1. Bestemmingsplan Vlietlocatie, d.d. 22 november 2021
Tekst van het document
Juridische borging in regels Wanneer er overeenstemming is over de waterbergingsopgave van Delfland, vragen wij de gemeente deze als voorwaardelijke bepaling in de regels bij het plan op te nemen. Waterhuishoudkundig rapport Pagina 17: Het wijzigen van straatoppervlak op een waterkering is niet zomaar vergunningvrij. Wij vragen en u dit aan te passen en tenminste te spreken van een mogelijke vrijstelling afhankelijk van de benodigde werkzaamheden. Zo noemt paragraaf 2.9 van de Algemene Regels meerdere criteria, waaraan voldaan moet worden, zoals een maximaal vloeroppervlak van 6 m2 In paragraaf 7.9 van de toelichting bij de Algemene Regels wordt nader uitgelegd, wat met “werken” bedoeld wordt. Hoofdstuk 5 van de beleidsregel Medegebruik Regionale Waterkeringen is volledig gewijd aan wegen op keringen. Om tot een preciezer beleidskader voor de werkzaamheden te komen, kan onze afdeling Regulering en Planadvisering u verder adviseren, zie “Watervergunning en/of melding” aan het eind van deze brief. Pagina 19 en 22: Er worden afspraken met Delfland over het afkoppelen van een deel van de nieuwe bebouwing naar de Zuidvliet genoemd. Wij kunnen hier niets over terugvinden in ons dossier. Indien er wellicht uit het verleden communicatie hierover beschikbaar is, zien wij dit graag tegemoet.
Het direct laten afstromen van hemelwater van de woningen naar de Zuidvliet heeft niet onze voorkeur. Hierdoor ontstaat meer en versnelde afvoer op de boezem. Dit voldoet niet aan het standstill-principe en aan het principe, dat een bergingsopgave in het betreffende peilgebied opgelost wordt. Met hemelwater dat afstroomt van het wegoppervlak naar de Zuidvliet, kunnen wij instemmen. Pagina 19: De voorkeursvolgorde die hier voor het omgaan met afstromend hemelwater beschreven is, is niet volledig. Wij vragen u dit aan te passen. Als het om compensatie van een verhardingstoename gaat, geeft Delfland altijd de voorkeur aan nieuw oppervlaktewater. Als het om afvoer afkoppelen op bestaand oppervlaktewater gaat, vragen wij om dit vertraagd te doen. Pagina 23: Tabel 5.2 maakt niet duidelijk, hoe de waterbergingsopgave tot stand komt. Ook hebben wij het idee, dat de groenstrook langs de Zuidvliet niet als onverhard oppervlak meegeteld is. Bijkomstig is de watersleutel in juli 2020 vernieuwd, waardoor deze een ander resultaat geven kan dan de vorige versie. Om deze reden kunnen wij nog niet instemmen. Pagina 26: Er wordt gesteld, dat in de toekomst de bergende functie van het HWA-stelsel verwijderd zou kunnen worden. Onzes inziens betekent, dat er op den duur alsnog een versnelde afvoer komt, hetgeen onwenselijk is.
Reactie gemeente Maassluis De opmerkingen op de toelichting zijn verwerkt in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan. Tevens is een paragraaf over klimaatadaptie toegevoegd. De rapportage 'Integraal Waterhuishoudkundig Plan Puur' is opgesteld op basis van de toen geldende regelingen en voorschriften. Het HHD stelt dat de Handreiking watertoets voor gemeenten een dynamisch document is, welke onlangs een laatste update gehad heeft.
52
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie Wel is er reeds een watervergunning verleend op basis van de toen geldende regelgeving, deze vergunning heeft zijn rechtskracht niet verloren. Redactionele aanpassingen aan de waterrapportage zullen indien noodzakelijk voorafgaand aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan met het hoogheemraadschap nader worden afgestemd. In de brief van het HHD staat dat het afstromen van het dakwater en oppervlaktewater langs de Zuidvliet niet de voorkeur heeft, maar dat is wel de afspraak uit eerdere correspondentie en een watervergunning. Het heropenen van deze discussie heeft niet de voorkeur voor zowel de gemeente Maassluis als de initiatiefnemer. Er zijn voor zover bekend geen stresstesten uitgevoerd waarnaar verwezen kan worden in de rapportage. De gemeente Maassluis zou het HWA-stelsel in de toekomst kunnen aansluiten op een nieuw aan te leggen HWA-riool, daarmee zou het onderdeel uitmaken van het gemeentelijk HWA-systeem. Dat is op dit moment echter nog niet aan de orde. De gemeente Maassluis acht borging van de waterberging in de regels niet noodzakelijk, deze zijn anterieur met de initiatiefnemer overeengekomen.
6.2.2
Omgevingsdialoog
De inspraakverordening van de gemeente Maassluis bepaalt in artikel 2, lid 2, dat inspraak altijd wordt verleend indien de wet daartoe verplicht. De wettelijke plicht om bij ruimtelijke plannen inspraak te verlenen is komen te vervallen. Wel kan elk bestuursorgaan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van commerciële ruimten, appartementen en grondgebonden woningen in het centrum van Maassluis. De herontwikkeling van het centrumgebied is belangrijk voor de toekomst van Maassluis, daarom hecht te gemeente waarde aan een goede inspraak. Inspraak heeft plaatsgevonden in de vorm van informatie- en participatiebijeenkomsten, een klankbordgroep en verschillende overige contactmoment tussen de gemeente, de initiatiefnemer en inwoners en ondernemers van Maassluis. Voor een volledig overzicht van alle participatiemomenten wordt verwezen naar bijlage 1 van de Nota van Zienswijzen (bijlage11).
6.2.3
Zienswijzen
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in de Staatscourant en in het Gemeenteblad gepubliceerd. Het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd en is in deze periode tevens langs elektronische weg beschikbaar gesteld. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft een ieder schriftelijk en/of mondeling zienswijzen kenbaar kunnen maken. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn 3 unieke zienswijzen ingediend. Alle drie de zienswijzen zijn tijdig binnengekomen en daardoor ontvankelijk. De zienswijzen zijn in een Nota van beantwoording zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord. De volledige Nota van beantwoording is toegevoegd als bijlage 11.
(vastgesteld)
53
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlagen bij Toelichting
54
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 1
(vastgesteld)
Distributieplanologisch onderzoek
55
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 2
56
Akoestisch onderzoek
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 3
(vastgesteld)
Verkennend bodemonderzoek
57
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 4
58
Aanvullend bodemonderzoek
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 5
(vastgesteld)
Integraal Waterhuishoudkundig Plan
59
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 6
60
Quickscan flora & fauna
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 7
(vastgesteld)
Aerius - berekening (stikstofdepositie)
61
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 8
62
Archeologisch bureau - en verkennend veldonderzoek
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 9
(vastgesteld)
Parkeeronderzoek
63
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 10
64
Vormvrije m.e.r. beoordeling
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Bijlage 11
(vastgesteld)
Nota Zienswijzen
65
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Regels
66
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan De Vlietlocatie van de gemeente Maassluis met identificatienummer NL.IMRO.0556.BpVliet-VA01
1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).
1.3
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
1.4
aan-huis-gebonden beroepen
Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, die in hoofdzaak niet publieksaantrekkend is en die door de hoofdbewoner op kleine schaal in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning haar woonfunctie behoudt en desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de hoofdfunctie.
1.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.7
achtererf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
1.8
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.9
archeologisch verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.
(vastgesteld)
67
Bestemmingsplan Vlietlocatie 1.10
archeologisch vooronderzoek
archeologisch vooronderzoek kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport. Op basis daarvan beoordeelt de gemeente of een omgevingsvergunning kan worden verleend.
1.11
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.
1.12
bodemingrepen
werken en werkzaamheden, genoemd onder Artikel X, waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten.
1.13
opgraving
de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.14
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.15
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, en oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
1.16
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.17
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.18
bevoegd gezag
het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
68
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie 1.19
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.20
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.21
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
1.22
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat boven 100% van het vloeroppervlak een plafondhoogte van ten minste 2,4 m aanwezig c.q. mogelijk is. Een kap-schuin dakvlak, vliering, zolder, souterrain en onderhuis worden hieronder niet begrepen.
1.23
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.24
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel.
1.25
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.26
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.27
brutovloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
(vastgesteld)
69
Bestemmingsplan Vlietlocatie
1.28
bijzondere woonvorm
Een voorziening voor de huisvesting van personen die bij hun normale dagelijks functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals bejaarden of gehandicapten.
1.29
cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.
1.30
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.31
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen.
1.32
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.33
geluidsgevoelige objecten
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
1.34
geluidszone - industrie
een geluidszone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
1.35
hoofdgebouw
een gebouw of gedeelte daarvan dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is.
1.36
horecabedrijf
Een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
70
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie 1.37
huishouden
één persoon dan wel twee of meer personen, die duurzaam met elkaar samenleven, dan wel een daarmee vergelijkbare samenstelling die gebruik maken van gezamenlijke voorzieningen.
1.38
kantoor
Een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
1.39
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), en voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.40
maatschappelijke voorzieningen
Voorziening inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, levensbeschouwing, religie, onderwijs, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang, sport, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.
1.41
NEN
door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
1.42
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.43
ondergeschikte bouwonderdelen
Onder ondergeschikte bouwonderdelen worden o.a. verstaan: plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, schoorstenen, warmte installaties, antennes, gevel- en kroonlijsten, luifels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
1.44
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en ten hoogste één gesloten wand.
1.45
Staat van horeca-activiteiten
de Staat van Horeca-activiteiten die landelijk erkend wordt.
(vastgesteld)
71
Bestemmingsplan Vlietlocatie
1.46
straatmeubilair
kleinschalige bouwwerken ten behoeve van openbare (nuts)voorzieningen, zoals verkeersgeleiders, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, prullenbakken, waterfonteintjes, speeltoestellen en reclameobjecten, alsmede telefooncellen en abri's.
1.47
volumineuze detailhandel
detailhandel in de volgende categorieën: a. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; b. detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen; c. tuincentra; d. grootschalige detailhandelsbedrijven in meubels, keukens en badkamers, al dan niet - in ondergeschikte mate - in combinatie met woninginrichting en stoffering; e. bouwmarkten. 1.48
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van ene gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
1.49
woning
en complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor een met een huishouden gelijk te stellen minder traditionele woonvorm.
72
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.
2.2
bouwhoogte van een antenne-installatie
a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.3
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.4
meetwijze ondergeschikte bouwonderdelen
ondergeschikte bouwonderdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, bestemmings- en aanduidingsgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt.
2.5
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
2.6
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.7
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.8
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
(vastgesteld)
73
Bestemmingsplan Vlietlocatie
2.9
vloeroppervlakte
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN2580.
2.10
peil
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
74
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Detailhandel
Bestemmingsomschrijving
De voor "Detailhandel" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen 3.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 3.2.1 gebouwen a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven goothoogte; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte; 3.2.2
bouwwerken, geen gebouwen zijnde
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied
1 m;
van erf- en terreinafscheidingen elders
3 m;
van lichtmasten en vlaggenmasten
6 m;
van vrijstaande antenne-installaties anders dan ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast
15 m;
van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes
5 m;
van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantenne-installaties, die op of aan bouwwerken worden gebouwd
5 m;
van schotelantennes, ongeacht of zij op of aan bouwwerken worden gebouwd
3 m;
van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3 m.
3.3
Specifieke gebruiksregels
a. verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan; b. detailhandel in volumineuze goederen is niet toegestaan; c. tuincentra en supermarkten zijn niet toegestaan.
(vastgesteld)
75
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 4 4.1
Gemengd - 5
Bestemmingsomschrijving
De voor "Gemengd - 5" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond; b. kantine- en kantoorruimte behorende bij de detailhandelsfunctie, op de verdieping; c. wonen, met aan-huis-geboden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; d. bergingen; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, laad- en losvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 4.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 4.2.1 gebouwen a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. voor balkons geldt dat het bouwvlak met maximaal 0,50 meter mag worden overschreden; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte. 4.2.2
bouwwerken, geen gebouwen zijnde
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: a. van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied
1 m;
b. van erf- en terreinafscheidingen elders
3 m;
c. van lichtmasten en vlaggenmasten
6 m;
d. van vrijstaande antenne-installaties anders dan ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast
15 m;
e. van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes
5 m;
f.
van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantenne-installaties, die op of aan bouwwerken worden gebouwd
5 m;
g. van schotelantennes, ongeacht of zij op of aan bouwwerken worden gebouwd
3 m;
h. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3 m.
4.3
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel gelden de volgende regels: a. verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan; b. volumineuze detailhandel is niet toegestaan; c. een maaltijdafhaal- of bezorgbedrijf is niet toegestaan.
76
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 5 5.1
Gemengd - 6
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd - 6' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond; b. dienstverlening, uitsluitend op de begane grond; c. kantoor, uitsluitend op de begane grond; d. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend op de begane grond; e. wonen, met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; f. bergingen; g. horeca tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca activiteiten, uitsluitend op de begane grond; h. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en wegen. 5.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 Gebouwen a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. voor balkons geldt dat het bouwvlak met maximaal 0,50 meter mag worden overschreden; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte. 5.2.2
bouwwerken, geen gebouwen zijnde
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: a. van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied
1 m;
b. van erf- en terreinafscheidingen elders
3 m;
c. van lichtmasten en vlaggenmasten
6 m;
d. van vrijstaande antenne-installaties anders dan ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast
15 m;
e. van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes
5 m;
f.
van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantenne-installaties, die op of aan bouwwerken worden gebouwd
5 m;
g. van schotelantennes, ongeacht of zij op of aan bouwwerken worden gebouwd
3 m;
h. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3 m.
5.3
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel gelden de volgende regels: a. verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan; b. volumineuze detailhandel is niet toegestaan; c. een maaltijdafhaal- of bezorgbedrijf is niet toegestaan; d. supermarkten zijn niet toegestaan.
(vastgesteld)
77
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 6 6.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor "Verkeer-Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, groen, water, straatmeubilair, reclame-uitingen, parkeervoorzieningen, laaden losvoorzieningen en speelvoorzieningen. 6.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, bedraagt ten hoogste 3 m; c. in afwijking van artikel 6.2 lid a zijn bouwwerken ten behoeve van de stalling van winkelkarretjes toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter een gezamenlijke maximale oppervlakte van 30 m2; d. in afwijking van artikel 6.2 lid a zijn bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter en een maximaal oppervlak van 9 m2.
78
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 7 7.1
Wonen - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen -1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden woningen; b. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. 7.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 7.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. voor balkons geldt dat het bouwvlak met maximaal 0,50 meter mag worden overschreden; c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten minste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte; d. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte. 7.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen a. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; b. de diepte van aan- en uitbouwen, gemeten vanuit de gevel van het hoofdgebouw waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, bedraagt ten hoogste 3 m; c. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m; d. het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 60% van het zij- en achtererf met een maximum van 50 m2. 7.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: a. van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied
3 m;
b. van erf- en terreinafscheidingen elders
3 m;
c. van lichtmasten en vlaggenmasten
6 m;
d. van vrijstaande antenne-installaties anders dan ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast
15 m;
e. van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes
5 m;
f.
van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie, niet zijnde schotelantenne-installaties, die op of aan bouwwerken worden gebouwd
5 m;
g. van schotelantennes, ongeacht of zij op of aan bouwwerken worden gebouwd
3 m;
h. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
2,5 m.
(vastgesteld)
79
Bestemmingsplan Vlietlocatie
7.3
Specifieke gebruiksregels
Op de gronden met de bestemming 'Wonen - 1' is - in samenhang daarmee - ook het gebruik toegestaan van gedeelten van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover: a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m2; b. ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien; c. de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
80
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar geldende bestemmingen - tevens bestemd voor bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.
8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 8.1 bedoeld, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.
8.2.2
Relatie enkelbestemming
Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien op basis van archeologisch onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
8.2.3
Uitzondering op bouwregels
Het bepaalde in lid 8.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 8.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, indien is gebleken dat het oprichten van het bouwwerk niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin. b. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid alsook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria. c. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2.
de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
81
Bestemmingsplan Vlietlocatie 8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het hoogheemraadschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. 8.4.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van lid 8.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 8.2 of 8.3 in acht is genomen; b. niet dieper dan 40 cm onder maaiveld reiken; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 8.4.3
Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overlegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat: 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; 3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad; c. voor zover de in lid 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3.
de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
82
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 9 9.1
Waarde - Archeologie - 4
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar geldende bestemmingen - tevens bestemd voor bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.
9.2
Bouwregels
9.2.1
Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 9.1 bedoeld, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. 9.2.2
Relatie enkelbestemming
Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien op basis van archeologisch onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. 9.2.3 Uitzondering op bouwregels a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 9.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2 ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, indien is gebleken dat het oprichten van het bouwwerk niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin. b. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid alsook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria. c. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2.
de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
83
Bestemmingsplan Vlietlocatie
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het hoogheemraadschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. 9.4.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van lid 9.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 9.2 of lid 9.3 in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2; c. niet dieper dan 40 cm onder maaiveld reiken; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 9.4.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 9.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate blijkt dat: 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; 3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad; c. voor zover de in lid 9.4.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3.
de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zaken deskundige.
84
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 10 10.1
Waarde - Archeologie - 6
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 6' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar geldende bestemmingen - tevens bestemd voor bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.
10.2
Bouwregels
10.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 10.1 bedoeld, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.
10.2.2 Relatie enkelbestemming Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien op basis van archeologisch onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
10.2.3 Uitzondering op bouwregels Het bepaalde in lid 10.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m2; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 200 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 10.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, indien is gebleken dat het oprichten van het bouwwerk niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin. b. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid alsook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria. c. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2.
de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
85
Bestemmingsplan Vlietlocatie 10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 6 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het hoogheemraadschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
10.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod van lid 10.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 10.2 of 10.3 in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m2; c. niet dieper dan 200 cm onder maaiveld reiken; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 10.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 10.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overlegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat: 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; 3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. c.
voor zover de in lid 10.4.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 10.4.1 , winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
86
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 11 11.1
Waarde - Cultuurhistorie - B
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - B' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van het beschermd stadsgezicht.
11.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, mits: 1. de voorgevel en de zijgevel van het hoofdgebouw, indien aangegeven, in de ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' aangegeven voorgevelrooilijn wordt geplaatst; 2. de gebouwen volledig worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 50 ° en te hoogste 70° bedraagt; 3. de nokrichting van de kap van gebouwen evenwijdig aan de zijgevel loopt; 4. de breedte van hoofdgebouwen niet minder dan 4 m en niet meer dan 10 m bedraagt. 11.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 11.2 van: 1. het bepaalde in lid 11.2 a onder 2 en een andere kapvorm, mits de gebouwen plat of met een dakhelling van ten minste 20° en ten hoogste 80°; 2. het bepaalde in lid 11.2 a onder 3 en een andere nokrichting toestaan, mits: gestreefd wordt naar aansluiting op de authentieke kenmerkende dakenstructuur; de hoofdvorm van de kap ongemoeid blijft en de wijziging niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied; 3. het bepaalde in lid 11.2 a onder 4 en een andere pandbreedte wordt toegestaan, mits: een aangesloten gevelwand blijft bestaan; het pand niet breder wordt dan 12 m; het repetitie-effect van twee pandbreedtes naast elkaar zo veel mogelijk wordt vermeden; bij beeldbepalende panden en monumenten de doorbreking van de zijgevel op ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn plaatsvindt; 4. de omgevingsvergunning kan worden verleend mits de cultuurhistorische waarde van het Beschermd Stadsgezicht Maassluis niet in onevenredige mate wordt aangetast.
(vastgesteld)
87
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 12 12.1
Waarde - Cultuurhistorie - C
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - C' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van het beschermd stadsgezicht.
12.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, mits: 1. de voorgevel van het hoofdgebouw in de ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' aangegeven voorgevelrooilijn wordt geplaatst; 2. de gebouwen volledig worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 50° en te hoogste 70° bedraagt; 3. de nokrichting van de kap van gebouwen evenwijdig aan de zijgevelbouwgrens loopt; 4. de breedte van hoofdgebouwen niet minder dan 4 m en niet meer dan 10 m bedraagt. 12.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 12.2 van: 1. het bepaalde in lid 12.2 a onder 1 en niet in de voorgevelrooilijn te bouwen, mits: er sprake is van een ondergeschikte verspringing, waarbij de terugspringing ten hoogste 3 m breed en 0,5 m diep bedraagt; de terugspringing plaatsvindt op een vanuit stedenbouwkundig optiek logische plaats; 2. het bepaalde in lid 12.2 a onder 2 en een andere kapvorm, mits de gebouwen plat of met een dakhelling van ten minste 20° en ten hoogste 80°; 3. het bepaalde in lid 12.2 a onder 3 en een andere nokrichting toestaan, mits: gestreefd wordt naar aansluiting op de authentieke kenmerkende dakenstructuur; de hoofdvorm van de kap ongemoeid blijft en de wijziging niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied; 4. het bepaalde in lid 12.2 a onder 4 en een andere pandbreedte wordt toegestaan, mits: een aangesloten gevelwand blijft bestaan; het pand niet breder wordt dan 12 m; het repetitie-effect van twee pandbreedtes naast elkaar zo veel mogelijk wordt vermeden; bij beeldbepalende panden en monumenten de doorbreking van de zijgevel op ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn plaatsvindt. b. De omgevingsvergunning kan worden verleend mits de cultuurhistorische waarde van het Beschermd Stadsgezicht Maassluis niet in onevenredige mate wordt aangetast.
88
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 13 13.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar geldende bestemmingen - tevens bestemd voor dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en de bescherming van deze waterkerende functie.
13.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 13.1 bedoeld, worden gebouwd; b. ten behoeve van de onderliggende bestemmingen mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 13.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 13.2, onder b: a. indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; b. alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering. De adviesverplichting hoeft niet te worden aangevraagd wanneer er aantoonbaar een keurvergunning overlegd kan worden.
(vastgesteld)
89
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Hoofdstuk 3 Artikel 14
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
90
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 15 15.1
Algemene bouwregels
Bestaande maten
a. De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. b. De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. c. Ingeval van herbouw is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 15.2
Overschrijding bouwgrenzen
Bouwvlakken mogen in afwijking van hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, liftschachten, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.
(vastgesteld)
91
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 16 16.1
Algemene gebruiksregels
Voorwaardelijke verplichting
16.1.1 Vleermuizen a. Bij activiteiten waarvoor een 'omgevingsvergunning voor het bouwen' (art. 2.1 lid a Wabo) en/of een 'omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (art. 2.1 lid c Wabo) is vereist, dient een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Waarbij aan de volgende voorwaardelijke verplichting wordt voldaan: uiterlijk voor de start van de werkzaamheden dient een nader onderzoek naar vleermuizen, gebouwbewonende soorten conform het geldende Vleermuisprotocool uitgevoerd te worden. Het onderzoeksrapport dient bij de sloopmelding gevoegd te worden. Is dit niet het geval, dan kan er niet gesloopt worden. 16.1.2 Gebruik nieuwe supermarkt a. Behoudens een maximale overlap periode van 6 weken na opening van de nieuwe supermarkt, mag de nieuwe supermarkt op de Vlietlocatie alleen in gebruik worden genomen als de exploitatie van de supermarkt op de oude locatie duurzaam is beëindigd en niet meer wordt hervat.
92
(vastgesteld)
Bestemmingsplan Vlietlocatie
Artikel 17 17.1
Algemene aanduidingsregels
Geluidszone - industrie
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie 1' en 'geluidszone - industrie 2' gelden de volgende regels: a. geluidsgevoelige objecten ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie 1' en 'geluidszone - industrie 2' zijn uitsluitend toegestaan indien voldaan kan worden aan de in of krachtens de Wet geluidhinder geldende normen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a zijn geluidsgevoelige objecten toegestaan voor zover de geluidsbelasting beneden de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai is gelegen; c. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a voor het toestaan van geluidsgevoelige objecten met een geluidsbelasting hoger dan 55 dB(A) mits voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. 17.2
Molenbiotoop
17.2.1 Bouwregels In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone- molenbiotoop' de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht en beplanting aangebracht welke in volwassen toestand hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht en beplanting aangebracht welke in volwassen toestand met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. 17.2.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 17.2.1, indien de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing.