Toelichting
Tekst van het document
Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. 4.9.2 Toetsing Ten behoeve van de realisatie van de nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 14.
Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Monseigneur Savelbergweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen nietgezoneerde wegen: Don Boscohof, Panheelderweg/Dorpsstraat, Kapellaan, Kastanjelaan, Kasteellaan, Polderhof, Sint Annalaan en Wessemerweg in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
69/158
Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de bestaande kapel, aanbouw kapel en het bestemmingsvlak van de hospice zijn toetspunten ten behoeve van respectievelijk 7, 2 en 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. De geluidsbelasting op de nieuw te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 47 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. 4.9.3
Conclusie
Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.6 weergegeven. Tabel 4.6
Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: y een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); y een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
70/158
4.10.2 Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 4.2.2.3 is door de beoogde ontwikkeling sprake van een toenemende verkeersgeneratie van 320 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In het kader van het aspect luchtkwaliteit wordt uitgegaan van een (worstcase) aandeel vrachtverkeer van 10%. In de nibmtool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat de verkeerstoename van 320 mvt/etmaal zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,5 µg/m³ en van fijnstof van 0,07 µg/m³ (tabel 4.7). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Tabel 4.7 Resultaten NIBMtool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan met behulp van Grootschalige Concentratie en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM (https://geodata.rivm.nl/gcn/). Hieruit blijkt dat in 2021 de gemiddelde concentratie van NO2 tussen 10 en 15 µg/m³ , van PM2,5 tussen 8 en 10 µg/m³ en PM10 tussen 14 en 16 µg/m³ bedroegen in het plangebied. 4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat.
4.11 Ecologie 4.11.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
71/158
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: y Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, y Natura 2000gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Limburg geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. 4.11.2 Toetsing 4.11.2.1 Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura2000. Het meest nabijgelegen Natura2000gebied, de Grensmaas, bevindt zich op circa 3,4 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied (figuur 4.7). De onderzoekslocatie ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 (figuur 4.8) op 150 meter van de Goudgroene natuurzone. De Goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk.
72/158
Figuur 4.7
Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000 gebieden (Bron: AERIUS Calculator)
Figuur 4.8 Ligging plangebied t.o.v. NNN gebieden (Bron: Omgevingsverordening Limburg 2014)
73/158
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. Het programma neemt alle Natura 2000gebieden mee in de berekening binnen een straal van 25 kilometer. In de onderzoeksmemo zoals opgenomen in bijlage 15 wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in bijlagen 16 en 17. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator voor de realisatie en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.11.2.2 Soortenbescherming 4.11.2.2.1 Quickscan In het kader van de bestemmingsplan en het verlopen van de termijn en een significante verandering van de onderzoekslocatie ten aanzien van de quickscan Wet natuurbescherming die uitgevoerd is op 10 november 2017 (rapport 4988.003 D1, d.d. 4 december 2017 en rapport 4988.003 D2, d.d.
18 december 2018) is een actualisatie van de quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is bijgevoegd als bijlage 18. De actualisatie heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 4.8. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
74/158
Tabel 4.8
75/158
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Op basis van de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden in eerste instantie een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden naar nesten van boomvalk, torenvalk, ransuil en eekhoorn. Deze inspectie dient uitgevoerd te worden in het bladerloze seizoen (december – april). Verder dient een aanvullend onderzoek naar steenuil, kerkuil, bosuil, gebouwbewonende vleermuizen, Alpenwatersalamander, poelkikker en teunisbloempijlstaart plaats te vinden. Voor de steenmarter geldt dat de werkzaamheden buiten de vrijstellingsperiode dienen te worden uitgevoerd, of dat het terrein dient ongeschikt gemaakt dient te worden voor deze soort in de vrijstellingsperiode die in Limburg geldt (augustus februari). De werkzaamheden dienen in het geval van ongeschikt maken volgens een ecologisch werkprotocol uitgevoerd te worden. Indien het bovengenoemde niet mogelijk is, is een aanvullend onderzoek naar de steenmarter noodzakelijk, afhankelijk van de resultaten mogelijk gevolgd door een ontheffingstraject. Voor de hazelworm en levendbarende hagedis geldt tevens dat de werkzaamheden buiten de vrijstellingsperiode dienen te worden uitgevoerd, of dat het terrein dient ongeschikt gemaakt dient te worden voor deze soorten in de vrijstellingsperiodes die voor deze soorten in Limburg gelden (respectievelijk periode juli – september, en half augustus – half oktober).
De werkzaamheden dienen in het geval van ongeschikt maken volgens een ecologisch werkprotocol uitgevoerd te worden. Eén van de te treffen maatregelen is in dat geval het plaatsen van een reptielenscherm. Indien het bovengenoemde niet mogelijk is, is een aanvullend onderzoek naar de hazelworm en levendbarende hagedis noodzakelijk, afhankelijk van de resultaten mogelijk gevolgd door een ontheffingstraject. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht en het broedseizoen. Bij voorkeur worden de werkzaamheden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Voor het broedseizoen kan de periode maart tot en met half augustus aangehouden worden. Bij de voorgenomen nieuwbouw wordt het terrein mogelijk matig geschikt voor rugstreeppad. Om verstoring (en het doden van individuen) te voorkomen, dient het ontstaan van (tijdelijke) wateren en zanddepots op de onderzoekslocatie te worden voorkomen. 4.11.2.2.2 Schade door brand Rond de jaarwisseling 20232024 is brand ontstaan in het chateau. Hierdoor is schade ontstaan en wordt het chateau op advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed deels gesloopt.
In het kader hiervan wordt nog een bijeenkomst met de buurt georganiseerd. Dit wordt ook beschreven in paragraaf 5.2.1 van dit bestemmingsplan.
76/158
4.11.2.2.3 Nader onderzoek Nader onderzoek soortenbescherming wordt in meerdere rondes in 2024 uitgevoerd. Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is (buiten hetgeen beschreven in paragraaf 4.11.2.2.2) enkel toegestaan nadat dit vervolgonderzoek is verricht of aan de voorwaarden wordt voldaan zoals deze volgen uit de quickscan en nadat eventuele uit dit vervolgonderzoek volgende maatregelen en/of benodigde ontheffingen of vergunningen zijn uitgevoerd en/of verkregen. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient dit te zijn aangetoond. 4.11.2.2.4 Bomen In het kader van de planvorming is een Bomen Effect Analyse (hierna: BEA) uitgevoerd. De rapportage van de BEA is opgenomen als bijlage 19. Het doel van een BEA is om de bomen, met de waarde en functie die deze vertegenwoordigt, een evenwichtige plek te geven in de planvoorbereiding en besluitvorming bij activiteiten in de buitenruimte. Deze BEA beschrijft de verwachte effecten van de activiteiten op de bomen, objectief en onderbouwd. Hierna volgt een beknopte samenvatting en wordt advies ten aanzen van de planvorming gegeven. Om te kunnen inschatten of de bomen duurzaam behouden kunnen blijven zijn de volgende hoofd en deelvragen opgesteld: 1.
Kunnen de bomen op Chateaupark te Heel met het oog op de voorgenomen werkzaamheden duurzaam in stand worden gehouden en inpassing krijgen in de nieuwe inrichting? 2. Is behoud van de boomtechnische kwaliteit mogelijk? 3. Is behoud van de functie of waarde van de bomen mogelijk? Eindoordeel effecten Het eindoordeel van de effecten wordt gezien de situering van de bomen per boom beschreven. Boom 1 – Fagus sylvatica De beuk toont reeds veel afstervingsverschijnselen. De kroon is terug aan het nemen en er zijn kraaienpoten op de gesteltakken gesignaleerd. De boom is met het oog op de nieuwe inrichting niet duurzaam te behouden. Het risico op het afbreken van grote gesteltakken is te groot in relatie tot de nieuwe inrichting. Daarnaast dient het reeds aanwezige dode hout verwijderd te worden, deze snoeiingreep is dusdanig groot dat de verwachting is dat dit het afstervingsproces enkel zal versnellen. Boom 2 – Tilia x europaea De linde heeft een goede conditie en relatief weinig dood hout. Met het oog op de nieuwe inrichting is de boom wel duurzaam te behouden, mits er voldaan wordt aan de juiste randvoorwaarden die gesteld zijn. Boom 3 en 4 – Platanus x hispanica De platanen zijn duurzaam te behouden met het oog op de nieuwe inrichting. Door de landschapsarchitect zijn reeds oplossingen bedacht om de schade aan de boom zo veel als mogelijk beperkt te houden (middels de
77/158
permavoidconstructie). Om het duurzaam behoudt van de bomen te waarborgen dient wel te worden voldaan aan de gestelde randvoorwaarden die gesteld zijn. Boom 5 – Platanus x hispanica Met het oog op het huidige ontwerp en de gesignaleerde wortels is de plataan niet duurzaam te behouden, tenzij het in alternatief wordt toegepast. Randvoorwaarden Randvoorwaarden ontwerp/bouwplaatsinrichting y Om de nieuwe verharding duurzaam in stand te houden zonder dat de bomen hier negatief effect van ondervinden wordt eerst een geotextiel aangebracht alvorens de fundering en verharding wordt aangebracht. Dit functioneert voor het voorkomen van eventuele wortelopdruk, als drukspreiding ter voorkoming van verdichting en als afgrendelende laag ter voorkoming van uitspoeling van de fundering. Deze maatregel geldt ook voor het aanleggen van tijdelijke bouwwegen. y Opslag van materialen, gronddepots en andere stationaire werkzaamheden mogen geen negatieve effecten hebben op bomen en/of beplantingen. Aannemer dient zorg te dragen dat cementwater niet uitspoelt in de bodem rondom bomen om verdichting te voorkomen. Randvoorwaarden uitvoering Algemeen y Tijdens de werkzaamheden dient er gewerkt te worden volgens de meest recente uitgave van de 'Werken rondom bomen' poster van Norminstituut Bomen. Deze poster dient ook op het werk aanwezig te zijn gedurende de werkzaamheden.
y Indien er binnen de kwetsbare boomzone wordt gewerkt dient druk spreidend materiaal (bijvoorbeeld rijplaten) te worden toegepast. Daarnaast mag er bovengronds geen schade ontstaan aan de bomen. y De kwetsbare boomzones van bomen, die langs transportroutes of binnen het bereik van de werkzaamheden gesitueerd zijn, dienen afgezet te worden met bouwhekken. Dit betekent dat ten minste ca. 1,50 meter rondom de kroon wordt afgezet met bouwhekken. y Voor aanvang van de bouwwerkzaamheden verticale stamplanken aanbrengen bij alle bomen die langs transportroutes of binnen het bereik van de werkzaamheden gesitueerd zijn waarbij niet buiten de kwetsbare boomzone gebleven kan worden, ter bescherming van de stam(voet). Deze dienen na oplevering verwijderd te worden. Graafwerkzaamheden y Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de minimale graafafstanden zoals gesteld door Norminstituut bomen, zijnde als volgt:
78/158
Transport y Bij het transporteren van materiaal middels een telekraan dient rekening te worden gehouden met de hoogte van de bomen. De kraan dient voldoende hoog te zijn om over de boomtoppen te kunnen reiken. Beschadiging van bomen moet voorkomen worden, de kraanmachinist dient rekening te houden met vaste laad en lospunten die hij kan bereiken zonder boomtoppen te beschadigen. y Er moet altijd worden voorkomen dat er door het inzetten van zwaar materieel schade ontstaat aan de boom. De aannemer dient tijdens de voorbereidingsfase en werkplan op te stellen en inzichtelijk te maken hoe transportroutes lopen, op welke locaties materiaal en materieel opgeslagen wordt en waar eventueel een kraan wordt opgesteld. Het werkplan dient voor aanvang van de werkzaamheden goedgekeurd te zijn. Verwijderen asfalt rondom boom 2 y Gedurende het verwijderen van het asfalt rondom boom 2 dient het materieel op het asfalt pad te blijven. Hier dient met de opbreekrichting rekening mee te worden gehouden. Boomwortels y Boomwortels dikker dan 4,00 centimeter en langer dan 1,00 meter mogen niet beschadigd worden. Wortels met een diameter van 24 centimeter dienen, indien dit niet anders kan, verwijderd te worden middels snoeien waarbij de snoeiwond zo klein mogelijk wordt gehouden; y Indien wortels verwijdert dienen te worden, mag dit niet meer dan 15% van het wortelvolume bedragen.
Wanneer dit meer dan 15% is zal de conditie van de boom sterk verminderen met mogelijk afsterving als gevolg. Randvoorwaarden na de aanleg y Na oplevering van de werkzaamheden een bomenschouw laten uitvoeren om eventuele schades in kaart te brengen en indien nodig tijdig maatregelen kunnen treffen. Hierbij is het van belang dat ook de verdichtingsgraad van de bomen gemeten wordt. De nulmeting/conditiebepaling is al uitgevoerd; y Indien er door transportbewegingen takken beschadigd zijn geraakt dienen deze gesnoeid te worden. Dit dient uitgevoerd te worden door een ETWgecertificeerd boomverzorger. Alternatieven Deze paragraaf beschrijft de alternatieven voor de bomen waarbij is geconstateerd dat deze sterk nadelige gevolgen hebben n.a.v. de voorgenomen werkzaamheden. Deze alternatieven dienen te worden beschouwd als een overweging. Boom 1 – Fagus sylvatica De landschapsarchitect was voornemens om de gewone beuk (boom 1) te behouden. Echter, is geconcludeerd dat gezien het stadium van afsterving deze boom niet meer te behouden is. De beuk is waardevol en heeft een markante grootte en plaats op het chateaupark. Er zijn twee mogelijkheden om met het verwijderen van de beuk om te gaan: 1. De beuk volledig verwijderen inclusief stobbe en wortelkluit om vervolgens herplant uit te voeren. Opdrachtgever dient hierbij wel rekening te houden met een eventuele kapvergunning.
Bij herplant op dezelfde plantlocatie kan worden gekozen om opnieuw een markante boom te planten. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de volgende richtlijnen: a. Riant formaat boom bij aanplant, bijv. stamomtrek 4045;
79/158
b. Herplant in een kwalitatief goede groeiplaats met voldoende groeiruimte voor een duurzaam toekomstbeeld van de boom; c. Klimaat adaptief sortiment; d. Geen nadelige eigenschappen in relatie tot de standplaats (bijv. takbreuk). 2. De beuk gedeeltelijk verwijderen en kandelaberen. Op deze manier kan de boom afsterven zonder risico voor de omgeving. Dood hout heeft een grote waarde voor de ecologie en biodiversiteit. Wellicht zou een deel van de stam zelfs hergebruikt kunnen worden door bijvoorbeeld een klimplant zoals de blauw regen tegen de stam op te laten groeien. Boom 5 – Platanus x hispanica Conform de huidige planvorming wordt er verharding aangelegd in een groot deel onder de kroon. Als uitgangspunt voor het verharde oppervlak wordt gesteld dat er niet meer dan 10% van de kroonprojectie wordt verhard. Dit omdat de plataan, in zijn huidige conditie, zal herstellen van deze wortelschade en geen blijvende conditievermindering zal krijgen. Indien het niet mogelijk is om het verhard oppervlak in de kroonprojectie te beperken tot ca. 10% kan worden gekeken naar een alternatieve funderingsopbouw. Een alternatief voor het aanleggen van elementenverharding met een reguliere funderingsopbouw is aanleggen van een krattensysteem, gelijk aan Permavoid. In figuur 4.9 is een principeprofiel van deze funderingsopbouw weergegeven.
Wanneer de verharding rondom boom 5 wordt aangelegd conform onderstaand principeprofiel zal de gehele laagopbouw 18,50 centimeter zijn. Idealiter wordt er dan ten hoogste 8,5 centimeter uitgegraven en wordt het maaiveld met ten minste ca. 10 centimeter opgehoogd. Deze funderingsopbouw heeft diverse voordelen. Het wapeningstextiel spreidt de neerwaartse druk waardoor verzakking door het betreden met zwaar materieel niet of nauwelijks voor zal komen. Daarnaast voorkomen krattenconstructies wortelopdruk. Naast drukverdeling zorgt de Permavoid 'Sandwich Constructie' ervoor dat de wortels zich bevinden in een groeiplaats met een goede zuurstofuitwisseling en dat de groeiplaats beter waterdoorlatend is, waardoor de levensduur van de boom wordt verlengd. Tenslotte kan worden gekozen om de kroon van de plataan te reduceren (kandelaberen) om zo het gedane wortelverlies te compenseren. Dit heeft echter wel gevolgen voor het boombeeld, de plataan zal niet meer de grote omvang van de kroon krijgen die deze nu heeft.
Figuur 4.9
80/158
Principeprofiel krattensysteem (Bron: SmitsRinsma)
4.11.3 Conclusie Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is enkel toegestaan nadat ecologisch vervolgonderzoek is verricht of aan de voorwaarden wordt voldaan zoals deze volgen uit de quickscan en nadat eventuele uit dit vervolgonderzoek volgende maatregelen en/of benodigde ontheffingen of vergunningen zijn uitgevoerd en/of verkregen. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen dient dit te zijn aangetoond.
81/158
82/158
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Wanneer met een juridischplanologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 lid 4 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Met dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Gemeente en initiatifnemer sluiten voor vaststelling van het bestemmingsplan een anterieure overeenkomst zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. Er wordt een anterieure overeenkomst (exploitatieovereenkomst) en een verhaalsovereenkomst inzake planschade afgesloten.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. 5.2.1
Omgevingsdialoog
5.2.1.1 Project en proces Voor dit project is ten tijde van het ontwerp van het bestemmingsplan fase 1 (februari 2019) een goed bezochte informatieavond georganiseerd in het nabijgelegen Don Bosco. Op deze avond is aan de belangstellenden het masterplan voor de gehele locatie getoond met daarbij het uitgewerkte plan voor gebouwen en terrein fase 1. Tevens is op dat moment de nieuwswebsite https://www.chateaupark.nl/heel/ geopend voor dit project. In de vele reacties werd veel gevraagd om grotere en duurdere woningen. In de periode erna zijn in het totale plan meer woningen toegevoegd en zijn er ook grotere en duurdere woningen ingepast binnen de kaders die hiervoor door de gemeente zijn gesteld. Er zijn op het ruimtelijke plan en het bestemmingsplan voor fase 1 geen zienswijzen of bezwaren binnen gekomen. Meerdere malen is hierna input gegeven ten behoeve van de nieuwsberichten van de Gemeente Maasgouw en is informatie over voortgang gegeven aan De Limburger voor artikelen over de voortgang van het project. Er is veel contact geweest met omwonenden met betrekking tot planning en voorzieningen rond de huidige situatie en met geïnteresseerden voor de woningen over planning en uitvoering van deze woningen. Met Gemeente en Provincie is veel contact over het project met betrekking tot de maatschappelijke en ruimtelijke impact, flora en fauna en subsidies.
Met lokale partijen is en wordt gesproken over mogelijke samenwerking en inpassing in de gebouwen. Dit zijn partijen op het gebied van zorg en wonen, eerstelijns zorg en overige culturele en maatschappelijke voorzieningen.
83/158
Zodra er financiële zekerheid is voor fase 2 en 3 zal opnieuw een informatiebijeenkomst worden georganiseerd voor buurtbewoners en overige belangstellenden om reacties en interesses op te halen en eventuele belemmeringen te bespreken. 5.2.1.2 Schade door brand Rond de jaarwisseling 20232024 is brand ontstaan in het chateau. Hierdoor is schade ontstaan en wordt het chateau op advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed deels gesloopt. Zoals ook beschreven in 4.11.2.2.2 wordt in het kader hiervan nog een bijeenkomst met de buurt georganiseerd. 5.2.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt voor de vaste overlegpartners. Vanuit de aangeschreven partners Veiligheidsregio LimburgNoord, Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg is het plan akkoord bevonden. Waterschap Limburg geeft in haar reactie diverse aandachtspunten ten aanzien van de (civiel)technische uitwerking van het plan. Provincie Limburg heeft opmerkingen gemaakt en vragen gesteld met betrekking tot de thema's wonen / leefomgeving en natuur / water. Op basis van de opmerkingen en vragen heeft overleg met de gemeente Maasgouw plaatsgevonden en is de toelichting op onderdelen aangepast en aangescherpt. 5.2.3 Ontwerpbestemmingsplan Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.
Het ontwerpbesluit en het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken hebben conform het bepaalde in artikel 3.8. en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 8 december 2023 t/m 18 januari 2024 ter inzage gelegen. In die periode kon een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 5.2.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
84/158
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische plantoelichting
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
6.2
Opbouw van de regels
De indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, kent de volgende vaste volgorde. y In Hoofdstuk 1 Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. y In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. y Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een antidubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing). y Hoofdstuk 4 Overgangs en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. 6.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
85/158
Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier bouwwerken/percelen gemeten moeten worden.
hoogte, lengte,
breedte,
inhoud
en oppervlakte van
6.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing): y Bestemmingsomschrijving y Bouwregels y Nadere eisen y Afwijken van de bouwregels y Specifieke gebruiksregels y Afwijken van de gebruiksregels Artikel 3 Groen Om de groenvoorziening aan de oostzijde van het plangebied planologisch te kunnen beschermen, is een zone aangrenzend aan het Kasteelhof bestemd als 'Groen'. Hier zijn uitsluitend groenvoorzieningen, parkeren en parkeervoorzieningen, waterlopen, waterpartijen en waterberging en paden toegestaan. Bebouwing is hier niet toegestaan. Artikel 4 Maatschappelijk De bestemming ‘Maatschappelijk’ is opgenomen voor de diverse verzorgings en woonfuncties binnen het plangebied. Binnen deze bestemming worden tevens de bijbehorende ondergeschikte publieksgerichte functies geregeld. Artikel 5 Verkeer Gronden met de bestemming 'Verkeer' kennen een functie voor verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. De voorzieningen voor onder meer de parkeerplaatsen vallen onder deze bestemming. Artikel 6 Waarde Archeologie De op de verbeelding aangewezen gronden voor 'Waarde Archeologie' zijn, naast de andere voor die gronden aanwezige bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.
6.2.3 Algemene regels Artikel 7 Antidubbeltelregel In de antidubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Artikel 8 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen over bestaande maten.
86/158
Artikel 9 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gronden. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot de gebiedsaanduiding 'Milieuzone roerdalslenk 3' en de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden'. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Het gaat hier om de overschrijding van de bouwgrenzen, voor zover deze afwijking niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon en milieusituatie van aangrenzende percelen. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen van een wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt in geval van gewenste dan wel noodzakelijke geringe afwijkingen van de bestemmingsgrenzen. Artikel 13 Algemene procedure regels In deze bepaling staat aangegeven welke procedure dient te worden gevolgd bij het stellen van nadere eisen.
Artikel 14 Overige regels In deze bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is bepaald dat bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie van een bestaand bouwwerk voldaan te worden in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid. 6.2.4 Overgangs en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 15.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 15.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 16 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Chateaupark Heel fase 2 en 3'.
87/158
88/158