CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

01. Raadsvergadering 28 mei 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Chateaupark Heel Fase 2 & 323.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In deze nota zijn de gemeentelijke parkeernormen inzichtelijk gemaakt voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars zodat duidelijk is welke normen gehanteerd worden bij de betreffende bouwaanvraag. Hierdoor zal in de toekomst bij nieuwe ruimtelijke plannen en projecten zoals nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van functie in een parkeerbehoefte voorzien en waar mogelijk de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. De nota gaat er van uit dat de aanvrager in eerste instantie zelf zorg draagt voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 4.2.2 Toetsing 4.2.2.1 Ontsluiting De ontsluiting vindt plaats via de omliggende wegen Kasteellaan en Kastanjelaan. In oostelijke richting wordt ontsloten op de Mgr. Savelbergweg, van waaruit in zuidelijke richting de kern Wessem is te bereiken en aansluiting plaatsvindt met de A2. In noordelijke richting vindt aansluiting plaats met de Dorpsstraat, van waaruit verbindingen zijn met de Heerbaan, de gebiedsontsluitingsweg door de kern Heel. De Kasteellaan en Kastanjelaan zijn ingericht voor het langzaam verkeer en alleen gemotoriseerd verkeer met een bestemming aan deze straten zijn toegankelijk.

44/158

4.2.2.2 Parkeren Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van de parkeernormen uit de 'Parkeernormen en Parkeerbijdrage regeling Gemeente Maasgouw, 2010'. Hierbij is de beoogde ontwikkeling gelegen in 'rest bebouwde kom'. Voor de appartementen is voor het hanteren van een worstcase benadering uitgegaan van de normen behorende bij "woning duur". In tabel 4.1 is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekent. Tabel 4.1

De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling

Beschrijving

Functie

Aantal

Kencijfer

Totaal

Appartementen

Woning duur

18 woningen

2,2 per woning

39,6 pp

Zorgstudio's

Serviceflat/ aanleunwoning 12 woningen

0,6 per woning

7,2 pp

Hospice

Verpleegtehuis/ verzorgingstehuis

14 0,7 per wooneenheid 9,8 pp wooneenheden

Commerciële ruimte

Kantoor met baliefunctie (commerciële dienstverlening)

850 m² bvo

3,5 per 100 m² bvo

Totaal

29,75 pp

86,35 pp

De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 86 parkeerplaatsen. Aangezien de beoogde ontwikkeling uit verschillende doelgroepen bestaat kan dubbelgebruik worden toegepast. Voor het bepalen van de maatgevende periode is gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid. Vanuit het gemeentelijke parkeernormenbeleid zijn echter geen aanwezigheidspercentages beschikbaar voor een hospice (verpleegtehuis). Daarom wordt voor de hospice gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages voor een verpleegtehuis uit CROW publicatie 381. In tabel 4.2 is de maatgevende parkeerbehoefte bepaald na toepassing van dubbelgebruik. Tabel 4.2

De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling per weekmoment Werkdag overdag

Werkdag middag

Werkdag avond

Koopavond

Zaterdag middag

Zaterdag avond

Zondag middag

%

50%

60%

100%

90%

60%

60%

70%

pp

23,4

28,08

46,8

42,12

28,08

28,08

32,76

Verpleegtehui % s

50%

50%

100%

100%

100%

100%

100%

pp

4,9

4,9

9,8

9,8

9,8

9,8

9,8

% Kantoor (commerciële dienstverlenin g)

100%

100%

5%

10%

5%

0%

0%

pp

29,75

29,75

1,49

2,98

1,49

0

0

pp

58,05

62,73

58,09

54,90

39,38

37,88

42,56

Woningen

Totaal

45/158

De maatgevende periode voor de beoogde ontwikkeling is de werkdag middag. Gedurende deze periode bedraagt de parkeerbehoefte binnen het plangebied 63 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Vertrekpunt bij het bepalen van het parkeeraanbod is het voornemen om binnen het plangebied 8 parkeerplaatsen aan de westzijde van de kapelhof en 14 parkeerplaatsen ten zuiden van de hospice te realiseren. Daarnaast zijn op het parkeerterrein van fase 1 bij het Chateau nog 9 parkeerplaatsen beschikbaar voor de bewoners en bezoekers van de Kapelhof. In afstemming met gemeente Maasgouw is een parkeeronderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlage 4. Bij het onderzoek is het volgende geconstateerd: y De hoogst gemeten bezettingsgraad in het onderzoekgebied is 65% en is waargenomen op donderdag 30 maart 2023 om 14:00 uur. y Tijdens de hoogst gemeten bezettingsgraad zijn in het onderzoekgebied 87 vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte waargenomen. y De laagst gemeten bezettingsgraad in het onderzoekgebied is 22% en is waargenomen op donderdag 30 maart 2023 om 22:00 uur. y Tijdens de laagst gemeten bezettingsgraad in het onderzoekgebied zijn 196 vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte waargenomen. y Tijdens de hoogst gemeten bezettingsgraad zijn in het onderzoekgebied 61 vrije parkeerplaatsen tot een bezettingsgraad van 85% in de openbare ruimte waargenomen.

In navolging op het uitgevoerde parkeeronderzoek is een aanvullende notitie (bijlage 5) opgesteld op basis waarvan in afstemming met de gemeente Maasgouw is bepaald dat er openbare restcapaciteit van 20 parkeerplaatsen aanwezig zijn die ingezet mogen worden ten behoeve van het parkeren voor fase 2 en 3. Om de parkeerbalans sluitend te maken en aan de behoefte van 63 te kunnen voldoen worden er in totaal nog 12 parkeerplaatsen binnen het plangebied aan de Sint Annalaan gerealiseerd. Hiertoe is op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de volledige parkeerbehoefte kan worden opgevangen zonder dat dit leidt tot parkeeroverlast in het omliggende gebied. 4.2.2.3 Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 381. Hierbij wordt voor het bepalen van de te hanteren kencijfers voor de gemeente Maasgouw op basis van CBS­data een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk' gehanteerd. Voor het te hanteren gebiedstype wordt voor de beoogde ontwikkeling uitgegaan van een ligging in 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt per op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Maasgouw conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.

46/158

Niet voor alle functies binnen de beoogde ontwikkeling zijn kencijfers beschikbaar voor het berekenen van de verkeersgeneratie vanuit het CROW. Zo is er geen kencijfer beschikbaar voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een verpleegtehuis. Daarom is de verkeersgeneratie van deze functie berekent op basis van de bijbehorende parkeerbehoefte. Hierbij wordt op basis van expert judgement per parkeerplaats een turnover van 2 aangehouden, wat leidt tot een verkeersgeneratie van 4 voertuigbewegingen per parkeerplaats. Met behulp van de CROW­kencijfers worden de weekdagintensiteiten berekent, terwijl voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de werkdagintensiteiten maatgevend zijn. Voor omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW publicatie 381 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast en voor werkfuncties een omrekenfactor van 1,33. In tabel 4.3 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekent. Tabel 4.3

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling

Functie

Aantal

Kencijfer

Weekdag (mvt/etmaal)

Werkdag (mvt/etmaal)

Huur, appartement, duur

18 woningen

6 per woning

108

119,9

2,6 per woning

31,2

34,6

39,2

39,2

Serviceflat/aanleunwo 12 woningen ning Verpleegtehuis

14 wooneenheden, 4 per parkeerplaats 9,8 parkeerplaatsen

Kantoor met baliefunctie (commerciële dienstverlening)

850 m² (bvo)

Totaal

16,55 per 100 m² (bvo) 140,68

187,1

319,08

380,8

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeersgeneratie van 320 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten leidt dit tot een verkeersgeneratie van 381 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeersgeneratie van 38 mvt/uur gedurende het maatgevende uur. Het plangebied wordt ontsloten via twee ontsluitingsroutes. 80% (30 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer zal worden ontsloten aan de noordzijde van het plangebied op de Kasteellaan. De resterende 20% (8 mvt/uur) wordt aan de zuidzijde van het plangebied ontsloten op de Sint Annalaan, vanaf waar het verkeer in oostelijke richting wordt afgewikkeld naar de Monseigneur Savelbergweg. Vanaf hier zal het verkeer in zuidelijke richting worden afgewikkeld, richting de kern Wessem en de aansluiting op de A2. Op de Kasteellaan zal 50% (19 mvt/uur) worden afgewikkeld via de Kapellaan op de Panheelderweg.

Op de Panheelderweg wordt het verkeer vervolgens verder in westelijke richting afgewikkeld naar het kruispunt Schutterheide ­ Heerbaan ­ Panheelderweg ­ Heelderweg. Op dit

47/158

kruispunt zal 30% (11 mvt/uur) worden afgewikkeld over de Heelderweg in westelijke richting, terwijl de overige 20% (8 mvt/uur) wordt afgewikkeld over de Schutterheide in noordelijke richting. De resterende 30% (11 mvt/uur) wordt vanaf de Kasteellaan afgewikkeld in oostelijke richting op de Monseigneur Savelbergweg. Vervolgens wordt het verkeer in noordelijke richting afgewikkeld tot aan de aansluiting van de Teggert. Op deze kruising zal 25% (10 mvt/uur) worden afgewikkeld over de Teggert, om vervolgens via de Broekheemden en de Osen te worden afgewikkeld op de Kanaalweg. Vanaf de Kanaalweg wordt het verkeer vervolgens in noordelijke richting ontsloten naar de aansluiting op de N280. De resterende 5% (2 mvt/uur) zal verder in noordelijke richting worden ontsloten over de Monseigneur Savelbergweg tot aan de Dorpsstraat, vanaf waar het verkeer via de Rector Driessenstraat wordt ontsloten op de Heerbaan. Op de Heerbaan zal het verkeer vervolgens in oostelijke richting worden ontsloten naar de kern Beegden. In figuur 4.1 is de beoogde verkeersafwikkeling weergegeven.

Figuur 4.1

De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling

De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling vindt plaats op de Kasteellaan, waar een toename zal plaatsvinden van 343 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De Kasteellaan is ingericht als een erftoegangsweg­type I binnen de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW­type I aangehouden dat een verkeersomvang van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Gebaseerd op het omliggende wegennet en de functies gelegen aan de Kasteellaan is de verkeersintensiteit op de weg in de autonome situatie dermate laag dat de invloed van de planbijdrage op de verkeersdoorstroming gering zal zijn.

48/158

4.2.3 Conclusie De maatgevende parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 63 parkeerplaatsen, terwijl het parkeeraanbod op eigen terrein 52 parkeerplaatsen bedraagt. Voor het opvangen van de resterende parkeerbehoefte kan gebruik worden gemaakt van de 14 openbare parkeerplaatsen aan de Kasteellaan. Hiermee zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot parkeeroverlast in het omliggende gebied. De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeersgeneratie van 381 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Naar verwachting zal de ontsluiting van het plangebied niet leiden tot knelpunten in de verkeersdoorstroming op het omliggende wegennet. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Gemeentelijk beleid Op gemeentelijk niveau geldt het 'Beleidsplan archeologie gemeente Maasgouw' met de 'archeologische waarden­ en verwachtingenkaart'. In dit beleid zijn verschillende archeologische verwachtingen gradaties aangegeven, van hoog tot laag.

Daarnaast wordt er 'onbekend' en 'afgegraven/verstoord' erkend. Ook zijn de AMK­terreinen weergegeven op deze kaart en waarnemingpunten. Tenslotte worden er verschillende cultuurhistorische elementen weergegeven. 4.3.2 Toetsing 4.3.2.1 Archeologie Bureauonderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van fase 2 en 3 van het Chateaupark is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 6. Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen.

49/158

Gespecificeerde archeologische verwachting Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het gehele plangebied een zeer hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd die samenhangen met Château Heel. De delen van het plangebied die als kasteel en de omliggende grachten in gebruik zijn geweest hebben vanwege de verwachte diepe verstoring een lage verwachting voor archeologische resten vanaf het Neolithicum. In de delen van het plangebied waar de verstoringen mogelijk minder intensief zijn, zoals de voormalige kasteeltuinen in het westen van het plangebied en het zuiden van het plangebied buiten de voormalige kasteelgracht blijft de archeologische verwachting hoog voor dumpsites en rituele deposities vanaf het Neolithicum. Vanwege de relatief jonge leeftijd van de natuurlijke afzettingen in het plangebied is de gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit het Laat­Paleolithicum en Mesolithicum respectievelijk zeer laag en laag. Selectieadvies Op (korte) termijn zal een groot deel van de gebouwen in het plangebied worden gesloopt. Omdat de gebouwen grotendeels op de locatie van de voormalige bebouwing van het kasteel en op de gedempte gracht is gebouwd, wordt geadviseerd om de sloop van de ondergrondse delen van de huidige bebouwing onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren.

Aansluitend wordt geadviseerd om voor het gehele plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO­P), teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Bevoegd gezag heeft via een gemeentelijk selectiebesluit reeds ingestemd met dit advies. Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek Op basis van het gemeentelijk selectiebesluit is een programma van eisen opgesteld en met het bevoegd gezag afgestemd. Het door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen is opgenomen als bijlage 7. Proefsleuvenonderzoek De rapportage van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek is opgenomen als bijlage 8. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau­ en booronderzoek. Het gaat om gebied­ of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en /of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan­ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.

Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie­)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden, dat wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld.

50/158

Gevolgde onderzoeksmethode Door de obstakels in het veld (puinhopen, tuinafval, aanwezige betonnen vloeren, funderingen en kelders en begroeiing) was het noodzakelijk om de locatie van de sleuven aan te passen of de sleuven in te korten. Om de verloren m2 te compenseren, maar ook om een goed advies te kunnen geven, is een extra sleuf (werkput 8) aangelegd ten noorden van de kapel. Uiteindelijk zijn er acht proefsleuven, 838 m2, aangelegd, circa 22% van de oppervlakte van het onderzoeksgebied. Bij het PvE is vastgesteld dat bij dit proefsleuvenonderzoek de minimale dekkingsgraad niet leidend is. Feitelijk wordt met dit puttenplan meer dan de gangbare 10% van de te verstoren oppervlaktes onderzocht, zodat er een goede waardering volgens de KNA gegeven kan worden. Resultaten In de proefsleuven zijn sporen aangetroffen van de bouw/sloop, vloeren, funderingen en kelders van de (voormalige) bebouwing. In het zuidoostelijke deel (werkput 6) is een restant van de kasteelgracht aanwezig die rond 1898 is gedempt met puin. De zuidelijke sleuven (werkput 3, 4 en 7) bevinden zich ter plaatse van de Weergraaf die rond 1960 is gedempt. Advies Volgens de waardering op KNA voorgeschreven wijze krijgt de site een lage waardering en is niet behoudenswaardig.

Het selectieadvies, toegevoegd als bijlage 9, is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling en is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. 4.3.2.2 Cultuurhistorie Zoals reeds beschreven in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 is de kapel aangemerkt als gemeentelijk monument. De cultuurhistorische waarden worden behouden en versterkt door de beoogde ontwikkeling: enerzijds wordt de voormalige kloosterconstructie teruggebracht, anderzijds wordt met de beoogde ontwikkeling voorkomen dat de huidige staat van de bebouwing verder verslechterd. Door een nieuwe invulling te geven aan de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing wordt voorkomen dat de staat van deze bebouwing verslechterd, integendeel: de bebouwing wordt opgeknapt en weer in ere hersteld. 4.3.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

51/158

4.4

Bodem

4.4.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.4.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling aan de Kasteellaan te Heel is een verkennend bodem­ en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is weergegeven als bijlage 10. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting.

4.4.2.1 Verkennend bodem­ en asbestonderzoek Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht" (VED­HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Bodemopbouw De oorspronkelijke bodem bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bodem is bovendien zwak humeus en zwak grindig. De ondergrond vertoont plaatselijk in zwakke tot sterke mate gleyverschijnselen. Zeer plaatselijk bevat de ondergrond in matige mate oer. De ondergrond bestaat lokaal uit een sterk zandige kleigrond of een zwak tot sterk zandige leemgrond. De diepe ondergrond bevat volledige grindlagen. De bovengrond van het noordelijke terreindeel bestaat wisselend uit volledige lagen (metsel)puin. Dit materiaal betreft hoogstwaarschijnlijk sloopafval waarmee het terrein gelijk is gemaakt. Onder de klinkerverharding ter plaatse van boring 19 bevindt zich een stolfundatie. In de bodem zijn diverse bijmengingen aangetroffen met onder andere (metsel)puin, leisteen, beton, baksteen, slakken en kolengruis. Ter plaatse van gat 5 en 24 zijn in de bovengrond (traject 0,0 ­ 0,5 m ­mv) bijmengingen aangetroffen met asbestverdacht plaatmateriaal.

52/158

Analyseresultaten In de zintuiglijk verontreinigde bovengrond komen tot maximaal 1,0 m ­mv licht verhoogde gehalten voor aan metalen (cadmium, kwik, lood, zink en molybdeen), PCB en PAK. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen vastgesteld. Het aangetroffen plaatmateriaal op het maaiveld en in de bodem wordt als asbesthoudend beschouwd. Het plaatmateriaal, dat aangetroffen is in inspectiegat 5, wordt hiervoor als representatief beschouwd. Dit plaatmateriaal (cement, vlakke plaat) blijkt 10­15% hechtgebonden chrysotielasbest te bevatten. In asbestmengmonster ASB­MM04 (volledige puinlaag) is analytisch (fractie < 20 mm) een asbestgehalte gemeten van 550 mg/kg d.s.. Dit asbestgehalte komt tot stand door de aanwezigheid van niet hechtgebonden chrysotiel en amfibool (amosiet) asbest, dat aangetroffen is in vezelbundels en isolatiemateriaal. In de grove fractie (> 20 mm) is zintuiglijk géén asbest aangetroffen. Na berekening van het indicatieve gehalte (fractie > en < 20 mm) zijn asbestgehalten vastgesteld van 237,5 tot 382,3 mg/kg d.s. Deze asbestgehalten overschrijden ruim de maximale hergebruikswaarde en daarmee tevens het criterium voor nader asbestonderzoek. Voor de gaten, waarin asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen, geldt dat hierin asbestgehalten vastgesteld zijn (fractie > en < 20 mm) van 6,5 en 41,1 mg/kg d.s..

Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt hiermee niet overschreden. In asbestmengmonster ASB­MM03 en ASBMM06 zijn asbestgehalten vastgesteld van 20 en 32 mg/kg d.s.. Ook deze gehalten overschrijden het criterium voor nader onderzoek niet. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten vastgesteld met barium, molybdeen en xylenen (som). Advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Op basis van de gemeten asbestgehalten in mengmonster ASB­MM04 bestaat er aanleiding tot het uitvoeren van een nader asbestonderzoek. Econsultancy adviseert een nader asbestonderzoek uit te voeren om vast te stellen over er ten aanzien van asbest daadwerkelijk sprake is van een overschrijding van de maximale hergebruikswaarde. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd het asbesthoudend plaatmateriaal op het maaiveld te laten verwijderen middels de "hand­picking" methode. Deze asbestverwijdering dient plaats te vinden door een gecertificeerd asbestspecialist. Met uitzondering van de parameter asbest vormen de overige onderzoeksresultaten geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van de onderzoekslocatie.

Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

53/158

4.4.2.2 Nader asbestonderzoek Aanleiding voor het nader onderzoek is het aantreffen van asbestvezels (fijne fractie, < 20 mm) in de aanwezige puinlagen, die tijdens het verkennend bodem­ en asbestonderzoek (Econsultancy, rapport 17307.002, d.d. 21 juli 2022) zijn vastgesteld. De aangetroffen asbestverdachte plaatmaterialen (fractie >20 mm) bestaan met name uit fragmenten vlakke cementplaten en cement golfplaten. Deze plaatmaterialen bevatten 10­15% hechtgebonden chrysotiel (serpentijn) asbest en soms ook 2­5% crocidoliet (amfibool) asbest. Aan de hand van de resultaten zijn de asbestgehalten per sleuf berekent. De resultaten zijn hieronder per ruimtelijke eenheid weergegeven: Ruimtelijke eenheid 1 Binnen RE­1 zijn asbestgehalten vastgesteld tussen de 0,3 (detectielimiet) en 59,8 mg/kg d.s.. In de sleuven, waarin asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen, zijn respectievelijk asbestgehalten vastgesteld van 0,8 mg/kg d.s. (sleuf 1.01), 0,9 mg/kg d.s. (sleuf 1.03) en 57 mg/kg d.s. (sleuf 1.07). In de volledige puinlagen, waarin zintuiglijk géén asbestverdachte materialen zijn aangetroffen, zijn asbestgehalten vastgesteld tussen de 26,5 en 59,8 mg/kg d.s.. Deze verhoogde gehalten zijn debet aan de aanwezigheid van asbesthoudende vezelbundels en pulp in de fijne fractie.

Omdat de aard en samenstelling van de puinlaag soortgelijk is, kan men stellen dat het gemiddelde asbestgehalte in deze volledige puinlaag niet hoger ligt dan 59,8 mg/kg d.s.. Dit gemiddelde gehalte overschrijdt de maximale hergebruikswaarde (100 mg/kg d.s.) niet. In de zandlagen, waarin zintuiglijk geen asbesthoudend plaatmateriaal (fractie > 20 mm) is aangetroffen (sleuf 1.08, 1.12 en 1.13), is analytisch (fractie < 20 mm) ook geen asbest vastgesteld. Ruimtelijke eenheid 2 In sleuf 2.1, waarin asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen, is analytisch (fractie < 20 mm) géén asbest gemeten. Het asbestgehalte in deze sleuf is vastgesteld op 5,4 mg/kg d.s.. In de overige sleuven (2.2 t/m 2.5) is zintuiglijk geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In het mengmonster van deze sleuven is in de fijne fractie (< 20 mm) is een asbestgehalte gemeten van 43 mg/kg d.s.. Deze verhoogde gehalten zijn debet aan de aanwezigheid van asbesthoudende vezelbundels, pulp en isolatiemateriaal in de fijne fractie. Het daadwerkelijke asbestgehalte bevindt zich daarmee onder de 43 mg/kg d.s. en overschrijdt het criterium voor nader asbestonderzoek niet. Advies Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van verontreiniging met asbest. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend asbestonderzoek.

In geval van (graaf)werkzaamheden, met uitzondering van zeefwerkzaamheden, behoeven er ten aanzien van asbest formeel geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Indien men gedurende de herontwikkeling op afwijkende bodemlagen, puinlagen dan wel asbestnesten stuit, wordt geadviseerd dit te melden waarna mogelijk aanvullende maatregelen noodzakelijk kunnen zijn.

54/158

4.4.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Water

4.5.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en ­kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europa: y Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: y Nationaal Waterplan (NW) y Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) y Waterwet Provinciaal: y Provinciaal Milieu­ en Waterplan 2016­2021 Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2022­2027 Het waterschap is binnen de provincie naast de waterkwantiteit­ en waterkwaliteitsbeheerder van het watersysteem tevens de beheerder van de waterkeringen. In het waterbeheerprogramma 2022­2027 zet het waterschap de koers uit voor het toekomstig waterbeheer in Limburg en geeft zij aan hoe zij invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, en voldoende schoon water. In het plan is onder meer vastgelegd hoe men het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen en behouden.

55/158

Keur Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de keur als regelgeving. De keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud­ en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de keur behorende legger als kaart. Ten gevolge van de verwachte klimaatverandering zal de neerslagintensiteit toenemen. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand­still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt (2 l/s/ha). Het lozen van hemelwater afkomstig van nieuwe verhard oppervlak is op grond van de uitvoeringsregel ‘lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak’ dan ook alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater.

Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie­ en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Gemeentelijk beleid Het waterbeleid van de gemeente Maasgouw is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 2022­2026. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen waarvan de eigenaren niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. De voorkeursvolgorde die we hierbij hanteren is vasthouden, infiltreren en bergen. Het algemene uitgangspunt dat de gemeente hanteert, is dat gebouwen en percelen geen hemelwater lozen op de gemeentelijke riolering, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid noodzakelijk is. Navolgend wordt per gebiedstypologie (bestaande bouw, nieuwbouw en buitengebied) beschreven hoe de gemeente invulling wil geven aan de zorgplicht hemelwater. Bestaande bouw Voor bestaande gebouwen en percelen geldt dat de gemeente het hemelwater blijft inzamelen en transporteren naar een zuiveringtechnisch werk (RWZI, bij gemengde riolering), het oppervlaktewater of naar de bodem (bij gescheiden riolering).

Het gescheiden aanleveren van te lozen regenwater en afvalwater op het gemeentelijk rioolstelsel en het verwerken van overtollig regenwater op het eigen perceel wordt door de gemeente en het waterschap gestimuleerd. Nieuwbouw en verbouw Bij nieuwbouwsituaties zamelt de gemeente geen regenwater in. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt het regenwater zelf binnen de perceelgrens, tenzij dat technisch onmogelijk is. Voor extreme neerslaggebeurtenissen kan worden voorzien in een overloop naar de openbare ruimte. Herinrichting Bij herinrichting van het openbaar gebied zal regenwater zoveel als mogelijk is worden geïnfiltreerd in de bodem. De gemeente hanteert een bergingsnorm van 50 mm. Dit is conform het beleidsplan afkoppelen van 2014.

56/158

Buitengebied In het buitengebied zamelt de gemeente geen regenwater in. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als (ver)nieuwbouw. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt zijn regenwater zelf op het eigen terrein of voert het in overleg met het waterschap af naar het oppervlaktewater of loost het in overleg met de gemeente in de bodem. Hierbij wordt we de (kwaliteits­)uitgangspunten voor verantwoord afkoppelen gehanteerd zoals opgenomen in de beslisbomen ”Regenwater schoon naar beek en bodem”. 4.5.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een watertoets opgesteld, weergegeven in bijlage 12. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. 4.5.2.1 Huidige situatie Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland, wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in zuidoostelijk richting van circa 24,4m +NAP ten hoogte van de kruising Kapellaan­Kasteellaan tot circa 21,90 m +NAP ten hoogte van de Sint­Annalaan­Kastanjelaan. Een uitsnede van de AHN­kaart met aanduiding van het plangebied is weergegeven in figuur 4.2.

Figuur 4.2

Uitsnede AHN (Bron: AHN)

Bodemopbouw en waterdoorlatendheid De planlocatie ligt volgens de digitale bodemkaart van Nederland, in een niet­gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een kalkloze poldervaaggrond en/of een kalkloze ooivaaggrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zware zavel en lichte klei.

57/158

Uit locatiespecifiek grondonderzoek uitgevoerd op 14 mei 2012 blijkt de bodem voornamelijk te bestaan uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot plaatselijk zeer grof zand en is plaatselijk zwak tot sterk grindig en/of humeus. In de ondergrond komen plaatselijk vanaf circa 1,2 m ­mv eveneens zwak tot sterk zandige leemlagen voor. Ten tijde van het onderzoek in 2012 is tevens de waterdoorlatendheid van de bodem gemeten. De doorlatendheid van de zandlagen werd over het algemeen geclassificeerd als matig tot goed doorlatend, waarbij k­waarden tussen de 0,26 en 0,40 m/dag zijn aangetoond. De doorlatendheid van de aanwezige zwak tot sterk zandige leemlagen is destijds niet gemeten omdat de doorlatendheid van dergelijke lagen bij voorbaat slecht tot zeer slecht is. Aanvullend is in 2022 een K­waarde onderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlage 13. Doel van het onderzoek is het bepalen van de waterdoorlatendheid (k­waarde) ten behoeve van de voorgenomen aanleg van een aantal wadi’s. Het onderzoek richt zich met name op de bodemlaag ter hoogte van de onderzijde van de geplande infiltratievoorziening. Uit het K­waarde onderzoek is naar voren gekomen dat de doorlatendheid sterk afhankelijk is van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën).

Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont, dienen de afgeleide k­waarden zoals bepaald te worden beschouwd als een gemiddelde. Bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag worden geschikt voor infiltratie van hemelwater geacht. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als vrij goed tot goed doorlatend, waarbij k­waarden van 0,8 en 8,1 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem binnen de onderzoekslocatie, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 1,4 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Hydrogeologie Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOPv1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. Op basis van de gegevens uit de modellen van TNO blijkt het eerste watervoerend pakket te worden gevormd door respectievelijk de formaties van Boxtel, Beegden, Sterksel en Stramproy.

Het eerste watervoerende pakket heeft een dikte van ± 104 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Kiezeloöliet Formatie. Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).

58/158

In de directe omgeving van de planlocatie zijn enkele grondwaterpeilputten gelegen. In tabel 4.4 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen, in oostelijke richting. Tabel 4.4

Overzicht grondwaterpeilputten TNO

Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca 19,50 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ± 5,0 m ­mv bevinden in het noordwesten van de planlocatie tot ca. 2,5 m ­mv in het zuidoosten van de planlocatie. Direct ten noorden en westen van de planlocatie bevindt zich een kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied behorende bij waterwingebied 94.30 te Heel. De planlocatie zelf is niet gelegen binnen de begrenzing van het grondwaterbeschermingsgebied. De planlocatie ligt wel in de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Dit houdt in dat alle boringen (en grondroeringen) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden zijn. Boringen dieper dan 80 m dienen gemeld te worden. In figuur 4.3 is een uitsnede van kaart 4 ‘Grondwaterbescherming’ uit de atlas van de Provincie Limburg weergegeven.

Figuur 4.3

59/158

Uitsnede grondwaterbescherming (Bron: Atlas Provincie Limburg)

Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van Waterschap Limburg zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren en waterkeringen weergegeven. Op een afstand van circa 150 meter ten zuiden en circa 100 meter ten oosten van de planlocatie is een primaire watergang, de Slijbeek, gelegen. Ten zuiden van de Slijbeek is tevens op circa 150 meter een waterkering gelegen (HEE.4.K.AA­L). In figuur 4.4 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. De waterkering is middels een groene lijn weergegeven.

Figuur 4.4

Uitsnede legger oppervlaktewater (Bron: Waterschap Limburg)

Riolering Aan de zuidzijde van de planlocatie bevindt zich een gemengd rioolstelsel, welke in beheer is van de gemeente Maasgouw. Het overige gemengde rioleringstelsel is in beheer van de Zorggroep Sint Anna.

60/158

4.5.2.2 Toekomstige situatie Verhard oppervlak In onderstaande tabel 4.5 staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Het te realiseren verhard oppervlak bedraagt ca. 3.135 m2. Tabel 4.5

Gegevens toekomstig verhard oppervlak

Waterbergingsopgave Conform het beleid van Waterschap Limburg is ten aanzien van de ontwikkeling een compenserende berging benodigd van ca. 315 m3 (3.135 m2 x 100 mm / 1.000). Randvoorwaarden en uitgangspunten planuitwerking Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: y Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). y Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). y De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). y Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. y De wateropgave baseren op de daadwerkelijke verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 3.135 m2. y Infiltratie­ en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 100 mm gerekend y over het aantal m2. y Wateropgave 315 m3. y Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). y De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur. y Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. y GHG ingeschat op 19,50 m +NAP. y Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Hemelwater Bij de planontwikkeling dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen zodat hemelwater op een duurzame wijze (hydrologisch positief) wordt verwerkt.

In dat kader wordt in de toekomstige situatie het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) separaat ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt.

61/158

Hemelwatervoorziening Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een "groene" bovengrondse voorziening, een wadi, zie figuur 4.5. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur zichtbaar (oppervlakkig) wordt afgevoerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden.

Figuur 4.5

Zoekgebied wadi (Bron: Klooster BV)

Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. 4.5.3 Conclusie Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect in het ruimtelijk plan. De aanzet tot de waterparagraaf in deze rapportage wordt aan het bestemmingsplan worden toegevoegd. Hiermee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets en is gegarandeerd dat specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudkundig(inrichtings)plan worden opgesteld.

62/158

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

4.6

Bedrijvigheid en milieuzonering

4.6.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon­ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG­publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie­indeling heeft plaatsgevonden. Gezien de gemengde aard van het gebied is gekozen voor de staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.6.2 Toetsing In de beoogde situatie worden zorgwoningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG­brochure.

In de omgeving van het plangebied zijn ofwel woonbestemmingen of maatschappelijke bestemmingen aanwezig waarbij overwegend in groepsvorm en begeleid wordt gewoond. Getoetst wordt aan de richtafstanden voor een rustige woonwijk. De verzorgingswooneenheden die in het plangebied gerealiseerd zullen worden, zijn vergelijkbaar met een 'verpleeghuis' waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter in een rustige woonwijk. De relevante milieuaspecten zijn geur en geluid waarvan geluid maatgevend is. Voor de reguliere woningen die in het plangebied gerealiseerd zullen worden, geldt een richtstand van 0 meter in een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn milieugevoelige functies aanwezig. Het betreft met name maatschappelijke instanties (op grond van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering vergelijkbaar met een verpleeghuis), cultureel centrum Don Bosco (op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering vergelijkbaar met theaters, schouwburgen, concertgebouwen en evenementenhallen). Binnen deze bestemmingen kunnen ook vergelijkbare functies in milieucategorie 2 (zoals kantoor en activiteiten gericht op onderwijs en religieuze functies) worden gerealiseerd. De afstand tot deze functies bedraagt minimaal 30 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noordwesten van het plangebied ligt een sportschool.

Binnen de bestemming "Sport" zijn meerdere sportgerelateerde activiteiten toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De afstand tot deze functies bedraagt minimaal 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan.

63/158

Verder zijn in de omgeving geen bedrijven of aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het projectgebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Reguliere woningen ten opzichte van de zorgwoningen De zorgeenheden die in het plangebied gerealiseerd zullen worden, zijn vergelijkbaar met een 'verpleeghuis' waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter in een rustige woonwijk. De relevante milieuaspecten zijn geur en geluid waarvan geluid maatgevend is. De zorgplaatsen van fase 3 bevinden zich op een afstand van circa 80 meter van de reguliere woningen van fase 2, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Voor het aspect geluid geldt eveneens een richtafstand van 30 meter waaraan niet wordt voldaan. Van de richtafstand kan gemotiveerd afgeweken worden. Vanwege de volgende redenen wordt ter plaatse van de beoogde appartementen geen relevante milieuhinder verwacht: y Er is geen sprake van een volwaardig verpleeghuis. In het Kloosterhof worden 12 zorgstudio's gerealiseerd. Ten behoeve van de hospice worden 14 zorgplaatsen gerealiseerd. Het gaat om een gesloten zorginstellingen met intramurale zorg voor dementerende ouderen. De verzorgingswooneenheden zijn qua omvang aanzienlijk kleiner dan een volwaardig verpleeghuis.

y Voor de aspecten stof en gevaar geldt voor een verpleeghuis een richtafstand van 0 meter in een rustige woonwijk. y Voor het aspect geur geldt een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Deze richtafstand is gebaseerd op het feit dat voor de verzorgingswooneenheden voedsel wordt bereid op een centrale plek in het gebouw. Er is hier echter geen sprake van aangezien de keuken enkel wordt gebruikt om het voedsel op te warmen en uit te serveren. Het aspect geur vormt daarom ook geen belemmering. In bestemmingsplan opgenomen functies Binnen de maatschappelijke bestemming zijn naast functies voor wonen en verblijven ook ondergeschikte functies opgenomen. Deze onderschikte functies staan ten dienste van de woon(zorg)functies en worden niet aan de richtafstanden getoetst. Wel wordt in de uitwerking van ontwerp naar aanvraag omgevingsvergunning gekeken om de plint bouwkundig te scheiden van de woon(zorg)functies. Zelfstandige horeca is via de opgenomenaanduiding enkel toegestaan in de kapel. In de kapel worden geen woningen gerealiseerd. De afstand tot de overige woningen binnen dit plan is meer dan 10 meter. Het aspect milieuzonering vormt dan ook geen belemmering. 4.6.3 Conclusie Ter plaatse van de (zorg)woningen in het plangebied en bestaande maatschappelijke instanties in de omgeving zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat.

Daarnaast worden omliggende milieuhinderlijke functies, waaronder Don Bosco, Heelfit en maatschappelijke instanties door de beoogde ontwikkeling niet in de eigen bedrijfsvoering beperkt.

64/158

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: y bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; y vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10­6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet­ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10­5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10­6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10­6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10­6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m

65/158

vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.7.2 Toetsing Uit de informatie op de risicokaart (figuur 4.6) waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen zijn. Op circa 650 meter afstand ligt de aardgasleiding Z­513­01 van de Gasunie. Deze leiding heeft geen PR10­6 contour. Het invloedsgebied van het groepsrisico van deze buisleiding bedraagt 95 meter. Het plangebied valt daar ruimschoots buiten.

Figuur 4.6

66/158

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas voor de leefomgeving)

Op een afstand van circa 1.025 meter ten zuiden bevindt zich de waterweg Maascorridor waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd van o.a. de stofcategorie GT3 met een invloedsgebied van 1.070 meter. De PR10­6­contour is niet buiten de oevers gelegen. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van deze waterweg. Omdat de afstand tot deze waterweg groter is dan 200 meter, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Circa 1.3 kilometer ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A2 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd van o.a. de stofcategorie GT4. Voor deze weg geldt een PR 10­6 contour van 16 meter waar het plangebied buiten valt. Het maatgevende invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 4 kilometer. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze weg. Omdat ook deze afstand groter is dan 200 meter, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Het plangebied bevindt zich verder niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en hogedrukaardgasleidingen. Beknopte verantwoording In de beknopte verantwoording is het advies van de Veiligheidsregio Limburg­Noord verwerkt.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De ontsluiting vindt plaats via de omliggende wegen Kasteellaan en Kastanjelaan. In oostelijke richting wordt ontsloten op de Mgr. Savelbergweg, van waaruit in zuidelijke richting de kern Wessem is te bereiken en aansluiting plaatsvindt met de A2. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woningen, zorgstudio's, commerciele diensten en zorgplaatsen gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. De Veiligheidsregio Limburg­Noord adviseert om in geval van een calamiteit met toxische stoffen op de Maas en/of de A2 maatregelen te nemen om de mechanische ventiatie uit te kunnen schakelen (noodschakeling). Daarnaast wordt geadviseerd om de oriëntatie van de luchtinlaat van het ventilatiesysteem van de Maas en A2 af te richten.

67/158

Er wordt een beheersmaatregelen genomen door de verzorgingswooneenheden uit te rusten met een individueel ventilatiesysteem met een aan en uit schakelaar. Bij een calamiteit controleert het personeel de wooneenheden omdat er ook ramen open kunnen staan. Zo nodig sluiten zij de ramen en kunnen zij handmatig het ventilatiesysteem uitschakelen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings­ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL­Alert en het gebruik van sociale media. 4.7.3 Conclusie Uit de beknopte verantwoording komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Kabels en leidingen

4.8.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.8.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen vormt daardoor geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9

Wegverkeerslawaai

4.9.1 Normstelling en beleid Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau wanneer de ontwikkeling is gesitueerd nabij niet gezoneerde wegen (30 km/u wegen).

68/158

Langs alle wegen ­ met uitzondering van 30 km/u­wegen en woonerven ­ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen­ of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day­evening­night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Langs alle wegen ­ met uitzondering van 30 km/uur­wegen en woonerven ­ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen­ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=7c2913bb-8c6a-4742-9c4f-42c49bc0e753