvoerbaar en ruimtelijk aanvaardbaar is Deze onderzoeken vormen daarmee een inhoudelijke onderbouwing voor de vastgestelde maximale planruimte.
Bij de verdere uitwerking van concrete bouwinitiatieven worden bezonning, schaduwwerking, wind en geluid, overeenkomstig de beoordelingsregels, op gebouwniveau opnieuw beoordeeld, zodat ook in de vergunningsfase een adequate borging van leefkwaliteit is verzekerd. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
51
7 Regelmethodiek 7.1
Opbouw van de wijziging van het omgevingsplan
7.1.1 Inleiding De in dit deel van het omgevingsplan opgenomen hoofdstukken vormen de inhoudelijke regels van de wijziging voor Station West. Na vaststelling en inwerkingtreding vervangen deze regels de bestaande bestemmingsplannen binnen het projectgebied. Daarbij gelden de in hoofdstuk 7 opgenomen voorrangsregels: voor de in dit wijzigingsbesluit opgenomen artikelen gaan deze voor op bepaalde bepalingen uit hoofdstuk 22 (bruidsschat) en de aangewezen bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Wat wordt vastgelegd met deze omgevingsplanwijziging Met deze omgevingsplanwijziging wordt voor Station West de maximaal toegestane planologische ruimte juridisch vastgelegd. Het omgevingsplan bepaalt welke functies, bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het plangebied zijn toegestaan en onder welke ruimtelijke en milieutechnische voorwaarden deze kunnen worden gerealiseerd. Daarmee vormt deze wijziging het juridisch kader voor de ontwikkeling, zonder dat hiermee reeds wordt beslist over de concrete invulling van afzonderlijke bouwprojecten. De regeling verankert in juridische zin de uit de Gebiedsvisie Station West Maassluis voortvloeiende ruimtelijke hoofdopzet. Dit betreft onder meer de functionele structuur, de programmatische verdeling over de werkingsgebieden en de beoogde maat- en schaalopbouw passend bij de positie van Station West als OVknooppunt.
Deze keuzes worden in het omgevingsplan vertaald naar objectieve en toetsbare maxima voor onder meer het aantal bouwlagen, bouwhoogten, hoogteaccenten, setbacks en de positionering van bebouwing ten opzichte van de openbare ruimte.” Daarnaast legt het omgevingsplan randvoorwaarden vast voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, waaronder regels voor groeninpassing, collectieve buitenruimten, klimaatadaptatie, verkeer en parkeren. Deze regels borgen dat nieuwe ontwikkelingen alleen kunnen plaatsvinden indien zij bijdragen aan een samenhangende stedenbouwkundige structuur, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke inpassing in de directe omgeving. De vastgestelde planregels omvatten verder beoordelings- en afwegingscriteria die in de vergunningsfase richtinggevend zijn bij de beoordeling van concrete initiatieven. Daarbij wordt onder meer gekeken naar bezonning en schaduwwerking, maat- en schaalovergangen, gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende percelen, geluid, verkeer, verblijfs- en leefkwaliteit en de cumulatieve effecten daarvan. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat elke feitelijke uitwerking opnieuw zorgvuldig en in samenhang wordt beoordeeld.” De omgevingsplanwijziging is daarmee kaderstellend van aard.
Zij legt de maximaal toelaatbare bandbreedte vast waarbinnen ontwikkelingen kúnnen worden gerealiseerd, maar verplicht niet tot maximale benutting van die ruimte. Binnen deze begrenzing blijft ruimte bestaan voor soberder of minder intensieve uitwerkingen, mits deze passen binnen de planregels en voldoen aan de geldende beoordelingscriteria. De feitelijke uitwerking vindt plaats bij de vergunningverlening.
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
52
7.1.2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Inleiding Bij de keuze voor de opzet en structuur van het omgevingsplan is in het oog gehouden dat deze geschikt moet zijn als basis om in de loop van de jaren het nieuwe deel van het omgevingsplan voor de gehele gemeente Maassluis stapsgewijs op te bouwen. Om in de loop van de jaren overzicht te houden zijn de regels van deze wijziging van het omgevingsplan gestructureerd in een hoofdstuk dat ‘richtingaanwijzers’ bevat. De richtingaanwijzers staan in Hoofdstuk 4, ‘aanwijzingen voor de fysieke leefomgeving’. Door middel van deze richtingaanwijzers wordt per gebied en per specifiek onderwerp (‘thema’ genoemd) aangewezen welke inhoudelijke regels er gelden. Het gebruik van de richtingaanwijzers zorgt ervoor dat gedurende de periode dat het omgevingsplan verder wordt uitgebouwd overzicht blijft bestaan. Dit vergroot ook het inzicht in de samenhang van verschillende regels. De inhoudelijke regels voor de activiteiten staan in Hoofdstuk 5. De regels worden hiermee in twee categorieën onderverdeeld: thematisch geordende regels en regels die per gebied worden geordend. De keuze om de regels over activiteiten thematisch, dan wel per gebied te ordenen, hangt vooral af van de aard van de betreffende activiteit.
Een vuistregel is dat de activiteiten die per gebied op een verschillende manier worden geregeld, gebiedsgewijs worden geordend (denk aan gebruiksactiviteiten: in een binnenstad zijn andere gebruiksactiviteiten wenselijk dan in een woonwijk). Regels voor activiteiten die zijn ingegeven door een specifiek belang of onderwerp worden thematisch geordend. Denk hierbij aan regels over bescherming van archeologische waarden of waterstaatsbelangen. Titel 4.1 Gebieden Station West In de structuur van de omgevingsplanwijziging voor Station West is een richtingaanwijzer opgenomen voor het gebied Station West. Hierin is een artikel opgenomen waarin wordt aangegeven welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. In de loop van de jaren kunnen in deze titel steeds nieuwe gebieden worden toegevoegd. Aan het einde van de transitiefase zal het gehele gemeentelijke grondgebied zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dan is in deze titel een lijst met gebieden te vinden die gezamenlijk het gehele grondgebied van Maassluis beslaan. Titel 4.2 Thema's Naast richtingaanwijzers voor gebieden zijn er in Hoofdstuk 4 ook richtingaanwijzers opgenomen voor bepaalde thema's (specifieke onderwerpen of belangen). De term ‘thema’ is geen juridische term. Deze term is gekozen naar analogie van de staalkaarten voor het omgevingsplan die de VNG heeft gepubliceerd.
Het thematisch regelen van activiteiten is geen doel op zichzelf, maar het is een middel om de regels logisch en overzichtelijk te ordenen. Door gebruik te maken van richtingaanwijzers per thema, kunnen per thema de inhoudelijke regels voor activiteiten worden ‘aangezet’ waarvoor met het oog op dezelfde doelen regels worden gesteld. Deze manier van regelen zorgt ervoor dat in hoofdstuk 4 direct de samenhang zichtbaar wordt tussen de activiteiten die onder hetzelfde thema worden geregeld. Op die manier hoeft de structuur van hoofdstuk 5 weinig gelaagdheid te bevatten, waardoor het beheer van de regels gemakkelijker is. Afdeling 4.2.1 Bouwactiviteiten De regels voor bouwactiviteiten zijn in een thema ondergebracht omdat – zoals dat ook onder de Wabo en Wro het geval was – het gebruikelijk is om bouwactiviteiten in de gehele gemeente in grote lijnen op dezelfde manier te regelen. Afdeling 4.2.2 Cultureel erfgoed De regels die zijn gesteld vanuit het belang van het beschermen van cultureel erfgoed zijn in deze afdeling ondergebracht. De voormalige dubbelbestemming ‘archeologie 8’ is in deze afdeling verwerkt. In de toekomst kan deze afdeling worden uitgebreid voor bijvoorbeeld gemeentelijke monumenten en beschermd stadsgezicht.
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
53 Afdeling 4.2.3 Infrastructuur en openbaar gebied Binnen het thema infrastructuur en openbaar gebied zijn richtingaanwijzers opgenomen voor het aan te leggen en opnieuw in te richten openbaar gebied binnen Station West. Ook zijn hier de regels opgenomen die betrekking hebben op de beperkingengebieden voor het lokale spoor en de waterkering. In de toekomst kunnen aan deze afdeling paragrafen worden toegevoegd voor wegen, spoorwegen, voetpaden, etc. 7.1.3 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving In hoofdstuk 5, titel 5.1, staan de ‘normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Daarbij gaat het om normen die relevant zijn voor meerdere activiteiten dan wel in meerdere situaties. In Station West gaat het om de parkeernormen. Parkeernormen zijn relevant bij de toetsing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw, maar ze zijn ook van belang bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een gebruikswijziging (bijvoorbeeld nieuwvestiging van detailhandel of bedrijvigheid). Om te voorkomen dat deze normen meerdere keren in de regels moeten worden herhaald, worden ze op deze plaats eenmaal opgenomen. Vervolgens wordt in de regels over de activiteiten naar deze regels verwezen als dit aan de orde is.
In de toekomst kan deze titel worden uitgebreid met onder andere de immissiesnormen die nu nog in hoofdstuk 22 staan, maar die uiterlijk tegen het einde van de transitiefase in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen moeten worden. Deze immissienormen worden ook wel het ‘mengpaneel’ genoemd. Denk aan regels over externe veiligheid, geluid, geur, bodem, trillingen. Deze onderwerpen zijn algemeen aan de orde gekomen in hoofdstuk 6 (aspecten van de fysieke leefomgeving). 7.1.4 Activiteiten en normering Inleiding Het omgevingsplan is opgebouwd aan de hand van activiteiten. Er worden vier soorten activiteiten onderscheiden: Bouwen Hierbij gaat het om de ruimtelijke bouwactiviteit, hetgeen hierboven in paragraaf 5.1.3 is toegelicht. In Station West zijn geen regels opgenomen voor sloopactiviteiten. Dat betekent niet dat het slopen niet is gereguleerd: in het Bbl zijn regels opgenomen voor slopen. Het is denkbaar dat er bij het verder opbouwen van het omgevingsplan wel behoefte bestaat om hiervoor regels op te nemen, bijvoorbeeld in het belang van het beschermen van gemeentelijke monumenten of beeldbepalende panden. De titel die betrekking heeft op het bouwen kan daarop aangepast en uitgebreid worden.
Gebruiksactiviteiten De gebruiksactiviteiten kunnen min of meer vergeleken worden met de bestemmingsplanregels voor bijvoorbeeld de bestemming ‘wonen', ‘detailhandel', ‘bedrijvigheid’, etc. In het omgevingsplan zijn de regels over het bouwen en gebruik van elkaar gescheiden. Zo kunnen bouwregels meer algemeen van toepassing zijn en hoeven ze niet per se aan één gebruiksfunctie gekoppeld te zijn. Meerdere gebruiksactiviteiten kunnen op een locatie passend zijn. Activiteiten op en in de bodem Er is een afzonderlijke titel opgenomen voor activiteiten op en in de bodem (voorheen ook wel aanlegactiviteiten genoemd). Het gaat om het aanbrengen van verharding, graven, grondbewerkingen, etc. Milieubelastende activiteiten
Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025
54 De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. In het omgevingsplan voor Station West zijn geen regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Hoofdstuk 22 bevat hiervoor de regels. Met deze omgevingsplanwijziging wordt voor een aantal regels uit hoofdstuk 22 een voorrangsbepaling opgenomen. Deze bepaling zorgt ervoor dat bijbehorende bouwwerken niet vergunningsvrij zijn toegestaan, ook niet wanneer dit eerder wel mogelijk was bij bouw op het achtererf. Tegelijkertijd wordt bepaald dat vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken wél is toegestaan als wordt voldaan aan artikel 22.36. Tot slot wordt voorrang gegeven aan artikel 22.27 onder a, waardoor het opnemen van oppervlaktematen voor bijbehorende bouwwerken in het nieuwe deel van het omgevingsplan niet nodig is. Regels: regeltype Voor het vormgeven van regels over activiteiten in het omgevingsplan bestaan verschillende mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn samengevat in de ‘regelpiramide’ in afbeelding 4.1.
Afbeelding 4.1: De piramide van regeltypen (bron: VNG). Hoe hoger in de piramide, hoe ‘zwaarder’ of strenger de sturing is. Zo kan het omgevingsplan voor activiteiten die geheel niet wenselijk zijn, een verbod opnemen. Het is niet noodzakelijk om letterlijk in de regels op te nemen ‘Het is verboden om...'. Een formulering als ‘Alleen de volgende activiteiten zijn toegestaan’ gevolgd door een opsomming levert ook een verbod op. Vergunningplichten bieden de gemeente grip op activiteiten, omdat per geval moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan vooraf bepaalde – kwantitatieve of kwalitatieve – voorwaarden. Anders dan in bestemmingsplannen, is het in het omgevingsplan mogelijk om voor gebruiksactiviteiten een vergunningplicht in het leven te roepen. Daarmee wordt in het omgevingsplan wel aangegeven dat een bepaalde gebruiksactiviteit op zichzelf passend of wenselijk is, maar dat in een specifiek geval nog wordt beoordeeld of de omvang en de aard van de voorgenomen activiteit inderdaad passend is. Hiermee wordt gestalte gegeven aan de ‘ja, mits’ gedachte van de Omgevingswet. Er wordt minder vooraf vastgelegd en ‘dichtgetimmerd’ en er wordt meer ruimte geboden voor maatwerk. Een alternatief zijn algemene regels, een stap lager in de piramide. Een activiteit is dan toegestaan onder de voorwaarde dat aan die regels wordt voldaan.
Een voorbeeld hiervan is het vergunningvrij bouwen van een dakkapel of een schuurtje in de tuin. Als bepaalde voorgeschreven afmetingen niet worden overschreden, is er Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025