CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-OP-624.124.70 Motivering Wijziging Omgevingsplan Maassluis - Station West

Overige evenementen 29 januari 2026, gemeente MaassluisBij agendapunt: Toelichten zienswijzen tegen ontwerp-wijzigingsbesluit van het omgevingsplan Station-West.27.467 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

18 het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bevat regels waaraan (met name de zwaardere milieubelastende) activiteiten moeten voldoen en bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel). 5.1.3 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het voormalige Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende regels, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, en regels over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk (bijvoorbeeld constructieve veiligheid). Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld (dus: hoe hoog, diep, breed mag een gebouw zijn). De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend. Dit betekent dat als over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen.

En voor zover een onderwerp wel in het Bbl geregeld is, mag de gemeente daar geen nadere of andere regels over in het omgevingsplan opnemen. Met de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor bouwen in een ‘technisch’ en ‘ruimtelijk’ deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De technische bouwactiviteit Deze activiteit is de ‘technische kant’ van het bouwen. Bij een aanvraag wordt getoetst of er wordt voldaan aan de regels uit het Bbl. Denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan. De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk Deze activiteit ziet op de ‘ruimtelijke kant’ van het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. De regels hiervoor staan niet in het Bbl (op enkele uitzonderingen na, die worden besproken bij het vergunningvrij bouwen hieronder), maar in het omgevingsplan. Als iemand iets nieuws wil bouwen, dan moet het bouwwerk voldoen aan de bouwregels in het omgevingsplan. Daarom wordt het ook een ‘omgevingsplanactiviteit’ genoemd. Denk aan regels over bouwhoogte, bouwvlakken, welstand, oppervlakte, etc.

Vergunningvrij bouwen Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Denk bij de technische bouwactiviteit aan gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, voor zover er geen constructieve wijzigingen worden aangebracht en de brandcompartimentering niet wijzigt. Bij de omgevingsplanactiviteit kan worden gedacht aan een dakkapel aan de achterzijde van een woning (met bepaalde maximale afmetingen) of een hek van maximaal 1 meter hoogte in de voortuin. Hier kan de gemeente niet van afwijken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen opgenomen in de bruidsschat. Zoals eerder aangegeven, is het de bedoeling dat de gemeente de bruidsschatregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan verwerkt. De gemeente hoeft dit niet direct bij een eerste omgevingsplanwijziging te doen. De gemeente moet dat uiterlijk eind 2031 hebben gedaan. Daarbij mag de gemeente zelf keuzes maken die passen bij haar beleid en ambities. De gemeente kan dus meer of minder vergunningvrij maken dan wat er op grond van de bruidsschat vergunningvrij is. Bij het opstellen van de omgevingsplanwijziging voor Station West is als uitgangspunt genomen dat de regels van de bruidsschat in tact gelaten worden.

Er worden dus als hoofdregel geen nieuwe vergunningvrije gevallen aangewezen en er worden ook geen nieuwe vergunningplichten in het leven geroepen. 5.1.4 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich tot bestuursorganen. Voor het omgevingsplan betekent dat dat het Bkl ‘opdrachten’ geeft aan de gemeente over hoe bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan geregeld moeten Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

19 worden. Dit zijn ‘instructieregels’ Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn in hoofdstuk 5 van het Bkl opgenomen. Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan: ▪ ‘Betrekken bij’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming. ▪ ‘Rekening houden met’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel. Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd. ▪ ‘In acht nemen’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen.

De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen, zoals milieuregels, regels over landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed en externe veiligheid. Relatie tot de omgevingsplanwijziging In hoofdstuk 6 van deze motivering worden de verschillende milieuaspecten getoetst aan de regels uit het Bkl.

5.2

Juridische Kaders provincie

5.2.1 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Per 1 januari 2024 geldt onder de Omgevingswet de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De laatste versie is op 1 januari 2024 met de Omgevingswet in werking getreden. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door de Provinciale Staten. De provincie zet de omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen. De regels zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van omgevingsplannen en omgevingsvergunningen voor omgevingsplanwijzigingen. Daarnaast worden gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. Onderstaand wordt ingegaan op de instructieregels die voor deze omgevingsplanwijziging relevant zijn. Relatie tot de omgevingsplanwijziging Het plangebied is in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening aangegeven als ‘stationsomgeving’. Conform Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen) geldt binnen deze omgevingen een parkeernorm van 0,7 autoparkeerplaatsen per woning. Deze instructieregel wordt verwerkt in de regels van het omgevingsplan. Voor de toetsing van dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 6.14.

Toekomstbestendig bouwen/stedelijke ontwikkeling Deze wijziging van het omgevingsplan maakt het mogelijk een nieuwe woonfuncties toe te voegen door middel van een vergunningplicht. De vergunning ziet toe op de gebruiksactiviteit en bouwregels. De vergunning voor het bouwen van de omgevingsplanactviteit dient aan deze regels te worden getoetst. In de onderstaande tabel is per onderwerp aangegeven of het aspect aan de orde is bij de ontwikkeling van Station West en is beoordeeld of de ontwikkeling er mee in overeenstemming is.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

20

Paragraaf 7.3.1 7.3.2

7.3.4

7.3.5

7.3.6 7.3.6a

7.3.7 7.3.8

Inhoud Algemeen Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)

Grondwaterkwaliteit

LiB-5 contour Schiphol Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Ruimtelijke kwaliteit Stedelijke ontwikkelingen

Wonen

7.3.9

Detailhandel

7.3.10

Kantoren

Risicogebieden externe veiligheid, groepsrisicobenadering, veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, Niet-basisnet transportroutes. Niet aan de orde. Het beschermen van regionale waterkeringen en het veiligstellen van profiel van vrije ruimte ten behoeve van toekomstige versterking van een waterkering.

Waterkeringen

7.3.8a

Onderwerp

Wel aan de orde. Regels opgenomen om deze bescherming te waarborgen. Toelaten van bouwactiviteiten op een grondwatergevoelige locatie, saneren van de bodem, lozen op of in de bodem, activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico, milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Wel aan de orde, voorbereidingsbesluit van provincie waarborgt deze bescherming. Niet van toepassing Het toekomstbestendig bouwen van woningen en risico’s van klimaatverandering. In paragraaf 6.9 wordt beschreven hoe de ontwikkeling rekening houdt met het klimaat. Niet van toepassing. Afgestemde regionale behoefte, ladder voor duurzame verstedelijking, dichtheid en verscheidenheid woningbouw, bereikbaarheid, kansen voor biodiversiteit, stationsomgevingen en parkeernormen, parkeernorm sociale huur, permanente bewoning recreatiewoningen, functiemening en meervoudig ruimtegebruik, huisvesting arbeidsmigranten en grote buitenstedelijke bouwlocaties. Onderdeel van motivering. In de omgevingsplanwijziging zijn tevens specifieke regels opgenomen die gericht zijn op het verplicht realiseren én in stand houden van voldoende sociale huurwoningen en voldoende betaalbare woningbouw. Detailhandel binnen deze omgevingsplanwijziging wordt toegestaan op basis van een vergunningsstelsel.

De betreffende locatie sluit aan op een bestaande winkelconcentratie en is centraal gelegen en goed bereikbaar. In het plan zijn beoordelingsregels opgenomen die aansluiten op de instructieregels van de provincie, waardoor wordt voldaan aan de provinciale verordening. Kantoorgebieden Niet aan de orde.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

21

7.3.11

Bedrijven

(water)gebonden bedrijventerreinen en grote ruimtevragers en compensatie bij wijziging of afschaling. Niet aan de orde

7.3.12

Glastuinbouwgebied

Aanwijzen van toegestane activiteiten in glastuinbouwgebied en aangewezen uitgezondere activiteiten, situaties en de daarbij behorende voorwaarden.

7.3.13 7.3.14 7.3.15

7.3.16

Boom- en sierteeltgebied Bollenteeltgebied Agrarische bedrijven

Niet aan de orde. Niet aan de orde. Niet aan de orde. Voorwaarden bij agrarische activiteiten in het agrarisch gebied, voorwaarden voor het toevoegen, uitbreiden, vestigen of verplaatsen van agrarische activiteiten. Niet aan de orde. Wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen en ontwikkelen van prioritaire nieuwe natuur.

Natuurnetwerk Nederland

7.3.17

Werelderfgoed

Niet aan de orde. Bescherming van werelderfgoed.

7.3.18

Archeologie

Niet aan de orde. Bescherming van bekende archeologische waarden.

7.3.19

Geborgd door middel van vergunningenstelsel vergelijkbaar met dubbelbestemming archeologie 8. Bescherming van traditionele windmolens.

Traditionele windmolens

Niet aan de orde. Bescherming van landgoed- en kasteelbiotopen.

7.3.20

Landgoederen en kastelen

7.3.21

Energie

Niet aan de orde. Aanwijzen van locaties voor windenergie en regels voor de aanleg van zonnevelden.

7.3.22

Provinciale vaarwegen

Niet aan de orde. Voorkomen van belemmeringen in de vrijwaringszone van provinciale vaarwegen

7.3.23

Recreatietoervaartnet

7.3.23a

Hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden

Niet aan de orde. Bescherming van het recreatietoervaartnet. Niet aan de orde. Behoud en verbetering van het hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden. Niet aan de orde.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

22

7.3.24

7.3.25

Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) Ontheffing en afwijken

Bescherming van de vitale drinkwatervoorziening. Niet aan de orde. Mogelijkheden en voorwaarden voor ontheffing en afwijken. Niet van toepassing.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

23

6 Aspecten van de fysieke leefomgeving 6.1

Milieueffectrapportage

6.1.1 Juridisch kader Onder de omgevingswet, evenals onder de oude wetgeving geldt er voor bepaalde situaties een plan-m.e.r.(beoordelings)plicht of een project-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht voor plannen of programma’s die kaderstellend zijn voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een plan of programma wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Een omgevingsplan kan dus een plan zijn waarvoor een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt als het kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit. Een plan is kaderstellend als het een groot pakket aan criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarbij moet het gaan om voldoende gedetailleerde regels over de inhoud, voorbereiding en uitvoering van m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten.

Bij kaderstellende normering gaat het met name om de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden van projecten. Onder de Omgevingswet geldt een project-m.e.r.-plicht wanneer sprake is van een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet. Kort samengevat, dient daarbij te worden beoordeeld of sprake is van een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit dat een project genoemd in Kolom I van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, en dat als m.e.r.-(beoordelings)plichtig is aangewezen in Kolom 2 of 3 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Een omgevingsplanwijziging kan dus project-m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn wanneer het plan niet slechts kaderstellend is, maar wanneer het een zo gedetailleerde regeling bevat dat hiermee een aangewezen project min of meer onherroepelijk wordt mogelijk gemaakt. 6.1.2 Toetsing Bij voorliggende omgevingsplanwijziging wordt een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk gemaakt. In dit geval kan het omgevingsplan niet worden aangemerkt als een plan of programma dat kaderstellend is voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet.

De voorliggende omgevingsplanwijziging maakt weliswaar de realisatie van het stedelijk ontwikkelingsproject niet zonder meer bij recht mogelijk, aangezien er verschillende omgevingsvergunningplichten zijn opgenomen in de regels van het plan, maar die vergunningplichten relateren in het bijzonder aan de bouw van de woningen. Die vergunningplicht relateert slechts zeer beperkt aan de milieugevolgen die in het kader van een m.e.r.-beoordeling dienen te worden onderzocht. Van een groot pakket aan criteria en modaliteiten voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, is daarom geen sprake. Daarom is er wel sprake van een project-m.e.r.-(beoordelings)plicht. In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in Kolom 1, categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast is het (besluit tot wijziging van het) omgevingsplan een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op grond van Kolom 3 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In dit geval wordt daarom een project-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van Bijlage III bij de mer-richtlijn.

Deze mer-beoordeling is opgenomen in een zogenaamde aanmeldnotitie die is opgenomen als bijlage 22 bij deze onderbouwing. De mogelijke milieueffecten Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

24 zijn hierin weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit te nemen. De merbeoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij het omgevingsplan. De inhoud van de aanmeldnotitie is hieronder beknopt toegelicht. Kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten Er wordt geen cumulatie verwacht tussen de ontwikkeling van Station West Maassluis en andere lopende projecten. De uitvoering en planning van Station West Maassluis staan los van andere ontwikkelingen, waardoor geen sprake is van samenloop of overlap in impact. Effecten op gebieden Het plangebied ligt niet binnen of direct grenzend aan een Natura 2000-gebied. Indirecte effecten, zoals stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden, kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Echter vormt dit punt geen belemmering voor het vaststellen van deze omgevingsplanwijziging.

Voor het aanvragen van de benodigde bouwvergunningen en andere omgevingsvergunningen geldt dat nader onderzoek naar de stikstofdepositie noodzakelijk is. Beschrijving relevante milieuaspecten Luchtkwaliteit De ontwikkeling van Station West (400 woningen en sportzaal) blijft ruim onder de grens voor “niet in betekende mate” (NIBM) verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aparte toetsing aan de normen is niet nodig. Geluid De geluidsbelasting uit weg-, spoor- en industrielawaai overschrijdt deels de standaardwaarden, maar blijft binnen toelaatbare marges. Met bouwkundige en verkeersmaatregelen kan worden voldaan aan het gemeentelijk beleid. Trillingen Er zijn geen trillingveroorzakende activiteiten in of nabij het plangebied. De omgevingsplanwijziging voldoet aan de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bodem Uit onderzoek blijkt diepe bodemverontreiniging. Nader onderzoek is alleen nodig bij graafwerkzaamheden dieper dan 3 meter. Voor nu vormt dit geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging. Omgevingsveiligheid Het plangebied ligt buiten risicocontouren van omliggende bedrijven en transport van gevaarlijke stoffen. Bouwkundige eisen en goede risicocommunicatie waarborgen zelfredzaamheid. Er worden geen zeer kwetsbare functies mogelijk gemaakt met deze omgevingsplanwijziging.

6.1.3 Conclusie De milieueffecten van het voorgenomen project zijn weloverwogen beoordeeld, zoals hierboven beschreven. Rekening houdend met de plaats en kenmerken van het project, zijn voor de diverse milieuaspecten de potentiële effecten beschouwd. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling ‘Station West, Maassluis’ in beperkte mate kan leiden tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te voorkomen of beperken. Daarnaast worden de mogelijke effecten beperkt door adequate regels in deze omgevingsplanwijziging, en mogelijk via voorschriften bij toekomstige vergunningen. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

25

Op basis van deze beoordeling kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. De effecten op het milieu zullen hooguit in beperkte mate optreden, en kunnen door het stellen van regels en treffen van maatregelen worden voorkomen of beperkt. Om deze reden is het maken van een milieueffectrapport bij de voorbereiding van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan niet benodigd.

6.2

Laddertoets

6.2.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Bkl de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van het nut en de noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 5.161c van het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan regels over te realiseren categorieën woningen kunnen worden opgenomen. Dan moet het gaan over bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Ow kosten moeten worden verhaald. Daarbij is aangegeven voor welke categorie woningen regels kunnen worden gesteld en onder welke voorwaarden. Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45 wordt verwezen naar artikel 5.129g van het Bkl.

Daarnaast is aangegeven dat wanneer regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling, de motivering van de behoefte kan bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

26

6.2.2 Toetsing Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in maximaal 400 woningen, en is daarmee ladderplichtig. Onderbouwing behoefte en locatiekeuze In de provincie Zuid-Holland is behoefte aan nieuwe woningen. De woningvoorraad staat onder druk. In de Realisatieagenda Regio Rotterdam is voor Station West e.o. in Maassluis vastgesteld dat binnen de gemeente 375 woningen worden gebouwd tot 2030. In de Woonvisie 2025 staat aangegeven dat er 350 tot 400 woningen gebouwd worden in het gebied Station West. De ontwikkeling sluit daarmee ruimschoots aan op de aantallen zoals vastgesteld in de Realisatieagenda Regio Rotterdam en Woonvisie 2025. Grote woningbouwontwikkelingen vinden bij voorkeur plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Zodat er geen landschappelijke ruimtelijke kwaliteit verloren gaat. Voor de ontwikkeling van Station West is de locatie gekozen vanwege de schaarse ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. De nabijheid van het ov-station Station West, voorzieningen (winkelcentrum Koningshoek) en type woonomgeving leent zich ervoor op deze locatie nieuwe woningbouw toe te voegen, waaronder hoogbouw. 6.2.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

6.3

Luchtkwaliteit

6.3.1 Kader Omgevingswet In het kader van ‘bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ (Ow artikel 1.3) moet de luchtkwaliteit in relatie tot een ontwikkeling worden onderzocht. Het gaat dan zowel om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit als om de aanvaardbaarheid van de luchtkwaliteit ter plekke van het projectgebied. Besluit kwaliteit leefomgeving Voor luchtkwaliteit heeft het Rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, autosnelweg of tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als het gaat om activiteiten die leiden tot een verhoging van concentraties in de buitenlucht binnen de aangewezen aandachtsgebieden moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. Uitgezonderd zijn activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl (artikel 5.54) enkele standaardgevallen aangewezen.

6.3.2 Toetsing Het plangebied is gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit voor zowel NO2 als PM10, namelijk Rotterdam/Dordrecht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 400 woningen, een sportzaal en de aanleg van openbaar groen. Een ontwikkeling van minder dan 1.500 woningen behoort tot een standaardgeval dat ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De ontwikkeling van een sportzaal wordt hier niet in benoemd. Echter, kan op basis van het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak (bvo) worden gesteld dat de ontwikkeling Station West vergelijkbaar is met een standaard geval. Indien een gemiddelde woning 120 m2 bvo bedraagt, voorziet een ontwikkeling behorend tot een standaardgeval in maximaal 180.000 m2. De ontwikkeling van Station West voorziet op basis hiervan in maximaal Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

27 54.000 m2 bvo plus een sportzaal van maximaal 2.000 m2 bvo. Met een totaal van maximaal 55.000 m2 kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. De realisatie van de ontwikkeling Station West is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Een aparte toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet nodig. 6.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze omgevingsplanwijzing voorziet ook gelet op het aspect ‘luchtkwaliteit’ in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

6.4.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden berekend. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen. Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: 1.

aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: 1. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: 1. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 2.

borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Tevens dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie, waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde, worden voorzien in een aanvaardbare situatie. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

28

6.4.2 Toetsing De ontwikkeling van Station West voorziet in de realisatie van een woongebied en sportzaal met ondergeschikte horeca en voorzieningen. Woningen worden aangemerkt als geluidsgevoelig object waarvoor onderzoek benodigd is. Dit onderzoek is uitgevoerd door KuiperCompagnons in september 2025 en te raadplegen in bijlage 1. Onderstaand wordt de conclusie van het onderzoek beschreven. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied van gemeentewegen, de Hoeksche Lijn en de industrieterreinen Botlek/Pernis en Maasvlakte/Europoort. Op grond van artikel 5.78s Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Ook de indirecte akoestisch effecten van het plan door onder andere de toename van het verkeer is meegenomen in dit onderzoek. Wegverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat de meeste gevels van de geplande nieuwbouw onder de standaardwaarde van 53 dB blijven. Op drie gevels wordt deze waarde echter overschreden, met geluidsbelastingen van respectievelijk 57, 56 en 54 dB. Dit betekent een overschrijding van maximaal 4 dB. De wettelijke grenswaarde van 70 dB wordt nergens bereikt.

Afbeelding 6.4.1 Wegverkeerlawaai, blauw geeft geluidsbelasting boven 53 dB aan.

Railverkeerslawaai Voor railverkeer is er sprake van een beperkte overschrijding op een deel van de zuidwestgevel, waar de geluidsbelasting maximaal 57 dB bedraagt. Dit ligt 2 dB boven de standaardwaarde van 55 dB. Op alle overige gevels wordt aan de norm voldaan en de grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

29

Afbeelding 6.4.2 Railverkeerlawaai, blauw geeft geluidsbelasting boven 55 dB aan.

Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de invloedssferen van de industrieterreinen Botlek/Pernis en Europoort/Maasvlakte. Voor Botlek/Pernis geldt dat vanaf de vierde woonlaag een correctie moet worden toegepast. De geluidsbelasting blijft hier beperkt tot 49 dB(A) op de vierde tot en met de zesde woonlaag en 50 dB(A) op de zevende woonlaag. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Bij Europoort/Maasvlakte ligt de geluidsbelasting op de onderste bouwlagen tussen de 49 en 52 dB(A), afhankelijk van de ligging van het gebouw. Op hogere verdiepingen wordt dit gecorrigeerd naar maximaal 54 dB(A). Voor gevels waar de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden, wordt daarom een hogere waarde worden vastgesteld. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen de 50 tot 51 dB(A)-contour voor nestgeluid, afkomstig van scheepvaart. Deze omgevingsplanwijziging verandert niets aan de geldende geluidszones industrie -2 en -3, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Koningshoek e.o., artikel 21. De bestaande regels blijven onverminderd van kracht en dit is geborgd via een uitzondering op de voorrangsbepaling.

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

30

Afbeelding 6.4.3 Industrielawaai, blauw geeft geluidsbelasting boven 50 dB aan.

Cumulatie De cumulatieve geluidsbelasting is berekend door het geluid van wegverkeer, railverkeer en industrielawaai (inclusief nestgeluid) te herleiden naar één eenheid en op te tellen. Uit de resultaten blijkt dat cumulatie optreedt op de gevels langs het spoor en langs de Uiverlaan. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 59 dB en treedt op aan de gevel langs de Uiverlaan en bij toetspunt 13. Langs de Uiverlaan wordt dit vooral veroorzaakt door wegverkeer; bij toetspunt 13 wordt de waarde vooral bepaald door industrielawaai inclusief nestgeluid. Langs het spoor bedraagt de maximale cumulatieve geluidsbelasting 58 dB. De gezamenlijke geluidsbelasting (inclusief nestgeluid) is eveneens maximaal 59 dB en vormt de basis voor het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen. Toetsing aan beleid en bouwkundige uitgangspunten Omdat de overschrijdingen relatief beperkt en verspreid zijn, zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet haalbaar. Het gemeentelijk beleid schrijft daarom voor dat woningen zodanig worden ontworpen dat een geluidsluwe gevel aanwezig is. Dit betekent dat aan de meest belaste gevels (aangeduid met de cijfers 1 tot en met 7) geen eenzijdig georiënteerde woningen mogen worden gerealiseerd. Als dat toch gebeurt, moeten bouwkundige maatregelen worden toegepast, zoals afgeschermde gevels of afsluitbare buitenruimtes.

Verder geldt dat bij woningen aan een belaste gevel ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde moet worden gesitueerd en dat bij voorkeur meer dan de helft van de geluidgevoelige ruimten zich aan die zijde bevindt. Voor buitenruimtes of balkons gelden geen beperkingen, omdat de overschrijdingen nergens meer dan 5 dB boven de standaardwaarde liggen. Indirecte akoestische effecten Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

31 De nieuwbouw zorgt voor extra verkeersbewegingen, met name langs de Uiverlaan. Bij bestaande woningen aan de westzijde van het zuidelijke deel van deze weg leidt dit tot een toename van de geluidsbelasting met afgerond 2 dB. Omdat dit boven de grens van 1,5 dB ligt, is sprake van een significante toename. Deze wordt vooral veroorzaakt door de verkeerstoename vanuit de nieuwe wijk in combinatie met geluidsreflecties van de nieuwbouw. Door een groot deel van het verkeer via de noordelijke Uiverlaan en de Westlandseweg af te wikkelen, kan deze toename worden beperkt tot minder dan 1,5 dB. Het onderzoek toont aan dat de standaardwaarden voor weg-, rail- en industrielawaai op enkele gevels worden overschreden, maar dat de overschrijdingen beperkt blijven tot maximaal 4 dB. Voor industrielawaai moeten hogere waarden worden vastgesteld, met een maximum van 54 dB(A). De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt maximaal 57 dB en de gezamenlijke geluidsbelasting 59 dB. Met toepassing van de gemeentelijke beleidsregels en de juiste bouwkundige maatregelen zijn de plannen akoestisch aanvaardbaar. Voor bestaande woningen langs de Uiverlaan is het echter van belang de verkeersafwikkeling zo te organiseren dat de toename van de geluidsbelasting wordt beperkt.

De hoogste berekende cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 57 dB en treedt op bij de gevel van de nieuwbouw die het dichtst bij de Uiverlaan ligt. De totale geluidsbelasting op die gevel is maximaal 59 dB. Deze waarde wordt gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de vereiste geluidwering van de gevel. 6.4.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrie’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze omgevingsplanwijzing voorziet ook gelet op het aspect ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrie’ in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5

Geluid door activiteiten

6.5.1 Kader Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen (en voor een groot deel verplaatst naar hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). De gemeente dient ervoor te zorgen dat in een omgevingsplanwijziging in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf); - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke omgevingsplanwijziging houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.

Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

32 standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen, in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. 6.5.2 Onderzoek In het kader van deze omgevingsplanwijziging is een quickscan uitgevoerd om te beoordeeld of de voorgestelde ontwikkelingen kunnen bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De quickscan is in bijlage 2 toegevoegd. De regels uit hoofdstuk 22 zijn van toepassing bij de vergunningsverlening en realisatie. Hiermee wordt gewaarborgd dat de omgeving bij concrete uitwerking alsnog wordt beschermd tegen milieu risico’s zoals geur, geluid en externe veiligheid. Ter onderbouwing van de haalbaarheid en ruimtelijke aanvaardbaarheid op hoofdlijnen is gebruikgemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Deze publicatie biedt richtafstanden tussen milieubelastende functies en gevoelige bestemmingen, afhankelijk van milieucategorie en omgevingstype.

In dit geval is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, waardoor de richtafstanden met één afstandsstap zijn verlaagd. Per locatie is onderzocht of de feitelijke of toegestane functies binnen de richtafstanden van gevoelige functies vallen. Waar nodig is aanvullend beoordeeld of maatregelen (zoals gevelmaatregelen, afstandsvergroting of nadere studies) kunnen bijdragen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In een aantal situaties, zoals bij de sportzaal, functiemenging of nabijheid van een laad- en loszone, zijn hiervoor aanbevelingen geformuleerd die zijn verwerkt in de regels van de omgevingsplanwijziging. Op basis van de uitgevoerde analyse kan worden geconcludeerd dat de planopzet in voldoende mate voorziet in het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verdere uitwerking en toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van concrete initiatieven, die binnen het kader van het vergunningenproces worden beoordeeld 6.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geluid door activiteiten’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6

Geur

6.6.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In een omgevingsplanwijziging moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Bkl is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan de regels in het omgevingsplan erin moeten voorzien dat het geurhinderniveau ter plaatse van geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Voor dat doel geeft het Bkl voor enkele specifieke categorieën activiteiten aanwijzingen waaraan de regels moeten voldoen: het exploiteren van waterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten geldt alleen dat het omgevingsplan rekening moet houden met de geur

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

33 op geurgevoelige gebouwen. Hiermee laat het Bkl ruimte voor een lokale afweging om te bepalen of en welke regels in het omgevingsplan nodig zijn om te zorgen voor een aanvaardbare geurbelasting. 6.6.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen op grondgebied van de DCMR. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van het industriegebied de haven van Rotterdam. De DCMR heeft de verwachte geurhinder afkomstig van industrie in kaart gebracht. Er is sprake van geurhinder als geur waarneembaar is gedurende meer dan 175 uur binnen een jaar tijd (2% van de tijd). Deze kaart toont het Rijnmondgebied waar geurhinder verwacht van de grote industrie. Twee gebieden zijn van belang: <0.5 Odour units; hier is geen sprak van geurhinder <>5.0 Odour units; hier is sprake van ernstige geurhinder Het plangebied is gelegen in een gebied waar sprake is van geen tot minimale geurhinder. Omdat de ontwikkeling van Station West in een woonomgeving mogelijk wordt gemaakt. Gezien de afstand van het industrieterrein en ligging van woningen dichter gelegen hierop wordt de situatie aanvaardbaar gevonden. We leggen dit graag voor aan de omgevingsdienst.

In de nabijheid van het plangebied bevindt zich veehouderij Melkveebedrijf Van Adrichem V.O.F. Voor dit bedrijf wordt een richtafstand voor de geursituatie van 100 m aanvaardbaar gevonden. Het bedrijf is op ruim 1 km afstand gelegen van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering. 6.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geur’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7

Trillingen

6.7.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving

Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

34 Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. De omgevingsplanwijziging moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle trillingveroorzakende activiteiten die het omgevingsplan toelaat, anders dan de activiteit wonen. Daarop gelden enkele uitzonderingen. Zo zijn de instructieregels niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als het omgevingsplan de standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen bevat. 6.7.2 Onderzoek Met deze omgevingsplanwijziging worden geen nieuwe trillingveroorzakende activiteiten toegestaan. Ook in de omgeving van het plangebied zijn geen trillingveroorzakende activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken op de trillinggevoelige gebouwen binnen het plangebied. Dat betekent dat de omgevingsplanwijziging voldoet aan de instructieregels over trillingen zoals die in het Bkl zijn gesteld. Omdat ook wordt voldaan aan de regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (bruidsschat) die betrekking hebben op trillingen hoeven die regels daarom niet te worden aangevuld of aangepast.

6.7.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘trillingen’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8

Bodemkwaliteit

6.8.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem, waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van de omgevingsplanwijziging. 6.8.2 Onderzoek Ingenieursbureau Land: Verkennend bodemonderzoek Door Ingenieursbureau Land is in 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). De belangrijkste resultaten zijn onderstaand weergegeven. Uit het onderzoek is gebleken dat de diepe bodem verontreinigd is. Op basis hiervan wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is nodig bij werkzaamheden dieper dan 300 cm. Dat dit nader onderzoek daadwerkelijk wordt gedaan en wat de kwaliteit van de bodem moet zijn alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend, is opgenomen in artikel 22.29 en verder van het omgevingsplan. Het aanvullend onderzoek hoeft daarom niet al te worden gedaan bij gelegenheid van deze omgevingsplanwijziging.

BMA: Voorafgaand bodemonderzoek (VBO) Door BMA Milieu is in februari 2025 is een voorafgaand bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 4 toegevoegd. Binnen het plangebied Station West (gebied Koningshoek e.o. te Maassluis) is in meerdere deelgebieden onderzoek gedaan naar de bodemopbouw en -kwaliteit. Hieruit blijkt dat er per bouwblok verschillen bestaan in de dikte van de zandlaan (bovengrond/afdeklaag) en de diepte waarop verontreinigd havenslip wordt aangetroffen. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

35 In algemene zin bestaat de bovengrond uit zandige afdeklagen die variëren in dikte van circa 0,4 tot 1,5 meter onder maaiveld (m-mv). Deze bovengrond valt indicatief in de bodemkwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen of industrie. Onder deze afdeklagen wordt in de meeste deelgebieden (bouwblok A, B/C, E en G) verontreinigd havenslib aangetroffen. Alleen in bouwblok F is géén havenslib aangetroffen; hier is de gehele bodem tot nu toe visueel en analytisch beoordeeld als passend binnen de genoemde bodemkwaliteitsklassen. De bodemkwaliteit is dus heterogeen, wat bij toekomstige graafwerkzaamheden aandacht vereist. Voor de uitvoering van werkzaamheden binnen de diverse bouwblokken wordt geadviseerd om per deelgebied een specifiek graaf- of saneringsplan op te stellen. Daarbij dient bij graafwerkzaamheden in of nabij verontreinigde grond een melding te worden gedaan via het Omgevingsloket, afhankelijk van de verwachte contact met bodemlagen boven of onder de interventiewaarde. De uitkomsten van het onderzoek bieden belangrijke informatie voor de verdere planvorming. Ze maken inzichtelijk op welke locaties bij toekomstige werkzaamheden rekening moet worden gehouden met grondafvoer of hergebruik binnen de geldende milieuregels.

Waalpartners cevil engineering: Grondbalans In het kader van de geplande woningbouwontwikkeling binnen het gebied Station west in Maassluis is een grondbalans opgesteld, deze is in bijlage 5 toegevoegd. Een grondbalans is in essentie een rekensom die erop is gericht de hoeveelheden te ontgraven en te deponeren grond met elkaar in evenwicht te brengen. Het doel hiervan is om, waar mogelijk, de vrijkomende grond binnen het projectgebied zelf te hergebruiken, zodat aanen afvoer van grond zoveel mogelijk wordt voorkomen. 6.8.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat het aspect ‘bodemkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied Station West te Maassluis. De omgevingsplanwijziging op zichzelf heeft dan ook geen directe negatieve invloed op de bodemkwaliteit en staat niet in de weg aan het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Wel geldt dat bij de verdere planuitwerking, en met name in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, nader bodemonderzoek noodzakelijk zal zijn. Dit is vereist om aan te tonen dat ter plaatse van de voorgenomen werkzaamheden wordt voldaan aan de geldende milieukwaliteitseisen. Gelet op het voorgaande draagt het aspect bodemkwaliteit, binnen de huidige fase van besluitvorming, bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.9

Omgevingsveiligheid

6.9.1 Kader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in een omgevingsplanwijziging voor risico’s van branden, rampen en crises rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, de vluchtmogelijkheden en geneeskundige hulpverlening. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden (groepsrisico) gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met groepsrisico; het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

36

6.9.2 Onderzoek Met voorgenomen ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen zoals mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: • Euro Products Marine (Heldringstraat 39, Maassluis); • Vecom Group B.V. (Mozartlaan 3, Maasluis); • Diverse inrichtingen op industrieterreinen waar giftige stoffen worden opgeslagen; • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg (vaarwegroute corridor Rotterdam – Duitsland) Inrichtingen Ten oosten van het plangebied op het bedrijventerrein in Maassluis aan de Mozartlaan/Elektraweg zijn de twee inrichtingen Euro Products Marine en Vecom Group B.V. gelegen waar chemische producten worden geproduceerd. Het plangebied is ruim buiten de PR 10-6 contour gelegen en bevindt zich ook buiten andere EVzones van deze inrichtingen. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven ten op zichtte van de risicovolle inrichtingen en bijbehorende aandachtsgebieden. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het gifwolkaandachtsgebied van tien andere bedrijven op de industrieterreinen in Rotterdam waar giftige stoffen worden opgeslagen, verwerkt of geproduceerd. Deze bedrijven bevinden zich allen op grote afstand van het plangebied, waardoor de ontwikkeling geen invloed zal hebben op het groepsrisico.

Transportroutes gevaarlijke stoffen Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich de transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg. Het plangebied ligt buiten het brand- en explosieaandachtsgebied van deze vaarroute. Een klein deel van het plangebied is binnen het gifwolkaandachtsgebied van de vaarroute gelegen. Dit betreft alleen de zone vlakbij het metrostation waar de hoogwaardige openbare ruimte en de sporthal plus woningen gepland zijn. Binnen gifwolkaandachtsgebieden kunnen geen voorschriftengebieden worden vastgesteld. Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Door een incident op de spoorlijn of bij de inrichtingen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied in het geval van ammoniak opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario en de mechanische ventilatie uit schakelen. De woningen en overige gebouwen dienen zodanig geconstrueerd te worden dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving).

Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Binnen het plangebied worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een NL-Alert wordt ingezet. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop/huurcontract of indiensttreding kunnen bewoners/werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente Maassluis heeft in dit kader een informatieplicht. Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

37

Aan de energietransitie (nieuwe vormen van energiewinning, -opslag en –transport) zijn veiligheidsrisico’s verbonden, zoals risico’s rond elektrisch rijden/parkeren, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen in combinatie met energie opslag systemen (EOS). Indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld dient de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond hierover geïnformeerd te worden. 6.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10 Water en klimaatadaptatie 6.10.1 Kader Europees en Rijksbeleid Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moeten de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere zes jaar nationale plannen voor water nodig.

In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en Omgevingsplanwijziging Station West Maassluis Motivering Versie oktober 2025

38 daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16510762/1