Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
28
bedrijventerreinen, energie, landschap, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie. Ten aanzien van 'Bedrijventerreinen' in de regio Midden-Limburg zijn in artikel 2.4.5 de volgende regels opgenomen: 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van POL2014, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 4. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid. 5. De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.
Het voorliggende planvoornemen heeft betrekking op het juridisch-planologisch mogelijk maken van revitaliseringswerkzaamheden om de bestaande bedrijvigheid (scheepswerf) toekomstbestendig te maken. Er is geen sprake van uitbreiding of toevoeging van bedrijventerreinen. Een toelichting als bedoeld in lid 4 en 5 kan kortom achterwege blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten van de Omgevingsverordening Limburg 2014.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Maasgouw Op 22 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Maasgouw de Omgevingsvisie Maasgouw vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt de koers voor de toekomst van Maasgouw beschreven. Dit wordt gedaan voor de hele fysieke leefomgeving van Maasgouw. Er worden in de omgevingsvisie nog maar drie gebieden: 'de kernen', 'het landelijk gebied' en 'de Maasplassen' benoemd. Deze hoge abstractieniveau leidt tot meer flexibiliteit, mogelijkheden voor maatwerk en creativiteit van initiatiefnemers. Het beleid op hoofdlijnen is in twee onderdelen vervat: de visiekaart en de matrix.
3.3.1.1
Visiekaart
. AFBEELDING UITSNEDE VISIEKAART OMGEVINGSVISIE MAASGOUW MET DE VOOR DE LOCATIE VAN DE SCHEEPSWERF (ROOD OMLIJND) GELDENDE GEBIEDSINDELING
29
Op basis van de Visiekaart behoort de locatie van de scheepswerf tot het gebied 'Maasplassen'. Tevens is de omgeving van de scheepswerf aangewezen als locatie waar een bijzondere veranderopgave plaats vindt, dat verder uitgewerkt moet worden en waar de omgevingsvisie de koers op hoofdlijnen bepaalt.
3.3.1.2
Matrix
AFBEELDING UITSNEDE VAN DE MATRIX MET BETREKKING TOT DE MAASPLASSEN.
3.3.1.3
Beoordeling initiatieven
Nieuwe ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan/omgevingsplan passen, worden getoetst aan de koers van het gebied en de onderliggende thema's.
30
Bij dergelijke ontwikkelingen, waar voorliggend plan ook toebehoort, hanteert de gemeente Maasgouw de volgende stappen en spelregels: Stap 1. Bijdrage doelen De gemeente beoordeelt of het initiatief bijdraagt aan de doelen die in de omgevingsvisie is geformuleerd (zie hoofdstuk 3 en 4). Het initiatief dient op zijn minst geen afbreuk te doen aan de gestelde doelen. Gekeken naar de doelen kan resumerend worden beschouwd dat voorliggend planvoornemen een bijdrage levert aan de doelen, omdat: de revitalisering ervoor zorgt dat de bedrijfsvoering van de scheepswerf toekomstbestendig is, hetgeen een bijdrage levert voor de plaatselijke en regionale economie; de scheepswerf een belangrijke identiteitsdrager is voor de professionele scheepvaart; voor zover sprake is van een nieuwe ontwikkeling binnen de Maasplassen, het voorliggend plan door maatregelen (als beschreven onder .2.2.2 en opgenomen in bijlage 1 zodanig wordt landschappelijk ingepast dat geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke openheid van de Maasplassen; de revitalisering van de scheepswerf mede het in gebruik nemen van materieel/installaties betekent, waarbij wordt voldaan aan de huidige milieuregels. In de basis levert dit een belangrijke bijdrage aan een verbetering van de waterkwaliteit. Stap 2.
Maatschappelijk draagvlak Wat onder 'voldoende' bijdrage aan de visie moet worden verstaan, wordt medebepaald door het maatschappelijk draagvlak. Dit wordt door de initiatiefnemer georganiseerd. De gemeente kan hierbij behulpzaam zijn. Een gebiedsdialoog met betrokkenen speelt een belangrijke rol bij het creëren van draagvlak. Voorliggend bestemmingsplan betreft een relatief kleinschalige wijziging van het vigerende planologische kader. Een wijziging die hoofdzakelijk voorziet op een voortzetting van bestaande activiteiten behorende bij de scheepswerf, passend binnen het vigerende beleid. Vanuit deze optiek is geen gebied brede omgevingsdialoog gevoerd. Wel is de directe omgeving geïnformeerd over het voornemen tot revitalisering van de scheepswerf. Belangrijk om in dit kader te vermelden is dat onderhavige ontwikkeling deel kan gaan uitmaken van een bredere gebiedsontwikkeling met daarbij de ontwikkeling van de Clean Energy Hub als trekker. In het kader van deze bredere gebiedsontwikkeling wordt nadrukkelijk wél een integrale en brede gebiedsdialoog doorlopen. Stap 3. Voldoet het project aan omgevingsaspecten In de omgevingsvisie zijn ambities en doelen op hoofdlijnen geformuleerd. Daaronder ligt een heel palet aan weten regelgeving dat van toepassing kan zijn. Hiermee moet eveneens rekening worden gehouden en is een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer.
Past een initiatief in de visie, dan onderzoekt de initiatiefnemer hoe het initiatief mogelijk kan worden gemaakt. De gemeente kan hierbij helpen. In hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de omgevingsaspecten in relatie tot het planvoornemen. De algehele conclusie is dat het planvoornemen hieraan voldoet. Stap 4. Bijdrage ruimtelijke kwaliteit Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt van de initiatiefnemer verwacht dat ook wordt geïnvesteerd in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het buitengebied gebeurde dit al met het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM). Het is de wens van de gemeente om dit fonds breder in te zetten. De eerste ideeën zijn, om net als in het GKM, zowel een fysieke- als een financiële bijdrage te vragen van initiatiefnemers. De financiële bijdrage wordt gebruikt om de doelen die voor het betreffende gebied zijn gesteld, te ondersteunen. Dit kan dus breder worden ingezet dan alleen ruimtelijke kwaliteit. Dit fonds omgevingskwaliteit wordt momenteel verder uitgewerkt. Voor een bijdrage aan het fonds omgevingskwaliteit wordt een ondergrens gehanteerd. De ondergrens is gebaseerd op de volgende twee criteria: 1. Alleen ontwikkelingen waarin sprake is van een afwijking van het omgevingsplan (met een omgevingsvergunning of door het wijzigen van het omgevingsplan) vragen we een bijdrage aan het fonds; 2.
De ondergrens wordt ook gebaseerd op een minimale bouw- of gebruiksomvang. Waar die grens precies ligt is onderwerp van nadere uitwerking. Ten aanzien van het eerste criterium is met voorliggend plan sprake van het wijzigen van het bestemmingsplan/omgevingsplan. Deze wijziging van het bestemmingsplan/omgevingsplan ziet echter niet toe op het mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, maar op het wijzigen van specifieke bouw- en gebruiksonderdelen van het huidig vigerend bestemmingsplan. Conform het tweede criterium wordt in dat kader
31
ook een ondergrens gehanteerd, dat nog nadere uitwerking behoeft. Derhalve kan nog geen duidelijkheid worden geschept of voor voorgenomen ontwikkeling een bijdrage aan het fonds omgevingskwaliteit noodzakelijk is. Stap 5 Financiering, prioriteitstelling en fasering Als (mede)financiering van de gemeente noodzakelijk en gewenst is, dan kan het project zo mogelijk in de begroting worden opgenomen. Omdat niet alles tegelijkertijd kan, zal de gemeente prioriteiten stellen en projecten zo nodig faseren. Voorgenomen ontwikkeling wordt volledig gefinancierd door de initiatiefnemer. Derhalve is deze stap niet aan de orde. Stap 6 Besluitvorming De gemeente is gesprekspartner, faciliteert (ambtelijk) en is op een hoger abstractieniveau de bewaker van de onderlinge samenhang (college en raad). Ook als het maatschappelijk draagvlak geen duidelijk beeld geeft van de wenselijkheid van het initiatief, zal het gemeentebestuur uiteindelijk de knoop doorhakken. Omgekeerd betekent dit, dat als een initiatief voldoet aan stap 1 t/m 4 (of 5), het college en raad het initiatief in principe zullen omarmen. Uit toetsing blijkt dat het voorgenomen plan voldoet aan hetgeen in de stappen 1 tot en met 4 aan bod is gekomen. Het initiatief kan derhalve rekenen op medewerking van de gemeente Maasgouw in de vorm van vaststelling van het bestemmingsplan/omgevingsplan ten behoeve van voorgenomen plan.
Conclusie Gelezen het voorgaande is het planvoornemen in lijn met de omgevingsvisie.
3.3.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) is van toepassing op het buitengebied van de gemeente Maasgouw. Het GKM richt zich op nieuwe rode ontwikkelingen, die niet mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan. Het gebied van de scheepswerf ligt volgens de kaart van de provinciale contouren buiten de daar aangegeven kernen, maar ook buiten de Grens Stedelijke Dynamiek. Daarmee ligt de locatie in het buitengebied van de gemeente Maasgouw. Gezien de voorgestelde ontwikkeling is er echter geen sprake van een nieuwe rode ontwikkeling als bedoeld in het GKM, aangezien er sloop en nieuwbouw plaatsvindt binnen hetzelfde plangebied en het mogelijke bebouwingspercentage binnen het bouwvlak gelijk blijft. Nadere eisen voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit kunnen wel volgen bij de beoordeling van de overige ruimtelijke aspecten van de planologische veranderingen. Conclusie Het GKM is niet van toepassing op het planvoornemen.
3.3.3 Bereikbaarheid en verkeersveiligheid Het gemeentelijk Verkeers- en vervoerbeleid is hoofdzakelijk weergegeven in het “Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan, verkeersbeleid 2015-2025” (GVVP), zoals vastgesteld op 12 februari 2015. In het GVVP is de aanpak van de knelpunten op het gebied van verkeer en vervoer omschreven, met als doel een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de verkeersveiligheid, bereikbaarheid, en (verkeer)leefbaarheid in Maasgouw. Naast het GVVP zijn specifieke aspecten, zoals parkeren, in afzonderlijke nota's uitgewerkt. Het parkeren dient te voldoen aan het gemeentelijk beleid “Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw”. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.10 'verkeerskundige aspecten'. Conclusie Gelezen het voorgaande is het planvoornemen in lijn met de GVVP.
32
Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden en onderzoek 4.1 Akoestiek 4.1.1 Wettelijk kader Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoorwegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. In het algemeen is een geluidsbelasting op de gevel van een bestaande woning tot een maximum van 55 dB(A) toegestaan. Op andere geluidsgevoelige objecten kan die norm anders zijn. De wet kent de aanname dat het gebruik van een autoweg, waarvoor als verkeersmaatregel een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt, geen ongeoorloofde geluidsbelasting teweegbrengt. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van toelaatbare geluidhinder ten opzichte van geluidsgevoelige objecten. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de zogeheten geluidszonering. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies uit het onderzoek.
4.1.2 Conclusie Op basis van de maximaal representatieve bedrijfssituatie is de geluidimmissie (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) inzichtelijk gemaakt. Middels ter plaatse uitgevoerde geluidmetingen en een akoestisch rekenmodel is de geluidimmissie in de omgeving bepaald. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende geluidsbelasting voldoet aan de richtwaarden uit de VNG publicatie op basis van het omgevingstype “gemengd gebied”. Voor de activiteiten behorende bij scheepsrecycling, specifiek het gebruik van een mobiele knipschaar, zijn afschermende maatregelen noodzakelijk. In het bestemmingsplan is derhalve een zone opgenomen waarbinnen 'scheepsrecycling' is toegestaan. Deze maatregelen omvatten het plaatsen van een vanuit akoestisch perspectief aanvaardbare, aan drie zijden afgeschermde constructie met een minimale hoogte van 4 meter, binnen de ruimte zoals opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan en voor zover vanuit hydraulisch perspectief (zie paragraaf 4.11.2) verantwoord. De zonebeheerder heeft de aangevraagde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus akoestisch getoetst en blijft binnen de bestaande geluidzone. Met contourberekeningen is aangetoond dat er, ook met het toestaan van de activiteit 'scheepsrecycling', sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij omliggende woningen.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Op grond van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Maasgouw ligt het plangebied in een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde.
33
UITSNEDE ARCHEOLOGISCHEWAARDEN- EN VERWACHTINGSKAART GEMEENTE MAASGOUW, MET HET PLANGEBIED IN ROOD OMLIJND.
Vanwege de lage archeologische verwachting binnen het plangebied is voor graafwerkzaamheden ten behoeve van de uitwerking van het planvoornemen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Indien tegen de verwachting in tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect archeologie gelden er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.2 Cultuurhistorie Binnen het besluitgebied en de directe omgeving zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling in het geding zouden kunnen komen. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie gelden er kortom geen belemmeringen ten aanzien van het planvoornemen.
4.3 Bodem Bij wijziging van een bestemming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van bodem en grondwater. Weliswaar is in voorliggende situatie sprake van het wijzigen van het bestemmingsplan. Het toekomstig gebruik binnen het plangebied wijzigt echter niet in die zin dat de huidige bestemming 'bedrijventerrein' met een specifieke aanduiding 'scheepswerf' een-op-een wordt overgenomen in voorliggende bestemmingsplan. Vanwege het ongewijzigd gebruik van de betreffende gronden (geen gevoelige functie), en gezien de locatie een waterbodem betreft, is strikt formeel geen onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse noodzakelijk. Echter, om de mogelijkheden voor hergebruik van de te ontgraven grond binnen de locatie dan wel de afvoer daarvan vast te stellen is een verkennend waterbodemonderzoek volgens de NEN5720 uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies uit het onderzoek. Conclusie verkennend waterbodemonderzoek
34
Binnen de onderzoekslocatie zijn delen sterk verontreinigd met zware metalen, PAK en/of PCB in de droge of natte waterbodem, andere delen voldoen wel aan de hergebruikeisen (klasse altijd toepasbaar, A of B) voor waterbodem. Om de geplande graaf- en/of baggerwerkzaamheden in goede banen te leiden wordt geadviseerd een uitvoeringsplan op te stellen waarin de wijze van ontgraving, de gekozen baggermethode, exacte ontgravingsdieptes, een overzicht van grondverzet binnen locatie, afvoer van droge of natte waterbodem naar een verwerkingslocatie, te hanteren veiligheidsklassen enzovoort is vastgelegd en dit voor te leggen aan het bevoegd gezag, in deze Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. Na goedkeuring en het aanvragen van de benodigde vergunningen en/of het doen van de benodigde meldingen kan dan gestart worden met de werkzaamheden ten behoeve van de revitalisering van de locatie die gelegen is binnen het gebied ‘Binnenhaven Maasbracht’. Conclusie Vanuit het aspect bodem gelden er kortom geen belemmeringen ten aanzien van het planvoornemen.
4.4 Ecologie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit om in te schatten of er op de onderzoekslocatie plant- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoekresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage (zie bijlage 4).
4.4.1 beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op vleermuizen. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht. Algemeen voorkomende broedvogels – rekening houden met het broedseizoen Het slopen van de bebouwing binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden binnen de deelgebieden. De werkzaamheden kunnen het beste worden uitgevoerd buiten het broedseizoen.
Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn binnen of direct grenzend aan beide deelgebieden. Indien nesten afwezig zijn, kan het volledige/kunnen delen van het gebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden. Vleermuizen – nader onderzoek en voorkomen aanvullende verlichting randen plangebied De in het kader van voorliggend planvoornemen nog te slopen bebouwing (met uitzondering van de stalen loods, meest westelijk gelegen op het terrein en de in fase 1 van het plan reeds gesloopte gebouwen als het voormalige kantoor- en kantine voorziening) biedt potentiële holten die kunnen functioneren als vleermuisverblijfplaats. Voorafgaand aan sloop van betreffende bebouwing dient nader vleermuizenonderzoek uitsluitsel te geven over de al dan niet aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Effecten op foerageergebied en vliegroutes, zijn niet te verwachten als gevolg van de werkzaamheden en de realisatie van de nieuwe bebouwing, mits de structuren aan de randen van het plangebied (bomenrijen) niet
35
aanvullend verlicht worden. Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met zorgplicht Het plangebied is, hoewel marginaal, in potentie geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.
4.4.2 Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden De planlocatie ligt op relatief korte afstand (respectievelijk op circa 500 m en 1,5 km) van twee Natura 2000-gebieden, namelijk: Grensmaas en Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek (zie onderstaande afbeelding).
AFBEELDING LIGGING VAN HET ONDERZOEKSGEBIED (RODE BELIJNING) TEN OPZICHTE VAN DE MEEST NABIJGELEGEN NATURA 2000-GEBIEDEN (BRON: NATURA 2000 NETWORK VIEWER)
Middels een voortoets (bijlage 5) is onderzocht of voor de revitalisering van de Scheepswerf Maasbracht op de locatie Bunkerhaven 3-5 in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) al dan niet een vergunning aangevraagd dient te worden (zie voor een nadere toelichting over de Wnb hoofdstuk 2). Dit kan het geval zijn wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat het plan leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. In deze voortoets de volgende vragen onderzocht en beantwoord: Welke Natura 2000-gebieden liggen binnen de actieradius van het voorgenomen wijzigings- en uitbreidingsplan van de betreffende scheepswerflocatie? Voor welke habitatsoorten en kwalificerende habitattypen zijn de betreffende Natura 2000-gebieden aangewezen? Kunnen significant negatieve effecten op de uitbreidings- of instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen
36
Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en ingebruikname van de wijzigings- en uitbreidingsplannen op de betreffende scheepswerflocatie worden uitgesloten? Zijn de voorgenomen wijzigings- en uitbreidingsplannen die met de uitvoering van het plan plaatsvinden vergunning plichtig in het kader van de Wet natuurbescherming? Conclusie In de voortoets is inzichtelijk gemaakt dat de revitalisering van de binnenhaven Maasbracht, met de verstoringsfactoren, geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Wel dient er een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 4.4.3. Provinciale gebiedsbescherming – overleg Provincie Limburg Effecten op de Goudgroene natuurzone en Zilvergroene natuurzone zijn niet te verwachten. Effecten op de Bronsgroene landschapszone zijn bij de uitbreiding van de werkstrook over de gehele plas niet uit te sluiten. De plas is in de bronsgroene landschapszone gelegen. Hierover dient afstemming met de provincie Limburg plaats te vinden. Houtopstanden – niet aan de orde In het kader van de beoogde ontwikkeling is geen kap van bomen voorzien. Aangezien er geen bomen gekapt worden, is artikel 4.2 Houtopstanden van de Wet natuurbescherming daarom niet van toepassing.
4.4.3 Stikstofdepositie Ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging is voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase een stikstofonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Doel van dit onderzoek is toetsing van de (negatieve) effecten op Natura-2000 gebieden als gevolg van activiteiten binnen de inrichting aan de Wet Natuurbescherming. Ten behoeve van de voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de gewenste situatie gemodelleerd. De stikstofdepositie is op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend en vervolgens is getoetst of de inrichting (mogelijk) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en tevens geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het project.
4.4.4 Conclusie Op basis van het verkennend ecologisch onderzoek blijkt dat, bij de sloop van bebouwing, nader soorten onderzoek voor de vleermuis noodzakelijk is. Verder dient met het uitvoeren van werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen en geldt de zorgplicht. Uit de uitgevoerde voortoets en het onderzoek stikstofdepositie blijkt dat er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Specifiek voor het uitbreiden van de werkstrook dient vanwege de ligging van de plas in de bronsgroene landschapszone, afgestemd te worden met Provincie Limburg.
4.5 Externe veiligheid In het kader van de beoogde ontwikkeling dienen de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico's kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. Ten aanzien van voorgenomen planvoornemen is een Quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage (zie bijlage 7). Toetsing transport gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In onderstaande afbeelding is de projectlocatie weergegeven met daarin de transportroutes en buisleidingen.
37
AFBEELDING: PROJECTLOCATIE (ROOD OMKADERD) MET TRANSPORTOUTES EN BUISLEIDINGEN (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
Conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dienen projecten die binnen 200 meter van een transportroute zijn gelegen een verantwoording te geven van de invloed op het groepsrisico van de beoogde activiteiten. Uit bovenstaande afbeelding is op te maken het basisnet wegverkeer (A2:L140 en A73:L115 en L113) op grote afstand van de locatie zijn gelegen, respectievelijk 1,2 en 2,1 km. De locatie ligt ruim buiten de 200 meter zones van deze verkeersassen. De laatste metingen provinciale en gemeentelijke wegen dateert van 2010, echter hierin zijn geen wegen in de directe omgeving van de projectlocatie meegenomen. Het basisnet spoor (500.4) ligt op nog grotere afstand (ca. 2,5 km), zodat ook voor het basisnet spoor de locatie ruim buiten de 200 meter zone van deze as is gelegen. Het basisnet water, de Maascorridor, loopt via het Julianakanaal en grenst vrijwel direct aan de projectlocatie, die hiermee wel binnen de 200 meter zone van deze transportas valt. Over deze transportmodaliteit worden verschillende soorten gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder brandbare vloeistoffen (Lf) en gassen (Lg), als ook toxische vloeistoffen (Lt). Het basisnet Maascorridor met daarin aangegeven de vrijwaringszone (rood gearceerd gebied) en het effectgebied (blauwe contourlijn) zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
38
AFBEELDING: DETAIL MAASCORRIDORMET VRIJWARINGSZONE WATERWEG TER PLAATSE VAN DE PROJECTLOCATIE (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
De vrijwaringszone valt voor een beperkt deel over de fysieke grenzen van de inrichting, met name in de oostelijke punt van het bedrijfsterrein. Met de beoogde aanpassingen van de inrichtingsgrenzen is er een oppervlakte van ca. 670 m² van het beoogde bouwvlak dat binnen de contouren van de vrijwaringszone valt, zie de oranje polygoon in onderstaande afbeelding. In deze afbeelding zijn nog de vigerende bouwvlakken en inrichtingsgrenzen opgenomen, maar is de overlap bepaald op de beoogde verschuiving van bouwvlaklijn in zuidoostelijke richting.
AFBEELDING: DETAIL OVERLAP VRIJWARRINGSZONEOP BEDRIJFSTERREIN (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
Uitgaande van de worst case benadering dat dit gehele overlappingsgebied bebouwd kan gaan worden en hier personen actief gedurende de werkdag aanwezig zullen zijn, dan zal de bevolking binnen de vrijwaringscontour toenemen met 6 personen. Dit aantal is gebaseerd op het gemiddeld aantal voertuigbewegingen voor een gemengd terrein conform tabel 6.3/9 (pagina 220 ASVV 2021).
39
Hierin is een norm gesteld van 128 voertuigbewegingen van personenauto's per etmaal. Dit zijn 64 personenauto's (het aantal bewegingen betreft aankomst en vertrek), waarbij ervan uitgegaan is dat per personenauto er gemiddeld 1,2 personen zullen meerijden. Dit resulteert in: (128 / 2) [auto/ha] / 10.000 [m²/ha] x 670 [m²] x 1,2 [pers/auto] = 5,1 personen. Afgerond zijn dit dan 6 personen, die alleen gedurende de werkuren aanwezig zullen zijn. Deze toename van het aantal personen zal slechts een marginale invloed hebben op het totale groepsrisico ten gevolge van de transportmodaliteit van de Maascorridor. Voor de beoogde situatie is er een laag groepsrisico over het gehele traject van de Maascorridor in de omgeving van het projectgebied. Op de locatie van het overlappingsgebied is een werkloods gepland waarin schepen kunnen worden hersteld (zijnde een werkplaats). Dit gebouw kan gezien worden als een beperkt kwetsbaar object (bedrijfsgebouw). Het personeel dat hier tewerk wordt gesteld is alleen gedurende de werkuren aanwezig en is voldoende zelfredzaam in geval van een calamiteit/incident op de transportroute. Omdat slechts een punt van de werkloods in de vrijwaringszone is gelegen kan men indien noodzakelijk het gebouw via de toegang in de reguliere vluchtweg buiten de vrijwaringszone verlaten en over het bedrijfsterrein naar een veilige locatie vluchten.
Gezien de terreinindeling, de uit te voeren activiteiten en de lengte van de te behandelen schepen is het noodzakelijk om de geplande loods door te trekken tot aan het maximale bouwvlak om nog voldoende ruimte op het buitenterrein vrij te houden. Vanuit de zichtlijn van de Maascorridor valt slechts 25 meter van de loods in de vrijwaringszone, daar de vrijwaringszone hier verbreed is van 25 naar 50 meter (aanloop sluis). Subconclusie De beoogde toename van de bebouwingsmogelijkheden en wijziging van het gebruik hebben geen significante invloed op het groepsrisico ten gevolge van de Maascorridor. Het bouwen van een werkloods, waarbij de vrijwaringszone deels wordt overlapt heeft eveneens geen significante invloed op de risico's, mede daar dit een werkplaats betreft waar alleen zelfredzame personen worden tewerkgesteld. Toetsing transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. In de afbeelding met projectlocatie zijn naast de transportmodaliteiten weg, water en spoor ook de buisleidingen weergegeven. Op ca. 300 meter in oostelijke richting ligt een aardgasleiding (Z.540.01, 40 bar, 11 inch). Deze aardgasleiding heeft geen 10-6 contour, maar wel een belemmeringenstrook van 4 meter aan beide zijden. De 100% letaliteitscontour ligt op ca. 60 meter en de 1% letaliteitscontour ligt op ca. 120 meter.
Gezien de afstand ligt de projectlocatie buiten het directe invloedsgebied van deze aardgasleiding hoeft deze derhalve niet nader beoordeeld te worden. Verder in oostelijke richting (voorbij de A2) liggen nog twee aardgasleidingen (A.521 en A.585, beide met een druk van 66 bar), echter gezien de afstand (> 1 km) ligt de projectlocatie eveneens buiten de directe invloedssfeer van deze aardgasleidingen. Ter hoogte van de A2 loopt ook nog een Nafta leiding (PRB-leiding; 60 bar; 9 inch; 1% letaliteitscontour van 55 m). Gezien de afstand (> 1 km) ligt de projectlocatie ook buiten de directe invloedssfeer van deze leiding. In de direct omgeving van het projectgebied zijn geen reserveringsstroken voor toekomstige buisleidingen opgenomen in nationale, provinciale, of lokale plannen. Deze hoeven derhalve in de beoordeling niet meegenomen te worden. Subconclusie Buisleidingen hoeven niet meegenomen te worden in de verantwoording. Toetsing categoriale inrichtingen In de (wijde) omgeving van de projectlocatie zijn een aantal inrichtingen die opgenomen zijn in het register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS). Zie ook onderstaande afbeelding. Het gaat hierbij om: In Zuidwestelijke richting: ca. 1,4 km – Paes BV, Nieuwbouw en reparatie van schepen (baggermaterieel); propaantank 4.840 liter met 10-6 contour van 20 meter; In Noordoostelijk richting: ca.
1,3 km – Gasontvangststation GasUnie reductie van 16 naar 8 bar met 10-6
40
contour van 15 meter; In Noordoostelijke richting: ca. 1,4 km – Willems Pallets opslag vaste brandbare stoffen 5.000 m² geen 10-6 contour; In Noordoostelijke richting: ca. 1,6 km – Willems Pallets opslag vaste brandbare stoffen 5.000 m² geen 10-6 contour; In Noordoostelijke richting: ca. 2,1 km – 2 stuks Gasontvangststations GasUnie beide reductie van 16 naar 8 bar met 10-6 contour van 15 meter.
AFBEELDING: PROJECTLOCATIE TEN OPZICHTE VAN DE INRICHTINGEN OPGENOMEN IN RRGS (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
Al deze inrichtingen liggen op respectabele afstand van de projectlocatie en behoeven verder niet in de beoordeling meegenomen te worden, daar de risicocontouren niet in de buurt van de projectlocatie komen. Subconclusie Categoriale inrichtingen opgenomen in register risicosituaties gevaarlijke stoffen hoeven niet meegenomen te worden in de verantwoording. Bunkerstations en Kegelligplaatsen In de directe nabijheid van de projectlocatie zijn twee bunkerstations geprojecteerd in de binnenhaven Maasbracht (rode vierkantjes in onderstaande afbeelding) en iets verderop is nog een derde bunkerstation in de haven van Wessem (noordelijke richting). De bunkerstations in de binnenhaven Maasbracht (geprojecteerd op ca. 200 en 450 meter van de projectlocatie) kunnen een effect hebben op het project, daar deze enigszins van plaats kunnen veranderen. Het bunkerstation in de haven Wessem (afstand ca.1,1 km) ligt te ver weg om enige invloed te kunnen hebben. In onderstaande afbeelding zijn ook twee kegelligplaatsen geprojecteerd. Dit zijn plekken waar schepen met gevaarlijke lading kunnen afmeren. Rondom deze kegelligplaatsen zijn zones aangegeven (blauwe ovalen). De dichtstbijzijnde zone (zuidelijke richting) reikt tot ca. 400 meter van de projectlocatie. Deze behoeft in het kader van externe veiligheid niet in de beoordeling meegenomen te worden.
41
AFBEELDING: BUNKERSTATIONS EN KEGELLIGPLAATSEN (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
De veranderingen van het bestemmingsplan zijn echter dusdanig van aard dat hierdoor geen extra (zeer of beperkt) kwetsbare objecten bijkomen anders dan nu reeds planologisch mogelijk is. Subconclusie Omdat de functie van het bedrijventerrein en de gebruiksmogelijkheden niet wijzigen ten opzichte van de huidige planologische situatie is nader onderzoek in het kader van externe veiligheid voor de effecten van bunkerstations en kegelligplaatsen niet nodig. Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten In de directe omgeving van de projectlocatie zijn een aantal objecten die onder bovengenoemde kwalificaties vallen. De beoogde wijzigingen vallen niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit risico's zware ongevallen. In de navolgende afbeelding zijn deze met verschillende groentinten aangegeven.
42
AFBEELDING: AFSTANDEN PROJECTLOCATIE TOT ZEER KWETSBARE EN KWETSBARE OBJECTEN (BRON: EV-SIGNALERINGSKAART.NL)
Zeer kwetsbare objecten cfm Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) In Zuidoostelijke richting: ca. 360 m – Bejaarden Flatwoning; In Oostelijke richting: ca. 400 m – Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten (Pergamijn); In Zuidoostelijke richting: ca. 460 m – Kinderopvang (BSO Spetters); In Zuidoostelijke richting: ca. 500 m - Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten (Daelzicht). Kwetsbare objecten cfm Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) en Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) In Noordelijke richting: vrijwel aansluitend aan projectlocatie – 2 stuks aanlegplaatsen Woonboot; In Zuidoostelijke richting: ca. 175 m – aanlegplaatsen woonboten binnenhaven Maasbracht; In Zuidoostelijke richting: ca. 330 m – woonkern Maasbracht. De aanlegplaatsen aan de noordelijke zijde van het projectgebied zijn niet opgenomen in het bestemmingsplan en vallen onder het overgangsrecht. Deze dienen meebeoordeeld te worden indien de planologische wijzigingen activiteiten genereren die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dan wel onder het Besluit risico’s zware ongevallen. Beperkt kwetsbare objecten cfm Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) en Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) In Westelijke en Oostelijke richting: vrijwel aansluitend aan projectlocatie – Diverse industriegebouwen; In Zuidoostelijke richting: ca.
175 m – RWS Bediencentrale Maasbracht; In Oostelijke richting: ca. 275 m – Winkels en horeca gelegenheden aan de binnenhaven Maasbracht; In Zuidelijke richting: ca. 300 m – Industriefunctie Van der Laan Yachting. Subconclusie Omdat de wijzigingen van het bestemmingsplan geen activiteiten behelzen die vallen onder Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dan wel onder het Besluit risico's zware ongevallen, hoeft verder geen onderzoek worden verricht. Conclusie Ten aanzien van de externe veiligheid hoeft geen verder onderzoek te worden verricht, omdat de wijzigingen geen activiteiten bevatten die geen activiteiten behelsen die vallen onder Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dan wel onder het Besluit risico’s zware ongevallen en omdat de bebouwingsmogelijkheden en het gebruik niet wijzigen ten opzichte van de huidige
43
planologische situatie. Door de Veiligheidsregio Limburg-Noord is aanvullend op het voorgaande advies verstrekt. Dit advies is aanvullend op voorgaande uiteenzetting. Voor meer informatie wordt verwezen naar de brief (zie bijlage 8).
4.6 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen kabels of leidingen gelegen die dienen te worden voorzien van een juridisch-planologische beschermingszone. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
4.7 Luchtkwaliteit In opdracht van Revitalisering Binnenhaven Maasbracht BV is door Kragten een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd voor de inrichting van Scheepswerf en Machinefabriek Maasbracht NV te Maasbracht (Bijlage 9). Het doel van dit onderzoek is het berekenen van de fijn stof- en stikstofdioxide-immissies rondom de te revitaliseren inrichting en de berekende waarden te toetsen aan de geldende grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Op basis van door de opdrachtgever aangereikte informatie is de maatgevende bedrijfsvoering vastgesteld. Aan de hand van deze gegevens zijn middels een overdrachtsberekening de immissieniveaus in de omgeving van de inrichting bepaald. In het geval van de revitalisering van de scheepswerf wordt een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. De immissieconcentraties ten gevolge van de inrichting worden getoetst aan de voorschriften zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Alle relevante bronnen die aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied zijn in de berekening, dan wel in de achtergrondconcentratie meegenomen. De luchtkwaliteit wordt bepaald door de emissiebijdrage van de inrichting en de lokale achtergrondconcentraties. Voor de bijdrage van de inrichting aan de luchtkwaliteit zijn de emissies van stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bepalend.
Op basis van de toetsingscriteria uit de Wet milieubeheer (artikel 5.16, eerste lid, onder a) wordt ten aanzien van de lokale luchtkwaliteit geconstateerd dat in het rekenjaar 2024 na planontwikkeling geen grenswaarden overschreden worden. Gezien het feit dat de blootstellingconcentraties ver onder de gestelde grenswaarden liggen, worden ook ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren aangetroffen tegen de realisatie van het plan. Tevens leidt het project niet tot een toename voor NO2 en PM10 die hoger is dan de NIBM-grens. Feitelijk zou het toetsen van de grenswaarden achterwege kunnen blijven gezien het feit dat er geen onderzoekszones uit het Besluit gevoelige bestemmingen van toepassing zijn op onderhavige situatie en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van de inrichting gelegen aan de Bunkerhaven te Maasbracht.
4.8 Milieuzonering De scheepswerf is voornemens om, ten opzichte van de huidige vergunde situatie, haar activiteiten uit te breiden met scheepsrecycling. De scheepsrecycling omvat 5 % van het totale terrein en is een ondergeschikte activiteit, die wel ervoor zorgdraagt dat sprake is van circulaire activiteiten en de werkzaamheden van de scheepswerf complementeert indien een schip wordt afgekeurd en reparatie economisch niet meer mogelijk is. Bij scheepsrecycling wordt vooraleerst het schip ontmanteld en ontdaan van gevaarlijke stoffen (olie, ladingsrestanten, asbest, koelvloeistoffen, etc.), de cabine en machines. Het overblijvende metalen karkas wordt met behulp van een lier op de wal getrokken waarna het metalen karkas in stukken wordt gesneden. Het vrijkomende metaal wordt en met een mobiele schaar, die gevoed wordt door een mobiele kraan, verder verkleind. De werkzaamheden van scheepsrecycling zijn vergelijkbaar met een scheepswerf. Bij een scheepswerf wordt voordat met herstelwerkzaamheden aan de romp wordt gestart eerst dat gedeelte van het schip ontdaan van (gevaarlijke) stoffen, om vervolgens de herstelwerkzaamheden te kunnen uitvoeren. Bij herstel van de romp, wordt ook de te vervangen romp uitgesneden voordat de nieuwe romp kan worden aangebracht.
44
De bij scheepsrecycling vrijkomende metalen worden op een vergelijkbare wijze verwerkt als bij een groothandel in schroot (milieucategorie 3.1/3.2), namelijk met een mobiele kraan (sorteren, overslaan) en een mobiele schaar (verkleinen). In bijlage 10 is een notitie opgenomen waarin wordt onderbouwd of scheepsrecycling grotere of andere ruimtelijke gevolgen heeft dan nu reeds is toegestaan. Onderbouwing milieucategorie Uit het Bedrijven en milieuzonering onderzoek komt naar voren dat ter plaatse van het plangebied conform het bestemmingsplan bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën 3.1 tot en met 4.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan en binnen het plangebied een scheepswerf is toegestaan. In de Lijst van bedrijfsactiviteiten komt naar voren dat een scheepswerf behoort tot een milieucategorie 5.1. De specifieke functieaanduiding “scheepswerf” geeft dan ook aan dat ter plaatse een milieucategorie 5.1 bedrijf is gevestigd. Planologisch zijn voor de overige activiteiten enkel milieucategorie 4.2 toegestaan. Ten behoeve van de onderbouwing van de van de milieucategorie wordt de systematiek van paragraaf B5.3 van de Handreiking bedrijven en milieu zonering editie 2009 (hierna: Handreiking) gevolgd. Voor bepaling van de milieucategorie wordt de milieugevolgen van geur, stof, geluid en gevaar beoordeeld.
Indien in de lijst van bedrijfsactiviteiten hier reeds een kleinere afstand dat bij de behorende milieucategorie staat, dan past dit binnen de milieucategorie. Bij milieucategorie 4.2 hoort een afstand van 300 meter, waar vervolgens per milieuaspect moet worden getoetst aan de omgevingskwaliteitsnorm die bij dat planologisch gebiedstype hoort. Voor geur, stof en gevaar is de richtafstand voor de scheepswerf en groothandel schroot lager dan 300 meter. Volgens B5.3 van handreiking bedrijven en milieu zonering editie 2009 is het daarom niet nodig om geur, stof en gevaar te beoordelen. Voor geluid is het wel nodig om de effecten te bepalen omdat dit een grotere richtafstand heeft (categorie 5.1 met 500 m) dan in vergelijking met bedrijfscategorie 4.2. Hiervoor is met een akoestisch rapport (zie hoofdstuk 4.1 en bijlage 2) getoetst op de effecten van de inrichting op de omgeving op een afstand van 300 meter, waarin alle activiteiten cumulatief zijn meegenomen. Voor de beoordeling wordt in de Handreiking onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes, namelijk “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en “gemengd gebied”. Volgens de Handreiking en ook bevestigd door vaste jurisprudentie1 wordt verstaan onder een "gemengd gebied”: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt overwegend bestaat uit bedrijventerrein (paars), natuur (groen), detailhandel (oranje), (maatschappelijk (donkerroze), horeca (licht roze) en wonen (geel). Tevens loopt tussen de woningen (geel) en maatschappelijk (oranje) een gebiedsontsluitingsweg met rotonde van de planlocatie.
45
AFBEELDING KAART VAN DE OMGEVING OP 500 METER.
Volgens de regels behorende bij bestemmingsplan 'Maasbracht - Brachterbeek', artikel 25 onder 25.5.1 mag in de bestemming wonen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen plaatsvinden. Dit betekent dat ook in deze bestemming wonen sprake is van gemengd gebied zoals bedoeld in de Handreiking. In onderhavige situatie is het plan gelegen buiten de bebouwde kom. De omgeving kenmerkt zich door bedrijventerrein en scheepswerven, groen, maatschappelijke activiteiten (scholen), detailhandel, horeca en wonen waarbij aan huis geboden beroepen mogen worden uitgevoerd. Derhalve is uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied”. Bij een gemengd gebied mag volgens paragraaf B.5.3 een stap terug in richtafstanden worden gezet: dit is van 500 meter (milieucategorie 5.1) naar 300 meter (milieucategorie 4.2) en behoort volgens paragraaf B.5.3 van de Handreiking een toetsingsnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde. In onderstaande tabel zijn de berekende geluidbelasting op 300 meter weergegeven voor alle activiteiten van de locatie, inclusief scheepsrecycling.
TABEL BEREKENDE GELUIDIMMISSIES OP 300 METER.
Conclusie Uit bovenstaande en in combinatie met het akoestisch onderzoek kan er geconcludeerd worden dat
46
scheepsrecycling met een scheepswerf past binnen de huidige toegestane milieucategorie en geen ander nadelig effect heeft dan planologische reeds mogelijk was.
4.9 Ontplofbare oorlogsresten Om het risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten in te schatten is advies gevraagd aan de gemeente Maasgouw. Gemeente Maasgouw heeft aangegeven dat de projectlocatie op de bodembelastingenkaart is aangemerkt als gebied waarbinnen er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten in de bodem, te weten: Verschoten geschutmunitie, diverse kalibers van 2 cm t/m 15 cm. Enige situationele bepaling van de maximale diepteligging 2,50m-MV (maaiveld Tweede Wereldoorlog) bedraagt; Verschoten geschutmunitie, diverse kalibers 3,7 cm t/m 15 cm. Enige situationele bepaling van de maximale diepteligging is noodzakelijk, doch kan gesteld worden dat de maximale diepteligging 2,50m-MV (Maaiveld Tweede Wereldoorlog). Conclusie Op basis van de door gemeente Maasgouw beschikbaar gestelde gegevens uit de risicokaart kan gesteld worden dat binnen het projectgebied sprake is van gebieden verdacht op de aanwezigheid van OO. Derhalve wordt geadviseerd om aanvullende maatregelen te nemen om dit risico te minimaliseren. De exacte aard van deze aanvullende maatregelen dient bepaald te worden door een (CS-VROO en/of CS-OOO gecertificeerd) explosievenopsporingsbedrijf.
4.10 Verkeerskundige aspecten 4.10.1 Specifiek karakter inrichting In de huidige situatie heeft de scheepswerf minder dan 20 werknemers in vaste dienst. Bij het uitvoeren van werkzaamheden wordt daarnaast gebruik gemaakt van een beperkt aantal onderaannemers die veelal naar de scheepswerf toe komen, de bedrijfswagen op het terrein parkeren en vanuit hier de werkzaamheden verrichten Gemiddeld betreft het circa 20 bedrijfsauto's per dag. De aanvoer van materieel vindt zowel plaats via het water als per as. Het betreft een beperkt aantal vrachtwagen bewegingen per dag gemiddeld niet meer dan 10 vrachtwagens. Het huidige bedrijfsterrein heeft een bedrijfsoppervlakte van circa 3,8 hectare. Ook dit terrein wordt extensief gebruikt. De werkzaamheden concentreren zich met name rondom de hellingbaan gesitueerd op het terrein. Soms worden schepen, voor het uitvoeren van werkzaamheden, vanaf de hellingbaan verplaatst naar de op het terrein gelegen bedrijfshallen. In een aantal hallen zijn in gebruik als werkplaats met specifieke machinerie om specialistische werkzaamheden uit te voeren. Op het terrein ligt een kantoor (circa 200 m²) en een kantine/ kleedruimte van vergelijkbare omvang. Gezien het huidige gebruik is er sprake van een arbeidsextensieve- en bezoekers extensieve inrichting. Het beoogde gebruik van het terrein komt overeen met de huidige situatie.
De ruimtelijke procedure wordt doorlopen om de gewenste revitalisering van de scheepswerf juridisch planologisch mogelijk te maken. Hierbij wordt met name ingezet op een effectiever gebruik van het terrein waarbij met name geïnvesteerd wordt in het up-to-date brengen van faciliteiten én werkzaamheden.
4.10.2 Verkeer De verkeergeneratie in zowel de huidige als beoogde situatie passen derhalve binnen de bandbreedtes van verkeersgeneratie zoals weergeven in tabel 6.3.9. van de ASVV (2021), zie onderstaande afbeelding. Vanwege de huidige en beoogde bedrijfscategorisering van de scheepswerf, zijnde categorie 5.1 en overige bedrijven categorie 4.2, wordt aangesloten bij de normen zoals deze gelden bij gemengde terreinen. Gezien het gebruik van het terrein een worst-case benadering. In de huidige situatie heeft het bestemmingsvlak met bestemming bedrijventerrein een oppervlakte van circa 3,8 ha. In de beoogde situatie neemt de oppervlakte, door optimalisaties in het terrein, zelfs iets af (3,5 ha).
47
TABEL 6.3.9. VAN DE ASVV (2021).
4.10.3 Parkeren De scheepwerf wordt aangemerkt als arbeidsextensieve- en bezoekers extensieve inrichting. Het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom, gelegen in een niet stedelijk gebied. Gemeente Maasgouw maakt in haar beleid gebruik van een vaste parkeernorm, waarbij het maximale CROW-parkeerkencijfer het uitgangspunt vormt. In dit geval 1,3 parkeerplaats per 100 m² BVO. Van dit cijfer kan gemotiveerd worden afgeweken. Een afwijking van de maximale norm is in dit geval, gezien het specifieke karakter van de scheepswerf, aan de orde. Zoals blijkt uit de feitelijke bedrijfsvoering zoals deze de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden is de parkeerbehoefte beperkt. Derhalve wordt in dit specifieke geval aansluiting gezocht bij de minimale norm (0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO).
TABEL PARKEERBEHOEFTE HUIDIGE SITUATIE VERSUS BEOOGDE SITUATIE.
De beoogde situatie resulteert in een toename van bedrijfsvloeroppervlak, dit vertaald zich in een toename van de parkeerbehoefte. Zie ook bovenstaande afbeelding. Het is van belang dat bij de beoogde inrichting van het terrein rekening wordt gehouden met de realisatie van voldoende parkeergelegenheid. Daarnaast is van belang dat, evenals in de huidige situatie, ook in de beoogde situatie het laden en lossen van (vracht)wagens, geheel plaatsvindt op eigen terrein. Gezien de omvang van het gebied kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van 48 parkeerplaatsen. Conclusie Vanuit het aspect verkeer bestaan er geen directe belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan.
4.11 Water 4.11.1 Watertoets In het kader van de Watertoets dient een bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten waarin wordt aangegeven hoe met water om te gaan. Allereerst wordt kort ingegaan op de beleidskaders en vervolgens op de wijze waarop binnen het plangebied wordt omgegaan met water. Ten aanzien van het laatste aspect is specifieke paragraaf opgenomen waarbij is onderzocht wat de rivierkundige gevolgen zijn van de herinrichting van de scheepswerf op de Maas. De watertoets is als bijlage 11 toegevoegd aan deze toelichting. Beleid Gemeente Maasgouw benoemt in het GRP dat ze bij uitbreiding of vernieuwing van bebouwing geen regenwater inzamelt. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt het regenwater zelf binnen de perceelgrens, tenzij dat technisch onmogelijk is. Voor extreme neerslaggebeurtenissen wordt voorzien in een overloop naar de openbare ruimte. De scheepswerf ligt in het stroomvoerend winterbed van de Maas, die in beheer van Rijkswaterstaat is. In de watervergunning van de scheepswerf uit 2012 is opgenomen dat het hemelwater afkomstig van bebouwing en verhard terrein waar mogelijk (groten)deels infiltreert in de bodem en verder afstroomt naar de Maas. Verder benoemt het Activiteitenbesluit dat bij hemelwaterlozing op oppervlaktewater aan de zorgplicht voldaan moet worden.
Dit betekent onder andere dat er geen onnodige vervuiling tijdens het afstromen van hemelwater dient te zijn, dat gecertificeerde bouwmaterialen gebruikt dienen te worden (CE-markering), dat er zo omgegaan wordt met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, en dat het terrein voldoende schoon gehouden wordt.
48
Toets plangebied De ligging van het plangebied is weergegeven in navolgende afbeelding. Het projectgebied ligt ten westen van Maasbracht, aan de Maas. Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Limburg is nagegaan of er zich in de omgeving van de projectgebied oppervlaktewateren bevinden. Deze zijn ook weergegeven in navolgende afbeelding. Op de afbeelding is te zien dat de scheepswerf afstroomt in de Maas. Direct ten oosten van het projectgebied stroomt de Oude Maas, en direct ten westen ligt het Julianakanaal. Er liggen geen primaire of secundaire watergangen die invloed hebben op het projectgebied. Verder is de scheepswerf volgens de kaarten horende bij Beleidsregels Grote Rivieren gelegen in het stroomvoerend regime van de Maas.
AFBEELDING: BEGRENZING PLANLOCATIE EN LEGGERKAART.
Maaiveldniveau Met behulp van het AHN4 is het maaiveldniveau van het terrein in beeld gebracht, zie onderstaande afbeelding. Het maaiveldniveau langs de waterkant is circa NAP +21,3 m en loopt vervolgens op tot maximaal circa NAP +24,5 m.
49
AFBEELDING: MAAIVELDNIVEAU.
Bodemopbouw Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem in beeld gebracht. Het projectgebied heeft de bodemcode “|g WATER” en “Rd10A” (zie onderstaande afbeelding). Dit zijn kalkhoudende ooivaaggronden, welke bestaat uit lichte zavel. Dit bodemtype staat bekend om zijn matige waterdoorlatendheid. Aangezien de lokale bodem in hoge mate geroerd is, kan niet met zekerheid vastgesteld worden of deze gronden daadwerkelijk aanwezig zijn in het projectgebied. Boorprofielen uit Dinoloket laten zien dat her en der in de omgeving in het verleden inderdaad (zandig) lemige of (zandige) kleiachtige bovenlagen zijn aangetroffen (rivierklei gronden). In dergelijke gevallen is de waterdoorlatendheid slecht tot matig. Infiltratieonderzoek op de projectlocatie kan uitsluitsel geven over de werkelijke waterdoorlatendheid van de bodem.
AFBEELDING: BODEMKAART.
Met behulp van Dinoloket is de bodemopbouw van de projectomgeving in beeld gebracht. Het geohydrologische model REGIS II v.2.2 biedt inzicht in de verschillende lagen in de ondergrond. Een doorsnede is opgenomen in
50
onderstaande afbeelding. De bovenste circa 4 m bestaat uit een complexe eenheid van de Holecene afzettingen. Deze laag bestaat uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en weinig grof zand. Hieronder bevindt zich een zandlaag van de Formatie van Beegden van circa 15 m dik. Vervolgens is er een zandlaag van circa 6 m uit de Formatie van Sterksel. Hieronder is weer een zandlaag van m uit de Formatie van Stramproy die nog minstens 36 m diep is.
AFBEELDING: GEOHYDROLOGISCHEDOORSNEDE MET DE GLOBALE LOCATIE VAN HET PROJECTGEBIED TUSSEN DE VERTICALE STREPEN.
Grondwaterstanden Het plangebied ligt in het stroomvoerend regime van de Maas, oftewel gelijk naast de Maas. Hierom zal de grondwaterstand effectief gelijk zijn aan de Maaswaterstanden. Omdat Dinoloket peilbuizen niet representatief zijn voor dit gebied zijn de betrekkingslijnen van de Maas gebruikt om de grondwaterstand te bepalen. Gezien de nabijheid zullen Maaswaterstanden en grondwaterstanden nagenoeg gelijk zijn. Om een GHG te benaderen is de waterstand met een overschrijdingsduur van 45 dagen uitgelezen. Dit ligt op circa NAP +21 m. Verder ligt het projectgebied naast de gestuwde Maas, waardoor de waterstanden voor een groot deel van het jaar beperkt fluctueren. Alleen met hoogwater kan het uitgesproken fluctueren. Regenwatersysteem / omgang met hemelwater en afvalwater Verhard oppervlak Aan de hand van het ontwerp is het toekomstig verhard oppervlak van de ontwikkeling vastgesteld (zie navolgende afbeelding). De bebouwing heeft een verhard oppervlak van circa 5.130 m². Verder is het terrein verhard met stelconplaten en dit heeft een verhard oppervlak van circa 28.440 m². In totaal bedraagt het verharde oppervlak circa 33.570 m².
51
AFBEELDING: TOEKOMSTIGE VERHARDOPPERVLAK.
Berging Aan de hand van luchtfoto's en obliekfoto's is het huidige verhard oppervlak in beeld gebracht (onderstaande afbeelding). Een groot deel van het terrein bestaat momenteel uit verhard oppervlak. De bebouwing heeft een oppervlak van 5.005 m². De terreinverharding heeft een oppervlak van circa 8.500 m². Dit houdt in dat er circa 13.505 m² aan verhard oppervlak ligt.
AFBEELDING: HUIDIGE VERHARDOPPERVLAK.
Op basis van het huidige ontwerp van de planontwikkeling is er sprake van een toename van verhard oppervlak van circa 20.065 m². Planologisch gezien is er geen sprake van een toename van verhard oppervlak aangezien het terrein op zichzelf niet in omvang toeneemt.
52
Omdat de scheepswerf in het stroomvoerend regime van de Maas ligt en het hemelwater direct op de Maas geloosd wordt, dient het beleid van de Rijkswaterstaat opgevolgd te worden. Het schone hemelwater afkomstig van bebouwing en verhard terrein stroomt direct af naar de Maas en er hoeft geen hemelwaterberging aangelegd te worden. Afvalwater Door de aanpassingen in de beoogde ontwikkeling is niet voorzien dat het afvalwatersysteem veranderd. Hierdoor kan het huidige systeem behouden blijven. Overstort-/escapemogelijkheid Het hemelwater moet vrijelijk kunnen overstorten naar de Maas zonder daarbij overlast te veroorzaken.