1. Bestemmingsplan Vlietlocatie, d.d. 22 november 2021
Tekst van het document
Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden.
Onderzoek en conclusie In 2020 is er door het milieuadviesbureau NIPA een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrieen wegverkeerslawaai. Het rapport is in samenspraak met de DCMR Milieudienst Rijnmond opgesteld. Het rapport is toegevoegd als bijlage 2. Het doel van het akoestisch onderzoek is het berekenen en toetsen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax) bij de nieuwe woonbestemmingen veroorzaakt door relevante geluidbronnen van de supermarkt, het gezoneerde industrieterrein en de geluidbelasting Lden als gevolg van het wegverkeer van de relevante wegen. In het kader van milieuzonering moet in het kader van het woon- en leefklimaat de geluidbelasting van alle relevante geluidbronnen (gecumuleerd) worden beoordeeld. Voor dit onderzoek is dat het geluid van de te realiseren supermarkt, de geluidbelasting van het wegverkeer op de PC Hooftlaan en overige relevante 30 kilometer per uur wegen, en een eventuele geluidbelasting van het nabijgelegen gezoneerde industrieterrein ‘Botlek-Pernis’.
(vastgesteld)
29
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bedrijven- en milieuzonering De richtafstand in stap 1 voor het milieuaspect geluid is voor een supermarkt in een "rustige woonwijk" 10 meter. Indien de supermarkt is gelegen in een ‘’gemengd gebied’’ worden deze met één stap verkleind tot 0 meter. Het centrum van Maassluis kan gekenmerkt worden als een gemengd gebied, nader onderzoek kan achterwege blijven. De ontwikkeling omvat ook een blok met appartementen boven kleinschalige detailhandel langs de Anne de Vriesstraat/ Boogertstraat, het voormalige weekmarktterrein. Voor de detailhandel geldt géén richtafstand en kan volgens stap 1 nader onderzoek achterweg blijven. Activiteitenbesluit In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het maximaal geluidniveau als gevolg van het lossen van een vrachtwagen ook beschouwd. Een uitgebreide uitleg hiervan is opgenomen in hoofdstuk 4.6 in bijlage 2. Het akoestisch model laat zien dat niet wordt voldaan aan de geluidgrenswaarde van het activiteitenbesluit. De maatgevende geluidbron is het laden en lossen van de vrachtwagen nabij het magazijn. In de Wet Geluidhinder staat echter dat de maximale geluidsniveaus niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten tussen 07:00 - 19:00. Laden en lossen zal overdag plaatsvinden, ten aanzien van laad- en losactiviteiten zijn dus geen geluidreducerende maatregelen noodzakelijk.
Wegverkeerslawaai Uit de berekeningsresultaten blijkt dat op de gevels van de nieuwe woonbestemmingen de geluidbelasting ten hoogste 61 dB bedraagt als gevolg van het wegverkeer op P.C. Hooftlaan. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Voor de woningen moet een aanvraag om een ‘hogere waarde’ worden gedaan waarmee het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Geluidniveaus gezoneerd industrieterrein De locatie Vlietzone in Maassluis is gelegen binnen de zone van het industrieterrein Botlek-Pernis. De ligging van het plangebied is net buiten de 48 dB(A) contour. Er hoeft geen hogere waarde vanwege het industrieterrein Botlek-Pernis te worden vastgesteld. Woon- en leefklimaat Op basis van de akoestische modellen volgt een maximale gecumuleerde geluidbelasting van 66 dB. Met de berekende gecumuleerde geluidbelastingen tot ten hoogste 66 dB als gevolg van met name het geluid van het wegverkeer is het woon- en leefklimaat pas gewaarborgd met akoestische maatregelen. De minimaal benodigde geluidwering is ten hoogste (66-33=) 33 dB bij de woningen direct gelegen aan de PC Hooftlaan. Alle woningen in het plan hebben een geluidluwe gevel. Vanuit het bouwbesluit is een minimale geluidreductie van 20 dB reeds vereist.
Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen realiseren dient er een aanvullende geluidsreductie van 13 dB behaald te worden door het nemen van maatregelen, dat is haalbaar. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan, middels akoestische maatregelen is het mogelijk om een acceptabel woon- en leefklimaat te waarborgen.
30
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.3
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer Vanaf 11 juni 2011 dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Fijn stof (PM2,5)
Tabel 1 grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen. Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m3); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
(vastgesteld)
31
Bestemmingsplan Vlietlocatie Onderzoek en conclusie De verschillende waarden en concentraties van stoffen in de lucht wordt gemonitord. Deze waarden zijn beschikbaar en inzichtelijk op de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In Afbeelding 8 is een uitsnede van de NSL - monitoringstool ter plaatse van het plangebied toegevoegd. Aan de hand van deze tool is zichtbaar dat de luchtkwaliteit in de huidige situatie van voldoende kwaliteit is. De toetsing heeft plaatsgevonden in juni 2020. De ontwikkelingen binnen het plangebied liggen ver beneden de drempelwaardes van het 'besluit niet in betekende mate' waardoor er geen negatief effect op de luchtkwaliteit ter plaats te verwachten valt. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan, nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Afbeelding 8 Uitsnede NSL - monitoringstool (gemaakt juni 2020)
32
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.4
Bedrijven- en milieuhinder
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit bestemmingsplan gebruikgemaakt van een milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze lijst is te vinden in bijlage 1 van de regels. Het plangebied is gelegen in het centrum van Maassluis. Omdat het een centrumomgeving betreft, wordt uitgegaan van gemengd gebied. Voor het centrum stelt het vigerende bestemmingsplan 'Binnenstad' dat functiemenging gewenst is en dat bedrijven van categorie B1 of lager algemeen toelaatbaar worden geacht.
Bedrijven uit hogere categorieën dan de algemene toelaatbaarheid worden in het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt via een specifieke aanduiding. Bij bedrijfsbeëindiging of verplaatsing kan zich op die locatie alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen de algemene toelaatbaarheid. Op deze manier wordt relevante milieuhinder in de toekomst voorkomen. Een specifieke aanduiding is niet in en rondom het plangebied gelegen. Het dichtstbijzijnde bedrijf met zo'n specifieke aanduiding is gelegen op minstens 400 meter afstand. Onderzoek en conclusie Onderhavig planinitiatief bestaat uit de ontwikkeling van woningen, commerciële ruimten en een supermarkt. De commerciële ruimten en de supermarkt betreffen bedrijven met een categorie van B1 of lager. Er kan verondersteld worden dat deze bedrijven mengbaar zijn met milieugevoelige functies zoals woningen. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
(vastgesteld)
33
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.5
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Dit geldt ook als deze objecten geprojecteerd zijn. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers.
Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'
Onderzoek en conclusie Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een nutsbedrijf dat op ongeveer 560 meter is gelegen van het plangebied. Dit nutsbedrijf ligt dermate ver van het plangebied dat het geen risico vormt. Tevens vindt er in de nabijheid van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, via buisleidingen of water. Het plangebied ligt buiten de invloedssferen van de omliggende wegen waarvoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risicokaart is afgebeeld op afbeelding 9.
34
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Afbeelding 9 Uitsnede Risicokaart (plangebied in paars weergegeven) Nabij het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen, weergeven op afbeelding 9: A. St. Exploitatie Zwembad Maassluis / Dol-fijn op ongeveer 540 meter afstand; B. LPG-afleverinstallatie + vulpunt op ongeveer 850 meter afstand; C. Leiding Gasunie + gasdrukmeet- en regelstation op ongeveer 890 meter afstand. Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Het plan gebied ligt buiten de invloedssferen van de omliggende wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nader onderzoek naar externe veiligheid is niet noodzakelijk.
(vastgesteld)
35
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.6
Bodem
Beleid en normstelling De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Ten aanzien van eventuele toekomstige ontwikkelingen geldt in het algemeen dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming of bij graafwerkzaamheden.
Indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging zal op basis van de Wet bodembescherming en de Wabo (art 6.2c) pas gebouwd/ ontwikkeld mogen worden wanneer bij de omgevingsaanvraag een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan/BUS-melding is gevoegd.
Onderzoek en conclusie Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw en commerciële ruimtes. Voor deze ontwikkelingen moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is. In januari 2017 is er door Deta Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op deze locatie, dit rapport is als bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren, welke consequenties kunnen hebben voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Bij het verkennend bodemonderzoek zijn verspreid over het plangebied in totaal 24 boringen verricht. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van boring 03 er een loodgehalte boven de interventiewaarde is aangetroffen. Bij de overige boringen zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Een nader bodemonderzoek ter plaatse van boring 03 werd noodzakelijk geacht om uit te sluiten dat de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de geplande bestemmingsplanwijziging en de geplande herontwikkeling van het plangebied. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd door Deta Milieu op 7 augustus 2019. Het doel van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de aangetroffen bodemverontreiniging met lood. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan.
Rondom boring 3 zijn in totaal 12 boringen verricht, waarvan één boring (boring 3-12) is verricht in de kruipruimte van het naastgelegen pand. Het onderzoek bevestigt dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood. Gegeven de aanwezige bebouwing is de bodemverontreiniging waarschijnlijk voor 1987 ontstaan en is het niet verplicht deze (volledig) te saneren. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek. Het kan bij de herontwikkeling van de locatie wel noodzakelijk zijn de verontreiniging te verwijderen. In dat geval wordt aanbevolen om voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden een BUS-melding 'immobiel' in te dienen bij het bevoegd gezag, in deze de DCMR Milieudienst Rijnmond. De doorlooptijd van een BUS-melding is vijf weken. Na goedkeuring van de BUS-melding mag na vijf werkdagen op basis van een formele startmelding met de graafwerkzaamheden worden gestart.
36
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.7
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied of in de omgeving liggen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het vigerende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzoek en conclusie In of nabij het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Deze conclusie kan getrokken worden op basis van de vigerende bestemmingsplan in en rondom het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
(vastgesteld)
37
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.8
Waterhuishouding
Beleid en normstelling Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld aan de hand van de Waterwet. Deze is sinds 22 december 2009 van kracht. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen in het nieuwe NWP. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater. Dit beleid is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen vloeit het rijksbeleid voort. Het rijksbeleid is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015. Ook is het rijksbeleid opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-20214 Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water. Voorbeelden zijn afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma).
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen. Actuele plannen en maatregelenprogramma's moeten volgens de Europese eisen opgesteld worden volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM). Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie. Ook investeert het NWP in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte, en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet. Dit is de Waterwet. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Daarnaast verbetert de Waterwet ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen. Te denken valt aan vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Watertoets Sinds 1 november 2003 verplicht het Besluit ruimtelijke ordening een watertoets te verrichten. De watertoets beschrijft het proces waarop de waterbeheerder en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan moeten samenwerken. Het samenwerkingsproces leidt uiteindelijk tot een 'waterparagraaf' die onderdeel moet gaan uitmaken van het uiteindelijke plan of besluit. Bij dit bestemmingsplan zijn het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Maasluis de waterbeheerder. De waterparagraaf bevat een beschrijving over de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hoogheemraadschap van Delfland De gemeente Maassluis valt onder het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021. Dit beleidsdocument is vastgesteld op 19 november 2015 en het beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Het waterschap zoekt bij de planvormig en uitvoering zo veel mogelijk de samenwerking met partners.
38
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie Hoogheemraadschap van Delfland hanteert daarnaast een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Tevens gelden de regels van de Keur. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur en de Beleidsregels van Hoogheemraadschap van Delfland zijn online raadpleegbaar.
Onderzoek en conclusie Door Witteveen + Bos is een Integraal Waterhuishoudkundig Plan opgesteld. Het rapport is als bijlage 5 toegevoegd. Dit Integraal Waterhuishoudkundig Plan is een overkoepelend rapport dat de watertoets, een rioleringsplan en een drainageplan omvat. Daarnaast geeft het rapport een analyse van de huidige waterhuishoudkundige situatie en de effecten van het inrichtingsplan daarop. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling valt deels binnen de beschermings- en keringszones van de Zuidvlietkering. Onder artikel 3.1 van de Keur van Delfland is het verboden zonder vergunning van het bestuur waterstaatswerken aan te leggen of te wijzigen. In het beoogde ontwerp is er sprake van 3 werkzaamheden binnen de beschermingszone en het waterstaatswerk zelf: wijzigen van het straatoppervlak; het aanleggen van kabels en leidingen en de bouwwerkzaamheden. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft samen met de partijen gekeken naar de mogelijkheden om binnen de geldende regelgeving een passende oplossing te bieden. In overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland is een principe profiel voor de waterkering afgesproken. Klimaatadaptatie De handreiking watertoets gemeenten bevat ook een paragraaf over klimaatadaptatie. Binnen het plangebied zijn geen bestaande stresstesten beschikbaar om de huidige situatie te beschrijven.
De ontwikkeling voorziet wel in een nieuw rioleringssysteem om het oude gemengde stelsel te vervangen. Het nieuwe HWA-systeem draagt bij aan een snellere berging en afvoer van water in de bodem, waarmee een positieve bijdrage wordt geleverd aan waterinfiltratie. Het systeem heeft capaciteit voldoende om ervoor te zorgen dat water niet op straat komt te staan, hierdoor wordt verdamping in de zomermaanden zoveel mogelijk voorkomen. Waterkwantiteit De gemeente Maassluis eist een berging van 60 mm ten aanzien van het volledige verharde oppervlak binnen de projectlocatie. Dit betreft in totaal 730 m3. In het rapport is berekend dat hier middels berging op maaiveld in kan worden voorzien. Hoogheemraadschap van Delfland heeft een bergingsopgave van 18 m 3 welke geheel ondergronds dient te worden voorzien. In het onderzoek wordt aangetoond dat middels het ontworpen HWA stelsel hierin wordt voorzien. Op basis van het advies wordt de uitstroomconstructie met overstortdrempel ontworpen tussen het nieuwe HWA-systeem en de bestaande gemengde riolering. Deze constructie dient vertraging van afvoer te bewerkstellingen en tevens terugstroming te voorkomen van de gemengde riolering het nieuwe HWA-stelsel in.
(vastgesteld)
39
Bestemmingsplan Vlietlocatie Grondwater en drainage De geëiste drooglegging voor nieuwe ontwikkelingen is 120 cm. Grondwaterstandmetingen op de projectlocatie laten zien dat de daadwerkelijke drooglegging vermoedelijk rond de 80 cm is. Met de gemeente is in overleg overeengekomen dat voor deze ontwikkeling de minimale droogleggingseis wordt verlaten. Een drainagesysteem is voor deze ontwikkeling daarom niet nodig. Riolering Het gemengde systeem wordt vervangen door een gescheiden systeem. Het DWA blijft aangesloten op de gemengde riolering. Daarbij wordt een nieuwe ø 250 mm DWA-streng aangelegd voor de aansluiting van de nieuwe woningen en appartementen langs de Zuidvliet. Tevens wordt een nieuwe HWA-systeem ontworpen dat bestaat uit leidingen van ø 315 en ø 400 mm. Middels modellering van het nieuwe systeem wordt geconcludeerd dat dit systeem voldoende volume heeft om te voldoen aan de bergingseis van HHD en voldoende capaciteit om het water in bui 8 af te voeren zonder dat water-op-straat ontstaat.
5.9
Duurzaamheid
Beleid en normstelling Klimaatbeleid is een belangrijk speerpunt in de Duurzaamheidsvisie (2012-2015). Er dient waar mogelijk gekozen te worden voor zongerichte verkaveling, collectieve verwarming en toepassing van duurzame energie. Het gebruik van materialen die een verontreiniging veroorzaken in de bodem of het (grond)water zoals zink, koper en lood worden alleen daar toegepast waar het bouwbesluit dat verplicht stelt. Op andere plaatsen of functies wordt gekozen voor een duurzaam alternatief welke niet uitloogt. Daarnaast wordt in samenwerking met de ontwikkelende partij gezocht naar aanvullende kansen voor duurzaamheid en energiebesparing. Onderzoek en conclusie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden uitgevoerd volgens het gehanteerde klimaatbeleid. Toepassing van duurzame energie bij de bestaande gebouwen en sportvoorzieningen wordt nagestreefd. Toepassing van zonnepanelen is vergunningsvrij. Voor de toepassing van gebouwgebonden windturbines hoeft alleen een milieuvergunning te worden aangevraagd indien de diameter van de rotorbladen groter is dan 2 m. Een bouwvergunning moet voor alle soorten kleine windturbines worden aangevraagd. Grote losstaande windturbines worden uitgesloten in het gehele gebied.
Bij aanpassing of vervanging van installaties in het gebied, zoals openbare verlichting, verkeerslichten en rioolgemalen, wordt gekozen voor energiezuinige en duurzame varianten.
40
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.10
Ecologie
Beleid en normstelling Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht. Een voorbeeld is door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Solleveld & Kapittelduinen ligt op een afstand van circa 7.5 kilometer. Het dichtstbij gelegen gebied dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 1.5 kilometer. Vanwege de afstand kunnen effecten als areaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van waterhuishouding van het Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Onderzoek en conclusie Soortenbescherming Ter plaatse van het plangebied kunnen verschillende soorten flora en fauna voorkomen. Om dit te onderzoeken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door het ecologisch bureau Taharo. Het rapport is als bijlage 6 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Uit de quickscan is gebleken dat de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied geen negatieve invloed heeft op de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming.
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Hierbij moet voorafgaand en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wel de bepalingen uit de Wet natuurbescherming in acht genomen worden: Bij de uitvoering van het slopen van het wooncomplex zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten. Protocollair veldonderzoek naar de functionaliteit voor vleermuizen wordt noodzakelijk geacht. In de regels van het bestemmingsplan is hiervoor een voorwaardelijke verplichting voor opgenomen. Indien van toepassing kunnen door het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing de (sloop)werkzaamheden alsnog doorgang vinden. Bij broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten moet het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen plaatsvinden. Dit is om overtreding bij voorbaat te voorkomen. Een andere mogelijkheid is het controleren van aanwezige broedgevallen. De controle moet de aanwezigheid van een broedgeval uitsluiten. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Een protocollair veldonderzoek naar de functionaliteit voor vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.
Planologisch is de uitvoering van het aanvullende onderzoek gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 16.1.
(vastgesteld)
41
Bestemmingsplan Vlietlocatie Gebiedsbescherming Om negatieve gevolgen voor Natura - 2000 gebieden uit te kunnen sluiten is het uitvoeren van een Aerius - berekening noodzakelijk. De Aerius - berekening maakt inzichtelijk of de ontwikkeling een negatieve invloed heeft op de stikstofdepositie op de beschermde Natura - 2000 gebieden. De rapportage is als bijlage 7 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. In dit onderzoek zijn voor de sloop van bestaande bebouwing en de aanleg en het gebruik van 27 grondgebonden woningen, 34 appartementen en 2.017 m² BVO aan commerciële ruimte in plangebied de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend voor de jaren 2021/2022. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de realisatiefase en de gebruiksfase op geen van de Natura 2000-gebieden een stikstofdepositie optreedt die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Op grond van de depositie van stikstof is er geen reden het initiatief te belemmeren.
42
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.11
Archeologie
Beleid en normstelling De Nederlandse wet- en regelgeving met betrekking tot de zorg voor het archeologisch erfgoed is afgeleid uit Internationale verdragen en Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (ofwel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe de bij de Raad van Europa aangesloten landen het eigen archeologisch erfgoed dienen te beschermen. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn daarna in de Nederlandse wet- en regelgeving verder verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). De WAMz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening (Wro). In latere jaren is een deel van de WAMz omgezet in de Erfgoedwet (2016) en zullen de paragrafen met betrekking tot de omgang met archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed in de ruimtelijke ordening worden opgenomen in de Omgevingswet. Sinds de Wamz hebben gemeenten dus een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het beleid is dat archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in de bodem behouden en beschermd dient te worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden.
Dit moet gedaan worden door middel van archeologisch onderzoek. Belangrijk is daarom dat bij ruimtelijke ontwikkelingen archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium kunnen worden meegewogen. Gemeenten richten daar hun beleid op in. De gemeente Maassluis heeft daartoe de 'Archeologische beleidskaart gemeente Maassluis' vastgesteld in december 2012 en geactualiseerd in 2015. Het beleid bestaat uit een archeologische verwachtingenkaart voor het hele grondgebied van Maassluis en een maatregelenkaart, inclusief de bijbehorende vrijstellingszones op basis waarvan de omgang met archeologische waarden en verwachtingen is vastgelegd in bestemmingsplannen. De laatste versie van de archeologische maatregelenkaart is afgebeeld op afbeelding 10.
Afbeelding 10 Archeologische Maatregelenkaart 2014, Grondgebied gemeente Maassluis
(vastgesteld)
43
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Afbeelding 11 Uitsnede uit de Archeologische Maatregelenkaart 2015, gemeente Maassluis. Het plangebied is globaal met een blauwe cirkel aangeduid. Het huidige plangebied heeft een 'hoge archeologische verwachting' en valt op de maatregelenkaart onder de categorie 'archeologisch waardevol gebied 4' . Bij archeologie waardevol gebied 4 gelden de volgende vrijstellingscriteria ten aanzien van de archeologische onderzoeksplicht: oppervlakte plangebied kleiner dan 100 m 2; of diepte bodemingreep minder dan 40 cm beneden maaiveld. Het plangebied heeft een oppervlakte van meer dan 100 m2, waardoor archeologisch vooronderzoek verplicht is gesteld.
Onderzoek en conclusie Onderzoek gemeente Maassluis 2015 Door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie is in opdracht van de gemeente Maassluis een aanvullend archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor delen van de binnenstad, waar de rioleringen inde komende jaren worden vervangen. In dit onderzoek is straat voor straat de specifieke archeologische verwachting omschreven. Aansluitend is er door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een Programma van Eisen van opgesteld ten behoeve van toekomstige rioleringswerkzaamheden. Hierin is nog eens bevestigd dat voor de omgeving van de Vlietlocatie een hoge archeologische verwachting geldt. De in het PvE voorgestelde maatregelen in de vorm van archeologische begeleidingen zijn alleen van toepassing voor werkzaamheden in de straten zelf. Onderzoek Aeres Milieu 2019/2020 Onderzoeksbureau Aeres Milieu heeft in augustus 2019 (actualisatie 16 februari 2021) een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het plangebied. Het doel van het onderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied en deze door middel van boringen te toetsen. Het rapport van het archeologisch onderzoek is toegevoegd in bijlage 8 van de toelichting op dit bestemmingsplan.
44
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied onderdeel is geweest van de historische bebouwing van Maassluis. In de ondergrond zijn cultuurlagen aangetroffen, waarin ook concrete aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van historische funderingen. De aangetroffen cultuurlagen zijn al aanwezig vanaf 35 centimeter -mv. Tevens is geconcludeerd dat het bodemarchief onder de bestaande bebouwing vrijwel geheel verstoord zal zijn. Aanbevolen is om voorafgaand aan de nieuwbouw archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren op de niet bebouwde delen in het plangebied. Initiatiefnemer en de gemeente hebben nadien verschillende overleggen gevoerd over het aspect archeologie. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken door Aeres Milieu en het advies van de gemeentelijke archeologisch adviseur heeft de gemeente een zgn. selectiebesluit genomen met betrekking tot het te volgen proces van archeologische monumentenzorg. Selectiebesluit Gemeente Maassluis Project Puur! Maassluis, Locatie Arthur van Schendelstraat 25 Maassluis In het kader van de voorbereiding van de herontwikkeling van bovengenoemde locatie is door Aeres Milieu een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gerapporteerd in een rapport (AM 19275 - versie 16 februari 2021).
In het rapport zijn aanbevelingen gedaan met betrekking tot het archeologisch vervolgtraject. Het betreffende rapport is tot tweemaal toe door de archeologisch adviseur van de gemeente Maassluis getoetst, zowel wat betreft de bevindingen als het advies. Met betrekking tot het archeologisch vervolgtraject besluit de gemeente het volgende. Daarin zijn de afwegingen 1-3 betrokken: 1. Het archeologisch vervolgonderzoek door middel van proefsleuven vindt plaats op 2, mogelijk 3 , locaties (zie afbeelding 12): 1 en 2) het zuidelijk deel van de hoofdlocatie (2 werkputten), 3) de nieuwbouwlocatie op het huidige parkeerterrein (1 werkput). 4) de voorzijde van de toekomstige nieuwbouw aan de Zuidvliet (optioneel 1 controle waarnemingssleuf, door middel van begeleiding). 2. Binnen het plangebied dient begonnen te worden met werkput 1, deze is ca. 8 m breed en 40 m lang, vervolgens dient haaks hierop werkput 2 te worden aangelegd, zo dicht als mogelijk tegen de achtergevel van de bestaande bebouwing en afmetingen 6 x 25 m. Daarna volgt sleuf 3 op het parkeerterrein, met afmetingen van 6 x 30m. Optionele werkput 4 bevindt zich aan de voorzijde van de bestaande bebouwing in een zone met veel kabels en leidingen.
Aanleg van deze sleuf is afhankelijk van de resultaten uit sleuf 1 en 2 en kan vanwege de risico’s waarschijnlijk alleen plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tussen sloop en nieuwbouw. Een definitief besluit hierover en de omvang van deze waarneming wordt in overleg met alle partijen genomen nadat de resultaten uit sleuf 1 en 2 en de eventuele daaropvolgende aanvullingen bekend zijn. 3. De maximale diepte van de sleuven reikt tot ca. 1,5 m -NAP, op basis van de geplande verstoringen, dus ca. 1,1 tot 1,6 m -mv. 4. Op basis van de bevindingen kan de gemeente besluiten, dat het onderzoek in de sleuven 1 en 3 wordt uitgebreid. De omvang van de uitbreiding hangt af van de informatiewaarde van de aangetroffen archeologie, maar beslaat nooit meer dan de niet door de bestaande bebouwing verstoorde terreindelen ter hoogte van deze locaties. 5. De noodzaak tot een eventuele uitbreiding (doorstart) kan zo nodig in het veld beoordeeld worden door de gemeente in aansluiting op het veldwerk van de sleuven 1 en 3. Indien de resultaten in sleuf 1 (en 2) tegenvallen kan eventueel besloten worden sleuf 3 te laten vallen. 6. Bij het aantreffen van archeologische sporen en vondsten meldt de archeoloog dit terstond aan de opdrachtgever en het bevoegd gezag. 7.
Eventuele uitbreiding van de sleuven of doorstart naar een opgraving vindt pas plaats na instemming van de opdrachtgever en het bevoegd gezag. 8. Ter uitwerking van het PvE stelt de uitvoerder van het proefsleuven-onderzoek (IVO-P) met eventuele doorstart naar een opgraving (DO) een Plan van Aanpak (PvA) op voor beide soort onderzoeken.
(vastgesteld)
45
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Afbeelding 12 Puttenplan. Grijs: plangebied; groen: locatie proefsleuven; geel: bestemming wonen; bruin: bestemming gemengd; rode lijn: huidige bebouwing Vervolgprocedure De gemeente en initiatiefnemer blijven in overleg over de inrichting van genoemde vervolgstappen. De noodzakelijke onderzoeken kunnen parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden uitgevoerd. Tot de voltooiing van de onderhavige onderzoeken blijft de dubbelbestemming "Waarde archeologie 4" in het plangebied gehandhaafd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan de gemeente besluiten de dubbelbestemming te wijzigen of te laten vervallen. Uitvoering van het hierboven omschreven onderzoek geldt tevens als voorwaarde voor de verlening van de Omgevingsvergunning. Wellicht ten overvloede wordt gesteld, dat uitvoering van het betreffende archeologische vervolgonderzoek conform KNA 4.1 inclusief de bijbehorende uitwerking en rapportage betreft.
46
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.12
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling In de ruimtelijke ordening moet de cultuurhistorie worden afgewogen. Het rijk heeft in 2009 hiervoor een aanzet gegeven in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Het Rijk stelt dat de cultuurhistorie moet worden verantwoord in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. De Bro is samen met andere wetten al eerder aangepast op 17 juni 2011. Zo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Dit sluit aan op de vaststelling van de Wijzigingswet Monumentenzorg 1988. Ook sluit het aan op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in mei 2011. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. Dit is met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waar de voorbereiding van een bestemmingsplan aan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd.
In deze beschrijving moet worden aangegeven hoe er met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Ook moet het aangeven hoe er met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. De wet is van kracht sinds 1 juli 2016 en gaat over het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet. Dit betreffen de Monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is de aanwijzing van rijksmonumenten overgenomen. Ook is overgenomen wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet over het cultureel erfgoed. Deze heeft betrekking op de museale objecten, musea, monumenten, en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten. Deze hadden elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat deze beschermingsniveaus worden gehandhaafd. Dit zijn de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden.
Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet wordt naar verwachting in 2021 ingevoerd. In de door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde Omgevingsverordening wordt de windvang van molens en het zicht daarop beschermd door middel van het instellen van een molenbiotoop. Deze zone strekt zich uit tot 400 meter vanaf het middelpunt van de molen. Afhankelijk van de afstand vanaf de molen stelt artikel 6.25, lid 1 van de Omgevingsverordening de volgende voorwaarden aan ontwikkelingen binnen het gebied van een molenbiotoop: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek: 2.
voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
(vastgesteld)
47
Bestemmingsplan Vlietlocatie Onderzoek en conclusie Het plangebied is gelegen in de molenbiotoop van molen 'De Hoop'. Het betreft een ronde stenen stellingkorenmolen die gebruikt werd om graan te malen. Momenteel is de molen buiten bedrijf. Ten oosten van het plangebied is de 'Wippersmolen' gesitueerd. Het plangebied ligt niet binnen de molenbiotoop van de 'Wippersmolen'. Zie afbeelding 13 voor de visuele weergave van de molenbiotopen ten opzichte van het plangebied.
Afbeelding 13 Ligging molenbiotopen ten opzichte van het plangebied Het plangebied is gelegen op ongeveer 270 meter afstand vanaf molen 'De Hoop'. Dit betekent dat artikel 6.25, lid 1, sub b, 2 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland van toepassing is. Voor de zone van 100 tot 400 meter vanaf het middelpunt van de molen geldt dat per 30 meter afstand de bebouwing 1 meter hoog mag zijn. De maximale bouwhoogte in het plangebied kan berekend worden met onderstaande formule: Hoogte bebouwing = 11 + (x/30) Op basis van NAP gegevens kan geconcludeerd worden dat molen 'De Hoop' circa 4 meter hoger ligt dan de planlocatie. De hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek betreft daarom 11 meter. De afstand, oftewel x, van het plangebied tot aan de molen betreft 270m. De berekening is dan 11 + (270/30) = 20 meter. Dit betekent dat de maximale bouwhoogte 20 meter bedraagt in het plangebied, voorliggend bestemmingsplan voorziet slechts in een maximale planologische bouwhoogte van 13 meter. Het belang van de molenbiotoop wordt daarmee niet geschaad. Voor bouwen binnen betreffende molenbiotoop geldt dat deze bepaling door middel van een aanduiding op de verbeelding en bijbehorende regels zijn geborgd in het bestemmingsplan.
48
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
5.13
Verkeer en parkeren
Beleid en normstelling De reikwijdte van het begrip 'goede ruimtelijke ordening' bestrijkt ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de beoogde functie aanwezig te zijn. Het college van burgemeester en wethouders van Maassluis heeft in februari 2013 de beleidsregels "Parkeren Maassluis 2012" vastgesteld. In deze beleidsregels zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij bouwplannen. Bij het bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen voor het parkeren of stallen van auto's, dient met de in deze beleidsregel opgenomen normen rekening te worden gehouden. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling van de Vlietlocatie dient te voldoen aan het vigerende beleid (Beleidsregels Parkeren Maassluis 2012). De gemeenteraad van Maassluis heeft als aanvullend eis gesteld dat er 50 parkeerplaatsen extra gerealiseerd dienen te worden om de parkeerdruk in het centrum van bewoners, bezoekers en ondernemers te verlichten. De gemeente Maassluis en de initiatiefnemer hebben in samenwerking met adviesbureaus Spark en Goudappel Coffeng een sluitende parkeerbalans en parkeeronderbouwing kunnen formuleren.
In bijlage 9 is het definitieve parkeeronderzoek van Goudappel Coffeng opgenomen. Op basis van het onderzoek is aangetoond dat de ontwikkeling kan voorzien in voldoende parkeerplaatsen en daarnaast ook wordt voldaan aan de aanvullende eis van 50 extra parkeerplaatsen.
5.14
Vormvrije m.e.r. beoordeling
In het Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een project mer-beoordelingplichtig is. De beoogde ontwikkeling past binnen bijlage D (categorie 11.2) van het Besluit m.e.r. Gezien de omvang van het plan, worden de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D (categorie 11.2) niet gehaald en kan worden volstaan met een zogenoemde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Door de wijziging in de wetgeving per juli 2017, dient ook in deze gevallen door het bevoegd gezag een besluit te worden genomen dat geen volledige mer-procedure benodigd is. Hiervoor dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis van de toelichting van het bestemmingsplan. De aanmeldnotitie is toegevoegd als bijlage 10 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. De aanmeldnotitie is voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan het bevoegd gezag (het college van B&W). Het bevoegd gezag heeft ingestemd met de conclusie dat het doorlopen van een volledige m.e.r. procedure niet noodzakelijk is. De m.e.r. procedure is hiermee doorlopen en afgerond.
(vastgesteld)
49
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Hoofdstuk 6 6.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan moet onderzoek plaatsvinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Dit is in artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro bepaald. Dit hoofdstuk betreft de financiële uitvoerbaarheid. Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten van de ontwikkeling zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Het project wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer en derhalve is er geen financieel risico voor het bevoegd gezag. De gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan op te stellen bij de AMvB aangewezen gevallen. Dit is van toepassing bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Deze keuze kan op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro gemaakt worden. Dit is van toepassing als er geen kosten te verhalen zijn zoals artikel 6.2.4 Bro (b t/m f) bedoeld. Bij dit plan is hier geen sprake van. ` ABB, Gemeente en Maasdelta Groep hebben een ontwikkelovereenkomst getekend met grondreservering voor 2 jaar. Voor het bestemmingsplan wordt vastgesteld zal een koopovereenkomst getekend worden met betrekking tot de af te nemen gronden tussen gemeente en ABB.
50
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden.
6.2.1
Wettelijke vooroverleg
De verplichting tot het voeren van wettelijk vooroverleg is vastgelegd in artikel 3.1.1. van het besluit ruimtelijke ordening. Conform deze wetgeving is het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan verplicht daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn te voeren. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De gemeente Maassluis heeft het vooroverleg afgerond en van de volgende instanties een vooroverleg reactie ontvangen: 1. Provincie Zuid-Holland; 2. Hoogheemraadschap van Delfland. 1. Provincie Zuid - Holland In de toelichting wordt gesteld dat de onderzijde van de verticaal staande wiek van molen De Hoop zich op 11 meter hoogte bevindt. In werkelijkheid bevindt de stelling zich op 7 meter. De verticaal staande wiek enkele tientallen centimeters hoger, maximaal op 7,5 meter. Tenzij er sprake zou zijn van een maaiveldverschil op de bouwlocatie en molen van 3,5 meter, klopt deze aanname niet. Dit dient aangepast te worden of beter te worden onderbouwd als daadwerkelijk sprake is van een maaiveldverschil.
Het zou dus ook goed kunnen dat de uitkomst van 20 meter op de molenlocatie op basis van de molenbiotoopformule niet klopt. Overigens zou dit geen gevolgen hebben voor de gehanteerde bouwhoogtes op de bouwvlakken, die zijn al lager.
Reactie gemeente Maassluis Paragraaf 5.12 is aangevuld aan de hand van NAP gegevens van de gemeente Maassluis. Op basis van NAP gegevens kan geconcludeerd worden dat molen 'De Hoop' circa 4 meter hoger ligt dan de planlocatie. De berekening is daarom niet aangepast, waarbij het resultaat nog steeds is dat het belang van de molenbiotoop niet wordt geschaad.
2. Hoogheemraadschap van Delfland Wij geven u graag advies ten aanzien van de wateraspecten in het plan. Samenvattend kunnen wij nog niet instemmen met de waterbergingsopgave en oplossingen hiervoor. Wij verzoeken u een aantal tekstuele aanpassingen te maken en de bergingsopgave in de regels bij het plan te borgen. Tevens is verdere afstemming tussen de gemeente, Witteveen & Bos en Delfland gewenst. Hieronder volgen onze specifieke opmerkingen. Toelichting Pagina 33: In de alinea waar het watertoetsproces uitgelegd wordt, staat, dat de gemeente Midden-Delfland waterbeheerder is. Dit lijkt ons niet juist en wij vragen u dit aan te passen. Pagina 33: Achter “Handreiking Watertoets” wordt het jaartal 2016 genoemd. Wij verzoeken u dit jaartal te verwijderen. De Handreiking watertoets voor gemeenten is een dynamisch document, welke onlangs een laatste update gehad heeft Pagina 33: Onder “Veiligheid en waterkeringen” wordt gesteld, dat er drie werkzaamheden in de beschermingszone voorzien zijn. Enerzijds worden er twee genoemd en vermoeden wij, dat wellicht de bouwwerkzaamheden hier als derde bedoeld worden. Anderzijds gaat het hier niet alleen om de beschermingszone (groene strook), maar ook om het waterstaatswerk zelf (rode strook). Wij vragen u dit na te gaan en de tekst kloppend te maken.
(vastgesteld)
51
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Pagina 34: Onder “Waterkwantiteit’ worden oplossingen voor de waterbergingsopgaves beschreven. Volgens ons is er hierover geen eerdere afstemming geweest. Dit doen wij graag alsnog onder meer op basis van een ingevulde watersleutel. Ook wat betreft de oplossingsrichting, stemmen wij graag verder af. Bij een andere oplossing dan het graven van oppervlaktewater is de Richtlijn Vasthoudmaatregelen van toepassing, zie verderop in deze brief. Vanuit Delfland is de genoemde ondergrondse oplossing niet verplicht en wellicht zelfs onwenselijk met het oog op beheer en onderhoud. Kijkend naar de impressie van de ontwikkeling op de titelpagina van het rapport, zien wij een kansrijke situatie voor bijvoorbeeld groenblauwe daken en het hergebruik van hemelwater. Wij denken hier graag in mee. Wij verzoeken u in te gaan op het thema “Klimaatadaptatie”, zoals deze in de Handreiking watertoets voor gemeenten (zie pagina 39) beschreven wordt. Wij vragen u aan geven, wat de effecten van klimaatverandering op de ontwikkeling zijn en of er verbeterkansen zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het creëren van een prettige leefomgeving met betrekking tot zaken als hittestress, wateroverlast, droogte, overstromingen en biodiversiteit. Als er stresstesten beschikbaar zijn, verzoeken wij u de resultaten hier kort te beschrijven.